Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Vrijdagmiddagborrel

24-10-2012

Suze zei geen vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets.

Suze zei geen vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets.

/ /

24-10-2012

De dagen waren niet zoals hij had verwacht, maar wat waren verwachtingen nu helemaal. Schetsen van iets wat komen gaat en dan heel anders blijkt te zijn. Als mensen, zomaar mensen, maar waarschijnlijker zijn ouders of beste vriend, zouden vragen of het was wat hij ervan verwachtte, zou hij ‘ja’ zeggen. Niet omdat hij een leugenaar was, maar omdat de verwachting alleen maar een schets was geweest en de werkelijkheid met zwarte lijntjes eroverheen was gegaan.

 Het was in elk geval niet tegengevallen. Tot nu toe waren de collega’s redelijk vriendelijk en de werkdruk nauwelijks voelbaar. Ze waren de communicatie afdeling van het bedrijf en zaten daarom ze op de tweede verdieping, net boven personeelszaken, maar ver onder de ruime afdelingen boven, waar het geld werd verdiend, of ‘gemaakt’. Boven spraken ze zoveel Engels dat ze spraken over ‘geld maken’. Boven hadden ze betere koffie. Boven waren de secretaresses mooi. Boven werden maatpakken gedragen, beneden truien. Thijs en zijn collega’s hoefden ook niet in pak, ze waren de creatiefste afdeling. Vanuit deze vrijheid was een ander soort uniform ontstaan van comfortabele skateschoenen, een geruit bloesjes en een verwassen jeans.

 Zijn collega’s hadden stoppelbaardjes en dronken latte’s. Ze stuurden apps naar elkaar door en gingen naar dezelfde feestjes en concerten. Elke vrijdag was er de borrel voor het hele bedrijf. Dit deden ze meestal in de bar die ook in het kantoor zat, zo kon het hele bedrijf gezamenlijk de week afsluiten. In praktijk betekende dit dat de geldmakers bijeen kwamen, personeelszaken om vier uur dicht ging en dat zijn afdeling een biertje dronk in hun eigen hoek. De gesprekken waren net zo niksig als de tapijttegels die bij personeelszaken op de grond lagen, maar toch bleef iedereen komen naar deze merkwaardige bijeenkomsten.

 Thijs wist wel waarom hij bleef gaan, het was niet voor de gesprekken, niet om te netwerken en ook niet voor het bier. Zijn reden was Suze. Suze hoorde bij het groepje vrouwen van Sales, vrouwen met glanzende haren en hoge hakken. Vrouwen die lekker roken en mooie nagels hadden. Vrouwen die razendsnel op hun twitter tikten dat het weer tijd was voor de vrijmibo. Zo zeiden ze dat ook tegen elkaar. ‘Zie je zo op de vrijmibo?’

 Suze zei nooit vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets. Misschien dat ze daarom zo geliefd was bij veel van de mannen op kantoor. Ze was niet de mooiste van het bedrijf. Eigenlijk had ze best een grote neus. En als ze een glaasje wijn had gedronken loenste ze een beetje. Over dat loensen hadden Thijs en zijn collega’s het al gehad. Ze waren het erover eens: dat loensen was goed, geil. Mariëtte, de enige vrouw op de afdeling had geschamperd dat mannen van loensende vrouwen houden omdat het hen een gevoel van mogelijke ontsnapping geeft. Bij een schele vrouw heb je nog een kans dat ze niet zag dat je hand even op bil van de secretaresse hebt gelegd, zei Mariëtte. Er waren veel momenten waarop Thijs wilde dat hij het geluid van mensen uit kon zetten. Dat hij even met zijn vingers zou knippen en dat hij zou zien dat de mond bleef bewegen, maar dan zonder geluid. Bij Mariëtte had hij het vanaf de eerste dag gehad.

 Suze stond met haar rug naar de groep toe, ze stond in een kringetje met twee andere Sales vrouwen en een man die op de allerhoogste verdieping werkte. De twee vrouwen lachten om zijn grappen, kregen rode konen van de wijn, zo voor het avondeten. De mooiste vrouw legde zo nu en dan even haar hand op de hand van de man, die een ring droeg. De andere vrouw lachte zo hard ze kon, kreeg het er warm van en moest dus wel haar bloesje steeds verder openen.

 ‘Thijs, wat doe je?’ Hij draaide zich om. Mariëtte stond voor hem. ‘Je bent weinig spraakzaam vandaag’. Thijs probeerde langs haar heen te kijken, want Suze liep nu naar de bar. Mariëtte volgde zijn blik. ‘O, het loensende kutje, is dat het?’

 Vrouwen die vulgair werden van alcohol. Het ergste wat er was. Het liefste zou hij ze allemaal dronken voeren, in vliegtuigen stoppen en boven de oceaan eruit gooien. Dat ze dan nog half zouden gillen: ‘Jeeminee wat een wind zo tussen mijn benen’. Waarschijnlijk was er onvoldoende draagvlak voor dergelijke plannen, bedacht Thijs terwijl hij naar Mariëtte keek. Mariëtte kwam steeds dichterbij met haar gezicht. Ze rook naar make-up en alcohol. ‘Hmm, je bent een beetje een stille hè. Zo eentje van stille wateren, diepe gronden, is het niet?’ Thijs zei niets. Ze duwde haar borsten naar voren. Het waren mooie borsten, ze was net op vakantie geweest en haar decolleté had een diepbruine kleur gekregen. Later zouden daar rimpels komen en voordat het zover was moest ze een man vinden.

