Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Tijd

09-11-2015

Zoals het gaat met mensen die zoeken.

Zoals het gaat met mensen die zoeken.

/ /

09-11-2015

Vroeger had hij er nooit op die manier over nagedacht, maar de tijd was als een stijgende waterspiegel. Waar hij eerst in een ondiep plasje water had gestaan, voelde hij het nu al halverwege zijn buik komen. Het water bleef stijgen en stijgen, tot de dag waarop het water hoger zou komen dan zijn eigen hoofd en dan zou het klaar zijn. Over, schluss.

Nadenken over ouderdom maakt oud, hield hij zichzelf voor. Voor zijn leeftijd was hij fit. Hij sportte veel en at weinig. Drinken zou hij nooit echt kunnen afzweren. Het was dan ook de drank die zijn leeftijd nog het meeste verried.

Over het algemeen was hij geen ontevreden man. Zijn cv was van indrukwekkende omvang, hij was voorzitter van diverse belangrijke commissies en verenigingen. Ook deed hij werk waarover de maatschappelijk consensus was dat het nut had. Hij was een belangrijk en nuttig man.

Zijn kinderen waren gezond en kwamen vaak naar het ouderlijk huis. Zijn vrouw was mooi en intelligent. Haar haren waren lang, haar gewicht verschilde nauwelijks met dat van dertig jaar geleden. De aantrekkingskracht was veranderd, maar verdwenen was het niet.

Toch stemde dit alles hem bij vlagen somber.

Hij zag waar het naartoe ging, dit allemaal. Hij zou achteruit gaan, zijn vrouw ook. Hun kinderen zouden kinderen krijgen en op een dag zou er een grote receptie worden georganiseerd met veel van de grote namen uit het veld. Ze zouden lovende, geestige woorden spreken en hij zou exclusieve whiskey krijgen uit zijn favoriete streek. En dan naar huis.

Hij was op zoek gegaan, misschien was het iets biologisch, dat zei hij tegen zichzelf. En zoals het gaat met mensen die zoeken, had hij ook gevonden. Ze had de carrière en ambitie die hij ook had. Ze was niet mooier, slimmer of grappiger dan zijn vrouw. Maar zij vond hem wel knapper, slimmer, grappiger dan dat zijn vrouw hem vond. Ze was onder de indruk van hem. Verzorgde hem. Was altijd blij hem te zien.

En ze was jong. Want goed geconserveerd of niet, in twintig jaar tijd verandert een mensenlichaam, zoveel was zeker.

Hij voelde zich weer jong, als vroeger. Hij ontmoette haar vrienden in de kroeg, zag hoe ze hun levens aan het opbouwen waren. Hoe ze met energie aan het groeien waren, klimmen, ontwikkelen.

Misschien kon het. Hij zou het kunnen doen. Opnieuw beginnen. Een familie. Kinderwagens, nieuwbouwwijk. Hij zou het kunnen doen. Zij had geen tijd te verliezen, dat wist hij.

Morgen zou hij beslissen. Of anders overmorgen. Of de dag daarna misschien.

Tijdschrift

11-06-2014

Opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad.

Opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad.

/ / /

11-06-2014

Het gevoel van euforie over het feit dat ze een baan had gevonden, was groot geweest. Een baan, en dan ook nog bij één van de betere bladen. Ze waren het eerste met trends, baby’s van beroemdheden en allerlei soorten nieuws. Het blad was goed bevriend met een aantal luxe merken die zich uitsloofden met cadeautjes aan de redactieleden in ruil voor positieve stukken, de kasjmier trui die Mimi vandaag droeg als stille getuige. Ook mocht ze soms tripje maken naar verre oorden om iemand te interviewen of voor een fotoshoot. Een droombaan.

Vandaag deed ze weer een interview met twee jonge vrouwen voor de ‘upcoming and fabulous’ rubriek. Alle bijvoeglijk naamwoorden in het blad werden zoveel mogelijk in het Engels gebruikt. Ze hadden afgesproken in een klein koffiebarretje met mannen met baarden die filterkoffie inschonken met een ernst die het midden hield tussen lachwekkend en angstaanjagend.

Mimi dronk haar koffie en wachtte op de afspraak. Ze schreef de rubriek sinds vier maanden en nog nooit was de geïnterviewde op tijd geweest. Meestal kwamen ze tussen de 7 en 14 minuten te laat, een enkeling ruim een halfuur.

Twee meisjes kwamen nu binnen. De een klein en een beetje stevig, met een korte bloemetjesjurk en een grote bril. Naast haar een lange, model-achtige verschijning met een wit bloesje en een heel klein spijkerbroekje aan haar romp en wijde laarzen aan haar voeten. Ze dragen allebei felgekleurde dure designertassen die ze nonchalant aan hun linkerarm laten bungelen. In hun andere hand een mobiele telefoon of tablet, of iets anders plats en glimmends. Hoewel het maar een paar dagen zonnig is geweest, zijn ze allebei diep gebruind.

Mimi staat op en stelt zich aan de meisjes voor. Ze voelt zich klein en dik en onbelangrijk nu. De meisjes blijken de barjongen te kennen en nemen met hem rustig het weekend door. Ook bij hen zijn de bijvoeglijk naamwoorden voornamelijk in het Engels, met hier en daar een zelfbedacht woord of woorden die Mimi gewoon niet kent.

Ze gaan zitten. Het meisje in de bloemenjurk drinkt Duitse cola, het meisje in het spijkerbroekje drinkt tarwegrassap. Vers geslow-juiced, er gaan vijf volle handen gras in de machine.

‘Er staat gewoon heel superveel druk op de twintiger anno nu,’ zegt het meisje met de grote bril en bloemetjesjurk. ‘Klopt,’ zegt het meisje in het spijkerbroekje, ‘superveel druk’.

Met grote moeite glimlacht Mimi. ‘Toch is het jullie gelukt een modelabel, een magazine en een parfumlijn uit de grond te stampen?’

‘Ja, dat is heel gek eigenlijk, toen we begonnen hadden we echt niet het idee van: nu gaan we iets heel groots doen ofzo. Maar mensen vonden het tof wat wij deden, kennelijk.’

Mimi kijkt naar de meisjes, vrouwen eigenlijk, maar opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad. Ook niet voor bijna-dertigers. Ze kijkt naar haar vragenlijstje. ‘Wat zijn de grootste opstakels die jullie hebben overwonnen?’

Deze vraag doet ze goed.

Met grote overgave geven ze een onvoorstelbaar saai en gedetailleerd verslag van de overtuigingskracht die ze nodig hadden bij hun eerste grote investeerder (de peetoom van de kleine) en hoe het verder ging met harde keuzes maken, tussen beige en gebroken wit, taupe en licht grijs. De kleuren van het nieuwe seizoen lagen in hun handen. Het was een superstressvol proces. En dat is het nog steeds, eigenlijk. Maar soms zien ze een meisje ergens op straat of in een club ofzo, en dan denken ze: die ziet er goed uit. Zul je altijd zien: zo’n meisje draagt dan één van hun creaties. Dat maakt het allemaal waard.

Ze praten nog zeker een kwartier door, maar Mimi denkt aan haar fiets die bij de fietsenmaker staat, tot hoelaat zou ze die nog kunnen halen? Ze denkt aan de pan die in de koelkast staat, met restjes curry van gisteravond. Die kan ze vanavond nog opeten. Geen boodschappen doen, fijn. Ze zucht, ze heeft eigenlijk helemaal geen zin in curry.

Het gepraat is opgehouden. Gelukkig heeft Mimi alles opgenomen met de ouderwetse dictafoon die op tafel ligt. Ze probeert zo neutraal mogelijk te kijken en stelt dan de laatste vraag van haar lijstje.

‘Wat zijn jullie tips voor de lezeressen die ook een bedrijfje willen beginnen?’

‘Doe wat je leuk vindt.’

Het meisje met het tarwegrassap knikt. Ze drinkt de bodem zorgvuldig leeg met haar rietje, prrrprrrr, klinkt het.

‘Veel dank voor jullie tijd,’ Mimi staat op en geeft ze een hand.

‘Kunnen we zelf de foto’s bij het artikel kiezen? Want dat zou ik wel fijn vinden.’ Zegt het dunne meisje nu.

‘De fotoredactie bepaalt welke foto’s erbij komen.’

‘Als ik het niet zelf kan bepalen, dan gaat het niet door,’ zegt het meisje met een hoog stemmetje. Er verschijnt een mierzoete glimlach op haar mond. ‘Snap je?’

‘Ik zal kijken wat ik kan doen.’ Mimi denkt aan de haaibaai van een fotoredacteur. Die gaat nooit akkoord met inspraak van derden. Mimi besluit het verzoek maar te vergeten. Iedereen vergeet wel eens wat en dit is wat ze vandaag vergeten is.

‘Superchill- nou, doei doei!’ Roepen de twee terwijl ze samen op de witte Vespa van hun bedrijf stappen, de kleine voor, de lange achter. Mimi pakt haar dictafoon en tas en wil naar buiten lopen, maar de barman roept haar terug. Of ze nog even de drankjes kan betalen- en de salades en broodjes die ze to go hebben meegenomen. ‘Ze zijn zeker vergeten af te rekenen’ zegt de baardman.