Ze lispelde in zijn oor. ‘Soms is je blik op iets gericht, een doel, een ver doel. En je vecht en vecht en doet je best, je kunt er niet van slapen. Terwijl, al die tijd, al die tijd, serieus, al die hele fucking tijd,’ haar stem werd steeds scheller, ‘het gewoon voor je neus was. Hier.’ Ze keek hem aan. Het leek of haar gezicht gecentrifugeerd was.Verfrommeld, zo zag ze eruit, met rode vlekken. Ze sloeg haar glas achterover. ‘Ik moet maar eens gaan.’ Thijs keek om zich heen, zijn collega’s lieten elkaar iets zien op hun telefoons. ‘Dat lijkt me een goed idee, tot maandag Mariëtte’. Het herhalen van een naam, een afwijking voorbehouden aan boze ouders, docenten en de volksstam die zichzelf intercedente noemt. Hij hoopte dat het zou werken, dat dit dronken schepsel die tik op haar vingers zou voelen. Maar in plaats daarvan draaide ze zich om en zei ze met lijzige stem: ‘Dat lijkt me een goed idee, tot maandag Mariëtte.’ Hij voelde dat hij een kleur kreeg en probeerde zich te herpakken. ‘Je gaat toch niet rijden, nu?’ Ze zuchtte. ‘Nee, ik ga lopen naar Nieuw-Vennep. Jezus man, kom jij eigenlijk wel van deze planeet of kom jij uit lamlulland?’ Ze pakte haar handtas en zwalkte richting de deur.

 Thijs keek haar na, zijn collega Björn kwam haar tegen bij de deur. ‘Ik bel wel even een taxi voor haar’ zei hij tegen Thijs. ‘Loop jij even met haar mee, zo kan ze echt niet de weg op.’ Thijs knikte en liep naar de lift. Daar stond ze te wachten, met haar hoofd tegen de muur geleund. Ze had nog niet op het knopje gedrukt. ‘Björn heeft een taxi voor je gebeld, ik ga even met je mee naar beneden, om je uit te zwaaien.’ Ze wisten allebei dat het niet zo was. Hij liep mee naar beneden omdat hij er net werkte en omdat Björn het zei.

 Ze stapten in de lift. Ze werden omringd door hun spiegelbeeld. Thijs fantaseerde dat hij Mariëtte bij haar haren pakte en met haar gezicht tegen de spiegels duwde terwijl hij schreeuwde: ‘Kijk nou, jij waardeloos stuk vrouwmens, kijk nou toch eens goed, ik walg van je.’ Maar in plaats daarvan stak hij zijn handen in zijn zakken en keek zwijgend hij voor zich uit.

 ‘Dag Gerard’, hij groette de portier, terwijl hij Mariëtte aan haar arm mee sleepte. Het was zijn tweede echte baan, en bij de eerste had hij geleerd vrienden te worden met al het ondersteunend personeel. Groet de secretaresses, kantinedames, portiers en schoonmakers. Op een dag ben je het toegangspasje kwijt en heb je ze allemaal nodig om zonder al teveel gezeik aan een nieuwe te komen of je oude terug te vinden.

 De schuifdeuren gingen open, het was bijna voorbij. Ze stonden buiten nu, in een landschap van grijze kantoorgebouwen met hier en daar een boom of iets wat een boom moest worden, maar voorlopig met een paaltje en zwart bandje in een bak stond. Voor het kantoor stond een betonnen bak met viooltjes voor een warm welkom. Het waaide altijd bij het kantoor, daarom lunchte iedereen bij mooi weer toch binnen.

 Mariëtte had haar hoofd op zijn schouder gelegd, haar ogen waren nu dicht. ‘Hmm’, kreunde ze zachtjes. Thijs keek naar de vliegtuigen die over vlogen, ze zaten vlakbij de luchthaven hier. Ideaal voor internationale zakenpartners. Ideaal voor al die mensen van boven. Hij keek op zijn telefoon. Zeven minuten al, hij besloot dit nog drie minuten vol te houden. Hoelang voordat een taxi er moet zijn eigenlijk? Er stond iets over in de krant, maar hij kon het zich niet herinneren, of ging dat nou over ambulances?

 Er waren tien minuten om. Er was geen taxi te zien. ‘Mariëtte, ik ga nu naar boven, maar blijf hier wachten, de taxi kan er elk moment zijn.’ Ze keek hem met lodderige ogen aan. ‘Maar je ging toch mee om mij uit te zwaaien? Ik vind dit nog niet echt wat je zegt een waardig afscheid.’ Ze kwam dichtbij met haar gezicht, ze sloot haar ogen, en deed een poging hem te zoenen. Thijs wende zijn gezicht af en gaf haar een zet, ze wist nog net haar evenwicht te bewaren door zich aan de bak met viooltjes vast te grijpen. Zonder om te kijken liep hij door de draaideur weer naar binnen, zonder te groeten passeerde hij Gerard.

 In de lift keek hij in de spiegels. Het gaf hem wel iets bijzonders, die woede. Hij straalde een kracht uit die maar weinig mannen hadden, en hij al helemaal niet. Als herboren stapte hij de lift uit. Björn kwam net het toilet uit gelopen. ‘Ah, is het gelukt?’ Thijs knikte, ‘jij nog een biertje?’ Hij liep terug de bar in en voelde opluchting toen hij zag dat Suze er nog was.

 Suze keek zijn richting uit, hij probeerde de oerman te zijn die zij nodig had, of waarvan hij zeker dacht te weten dat ze die nodig had. Ze leek zich te vervelen, keek op haar horloge en rommelde in haar tas. Ze stond op het punt om weg te gaan, zoveel was duidelijk. Thijs dronk zijn biertje in twee slokken op, ging met het tweede in zijn hand naar haar toe en tikte op haar schouder. ‘Sorry, volgens mij kennen wij elkaar nog niet.’ Ze draaide zich om, langzaam, alsof ze wist dat hij daar had gestaan en op haar schouder zou kloppen. ‘Nee, volgens mij ook niet’ zei ze. Hij pakte zijn kaartje. ‘Hierop staat mijn naam en functie, en hier voor je sta ik dan in het echt.’ Hij bestudeerde haar gezicht. Ze leek deze introductie wel te kunnen waarderen.

 ‘Ik ging er net vandoor’ zei ze. ‘Ik zie het’ zei Thijs. ‘Mag ik er dan nu langs?’ Hij bloosde, ging opzij. Hij moest iets zeggen nu, voordat ze weg zou zijn, voordat hij elke borrel moest overslaan uit schaamte, voordat iemand anders haar zou veroveren, haar zou huwen, haar zou bezwangeren. Er moest iets gebeuren nu. ‘Hou je van koffie?’ Hoorde hij zichzelf uitbrengen. De ergste zin ooit. Maar ze draaide zich om en gaf hem een scheef lachje. ‘Ja, ik hou wel van koffie.’ Nu was het tijd te handelen, de man te zijn die hij in de spiegel al had gezien. ‘Dan zien we elkaar morgen rond elf uur in het koffiehuis bij de brug.’ Ze bestudeerde zijn gezicht, op haar gezicht een minzaam glimlachje. ‘Zo zo. Ik waardeer je enthousiasme, maar misschien kan ik wel helemaal niet, je bent wel heel erg zeker van je zaak hè.’ Het duizelde Thijs een beetje. Ze sprak tegen hem, niet tegen iemand anders, maar echt tegen hem. Lange zinnen, tegen hem. ‘Dus je kunt niet?’ ‘Nee, wel goed luisteren nu. Ik kan wel. Zie je morgen.’ Ze liep weg, Thijs bestelde nog een rondje bier. Best een leuk bedrijf dit, en zo’n gezellige borrel ook.

 Hij sliep slecht die nacht. Hij woelde, had het te warm, zijn dekens leken te kort voor zijn lichaam en de wekker maakte abnormale hoeveelheden geluid. Hij zag Suze voor zich, hier in dit bed, in dit huis, bij hem in de keuken. Ze was overal en glimlachte alleen maar. Eindelijk viel hij in slaap.

-Stilte-

 Het was nog donker toen de telefoon ging.

–         Thijs?

–         Ja? Wie is dit?

–         Björn hier. Jongen, dit ga je niet geloven, het is zo fucked up.

–         Wat?

–         Mariëtte.

–         Mariëtte?

–         Ja, ze is er slecht aan toe.

–         Wat bedoel je ze is er slecht aan toe?

–         Ze heeft een dodelijk ongeluk veroorzaakt.

–         Jezus.

–         Ze botste frontaal op iemand van de zaak, misschien ken je d’r wel.

–         Wie

–         Suze, jeweetwel, van sales.

–         Nee, godverdomme, nee.

–         Zij is dood, Thijs. En Mariëtte wordt nu geopereerd.

–         …

–         Thijs?

 Thijs sloot zijn ogen. Deze werkelijkheid was te lelijk. Hij besloot te gaan slapen tot de zon hem zou wekken. En dan om elf uur naar het koffiehuis. Daar bij de brug.

 

Gamma

24-09-2012

‘Krijtwit op roomwit’ mompelde hij.

‘Krijtwit op roomwit’ mompelde hij.

/ /

24-09-2012

 ‘We hebben het toch vorig jaar toch nog allemaal gedaan?’ Zei Ronald, vermoeid.

‘Nee, niet alles hoor- zeker niet. De trap, de kozijnen, de deuren, de tafel en de kasten. Dat wel. Maar jij was toch ook niet zo enthousiast over het resultaat toen?’ Zei zijn vrouw terwijl ze een stapel kleurenwaaiers op de keukentafel smeet. 

Ronald legde zijn krant neer en probeerde te glimlachen. ‘Niet enthousiast…niet enthousiast… nou, dat valt ook wel weer mee, het is meer dat ik weinig verschil zag toen. En het was wel veel werk. Ik heb nog vier dagen vrij moeten nemen en daarna nog acht sessies fysiotherapie er tegenaan moeten gooien, weet je nog?’

‘Weinig verschil! Weinig verschil!’ Schamperde zijn vrouw. ‘We gingen verdomme van melkwit naar roomwit- en dat is zeker een verschil geweest- want ik ben het nu al spuugzat. De muren komen op me af. We moeten het opnieuw doen- anders trek ik het niet meer hier. En liefje, je mag een beetje schilderwerk niet de schuld geven van je zwakke gestel. En trouwens, ik verzin dat niet hè, dat het verschil heel groot was. Elise zei het nog: het lijkt wel een ander huis. En zij, zij heeft er verstand van. Kom, trek je jas aan.’

‘Mijn jas?’

 ‘Ja, en zeg je afspraak met de mannen even af, we gaan naar de Gamma.’ Zei zijn vrouw terwijl ze de autosleutel pakte en het keukenlicht uitdeed.

Ze zwegen in de auto. Zij reed- het was haar Range Rover en bovendien vond ze dat hij reed als een bejaarde met polio. Dat zei ze zo: Je rijdt als een bejaarde met polio. Hij keek uit het raam, de vinexwijken trokken aan hen voorbij. Ronald had zijn vrienden een groepsbericht gestuurd, gezichtsverlies kon hij allang niet meer lijden. Toen hij ze had verteld dat hij Brigitte ten huwelijk wilde vragen, was het stil geworden in de kroeg. Zijn beste vriend Marc had geprobeerd de mening van de groep te verwoorden. De groep stond in hun bier te kijken en Marc had zijn keel geschraapt en had gezegd: ‘Maar Brigitte is een kutwijf.’ Marc was altijd een man van weinig woorden geweest. De groep was wel naar de bruiloft gekomen, maar niemand had getuige willen zijn. Daarom had Ronald zijn broer die naar Canada geëmigreerd was, gevraagd. Die vond het een grote eer en ook Brigitte was tevreden met deze keuze omdat ‘vrienden komen en gaan’. De vriendengroep van Ronald was al meer dan vijfentwintig jaar bijeen- maar zijn vrouw had nu eenmaal altijd gelijk.