Iedereen vergeet wel eens wat, denkt Mimi. Zo zie je maar.

Toekomst

25-06-2014

Ze vragen niks, ze doen het gewoon.

Ze vragen niks, ze doen het gewoon.

/

25-06-2014

Jordi deed de deur open  van de slaapkamer van zijn zusje Lulu. Die zat daar op het tweepersoonsbed samen met haar beste vriendin Mimi. Het bed was bezaaid met tijdschriften en kleding. De televisie stond aan, maar de twee keken niet. Mimi was kleding aan het bekijken op haar Ipad en Lulu was een spelletje aan het spelen op haar telefoon.

 

‘Wat moet je?’  vroeg Lulu zonder op te kijken.

 

‘Mama vraagt welke pizza jullie willen.’

 

‘Tonno. Wij willen altijd tonno.’

 

‘Ja, wij willen altijd tonno,’ herhaalde Mimi zonder op te kijken.

 

Jordi haalde zijn schouders op en maakte aanstalten de kamer te verlaten. Toen draaide hij zich om en zei hij:

 

‘Weet je wat er gebeurt als je gewoon ergens een rij vormt met een groep mensen, zeg tien, vijftien man?’

 

‘Nou?’ Zei Lulu of Mimi.

 

‘Dan sluiten mensen gewoon aan. Ze vragen niks, ze doen het gewoon.’

 

‘Denk je?’  Zei Mimi.

 

‘Nee, dat is zo, ze hebben het wetenschappelijk onderzocht. Ze hebben het ergens in Amerika getest en er ontstond echt een rij.’

 

‘Bizar,’ zei Mimi. Nog steeds hield ze haar ogen strak op de Ipad gericht.

 

‘Ja.’

 

‘Jordi, doe je de deur achter je dicht?’ Zei Lulu nu met een vermoeide stem.

 

Hij deed de deur achter zich dicht en ging naar beneden. In de keuken vertelde hij zijn moeder dat de meisjes een pizza salami wilden. Altijd salami, voegde hij eraan toe.

 

Het vertrek van Jordi uit de kamer verlegde de aandacht van de meisjes naar de tv. Twee donkerbruin geverfde meisjes met neptieten vochten met elkaar in het bubbelbad van een villa waar ze met met tien anderen woonden in het kader van een sociaal experiment. Plukken haar vlogen alle kanten uit, maar het gaf niet, want het was toch nep.

 

‘Ik heb honger,’ zei Mimi terwijl ze geeuwde.

 

‘Ja, ik ook.’

 

‘Heb je eten in je kamer?’

 

‘Cornflakes.’

 

‘Heb je ook melk?’

 

‘Nee, alleen cornflakes.’

 

‘Okee.’

 

Ze aten cornflakes uit de doos. Op tv zat een gespierde jongen in een string op een olifant. Om hem heen de lokale bevolking van het tropisch oord waar hij naartoe was gegaan om zichzelf te vinden. De jongen zei later dat het een onvergetelijke ervaring was om bij een volk te zijn dat nog niet zo ver ontwikkeld was.

 

‘Kom, we maken een selfie,’ zei Lulu nu.

 

‘Niet teveel duckface he?’

 

‘Moet jij zeggen.’

 

‘Ik moet meer lippenstift,’ driftig graaide Mimi in haar grote leren tas.

 

‘Deze is beter.’

 

‘Okee, deze filter doen?’

 

‘Ja.’

De foto was nu een sfeervol plaatje in pasteltinten geworden.

Mimi pakte een potje nagellak uit haar tas. ‘Kijk, de nieuwe kleur van Chanel. Van mijn moeder gejat, merkt ze toch niet.’

‘Cool.’

‘Moet zondag weer mee naar mijn oma, mijn moeder appt me net,’ zei Mimi nu met een verveeld gezicht.

‘Weet je wat mijn oma altijd zegt? antwoordde Lulu, ‘Ze zegt: kinderen jullie zijn de toekomst. Wot de fak denk ik dan altijd- wat moet je daar nou mee?’

‘Ja, serieus wot de fak echt,’ zei Mimi nu ook terwijl ze haar nagels lakte.

 

Beneden klonk de deurbel.

 

‘Pizza’ zei Lulu.

‘Altijd tonno’ zei Mimi.

Tomaten

30-09-2013

‘We eten toch tomatensoep vooraf?'

‘We eten toch tomatensoep vooraf?'

/ /

30-09-2013

‘Het zijn de kleine dingen die je vertellen hoe iemand in elkaar steekt.’ Het mooie meisje pakte een plastic zakje en begon het met sperzieboontjes te vullen. Ze was erg zorgvuldig, ze pakte maar een paar boontjes per keer, bekeek ze nauwkeurig en zo nu en dan gooide ze er een lelijk boontje uit.

‘Hoe bedoel je?’ Haar vriendin keek ongeduldig naar het boontjesproces en pakte toen haar mobiel uit haar grote leren tas. ‘Alweer een gemiste oproep, echt om gek van te worden, ik hoor dat ding nooit. Maar als het belangrijk is, bellen ze wel terug.’ Ze stopte haar telefoon in haar leren jasje dat erg strak zat. Ze was niet onknap, maar wel een stuk minder feeëriek dan haar vriendin die nu bijna klaar was met die verdomde boontjes.

 

‘Nou, wat je nu net zegt, over dat terugbellen. Dat is precies wat ik bedoel.’

 

‘Hoe bedoel je?’

 

‘Nou, dat maakt duidelijk wat voor soort mens je bent, hoe je in elkaar zit. Je bent bijvoorbeeld chaotisch.’

 

‘Maar dat weet je toch gewoon van me? Dat heeft toch niks met die telefoon te maken?’

 

Het mooie meisje begon nu tomaten uit te zoeken. ‘Juist wel, eerst zit je telefoon in je tas, dan in je jas, en je hoort het niet wanneer je gebeld wordt. Ik durf te wedden dat je niet eens je eigen beltoon zou herkennen.’ Het mooie meisje glimlachte.

 

‘Hoeveel tomaten denk je eigenlijk mee te nemen zeg, we zijn maar met z’n viertjes hoor,’ zei de vriendin, een beetje kribbig nu. 

 

‘We eten toch tomatensoep vooraf?’

 

‘Jezus, maak je die echt van tomaten? Ze hebben hier gewoon blikken hoor, of zakken of glazen potten, het is 2013.’

 

‘Kijk, dat bedoel ik nou. Nu leer ik weer je ware persoonlijkheid kennen, het zijn de kleine dingen.’ Het mooie meisje ging door met het sorteren van de tomaten.

 

‘Ja, ik ben inderdaad een praktisch ingesteld mens. Zo kom je daar achter, ja.’ Driftig probeerde de vriendin de tomaten weer uit de zak te halen, maar het mooie meisje hield de zak met een serene glimlach zo ver mogelijk van haar vandaan.

 

‘Nou, je zult vast ook je praktische kanten hebben, maar liefje, dat is niet waar we nu tegenaan lopen.’

 

‘Noem me geen liefje,’ siste de vriendin.

 

Het mooie meisje  liet zich niet uit het veld slaan, de tomaten waren uitgezocht en het zakje werd in het mandje gelegd. ‘Ik denk eigenlijk dat we hier tegen nog een aantal eigenschappen aanlopen. Je kunt zeggen: ze is praktisch ingesteld. Maar eigenlijk getuigt je gedrag toch meer van luiheid en laksheid, beetje hedonisme, en dan nog..’

 

‘Wat dan nog?’ De vriendin keek woest.

 

‘Ik zeg dit als een vriendin, begrijp me niet verkeerd.’

 

‘Wat dan nog? Wat heb je nog meer weten op te maken tijdens deze analytische boodschappentocht?’

 

‘Hmm, ik bespeur een beetje vijandigheid.’

 

De vriendin pakte het zakje tomaten uit het mandje. ‘Zou het?’

 

‘Ja, ik denk dat het komt doordat ik zo dicht op de kern zit, dat kan heel confronterend zijn, voor veel mensen.’

 

Met een zwaai gooide de vriendin het zakje tomaten op de grond. ‘Zou het?’

 

‘Wat doe je nu?’ Het mooie meisje keek met grote ogen naar haar vriendin.

 

‘Zeg jij het maar, jij weet het toch allemaal zo goed te duiden?’ Met haar rechtervoet stampte de vriendin nu op het zakje tomaten. ‘Jij weet het toch allemaal zo goed? Wat zegt dit over mij, over deze tomaten, over het fucking heelal?’

 

Het mooie meisje keek naar haar vriendin. ‘Nu doe je een beetje raar, dat lijkt me niet nodig. Ben je bijna klaar?’

 

Een paar mensen keken meewarig naar de vriendin die op de tomaten stond. Toen de blikken te erg begonnen te prikken stopte ze met stampen. Samen met het mooie meisje pakte ze de laatste boodschappen. Er waren veel aanbiedingen. Ook de geplette tomaten rekenden ze af. Dat moest van het mooie meisje. Maar wat dat dan weer zei over het mooie meisje, daar brandde de vriendin haar vingers niet aan.

Tombola

03-04-2020

Dit was er van de wereld geworden.

Dit was er van de wereld geworden.

03-04-2020

Zoals het als middelbare scholier geweest was, zo voelde het ontwaken deze weken, maanden. Wazig, op zoek naar welke dag van de week het zou zijn en dan het moment waarop het klikte. Een toets, buitengym in de regen, een spreekbeurt voor Duits. Met de herinnering aan het programma werd het ongemak in haar buik vastgezet, genoeg om de dag vanaf het begin te verzwaren, elke beweging moeilijk te maken.

Soms huilde ze ineens olieachtige, hete, langzame tranen tijdens de meest banale handelingen als het ophangen van de was, het verzamelen van oud papier. Het waren dit soort handelingen die haar dagen nu vulden en hoe meer dagen er volgden, dagen zonder rugnummer, dagen zonder doel, hoe minder ze gedaan kreeg.

Niet eerder werd ze geregeerd door wat onzichtbaar was, door iets wat voor iedereen onbekend was, maar het enige gespreksonderwerp, het enige geluid dat als een lage bromtoon de hele dag een gevoel van ongemak resoneerde. Niet eerder was een bepaalde hoeveelheid leegte van levensbelang, niet eerder werden leefregels in kapitalen op de sociale media aanbevolen. Ze voelde zich verstrikt in een onzichtbaar web van maatregelen, gevaren en grafieken, een onvrije amateur in het leven.

Je kunt nog zoveel, zeiden de optimisten die wezen naar groter leed op andere plekken. Een nogal perverse vorm van troost, een drenkeling vertellen dat het fijn is dat ze niet in brand staat. Dan waren er de optimisten die spraken over campagnes van liefde, gemeenschapszin en berichten van wonderbaarlijke genezingen. Er waren trollen die nergens in geloofden, behalve deze tijd als de start van de totale vernietiging van alles. Er waren stoïcijnen die glad als natgeregende kiezelstenen leken, een binnenwereld verborgen hielden. Waar ze zelf toe behoorde wist ze niet, elke dag heen en weer geslingerd tussen standpunten, haar gevoelsleven nauw verwant aan het laatst gelezen artikel.

Menselijk contact werd voorzichtig aanbevolen tegen somberte, tegen het verdwijnen in de brij van tijd, uiteraard enkel volgens de spelregels. Daarom wandelde ze zo nu en dan op gepaste afstand met bekenden, hoewel die afspraken nu ook langzaam opdroogden. Het voelde ongepast, het was misschien toch niet verstandig. Allemaal woorden niet eerder de kern vormden van haar leven, van welke afspraak dan ook.

De thuiszittende mensen deden intussen flink met grapjes en filmpjes, met spontane virtuele bijeenkomsten, met tekeningen en knuffelberen voor het raam. In de winkels werd er gezwegen en werden de verplichte winkelmandjes na gebruik ontsmet door een jongen die vroeger stelselmatig genegeerd werd als onderknuppel en nu een cruciaal beroep bleek te hebben.

Dit was er van de wereld geworden, een tombola waarvan de spelregels elke dag werden gewijzigd. En nu de mensenlevens zich steeds meer binnenshuis afspeelden, bedacht ze een manier om nabijheid te voelen, een manier zonder overtredingen.

Elke dag fietste ze een stukje, korte stukjes, een minuut of tien hooguit. Ze nam afslagen die ze niet kende, fietste door doodlopende straatjes in uitgestorven woonwijken. Dan zocht ze naar de fietsenrekken met het beste uitzicht op de straat, fietsenrekken waar een plekje vrij was, het liefste naast een goed uitziende fiets. Haar barrel zette ze er netjes neer, verstandig op alle sloten, hoewel ze zich niet kon voorstellen dat een fietsendief nu nog een afnemer zou vinden. Ze gaf haar zadel een bemoedigend tikje, en liep dan rustig terug naar huis.

’s Nachts droomde ze van gebeurtenissen in de straat waar haar stalen ros logeerde, leefde ze de avonturen van haar fiets. Zo was er het geflirt met de Van Moofs, het opschrikken van een auto die voor het rek parkeerde. Ze droomde over gesprekken en roddels, voelde de aanraking van fietsen die opzij werden geduwd door bewoners, voelde schrik van de botsing met een voetbal van spelende kinderen. Ze rook de sigaretten van hondeneigenaren, ze rook de dauw van de vroege ochtend.

Deze manier van leven maakte haar nachten tot dagen en vulde haar hoofd met een vrijheid die ze eerder verloren was. En wanneer ze zich dan uitrekte, voelde het of haar banden een beetje lucht kregen.

Na het ontbijt wandelde ze naar haar fiets, een hoofd vol verhalen. Bij het weerzien streelde ze zachtjes over de bagagedrager om daarna samen een nieuw plekje uit te zoeken.

Transformatie

08-04-2013

Hier zijn we wie we werkelijk zijn.

Hier zijn we wie we werkelijk zijn.

/ /

08-04-2013

‘Welkom bij deze alles veranderende ervaring’ zegt de man met de witte tanden. Hij spreekt Nederlands maar op een vreemde gelikte manier, die wat Amerikaans aandoet. Hij heet Glenn en weet zijn korte naam zo uit te spreken dat hij lang klinkt, als Robberto of Dimitri.

We zitten in een zaaltje van hotel, geen lullig hotel, maar een van de betere van de stad. Buiten schijnt de zon, maar wij zijn hier om ons leven te veranderen. Meer energie, meer zelfvertrouwen, minder stress, je innerlijke kompas vinden en volgen, de volgende grote stappen nemen, een huid die straalt. Alles in vier dagen voor een kleine 600 euro. Geen geld voor de rest van je leven. Stel nou dat ik nog veertig jaar leef, dan is dit 0,04109589041096 cent per dag, voor elke dag geluk.

Ik kijk om me heen. Wat voor mensen zouden hun leven drastisch willen veranderen? Iedereen zo te zien. We zijn van alle leeftijden en achtergronden. We hebben plannen, dromen, ideeën en vooral: angsten. Maar er wordt aan gewerkt- zegt het hyperactieve team van health and lifestyle consultants. Ze lachen bemoedigend en zijn aanrakerig tijdens gesprekken.

 

We beginnen met een voorstelronde. De jongen naast mij mag eerst.

‘Hoi, ik ben Harold en-‘

 

‘Ho- mag ik je even stoppen hier?’ Glenn glimlacht en staat op. Hij praat met veel handgebaren. ‘Lieve mensen- hier zijn we niet de naam die onze ouders ons geschonken hebben. Hier zijn we wie we werkelijk zijn. Ik ben Glenn- en jij heet Harold. Je hoeft al die verwachtingen niet meer mee te nemen- al die ideeën die bij Harold horen. Je bent hem niet- misschien kies je, zoals ik voor een nieuwe naam, misschien ook niet. Maar op dit moment ben je niet Harold- zo heet je alleen maar.’ Hij glimlacht en knijpt in de schouder van Harold die schaapachtig kijkt. ‘Ga maar door- je kunt het.’

 

Harold woont in een nieuwbouwhuis met zijn vriendin, werkt ‘in de ict’ en is zoekende. Net als Marc die na zijn scheiding toch niet vond wat hij zocht, ondanks de vele vluchtige contacten in zijn penthouse. Net als Gerda- de huisvrouw die op haar kleinkinderen past en vrijwilligerswerk doet- ze wil meer. Net als Cherryl, een carrièrevrouw die dankzij haar personal trainer fitter is dan ooit, maar nog steeds leegte voelt. Dit is de groep mensen waar ik toe behoor. Wat een misère.

Ik ben aan de beurt. 

‘Nou, ik heet..-’

‘Wacht, ik stop je daar even- ik voel dat we de energie kwijt zijn in de groep.’ 

Glenn heeft zijn ogen gesloten en masseert zijn slapen. ‘We gaan even een klein oefeningetje doen en daarna verder hiermee. Volg mij maar.’

Als eendjes hobbelen we achter hem aan door de hotelgangen. We nemen de lift naar beneden, dan staan we in de spa van het hotel. Een elegante zonnebankbruine dame staat ons op te wachten.

‘Welkom allemaal- ik ben Mariska en ook ik heb de eer onderdeel te zijn van jullie transformatie. Om nu in de juiste, prettige en veilige flow te raken, gaan we eerst wat oefeningen in het water doen. Pak maar een badpak of zwembroek van de tafel daar en kleed je om.’

Kort daarna staan we in het water- de tranformatiekandidaten, niet Glenn of Mariska. Zij staan met een grote glimlach aan de rand. Vijf bleke gezichten kijken beteuterd terug.

‘Eerst gaan we heel stil staan’ zegt Mariska terwijl ze haar handen voor haar borst vouwt. ‘Adem in en uit- voel hoe je onderdeel bent van het alles- hoe je het water bent. Hoe alles één wordt. We gaan nu een mantra zingen, blijf stil staan met je ogen gesloten en doe mij na.’

Iedereen humt met gesloten ogen. Ik doe mijn best maar begin nogal af te koelen in het zwembad. Ook Gerda lijkt het moeilijk te hebben, haar lippen paars van de kou. Ik kijk stiekem naar Harold, die naast me staat.  Zijn lichaam is wit met paarse vlekken, en stil staan lukt hem niet meer.