 Waarom was hij met haar getrouwd? De reden was hem inmiddels ook een beetje ontglipt. Ze was mooi geweest, en lief ook misschien. Op haar manier dan. Brigitte was er geweest toen hij alleen was. Hij hield niet van alleen zijn. Hij kon er niet tegen, alleen zijn. En zij was daar. Plots was alles heel vlug gegaan. Hoe precies, hij wist het niet meer- en wat maakte het ook uit- ze waren getrouwd en hij kon geen kant meer op.

 Het parkeerterrein van de bouwmarkt was rustig- maar Brigitte wilde een plekje direct naast de ingang. Ze parkeerde haar Range Rover pal naast een Fiat Panda die nu behoorlijk klemgereden was. ‘Moet je maar niet zo’n kutauto rijden’ zei zijn vrouw. Ze stapte uit en liep de bouwmarkt in zonder te kijken of Ronald de auto al verlaten had. Hij haalde diep adem en liep achter haar aan.

Bij de verfcounter stond ze nu, ze drukte vier keer achterelkaar op het belletje op de toonbank. Ze keek getergd om zich heen. ‘Waarom gaat het toch allemaal zo langzaam’ klaagde ze. Ronald had afgeleerd terug te praten bij dergelijke opmerkingen en keek voor zich uit. Een pukkelige jongen van een jaar of zeventien kwam aan de balie. Brigitte begon haar verhaal- verf wilde ze- en snel- want de kleuren die ze nu had dreven haar tot waanzin. Daarna pakte ze de kleurstaaltjes uit haar tas en toonde ze haar twee favorieten aan de jongen. Die pakte daarop twee A4’tjes uit een grote ladekast en zei: ‘Dit is een groter formaat van de staaltjes, zo heeft u een beter idee van de uitwerking van de kleuren.’ Brigitte boog zich over de vellen en draaide zich naar Ronald. ‘Wat denk jij?’ Dit was linke soep. De vraag kon niet onbeantwoord blijven, maar het verkeerde antwoord zou de toon voor de komende twee dagen zetten. Hij slikte en keek. Twee vellen wit papier hield ze vast. ‘Krijtwit’ zei ze terwijl ze het linkerpapier bewoog, ‘Of toch eiwit?’ zei ze, terwijl ze met het andere papier wapperde. Ronald wist niks te zeggen. Zijn vrouw trok haar mondhoeken misprijzend naar beneden. Kennelijk was het overduidelijk. Ze draaide zich om naar de jongen. ‘Krijtwit’ zei ze. ‘Ik denk erover veganist te worden, namelijk. Schiet natuurlijk niet op als je het hele huis eiwit verft. Doe maar twintig liter. En vijf liter lak ook. En rollers en kwasten, de hele reutemeteut- Pak van alles maar het beste- ik heb geen zin in die armoe van haren uit je kwast.’ De jongen knikte. Brigitte was de enige persoon die Ronald kende die in geen enkele winkel haar spullen zelf moest pakken. In supermarkten kwam ze niet- dat was Ronald’s taak. Betalen deed ze ook niet-, dat was ook Ronald’s taak.

Thuis aangekomen, pakte ze de trapleer en zei ze tegen Ronald: ‘Doe maar even een stukje, daar bovenaan de wand, van 25 bij 25 centimeter ofzo. Dan krijg ik een indruk van de nieuwe sfeer die zal ontstaan.’ Hij klom op de trap en nam de kwast van zijn vrouw aan. ‘Krijtwit op roomwit’, mompelde hij. Brigitte stond naast de ladder en zei ‘Niet als een homofiel- gewoon een mooi vierkant, met een beetje kracht alsjeblieft’. Het vierkant was bijna af, Ronald had buikpijn. Zijn vrouw zat gehurkt bij de potten met lak- ‘Verdomme, volgens mij zijn we opgelicht. Kijk, deze lak heeft wel dezelfde naam, maar is veel geler dan de muurverf, moet je zien.’ Ze keek op en versteende toen ze zag wat Ronald aan het doen was. Hij had zijn shirt uitgetrokken en tilde de pot muurverf op, het deksel lag naast zijn voeten. Het was een zware pot en het kostte hem moeite het ding om te keren boven zijn hoofd. Toen het lukte, liet hij los. Met een doffe klap viel de pot op zijn hoofd. Een verfpot met een lijf, dat was hij nu. Het vergde nogal wat van zijn nek, dat wel. De verfpot dempte het gekrijs van Brigitte, de verf dempte alles. Het voelde koud en zwaar en de verf droop langzaam over zijn schouders, borst, langs zijn benen naar beneden. In zijn ogen liep verf, in zijn oren liep verf, in zijn mond liep verf. Hij begon te hoesten en de wereld begon te draaien. Snel zou hij beginnen te braken en in zijn eigen braaksel kunnen stikken, met zijn kop in het krijtwit. Met een ruk werd de pot van zijn hoofd getrokken.

Zijn vrouw was woedend geworden- ze krijste met de verfpot in haar hand. Of hij gek geworden was- wat wel in de lijn der verwachting lag- of hij haar dan geen geluk gunde- en of hij godverdomme eens aan de parketvloer kon denken. Die vloer was hem inderdaad even ontschoten- deze actie zou weleens lelijke plekken kunnen opleveren. Hij ging zitten, bovenaan de trapleer. Brigitte was in de keuken, ze was aan het bellen- ze klonk nog steeds van streek. Haar hakken klakten op het parket. ‘Ze komen er zo aan’ zei ze toen ze terugkwam. Ronald klom het trapje af en zei: ‘Wie?’