‘Sorry’ zegt hij. Maar iedereen humt door. ‘Sorry- mag ik-‘ Iedereen humt maar door. Ik sluit mij ogen ook weer- egoïsme zal onderdeel van mijn transformatie zijn. Ik kies voor mezelf, het is verdomme mijn transformatie. Dan hoor ik een snik. Ik open mijn ogen.

 

Beteuterd kijkt Harold naar beneden. Zijn handen zijn niet langer gevouwen, hij staat in een lichtgele wolk.

 

‘Gadverdamme’ zeg ik. Het hummen houdt ineens op.

 

‘Het komt door de kou’ zegt Harold.

 

‘Maak je geen zorgen, we zijn juist trots dat je je nu al zo hebt durven laten gaan’ zegt Glenn. Mariska knikt instemmend. ‘Ik ben heel trots op je, dat je je nu al zo kwetsbaar hebt durven opstellen, en we staan nog maar aan het begin. Lieve mensen, kijk naar Harold en geef hem de liefde die hij nu nodig heeft. En kijk daarna naar jezelf en stel je dan de vraag of je dit ook zou durven.’

 

‘Durven?’ Zeg ik.

 

‘Sorry, maar jij bent nog niet voorgesteld, van jou kunnen we nog geen vragen beantwoorden.’

 

Glenn lacht naar de groep en knikt. ‘Laat het maar gaan allemaal- laat het allemaal maar gaan.’

 

Schuin voor me zie ik langzaam een gele wolk om Gerda’s onderlijf ontstaan.

 

Ik durf niet te kijken wat er achter me gebeurt.

 

‘Bevrijd jezelf! Laat het allemaal gaan!’

 

Het hummen begint weer, we moeten onze ogen weer sluiten. Ik sluip naar het trapje aan de zijkant van het bad. Glenn staat daar te wachten.

 

‘Waarom denk je dat je je niet mocht voorstellen? Ik zag al dat je er niet klaar voor bent. Je bent misschien wel willing, maar niet able. En we doen geen refunds trouwens. Veel succes in de toekomst.’ 

Trein

28-02-2013

Het begon nu echt oncomfortabel te worden, deze treinreis.

Het begon nu echt oncomfortabel te worden, deze treinreis.

/ /

28-02-2013

Zadie zat in de trein en keek om zich heen. Ze zuchtte. Nog maar twee stations en dan naar huis fietsen. Het was opnieuw koud geworden, deze winter overtrof alle winters die ze eerder meemaakte. Dat waren er 29 in totaal.

In haar handen een boek, een goed boek waar ze maar niet doorheen kon komen. Lange stroperige zinnen en ingewikkelde plotwendingen, volgens haar vriendenkring echt briljant. Ze verlangde naar de Cosmopolitan die het meisje voor haar aan het lezen was. ’27 briljante sekstips’, ’jeans voor elk lichaamstype’ en ’14 vakantie hotspots’. Daar kon je tenminste wat mee, geen geneuzel over moeilijke liefdes van ondoorgrondelijke personages, geen langdradige beschrijvingen van pittoreske omgevingen, maar gewoon een handleiding voor het leven. Zo heb je seks met iemand, deze broek moet je dragen (deze twee gingen niet helemaal samen, hoewel de juiste jeans vast een hoop zou kunnen bereiken) en hierheen moet je op vakantie. Het meisje met de Cosmopolitan stond op en stapte uit, op haar plek ging een man zitten, misschien meer een jongen, eigenlijk.

Ze probeerde verder te lezen, gluren was zo onbeschaamd en bovendien viel ze op lange mannen en hij was een korte. Ze las: ‘met de moed der wanhoop wederkeerden zij, echter niet voordat de dagen en nachten zich verder en verder van haar verwijderden, terwijl…’ Kutboek.

‘Goed boek?’ De jongen, ja, het was meer een jongen, begon te praten.

‘Ehm , ja heel goed, ik ben helaas een beetje te moe om me er echt op te kunnen concentreren geloof ik.’ Ze geloofde het haast zelf.

‘Ja, dat ken ik. Sorry, dit klinkt een beetje cliché, maar kennen wij elkaar niet ergens van?’

‘Ehm, denk je dat?’

‘Ja, je komt me zo bekend voor.’ Hij knikte geestdriftig.

Zadie dacht heel hard na terwijl ze zijn gezicht bestudeerde. Hij zag er in haar ogen tamelijk nietszeggend uit, wat zoveel betekende als dat ze hem vast weleens had gezien, maar toen niet had onthouden.

De jongen gaf niet op.

‘Kom je weleens bij de Zeppos?’

‘Soms, naja, heel zelden eigenlijk.’

‘De Vuig?’

‘De wat?’

‘De Vuig’

‘Niet dat ik weet,’

‘Nou, dat zal wel niet.’

‘Nee.’

‘De Potters dan?’

‘Nee.’

‘De Doerak?’

‘Nee.’

‘Het duveltje?’

‘Oh jezus, nee. Kom jij daar?’

‘Soms.’

De trein stopte, het volgende station was voor haar.

‘Ik weet zeker dat we elkaar eerder gesproken hebben- laat me even denken.’

Zadie begon naar haar boek te verlangen, dat saaie boek. ‘Misschien hou je me voor iemand anders?’ Probeerde ze.

‘Onmogelijk. Laat me even denken, misschien hebben we gemeenschappelijke vrienden.’

 ‘Oja, dat zou kunnen.’

Hij werd weer enthousiaster.

‘Ken je misschien, es even kijken, Dennis de Vlaai, of Tim de Vries of Hilda Jongstra, Marijn Kooijmans, of Nina Rozenstraat?’

‘Ehm sorry, nee.’

‘David Post, Karin Swart, Jochem Hoekstra, Sanne de Jong of Femke Bakker?’

 ….

Het begon nu echt oncomfortabel te worden, deze treinreis. De jongen wist niet van ophouden.

‘Okee, nog 1 poging- je kent vast wel Jody, kut ik weet zijn achternaam niet- met dat haar, die Jody weetjewel.’

‘Ik ken geen Jody.’

‘Echt niet? Bizar. Maarre, Mariska- Ja, Mariska Veen ken je vast wel, ja toch, iedereen kent Maris. ‘

Ze zuchtte. ‘Kennelijk ben ik niet iedereen.’

‘Welke scholen heb je gezeten?’

‘De Wegwijzer, het Comenius en toen de RUG.’

‘Raar- ik zat op allemaal andere, maar ik weet zeker- wij kennen elkaar.’

 

Ze glimlachte ongemakkelijk. Ze mocht er bijna uit.

 

‘Je ouders, dan hoe heten zij? Of broers en zussen, heb je die?’

‘Ik moet nu echt gaan’ zei ze terwijl ze haar tas pakte. ‘Fijne dag nog.’

 

Haastig liep ze over het perron waar het hard waaide. Achter haar hoorde ze haar naam, het was de jongen uit de trein. Hij schreeuwde dat hij het weer wist, waar ze elkaar van kenden, maar al snel piepten de treindeuren en gingen ze dicht. Zadie stond op het perron en zag de trein steeds kleiner worden tot hij helemaal verdwenen was.

Trots

26-11-2015

Stilstand is hen gegeven.

Stilstand is hen gegeven.

26-11-2015

‘Wat goed dat er zoveel vrijwilligers zijn’, zeggen de mensen blijmoedig tegen elkaar. Na weken van uitstellen sloot ook ik me aan bij het leger van goedbedoelenden.

Ik kan schrijven over hoe graag de kinderen wilden meedoen met het knutselen, hoe hun ouders flauwtjes glimlachten met droeve ogen.

Ik kan schrijven over alle andere vrijwilligersprojecten die ik zag.

Ik kan schrijven over de tapijttegels, tl-verlichting, grauwheid.

Ik kan schrijven over de kleuters die met elkaar op de vuist gingen. Over het jongetje dat maar om aandacht bleef vragen. Over de te korte broeken. Over de poepluier die maar niet verschoond werd. Over de taalbarrière.

En dan iets positiefs, over hoe trots we mogen zijn dat er zoveel initiatieven voor gevluchte mensen bestaan.

Maar laat me schrijven over de schaamte die ik voelde toen ik er was. Ik schaamde me voor de omstandigheden waaronder we deze mensen laten leven. Ik schaamde me voor het voedsel. Ik schaamde me voor de schraalheid. Ik schaamde me voor de onzekerheid waarin ze maandenlang moeten leven. De procedures zijn niet gestart, ze hebben geen geld. Hun kinderen gaan niet naar school.

Ik voel me getuige van diefstal. Want waar ik altijd probeer om zoveel mogelijk dingen te doen op een dag, mijn tijd nuttig te besteden, stelen we uren, dagen, maanden, van onze medemensen. Stilstand, enkel stilstand hebben we hen gegeven. Ze worden niet meer continue met de dood bedreigd, maar menselijke waardigheid gaat over meer dan dat.

Ik schaam me omdat ik niet geloof dat ‘we doen wat we kunnen’. Ik schaam me voor de schorre kelen en bange protesten waarmee de komst van een AZC wordt verhinderd. Ik schaam me voor het gebrek aan medemenselijkheid.