‘De ambulance liefje, ik denk dat je overwerkt bent.’

‘Aha, de ambulance. De ambulance. Eén of twee?’

 ‘Hoe bedoel je?’  

 De tweede pot muurverf was nog gesloten, maar de lak was al open. Ronald pakte het potje en greep Brigitte bij haar keel. ‘Eén of twee liefste? Eén of twee? Want jij en ik, wij horen toch bij elkaar liefste?’ Brigitte huilde en probeerde met haar hoofd te knikken, maar dat ging moeilijk door zijn hand. Hij praatte door. ‘Je hebt helemaal gelijk, de muren komen ook op mij af- wat dat wel niet met een mens kan doen hè. Maar wat weet ik er nou van- ik ben je vriendin Elise natuurlijk niet.’ Zijn vrouw snikte. Ronald keerde de pot lak om, boven het hoofd van zijn vrouw. De lak zat in een kleiner potje, de substantie was dunner dan die van de muurverf. Brigitte’s haar en gezicht waren volledig bedekt onder de lak. Het rook niet naar waterbasis. ‘We krijgen wel veel dorst hè, van al dat klussen.’ Ronald dronk uit het blik. Zijn vrouw huilde nog steeds. Uit de verte klonken sirenes. ‘Stil maar liefste, het duurt niet lang meer’ zei hij. Hij nam nog een flinke slok en daarna gaf hij zijn vrouw een lange gepassioneerde tongzoen.

Hond

23-09-2012

Het beest was zo opgetogen dat het ogenblikkelijk begon te plassen.

Het beest was zo opgetogen dat het ogenblikkelijk begon te plassen.

/

23-09-2012

Het donkerblauwe pak met gouden knopen was gestoomd bij de duurste stomerij van de stad. Grover Willensteijn had het in de ochtend met zorg gekozen en aangetrokken. Hij was tweeënzestig, maar kon voor begin vijftig doorgaan. Hij was een verzorgde man met goede manieren. Een man die deuren open hield voor vrouwen en niet op straat at. Een man met verzorgde nagels en handen. Een man die rechtop liep op schoenen van hoge kwaliteit. Een man met een keurig huis en een neus voor goede wijn. Een kenner van literatuur en klassieke muziek.

Willensteijn liep door het winkelcentrum van de kleine gemeente waar hij woonde. Hij bezat een zeker elan waar dit winkelcentrum geen enkel verstand van had. Dat hij hier terecht gekomen was, kwam door de brief die hij in zijn linkerhand droeg. Het  postkantoor uit zijn buurt bleek te zijn afgeschaft en te zijn verplaatst naar een kantoorboekhandel in het winkelcentrum. Hij hield niet van onverwachte wendingen in zijn dag en een gesloten postkantoor was daar een duidelijk voorbeeld van. Hij keek om zich heen. Voor de winkels stonden borden met aanbiedingen, vol met spelfouten. Spelfouten die de Nederlandse taal niet verdiende, dacht Willensteijn. Steeds vaker begon hij te denken dat de wereld waarin hij leefde, de mensen om hem heen, dat eigenlijk alles- alles een complot was. Een complot waarin de stupiditeit in het leidingwater werd gestopt en het achterlijke woord via de beeldbuis werd verspreid.  Een complot waarin grote lelijke mensen in slecht zittende kleding het recht namen- met een vanzelfsprekendheid die zowel tenenkrommend als verbazingwekkend was- om zich uit te spreken over alles wat los en vast zat. Mensen die een frituurpan in hun bezit hadden en dan boven de bakken druipend vet samenschoolden en een referendum tegen het buitenland hielden, of tegen boeken. Het waren de kinderen die eendjes doodslaan met een stok. Ze waren volwassen geworden en liepen hier- hier in dit winkelcentrum op felgekleurde rubberen schoenen met gaten erin. Praktische schoenen waren het, dat zeker. Voor op van die feestjes waar ze met zijn tienduizenden naartoe gaan, allemaal hetzelfde gekleed. Valt er eentje neer, dan loopt iedereen door. Eroverheen, als dat de kortste route naar de bar is. Handig, die schoenen. Zo kan de smerigheid van de uitgedrukte mens makkelijk worden afgespoeld.

Willensteijn bekeek de etalages. Plastic kleding op goedkope poppen, felle kleuren en rekken vol met waar in slechte kwaliteit. Bejaarden schuifelden voor hem uit, ze waren gekleed in een kleurenwaaier die alles tussen beige en stront toonde. Een jonge moeder met een disproportioneel achterwerk liep met een winkelwagen. Voorin, in het zitje een dik roze kind met ook van die schoenen aan. Het kind staarde apathisch voor zich uit terwijl zijn kwijl naar beneden droop, over zijn kin, over de duwstang van de winkelwagen, als dikke draden doorzichtig slijm langzaam naar de grond. Het broertje van het kind stond te krijsen naast de wagen. Dit kind was ook dik en roze maar had iets meer haar en ook meer tanden. De moeder graaide in de boodschappenwagen en duwde de twee kinderen een grote gekleurde lolly in de handen. De kwijl van de kleine was nu groen met blauw geworden en liet sporen achter op de vloer van het winkelcentrum.

‘Grover!’ Klonk het plots achter Willensteijn. Hij kromp ineen- wie noemde hem nu nog bij zijn voornaam. Zijn moeder misschien, maar die had hij lang geleden al begraven. Niet zijn vrienden, een handjevol slechts, die eigenlijk meer kennissen waren. Zij noemden hem bij zijn achternaam en zouden bovendien niet in dit godvergeten oord rondlopen. Toch werd zijn naam steeds duidelijker geroepen. Hij draaide zich om en zag een vrouw van een jaar of vijftig in een lichtgroene broek hurken terwijl ze zijn naam riep. Qua uiterlijk had ze alle hoop en inzet laten varen, zoveel was duidelijk. Haar haren als vergeelde suikerspin, een lichaam dat aan alle kant uit haar broek probeerde te ontsnappen, tanden geel met zwart en diepe wallen onder haar fletse ogen. Met doorrookte stem riep ze nogmaals ‘Grover!’ Uit de bloemenstal kwam nu een harig beest aangesneld- luid keffend snelde het dier langs zijn baasje, in een rechte lijn, zo op Willensteijn af. Het beest begon zonder omhaal het linkerbeen van Willensteijn te berijden. De donkerblauwe broekspijp werd smerig, het beest liet haren, speeksel en hondenvoorvocht achter. Willensteijn stond als versteend en kokhalsde toen hij de vlekken zag. ‘Grover heb er de laatste tijd gewoon superveel zin an’ zei de vrouw in de lichtgroene broek, toen ze het beest had aangelijnd. Willensteijn had zijn mond tot een streepje getrokken, maar de vrouw was alweer doorgelopen en nu stond hij daar, vol met briljante reprimandes en snedige antwoorden. Hij stond daar, zomaar, misplaatst en alleen. Een echte heer met een vieze broekspijp in een winkelcentrum.

Na het ongeloof dat hem zojuist had overvallen, kwam nu de vastberadenheid. Hij liep achter de vrouw aan, het was tijd om verhaal te halen. Hoe kon iemand zijn naam, zijn edele voornaam nu zo misbruiken? Het stuk pus met bont, aangelijnd en wel, gewoon zomaar zijn naam geven. Het moest haast wel een complot zijn, dit, dit alles. Maar hij, Grover Willensteijn, besloot het niet langer lijdzaam te ondergaan. Het was genoeg geweest. Hij liep de supermarkt in, langs de groenten en het fruit, langs het vlees en de wijn, en vond de vrouw bij de chips terug. Natuurlijk bij de chips. De vrouw was zojuist een bekende tegengekomen die een donderbruin gelooid decolleté toonde, ook een doorrookte stem had en lange nepnagels met zebraprint. Ze sprak luid en vertelde dat ze vanaf nu ‘lekker haar ding aan het doen was’ en de vrouw in de lichtgroene broek knikte begripvol. Maar het beest- het beest was er niet.

Binnenmonds vloekend liep Willensteijn terug naar de ingang waar het klappoortje hem er niet uit wilde laten- onhandig klom hij over het hekje. Hij keek om zich heen en vond zijn naamgenoot rechts voor de winkel. Het dier kwispelde toen hij Willensteijn zag aankomen. Het beest was zelfs zo opgetogen dat het ogenblikkelijk begon te plassen. Het plaste een ongelofelijke hoeveelheid knalgele pis, zo tegen de kleine helikopter waar ouders van krijsende peuters een euro in gooiden voor een minuut rust. Willensteijn wachtte tot het beest was uitgeplast en nam toen de riem die om een prullenbak heen gewikkeld was. Hij keek om zich heen- niemand die op hem lette. Niemand die ergens op lette. Zo snel hij kon liep Willensteijn met het dier de supermarkt weer in.

De hond kwispelde opgetogen en Willenstein liep langs de groenten en het fruit, langs de wijn, langs de chips, waar de vrouwen nog steeds stonden, hij nam het beest mee richting de uiterste hoek van de supermarkt. Hier lagen alle diepvriesproducten. Het was rustiger, hier klonk alleen het gezoem van de vriezers. De hond keek schuin omhoog toen Willensteijn tot hem sprak: ‘Beste Grover, het spijt me, maar het is voor iedereen beter zo’. Na deze woorden schoof hij het vriesvak open en tilde hij de hond op. Hij zette het beest kwispelend tussen de Mexicano’s en de Pikantjes, niet ver van de rundvleeskroketten. Nu schoof hij de vriezer weer dicht. Het beest kefte, jankte en piepte, maar de dikke glazen platen maakten dat het geluid verdween in het gezoem van de vriezers.

Voldaan liep Willensteijn richting de kassa’s, nu hij toch hier was besloot hij het er maar van te nemen en een pak chocomelk aan te schaffen. Dat gaf hem dat gevoel van vroeger, toen alles beter was en de mensen beleefd. Hij zou er graag nog over mijmeren op een bankje, maar hij had nog een brief te posten.

Supermarkt

25-03-2010

Ik besloot dat het me niks deed.

Ik besloot dat het me niks deed.

/

25-03-2010

Na een paar weken belde je op. Ik kwam uit mijn werk, zat op de fiets en nam mijn telefoon op.

 Hoi.

Ja, hoi met mij. Hoe gaat het ermee?

Niet zo goed.

Hoe bedoel je?

Deze dag- ik weet niet. Het lukt niet. Deze dag lukt me niet.

Oh, jammer te horen. Ik sluit trouwens ook even onze gezamenlijke bankrekening, dan is dat ook maar gedaan.

Ja.

Okee, spreek je later, doei

Doei.

 Zo gaat dat dus. Ik besloot dat het me niks deed. Ik fietste door en vergat mijn afslag te nemen. Fietste terug, bedacht wat ik ook alweer aan het doen was. Boodschappen. Ik zette mijn fiets vast op alle sloten, bij de ingang. Dat had jij altijd onzin gevonden, zoveel moeite voor die paar minuten. Maar ik had geen geld voor een nieuwe fiets en ook geen haast bovendien. Ik had bijna nooit meer haast.