Ik schaam me omdat mijn leven tien kilometer buiten het AZC zoveel beter is, niet omdat ik een beter mens ben, maar omdat ik nou eenmaal een betere kaart getrokken heb.

Tuin

08-04-2015

Het leek wel een kunstproject.

Het leek wel een kunstproject.

/ /

08-04-2015

Kruid, onkruid, kronkelplant, gras, paardenbloem, donkergroen plantje, lichtgroen plantje… eigenlijk had ze geen idee wat ze aan het doen was in deze tuin die ooit door iemand anders met veel liefde werd aangelegd en nu was overgeleverd aan haar onkundige handen. Volgens haar vriendin met groene vingers zou ze niks fout kunnen doen in deze tuin, ‘Het is zo’n oerwoud, ga maar lekker los,’ had ze gezegd. Dat probeerde ze nu te doen, lekker losgaan in het oerwoud.

Na een uurtje woest knippen, wroeten en scheppen lag er een grote berg groen naast haar op het tuinpad. Hier en daar kroop een slakje, die pakte ze voorzichtig op om ze ergens anders neer te zetten. Ze kon zich herinneren dat haar oma slakken met bier uit de tuin probeerde te verdrijven, maar in deze tuin lagen de verhoudingen anders. De tuin was net zoveel van de slakken als van haarzelf als van niemand in het bijzonder.

Ze ging even zitten op het gammele stoeltje van het witte bistrosetje dat de vorige eigenaar had achtergelaten. De takken van het buxushaagje bewogen lichtjes, een klein vogeltje kwam tevoorschijn, keek even rond en verdween weer in het struikje. Nieuwsgierig hurkte Britt voor het haagje, zouden er meer vogeltjes in zitten? Ze zag geen vogeltjes. Wel zag ze iets blauws, links achter de buxus, een beetje in de hoek van de tuin. Voorzichtig duwde ze de plant opzij.

Nu kon ze het beter zien, het leek wel de rubberen onderkant van een schoen. Een schoen in een veel grotere maat dan de hare, een schoen die hier zo te zien al een hele tijd geleden terecht gekomen was. Britt wurmde zich langs het haagje om de schoen te pakken. Nu stond ze in het stukje tuin dat normaal gesproken onzichtbaar was door de afschermingen van de buxus en schuttingen.

Het was inderdaad een schoen, een herenschoen in grote maat, minstens maat vijfenveertig, schatte ze. Ze boog voorover om de schoen te pakken, maar toen ze de schoen vasthield voelde hij zwaar, van schrik liet ze hem weer vallen. Er zat iets in de schoen, zoveel was duidelijk. Waarschijnlijk was het gewoon regenwater, stelde ze zichzelf gerust. De binnenzool had het regenwater vast opgezogen. Maar misschien, en het was deze optie waar ze nerveus van werd, woonde er wel een muizenfamilie in de schoen. Met een angstig gezicht gaf ze een klein schopje tegen de schoen die voor haar op de grond lag. Er kwamen geen muizen uit. Ze haalde diep adem en pakte de schoen aan de veters vast. Met een zwiep gooide ze hem over het haagje, op de berg groen die ze al had verzameld. Met trillende handen wrong ze zich weer langs het haagje naar het tuinpad.

Ze liep naar binnen, waste haar handen en dronk een glas water. Daarna pakte ze de rol met vuilniszakken en wandelde ze weer naar buiten.

Best een gedoe eigenlijk, zo’n tuin.

Ze trok de werkhandschoenen die ze bij de supermarkt had gekocht aan en begon de bladeren en takken in de vuilniszak te stoppen. De schoen was een beetje van de berg afgerold en lag naast haar op het tuinpad. Snel pakte ze hem bij de veters vast, maar ditmaal keek ze ook naar wat ze aan het doen was. Toen zag ze ineens waarom de schoen gewicht had, hij was niet leeg, er zat geen regenwater in en ook geen muizenfamilie. Wel een voet. Een aangevroten, vergane kapotte, ontlijfde voet.

Met een gil liet ze ze schoen vallen. Ze rende het huis in en zocht naar haar telefoon. Die was zoals gewoonlijk bijna leeg, dus zocht ze eerst naar de lader. Het snoer zat erg in de knoop waardoor ze alleen onhandig dicht bij het stopcontact kon telefoneren. Ze dacht even na, wie zou ze bellen? Het was niet echt een spoedgeval, maar politie was wel een goeie. Ze legde haar telefoon weer weg, en liep naar haar computer. Politie bellen maar geen spoed, welk nummer was dat nou toch? Ze vond het nummer en belde. De stem aan de andere kant van de lijn zei dat ze er meteen aankwamen en dat ze niks moest aanraken in verband met het sporenonderzoek.

De drie agenten belden een halfuur later aan, ze liepen meteen door naar de tuin. Een van hen ging met Britt naar binnen om een verklaring op te nemen aan de keukentafel. Het duurde niet zo lang. Toen kwamen de andere twee weer binnen. Ze zeiden dat ze onderzoek wilden doen en dat er niemand in de tuin mocht komen. Britt vroeg of ze koffie wilden, dat wilden ze allemaal wel.

‘Gebeurt dit wel vaker?’ Vroeg Britt, in een poging een gesprekje te beginnen met deze vreemde mensen in haar keuken. ‘We maken veel mee, mevrouw,’ zei de jonge agent die een donsachtige baardgroei had. ‘Als u wilt, kunnen we u in contact brengen met slachtofferhulp,’ zei de agente met de lange bruine vlecht. ‘Het was niet mijn voet,’ zei Britt. ‘Dat zien wij ook wel,’ zei de agente, ‘maar zoiets kan toch een grote impact hebben.’ Britt knikte.

De agenten verzegelden haar tuindeur en stonden op. De voet namen ze mee in een plastic zakje. Het leek wel een kunstproject. ‘U hoort van ons’ zeiden de agenten.

De volgende dag stond haar tuin vol met mensen met lange en korte functie-omschrijvingen en namen. Halverwege de ochtend werd besloten een graafmachine uit te laten rukken. De volledige tuin werd ondersteboven gekeerd, de buxus uitgetrokken, de klimop vernield.

Er werd niks gevonden en ook geen sorry gezegd. De huisbaas was uit zijn humeur over de puinzooi en Britt besloot te vertrekken naar een ander onderkomen, iets met een balkon.

Sindsdien was er niks veranderd, behalve dan dat elke keer wanneer Britt iemand zonder linkervoet zag, ze weer terug dacht aan die dag dat ze ging tuinieren en er niks aan de hand was.

Vakantie

17-02-2019

Soms droomde ze met open ogen, soms was ze wakker met ogen dicht.

Soms droomde ze met open ogen, soms was ze wakker met ogen dicht.

17-02-2019

De verveling was er langzaam ingeslopen, ongemerkt – de lijn tussen comfort en saaiheid was dun. Ze had alles waar ze ooit op had gehoopt, naar had verlangd, gestreefd. En nu verveelde ze zich te pletter.

Het huisje in het vakantiepark, de stationwagen, de kwispelende hond, de kinderen die zeurden of ze naar het zwembad mochten, haar man die een boek zat te lezen op de bank. Met alles in haar lichaam probeerde ze zich vervuld te voelen, gelukkig en trots. Ze had niets te klagen, niets te wensen. Toch lag ze al dagenlang in een joggingpak op de bank te staren naar de witte muren, naar de fletse kunstwerken aan de muur.

‘Mama heeft een beetje te hard gewerkt, ze moet uitrusten,’ hoorde ze haar man tegen de kinderen zeggen. Het was lief en het was onjuist. Ze had hard gewerkt, maar niet te hard. Misschien had ze wel te zacht gewerkt. Zelfs in haar werk was de verveling geslopen, was het plezier haast ongemerkt weggelopen, gemorst.

Man en kinderen verlieten met veel gedoe het huisje om nog eens naar het tropisch zwemparadijs te gaan. Daarna zouden ze patat gaan eten en boodschappen gaan doen, wat haar zeker vier uur rust zou geven.

Maar rust waarvan precies? Ze sloot haar ogen en probeerde in slaap te vallen. De afgelopen dagen had ze steeds in een soort sluimerstand doorgebracht, halfwakker, halfslapend. Soms droomde ze met open ogen, soms was ze wakker met ogen dicht.

Het was niet dat ze spijt had van haar keuzes. Ze had geen spijt van haar kinderen, haar man, haar baan. Zelfs van deze vakantie kon ze geen spijt hebben.

Er was niks mis.

Niet met het huisje, het park, zelfs niet met het weer.

Dat ze hier lag, kwam enkel doordat ze niet meer kon voelen, al maanden niet. Geen spijt, geen blijdschap, geen boosheid, geen verdriet, geen honger, geen energie. De laatste weken was ze als een zombie opgestaan, aangekleed, naar haar werk gegaan. Ze had leuke dingen gedaan, had geborreld met vrienden, verjaardagen gevierd, was met de kinderen naar de dierentuin geweest.

Ook had ze zich al verdiept in wat er mogelijk mis zou kunnen zijn. Overspannen, burn-out, oververmoeid, een tekort in vitamine b12, of toch een mysterieus virus of syndroom… Google was onuitputtelijk gebleken, maar geen enkele diagnose wist haar echt te overtuigen.