 Ik liep naar de ingang, alles leek onscherp te zijn geworden, de mensen, de aanbiedingen, de logo’s van de supermarkt op de blauwe vlaggen. Alleen de dakloze bij de ingang was niet onscherp. Zijn roodgevlekte huid, grijze haren en felle groene ogen keken recht door me heen. Ik deed was de andere mensen deden. Ik keek weg met een raar lachje waarmee ik wilde zeggen: ‘Het spijt me dat je daar staat, ik heb wel twee euro, maar geef ze niet. Ik zal ze waarschijnlijk uitgeven aan een biertje ergens, dat ik dan lauw laat worden en niet opdrink, een pakje kauwgum dat ik kwijt zal raken in een van mijn honderd handtassen of aan een stuk chocola waarvan ik spijt zal hebben dat ik het überhaupt kocht.’

 Ik liep door. Nu was het slechts een kwestie van een mandje pakken, boodschappen verzamelen, afrekenen en wegwezen. Gewoon, zoals iedereen dat doet. Het mandje liet ik achter me aan slepen, ze hadden lange hengsels en wieltjes tegenwoordig. Dat was dan vooruitgang.

‘Nooit boodschappen doen als je honger hebt’ hoorde ik mijn moeder zeggen. Ook nooit boodschappen doen als je geen honger hebt, zou ik daaraan toe willen voegen. Ik had geen honger en geen dorst. Ik had een blauwe mand en geen idee wat te doen. Denk na, zei ik tegen mezelf. Pakte toen mijn telefoon, bestudeerde mijn spiegelbeeld in het display. Wat zou zij eten?

 Ik wist wat jij lekker vond, dat was wat ik kocht. Dat was wat ik at. Nu kocht jij het zelf.

Fruit, bedacht ik. Fruit is altijd goed, mensen eten fruit. Twee stuks per dag en een appel om de dokter weg te houden. En groenten dan ook. Geen fruit zonder groenten, of zoiets.

 Mannen in pakken liepen bellend langs, stopten bij de kant-en-klaar maaltijden, gristen wat weg en stonden alweer bij de kassa, waar ze met plastic kaartjes betaalden en weer verdwenen.

 Kant-en-klaar eten, ik besloot er ook naar te gaan kijken, voor de vorm. Ik at geen eten uit plastic bakjes waarbij het leek of er vier ingrediënten in zaten, maar op de onderkant van het bakje dertig beschreven stonden. Ik wilde niet geloven in het idee dat een paar minuten straling op een vis in een plastic bakje, een Toscaanse vis als resultaat zou hebben.

 Maar toch. Ik kon dat allemaal wel denken, maar voorlopig had ik niks dan twee tomaten, twee appels en een kiwi in mijn mandje. De mannen in pakken waren allang weg. Ik besloot het eten te kopen waarvan ik me kon herinneren dat ik er vroeger van genoten had. Instant aardappelpuree. Een collega vertelde ooit dat muizen het poeder graag oplikken, maar het dan wel met de dood moeten bekopen. Maar ik was geen muis en zou er bovendien gekookt water bij gooien. En een beetje magie, dat proces van poeder naar voedsel, kon ik wel gebruiken.

 Bij de kassa gaf ik de caissière een blauw kaartje, nu bespaarde ik 18 cent op de aardappelpuree. Daarna rekende ik af, en liep naar buiten, met een plastic zakje waarvan het niet de vraag was of, maar wanneer de hengels zouden breken. Kijkend naar de grond passeerde ik de dakloze, hij was in gesprek met een oudere dame.

 Thuis lengde ik het poeder aan met heet water, en het wonder van de puree voltrok zich voor mijn ogen. Ik sneed een tomaat in partjes en dronk een glas water. Ik at, nam een appel toe. Waste toen af, het afwasmiddel was haast op en ik lengde het in de fles aan met water. Droogde af, keek naar de plantjes op het balkon. Werken, leven, eten, meedoen. Zo gaat dat dus.

 

– Dit verhaal verscheen in 2011 in nummer 6/7 van het Hollands Maanblad.-

 

Dinsdag

10-02-2010

Het werk was niet moeilijk, de werkdagen kort.

Het werk was niet moeilijk, de werkdagen kort.

/

10-02-2010

 Ik overwoog de toetsen van mijn toetsenbord los te wrikken, een voor een, zodat ik een berg van plastic lettertjes zou hebben. Dan zou ik ze eerst op alfabetische volgorde leggen op mijn bureau, op de bureau-onderlegger die we hadden gekregen van de ijzerhandel Smit- waarvan iedereen weet waar die zit. Dat stond er tenminste, maar ik had geen idee en zou er ook nooit achterkomen want ik zou de lettertjes in mijn mond doen, om dan met volle mond naar de watertank te lopen. Met een bekertje water zou ik proberen ze door te slikken. De secretaresse zou een praatje met me willen maken bij het water en ik zou schaapachtig lachen met rare uitstulpingen in mijn wangen. Ik zou paars aanlopen, hijgen, kokhalzen en dan, met een beetje wilskracht, en wilskracht had ik de afgelopen twee maanden wel ontwikkeld hier, niks.

 Het werk was niet moeilijk, de werkdagen kort. Eigenlijk was alles heel overzichtelijk- maar van een soort overzichtelijkheid die maakte dat ik niets voelde, niets dan weerstand.

 Op dinsdagochtend tien uur was de redactievergadering. Dan kwamen we bij elkaar om het volgende nummer voor te bereiden. Het leek wel of ook het gebouw aanvoelde wanneer het dinsdag was. De werkkamers leken dan nog donkerder en de tl-verlichting deed de systeemplafonds nog beter uitkomen. De secretaresse maakte een kan koffie en een kan thee en vergat elke vergadering opnieuw de suiker op tafel te zetten zodat de verhitte discussies onderbroken moesten worden om het bekertje met suikerzakjes van het secretariaat te halen.