Ze stond op van de bank om koffie te gaan zetten. Van koffie was nog nooit iemand slechter geworden. Terwijl het apparaat begon te pruttelen en druppelen keek ze uit het keukenraampje dat uitzicht bood op het kronkelende schelpenpad richting het strand.

Vanuit de verte zag ze een man in een gele regenjas naar beneden lopen. Hij droeg kaplaarzen en had een grote grijze baard die in de wind wapperde. In zijn rechterhand een houten stok, een staf haast. Het geheel was indrukwekkend en vreemd, maar belangrijker nog: het haalde haar voor een moment weg van de staat waarin ze tot dat punt in had verkeerd.

Ze schonk een kop koffie in en en slofte terug naar de bank. Ze zette de tv aan en keek zonder met haar ogen te knipperen naar het thuiswinkelkanaal dat een serie van obscure uitvindingen presenteerde. Ze overwoog de chopstar waarmee je komkommers kon doorknippen, het ergonomische hoofdkussen en de trilplaat waar je alleen maar op hoefde te staan voor een complete workout.

Langzaam dommelde ze weer een beetje in, de afstandsbediening gleed uit haar hand, viel op de grond waar het klepje aan de achterkant losliet en de batterijen wegrolden onder de bank.

‘Dat is niet handig’, hoorde ze een zware stem zeggen. Verschrikt keek ze op. In de kamer stond de man met de regenjas. ‘Hoe, hoe komt u hier binnen?’ vroeg ze hem. ‘De deur was open en ik heb zin in koffie,’ zei hij met een kalme vanzelfsprekendheid die haar nog verder verwarde.

‘Wij kennen elkaar niet, dus sorry, nee. En ik moet alleen zijn,’ zei ze.

‘Geen zorgen, ik kom alleen voor een bak koffie en ga dan weer. Ik zie dat je nog hebt staan.’

Hoofdschuddend liep ze naar het keukentje en schonk ze de man een kop koffie in.

‘Melk, suiker?’

‘Zwart .’

De man was aan de eettafel gaan zitten, de houten stok leunde tegen de muur. Het leek alsof de man op een andere schaal gebouwd was dan zij, dan alles in de ruimte. Hij was reusachtig. Zwijgend zette ze de koffie op tafel. Het koffiekopje verdween haast in zijn handpalm.

‘Fijne vakantie?’ zei hij toen.

Ze haalde haar schouders op. ‘Het is leuk voor de kinderen.’ Ze krabde even aan haar hoofd en ging toen weer op de bank liggen.  Met haar ene oog keek ze naar de thuiswinkelzender, met het andere naar de man in de regenjas.

‘En wat is er met jou aan de hand?’ zei de man.

‘Ik kijk tv,’ zei ze zonder hem aan te kijken.

‘Het lukt je niet hè?’ zei de man. ‘Ik zie het wel hoor. Het lukt je niet.’ 

Ze zei niks. Langzaam stond de man op van tafel. ‘Het gaat wel weer over. Vergeet niet dat alles altijd over gaat.’

Met zware passen liep hij naar de voordeur. Hij keek niet om, maar zij keek hem wel na.

Ze verzamelde de batterijen van onder de bank, zette de afstandsbediening weer in elkaar en de tv uit. Toen ze opstond, voelde ze zich lichter.

Onder de douche neuriede ze een liedje uit haar jeugd en toen haar gezin weer binnenkwam, zei ze: ‘Wat fijn dat jullie er weer zijn,’ en ze meende elk woord omdat ze wist dat het over zou gaan.

Valentijnsbrief

14-02-2013

Valentijnsbrieven voor elke fase

Valentijnsbrieven voor elke fase

14-02-2013

Valentijnsdag is voor niemand eenvoudig. Verzetten doet pijn, meewerken ook. Daarom helpt Revka je een beetje op weg met drie liefdesbrieven die eenvoudig gepersonaliseerd kunnen worden. 

Kies het stadium van de liefde:

pril

stabiel

aflopend

Verleden

17-08-2016

Het leven smaakte zoeter dan ooit.

Het leven smaakte zoeter dan ooit.

/ /

17-08-2016

Het begon met kleine dingen die niet meteen opvielen. Hij liep wat breder, sprak wat luider en wat langzamer ook. Steeds vaker verkondigde hij ongevraagd zijn mening, in cafés, in de krant, op het internet. Zijn stukken hadden allerlei maatschappelijke kwesties als onderwerp, maar gingen in essentie alleen maar over hemzelf. Het ging over wat hij dacht, wat hij ergens van vond. Het was niet tegen te houden, de drang naar een podium die in hem was ontstaan.

Elke keer wanneer hij een mening voelde opkomen, schreef hij er een stuk over. Hij was niet bang grootse woorden te gebruiken in zijn teksten, of op het kitscherige af, poëtisch te zijn. Soms werd hij zelfs een beetje opgewonden van zijn eigen teksten.

Hij had altijd al het gevoel dat hij een beetje specialer was dan de rest van de wereld en nu was het dan eindelijk ook bij die wereld doorgedrongen. Nog nooit verdiende hij zoveel geld, kreeg hij zoveel likes, berichten, sjans en commentaar. Het leven smaakte zoeter dan ooit.

Vandaag had hij een middag vrij, en had hij zonder nadenken wat dure kleding gekocht. Hopelijk hoefde dat binnenkort niet meer, als alles volgens plan zou lopen, werd hij binnenkort gekleed door een mooi merk. Gewoon, omdat hij het was. Omdat hij invloed had, omdat andere mensen hem wilden zijn, of in elk geval zijn stijl wilden hebben.

Na het winkelen liep hij naar de stomerij om zijn pak te halen. Steeds vaker moest hij chique gekleed verschijnen, er waren namelijk nogal wat luxe merken die evenementen organiseerden. Zo had hij deze maand een champagnefeestje, een lancering van een nieuw soort jenever voor hipsters, een borrel ter gelegenheid van een geïmporteerde kaviaarsoort en een bijeenkomst van de honderd meest mediagenieke mensen.

De borrels waren onderdeel van zijn leven geworden, de vrouwen die er rondliepen ook. Slank, gebruind, langbenig, met wapperende haren en fonkelwitte tanden. Ze droegen onmogelijke schoenen, diep uitgesneden jurken en roken naar geld. Soms vluchtten ze meteen een badkamer in, soms wisselden ze nummers uit en zagen ze elkaar in de duurste hotels van de stad. Ze hadden zelfs schuilnamen, dat was normaal in dit wereldje. Zijn vriendin wist in welke wereld hij verkeerde en deed alsof ze het niet zag.

Ook dat was normaal in dit wereldje.

Zijn telefoon verloor hij geen moment uit het oog, een constante stroom van foto’s, filmpjes, uitnodigingen en gesprekken, zorgde ervoor dat hij soms wel driemaal per dag moest opladen.

Zonder zijn ogen van het beeldscherm te halen, legde hij het bonnetje op de balie van de wasserette. Hij was druk met het typen van een snedig antwoord en merkte de priemende ogen van het meisje van de wasserette niet op. Zwijgend pakte ze het bonnetje en liep ze naar achter.

Toen ze terugkwam met het pak, zei ze hardop: ‘David, ben jij dat?’ Betrapt keek hij op, zijn telefoon deed hij snel in zijn zak. ‘Ja, klopt.’ Ze keek hem aan, hij keek terug, maar leek haar niet te zien. ‘Ken je me nog?’ vroeg ze toen. ‘Waarvan precies?’ In zijn hoofd ging hij de laatste maanden na. Misschien had ze hem gezien op de voorleesavond, dat ze publiek was. Of toen hij in een panel zat. Publiek denkt er niet over na dat zij jou herkennen, maar dat het andersom niet zo werkt.

‘Iris, van je studie, weetjenog?’ Hij schudde even met zijn hoofd, maar hij wist het nog wel. Het was alsof hij naar het leven van een ander keek, als hij terugdacht aan die tijd. Dat hij gestudeerd had, dat zou hij nooit achterhouden, maar de mensen, de plekken, het leven uit die tijd… daar wilde hij niet meer aan denken. Hij was iemand geweest die niet zo graag wilde bestaan. Met de ogen van nu vond hij het maar gênant, zoals hij toen was. Gelukkig hoefde hij nooit aan die tijd terug te denken, behalve vandaag dan.

‘Ik lees veel van je,’ zei ze, toen ze merkte dat hij niks meer ging zeggen.
‘Dat kan heel goed, de laatste maanden waren een gekkenhuis.’
‘Wat goed,’ zei ze.
‘Ja,’ zei hij. Hij voelde zich ongemakkelijk in deze omgeving, het was een plek om maar kort te zijn, anders zou de armoe die hier heerste nog aan hem blijven kleven.
Hij pakte zijn telefoon weer uit zijn zak.
‘Ik moet er weer vandoor.’
‘Leuk je weer gezien te hebben,’ zei zij.
‘Ja,’ zei hij.

Buiten voelde hij hoe zijn hart tekeer ging. Heel even voelde hij zich zoals toen, die tijd dat hij studeerde. Klein, onbelangrijk, ongeschikt misschien wel.

Misschien moest hij zijn dealer nog maar eens bellen.

Toen keek hij naar zijn weerspiegeling in de ruit van de wasserette. Knapper dan ooit, dacht hij bij zichzelf, knapper dan ooit. Hij voelde zich weer breder worden. Toen liep hij terug naar zijn eigen woonwijk, waar mensen van vroeger niet zouden opduiken.

Visite

05-01-2015

Het eerste stukje gaat altijd makkelijk.

Het eerste stukje gaat altijd makkelijk.

/ /

05-01-2015

Het was al een tijd geleden dat Lida haar zoon en schoondochter op bezoek had gehad. Van schoondochters mocht je niks vinden, hield ze zichzelf voor. Zelf was ze weinig welkom geheten, dertig jaar geleden. Haar schoonmoeder refereerde de eerste twee jaar naar haar als ‘dat meisje’ om daarna in een stilzwijgend afkeuren te vervallen. Met de komst van de kinderen was de boel iets verbeterd, met de verhuizing 300 kilometer naar het zuiden nog meer. Maar de relatie bleef verziekt tot het bittere einde.

Dat soort taferelen zou Lida nooit hebben, nam ze zich toen voor. Ze had twee zonen en een dochter. De dochter reisde als reisleidster de wereld rond en stuurde wekelijks kaartjes. Af en toe spraken ze via Skype, maar over een vaste geliefde had ze nooit gesproken. De jongste zoon bleek homo te zijn, hij woonde inmiddels drie jaar samen met een knappe oudere architect. Vandaag was het dus de oudste die kwam eten met zijn vriendin, vrouw inmiddels. Lida kon slecht wennen aan die nieuwe status, de twee waren stiekem getrouwd ergens in het Caribisch gebied, zonder gasten, met twee voorbijgangers als getuigen.

Het was geen slecht mens, of iets dergelijks, haar schoondochter. Ze was niet onknap, en had een redelijk stel hersenen. Ze was niet te dik en ze had geen sterk accent. Zo nu en dan maakte ze een grapje en als ze op bezoek kwamen nam ze bloemen mee of een doosje chocolade. Ze had een redelijk goede baan en kwam uit een normale familie. Er was niks mis mee, maar hoe Hugo daar nou zo verliefd op had kunnen worden, dat bleef Lida een raadsel.

Subtiel probeerde ze de mening van haar man te peilen. Maar hij was weinig gevoelig voor subtiele zaken (en ook weinig gevoelig voor minder subtiele zaken, nu ze erover nadacht). Daarom had ze hem een na het derde bezoek van Hugo en Ilse gewoon maar gevraagd wat hij ervan vond. ‘Ik vind haar niet zo lekker als ik had gehoopt,’ klonk het vanachter het Financiële Dagblad. ‘En verder?’ De krant kwam naar beneden. ‘Verder? Ach, wat valt er nou te vinden. Als die jongen maar gelukkig is.’ In de keuken schonk Lida zich nog een glas port in.

Gelukkige kinderen,
dat is wat elke ouder wil.

Vandaag kwamen ze dan eten en Lida had zich uitgesloofd in de keuken. De drank had ze overgelaten aan haar echtgenoot, die sowieso vaak en graag in de slijterij te vinden was. De deurbel klonk. Sinds wanneer ging het eigenlijk zo? Wanneer had hij zijn sleutels ingeleverd? Van haar had het niet gehoeven, er waren sleutels genoeg, de buren hadden er een, haar zus, en de buurt was veilig genoeg om de achterdeur overdag open te laten. De bel ging weer, vlug deed Lida haar schort af en gooide hem in een hoek op het aanrecht. ‘Steek jij de kaarsjes aan?’ Vroeg ze aan haar man terwijl ze met nerveuze passen richting de voordeur liep. ‘Huugje,’ mompelde ze, want dertig of niet, nog steeds was hij haar eigen kleine mannetje. En potverdorie- moest je haar nu zien, in haar eigen huis, lopend met nerveuze passen. Misschien is het de overgang, dacht ze bij zichzelf.

Het eerste stukje van een bezoek gaat altijd makkelijk. Koude snelle zoenen, jassen uit, bloemen aannemen, dicht op elkaar staan in een kleine ruimte, schoenen uitdoen of toch aanlaten, even de sjaal nog ophangen, best wel afgekoeld buiten, maar gister was het beter, morgen wordt het slechter, tenminste, zoiets zeiden ze op de radio, maar ze zeggen zoveel, en dan de woonkamer in.

‘Wat ruikt het lekker,’ zei de schoondochter.
‘Je moeder is al de hele middag in de keuken bezig’ zei de echtgenoot.
‘Ik zet de bloemen even in een vaas, schenk jij ze even wat in’ zei Lida.
‘Voor mij niet teveel, ik moet nog rijden’ zei de zoon.

Ze gingen op de bank zitten. Op de achtergrond de golden oldies cd die Hugo een paar jaar geleden cadeau had gedaan. Niksige muziek vond Lida, maar perfect voor deze gelegenheid. De drie waren in gesprek over de huizenmarkt en Lida stond op om naar de keuken te gaan. Daar schonk ze de venkelsoep in dunne glazen kopjes. Erbovenop een zelfgemaakte soepstengel. Ze zette de glaasjes op het zilveren dienblaadje dat van haar moeder was geweest. Naast de glaasjes zette ze de amuselepels neer. Vanmorgen had ze kleine torentjes van makreelmousse gemaakt, bovenop de torentjes een spiraaltje van citroenschil. Het was veel werk geweest, maar het resultaat mocht er zijn, vond ze.

Met het blad in haar armen liep ze richting de bank.
‘Kijk eens, hier alvast wat kleins,’ zei ze.
De anderen zeiden de dingen die mensen zeggen in zulke situaties. Toen aten ze het zwijgend op.
‘Lekker,’ zei de echtgenoot.
‘Ja,’ zei haar zoon.
‘Ja,’ zei de schoondochter, ‘hoewel het voor mij wel een beetje meer gekruid had gemogen. Dat is geen kritiek hoor.’
‘Ja, maar jij kan ook heel goed koken,’ viel de zoon zijn vrouw bij.
‘En ik niet?’ Vroeg Lida nijdig.
‘Jawel,’ haastte de zoon zich nu te zeggen, ‘maar jij kookt gewoon, zeg maar, gewoon. Lekker, niet teveel poespas.’
‘Nou, dit zette ik jullie vroeger niet voor hoor.’ Lida verzamelde de glaasjes en lepels en zette ze op het dienblad.
‘We gaan zo aan tafel, ga maar vast zitten. Lieverd, schenk jij nog even bij?’
De echtgenoot knikte.

Lida keek in de pan met boeuf bourguignon. Niet echt verfijnd misschien, maar wel heel lekker, toch? In de oven lagen de parten geroosterde pompoen, de knolselderijpuree was ook al klaar. Met tegenzin liep ze de woonkamer in met de schalen. Ze schepten op. Het zag er mooi uit, al die kleuren bijelkaar.

‘Mag ik ook eens wat witte wijn?’ Vroeg de schoondochter.
‘Je drinkt toch liever rood?’ Vroeg Lida.
‘Ik denk dat ik de witte wat lekkerder vind. Deze is een beetje vlak.’
‘Vlak?’ Zei Lida.
‘Ilse weet heel veel over wijnen. Ze kan ook heel goed proeven,’ zei de zoon, ‘dankzij haar heb ik ook veel beter leren proeven.’
Lida sloeg haar wijn in één teug achterover. De echtgenoot merkte niks.

Tijdens het eten werd er wat gepraat over tv-series en mensen van vroeger. Toen stond Lida op om het dessert te halen: zelfgemaakte chocolademousse.

‘Dat hoef ik niet,’ zei de schoondochter toen Lida de schaal op tafel zette.
‘Ik ben niet zo’n zoetekauw.’
‘Meestal eten we kaas toe,’ vulde de zoon haar aan, ‘heerlijk, met een goed glas port.’
‘Port hebben we,’ zei de echtgenoot opgeruimd, ‘ik ga het wel even pakken.’
Nijdig schepte Lida drie kommetjes chocolademousse op.
‘Niet te veel hoor mam, dat moet ik er allemaal weer af sporten,’ zei de zoon.
‘Hij is al drie kilo kwijt,’ zei de schoondochter, ‘en echt veel gespierder’.
‘Is dat zo?’
De zoon knikte. ‘Ik ben echt veel gezonder sinds wij samen zijn.’

‘Gezondheid is het belangrijkste van alles,’ zei de echtgenoot terwijl hij een glas port hief.
Iedereen zei proost.

Daarna verzamelde Lida het servies en ging ze koffie zetten. De schoondochter wilde helpen met afruimen, maar dat hoefde niet. Terwijl de koffie liep, masseerde Lida haar slapen. Het zat er bijna op. De keuken was een groot slagveld, en voor wat eigenlijk? Ze zette kopjes en chocolaatjes op een dienblad en bracht het naar de eettafel. Toen ging ze de koffiekan halen.

‘Filterkoffie, wat lekker puur,’ zei de schoondochter.

Lida probeerde te glimlachen en nam een grote slok koffie die veel te heet was voor grote slokken. Proestend ging ze naar de keuken om haar mond te spoelen. Toen ze weer de kamer inkwam stonden de zoon en schoondochter met hun jassen aan in de kamer.