 De vergaderingen werden voorgezeten door Ab. Een grote man met barse stem maar ongetwijfeld onweerstaanbaar voor het type vrouw dat voorkomt in bouqet-reeks romans. Hij hoorde zichzelf graag spreken en lachte zo hard om zijn eigen grappen dat de tafel ervan schudde terwijl de rest van de redactie het gebulder gelaten uitzat.

 ‘Zo’, begon hij de vergadering. ‘Dames en heren wat gaan we doen voor het themanumer?’

‘Nou,’ begon Fieke, het jongste redactielid. ‘Misschien kunnen we iets doen met-‘

‘Jezus mina,’ onderbrak de adjuct-hoofdredacteur haar. ‘Zo kun je toch geen idee presenteren, jaja, misschien kunnen we wel iets doen. Tsjongejonge, weetje, we kunnen altijd wel IETS doen.’

Fieke beet op het plastic roerstaafje van haar koffie en keek naar beneden.

‘En dan ben ik misschien gek hoor, ja noem me maar gek, maar ik denk dan: dat noemt zich nota bene een journalist. Ideeen genereren! Ideeen genereren! Je bent jong- een leuke meid.’ ‘Jezus- hou nu eens op, dat heeft er helemaal niks mee te maken’ zei de nieuwsredacteur. ‘Laten we nu gewoon doorgaan en jij Ab, ik zat net te kijken ja, jij Ab, jij bent dik.’

We gingen verder. De aandacht verschoof naar mij.

‘Zo mevrouw de stagiaire, wat voor briljante ideeën ga jij te berde brenge?’

‘Nou’, begon ik en bedacht bij mezelf, geen misschien zeggen, geen misschien zeggen’ ‘We zouden een artikel kunnen schrijven over vakantiebestemmingen die misschien (o god nu zei ik toch misschien) niet zo voor de hand liggen. In het kader van het vakantienummer ofzo.’ (Jezus, nu zei ik ook nog ofzo)

‘Nou’, zei Ab. ‘Nu ook zij klaar is met orakelen, is het tijd voor de vrije ideeënronde. Iemand iets?’

De tafel werd door de aanwezigen met grote precisie bestudeerd. Zandkleur, met spikkeltjes. De meeste in twee tinten groen en hier en daar een rode.

‘Iemand nog een idee voor een briljante pennenvrucht?’

De tafel was opgebouwd uit losse elementen voor zoveel mogelijk flexibiliteit op de werkvloer.

‘Een stuk waarmee de nationale dagbladen zullen openen na onze publicatie?’

De tafel paste goed bij de kast met rode ordners met alle eerdere jaargangen erin opgeborgen.

Ab sloot af. ‘Dames en heren, ik wil dit graag even genoemd hebben. Het is zo dood –en doodzonde dat onze bijeenkomsten bijna elke week verzanden in lethargie.’

De tafel was ook heel eenvoudig te reinigen met een vochtig doekje.

‘Aan het werk, en tot volgende week’ zei Ab.

 Met een plastic bekertje koffie kwam ik onze werkkamer in. ‘Welkom in lethargië’, zei Walter. Hij keek tevreden naar zijn lunch: twee kroketten, een stroopwafel en de soep van de dag, kaassoep. Dit soort kost kreeg hij thuis niet, zijn vrouw zou zich wel afvragen waarom de grijze spencers van haar man steeds strakker gingen zitten. De jeugdpuistjes die op zijn voorhoofd stonden waren het enige aan zijn verschijning dat hem nog iets jongensachtig gaf. Tegenover hem zat Fieke, haar ogen rooddoorlopen. ‘Misschien, zei Ab, komt mijn slechte functioneren wel door mijn jeugd’ zei ze. ‘Ik ben opgegroeid met gescheiden ouders en daarom kan ik me niet goed staande houden hier, zegt hij.’ Ze beet op haar nagels staarde naar haar beeldscherm.

 Ik keek door het raam in de kamer. Het keek uit op een blinde muur.

 Ineens stond er een mager meisje in de deuropening. Ze hield zich vast aan de deurpost, haar huid licht, transparant bijna, als een vliesje om haar botten heen. ‘Hoi’ zei ze zachtjes, ‘ik kom even mijn spulletjes halen.’

Het was Lila, die hier werkte voordat Walter haar kwam vervangen. Ze was jong en mooi geweest, nu was ze alleen nog maar jong. ‘Ik blijf niet lang, ik moet zo weer naar de pijnpoli’.

 De anderen waren nu ook de kamer binnengekomen.

 ‘Zo wat leuk jou weer eens te zien’ zei Ab en iedereen wist dat ‘leuk’ niet het woord was, maar dat er ook geen ander woord was.

‘Ja, hoe is het hier?’

‘Zo zijn gangetje, je kent het wel, je hebt niks gemist’ zei de adjunct-hoofdredacteur en gaf haar een tikje tegen haar schouder. Hij leek nu wel een reus en zij een verdwaald elfje.

‘Hoe is het ermee?’

Het maakte niet uit wat ze zou zeggen. We zagen hoe het ermee was. Gelukkig maakte ze het niet erger dan het al was en zei ze: ‘Het gaat wel.’

Nu bleef het stil.

‘Nou, meid heel leuk dat je d’r was’ zei de secretaresse.

‘Ja’ zei de rest.

 Toen pakte ze haar spulletjes. Een knipselmap, een plakbandautomaat met roze bloemetjes en een gestreepte mok. Ze stopte alles in een Hema-tasje van de secretaresse en liep naar de klapdeur naar buiten. Daar stond haar vriend te wachten. Een knappe jongen was het. Groot met brede schouders, donkerblond haar en blauwe ogen. Aan zijn arm leek Lila een stukje zijde in de wind. Het zou snel gaan waaien. 

 

– Dit verhaal verscheen in 2010 in nr. 10 van het Hollands Maanblad.-