‘Volgende keer bij ons,’ zeiden ze.

Vliegveld

15-01-2014

Van netwerken zou het vandaag niet komen.

Van netwerken zou het vandaag niet komen.

/ / /

15-01-2014

‘Mag ik u even storen?’

Voordat Tammo iets kon zeggen, zat de vrouw al naast hem, met haar laptop op haar schoot. ‘Wij doen onderzoek naar wat de bezoekers aan onze stad de afgelopen dagen hebben gedaan, hoeveel geld ze uit hebben gegeven, welk vervoer ze hebben gebruikt, dat soort dingen. We doen dat per gate, en vandaag interviewen we passagiers bij gate 67.’

Tammo was een paar dagen in een middelgrote Duitse stad geweest. Hij zou daar een congres hebben bijgewoond, maar het was hem niet helemaal gelukt. Hij was vier dagen geleden ‘s avonds laat in het zakenhotel aangekomen, in zijn beste kostuum, drie schone hemden en witte shirts in zijn koffer. Hij was naar zijn kamer gegaan, had wat uit de minibar gedronken, een handvol pinda’s gegeten, slechte tv gekeken.

De volgende ochtend begaf hij zich naar de ontbijtzaal. Er zaten nog wat andere mannen die op hem leken, maar Tammo was niet anders gewend, overal waar hij kwam ontmoette hij andere mannen in pakken. Straks bij het congres, zou hij ze wel ontmoeten, netwerken was een van zijn voornaamste kwaliteiten.

Maar van netwerken zou het vandaag niet komen. Tammo pelde net zijn gekookte eitje toen een stem vroeg: ‘Coffee or tea?’ Hij keek op, aan zijn tafel stond een Duitse serveerster in uniform met in elke hand een thermoskan. ‘Coffee or tea?’ herhaalde ze de vraag, maar Tammo kon zich niet langer bezig houden met futiliteiten als drinken, eten, praten.

Haar gezicht leek te schijnen als een zacht maanlicht. Haar postuur kwam hem voor als te kwetsbaar om zulke kannen te dragen. Haar ogen waren doorzichtig, haar lichte haren in een eenvoudig staartje gebonden. Ze stond daar nauwelijks te bestaan, klaar om te verdwijnen, op te lossen.

Ze schonk hem thee in en liep de andere tafels af. Als verlamd zat Tammo in zijn stoel. Hij probeerde haar na te kijken, maar had geen kracht zijn hoofd mee te laten draaien met haar bewegingen. Toen ging ze door de klapdeur naar de keuken. Tammo kon niet anders dan staren. De deur waar ze doorheen was gelopen met stapels vuile borden leek nog bij te komen van haar voorbijgaan.

Tammo keek op zijn horloge, met een taxi zou hij precies op tijd bij het conferentiecentrum zijn. Met de lift ging hij naar boven, eenmaal in zijn kamer haalde hij diep adem.

Het bed was al opgemaakt door een kamermeisje.

Hij poetste zijn tanden, trok zijn jas aan en pakte zijn tas.

Toen hij de sleutel pakte en daarmee de lichten in zijn kamer uitdeed, werden zijn knieën week. Zijn handen trilden, zweet brak hem uit. Snel stak hij de sleutel terug, het licht sprong aan. In de badkamer liet hij de koude kraan stromen, eerst over zijn polsen, daarna dronk hij wat en plenste hij het in zijn gezicht. De mouwen van zijn jas werden nat. In de spiegel keek hij naar de man met het natte gezicht. Het zei hem allemaal niks. Hij trok zijn jas uit en ging op de wc-pot zitten.  Waar was hij mee bezig?  Wat moest hij in deze stilte?

Tammo liep terug de kamer in. Zijn jas lag nog op de vloer in de badkamer. Hij trok zijn schoenen en colbert uit, deed zijn das af en ging op het bed zitten. De stilte verpletterde hem. Hij sloot zijn ogen en gleed weg.

Toen hij wakker werd, was het buiten al donker, het was half acht ‘s avonds. Hij had honger en dorst en geen idee waar hij was. Toen hij zijn tas op de grond zag staan, kwam het langzaam terug. Duitsland. Het congres. Dat is wat hij kwam doen. Hij stond op en ging naar de wc. Alle geluiden waren ongewoon luid. Op zijn sokken verliet hij de kamer en nam hij de lift naar het restaurant.

Een nors meisje stond bij de ingang van het restaurant. Tammo noemde zijn kamernummer en mocht plaats nemen aan de tafel voor twee in het midden van het restaurant. Hij bestelde kip met aardappels en rode kool, een karaf huiswijn en een cola.  Na het eten ging hij terug naar zijn kamer, in de lift zag hij dat hij geen schoenen aan had.

Die nacht kon hij niet slapen. 

Hij stond vroeg op, nam een douche en begaf zich naar de ontbijtzaal. Het was leeg, het meisje was er niet.

Ruim op tijd zat hij in de taxi naar het conferentiecentrum. Hij luisterde naar de lezingen, netwerkte, at een broodje en dineerde met de andere mannen in pakken. Hij merkte iets vreemds: hij stond er, maar hij was er niet. 

Het was al laat toen hij terugkeerde in zijn kamer. Uitgeput viel hij in slaap. De volgende dag was precies hetzelfde. Ze was er weer niet. Hij ontbeet in stilte, vertrok, netwerkte en keerde terug. Maar weer merkte hij: hij was er niet. 

De dag daarna vertrok hij na het ontbijt. Ze was er weer niet. Misschien had hij het zich allemaal verbeeld. Misschien had hij een beetje te hard gewerkt, misschien bestond zij niet eens, misschien bestond hij niet eens. In de taxi naar het vliegveld staarde hij naar buiten, hij zag de stad die hij geen moment had bezocht aan zich voorbij trekken.

Betalen, uitstappen, inchecken, douanes, wachtrijen, koffie halen. Het was hem allemaal zo bekend, dat hij nauwelijks het gevoel had wakker te zijn. En nu dus die enquête. Hij beantwoordde alle vragen gedwee. ‘Gaat het wel?’ vroeg de vrouw nu onderzoekend. Hij knikte, niet omdat het wel ging, maar omdat dat nu eenmaal het enige was wat hij kon doen. Zijn vlucht ging haast vertrekken, hij stond op en sloot aan in de rij, waar hij uiteen viel in duizend stukjes.

Voornemens

29-12-2017

Ik probeer adequaat te reageren.

Ik probeer adequaat te reageren.

/

29-12-2017

Halverwege mijn fietstocht breekt de hemel in twee en besluit ik te schuilen in een café. Drijfnat open ik de deur van de plek waar ik al honderden keren voorbij fietste, maar nooit naar binnen ging.

Het is een café waarvan er zoveel bestaan, dat ik het lijkt of ik er al eerder ben geweest. Een niet al te grote ruimte met een witgeverfde vloer, betonnen details, hangplanten, houten kistjes als tafel. Het is een goedgelukte plek, gemaakt voor mensen zoals ik. Mensen die veel zwarte kleren dragen en een beetje tobberig uit de ogen kijken. Mensen die drie euro vijftig betalen voor een kopje water met drie schrijven gember erin. Niet omdat ze zo rijk zijn, maar omdat de situatie nu eenmaal zo is.

Het verveelde meisje achter de bar geeft me de thee en ik ga in de hoek van de ruimte zitten op het rotan stoeltje, naast de grote plant. Op het gammele tafeltje liggen fotografietijdschriften, waar ik doorheen blader, op zoek naar iets waarvan ik niet weet wat het zal zijn. Ik kijk om me heen.

Aan de leestafel komen steeds meer mensen zitten. Ze lijken elkaar niet te kennen, maar lijken wel een kledingkast te delen. Een kast vol grote jassen, hoogwaterbroeken, mannenschoenen, rugtassen, geen make-up.

De tafel wordt aangevoerd door een vrouw van een jaar of dertig in een tuinbroek. Haar haren zijn in een scherpe bob geknipt en ze heeft een meisjesachtig gezicht met grote ogen.

Wanneer de tafel bijna bezet is, loopt ze een rondje langs de andere tafeltjes, vertelt ze vol enthousiasme over wat ze gaan doen. Ik kan het allemaal net niet verstaan, doe dan maar alsof ik het blad aan het lezen ben, zodat ze me kan storen en ik verbaasd op kan kijken.

Sneller dan ik verwachtte, staat ze naast me. ‘Hoi, ik ben Anisae, en bezig met een project. We schrijven goede voornemens voor het volgende jaar. Maar in plaats van alleen, doen we dat met een groepje mensen, zodat we elkaar ook kunnen inspireren.’

Ik probeer adequaat te reageren, maar zoals dat wel vaker gaat met dingen die ik voor het eerst meemaak, lukt het slecht. ‘Doe je mee?’ zegt ze met wat ongeduld in haar stem. Ik knik en loop achter haar aan naar de grote tafel.

‘Hoi,’ zeg ik tegen de andere mensen. Sommige knikken, de meesten zijn bezig met hun telefoon. We krijgen allemaal een velletje papier en een potlood. ‘Zo,’ zegt de leider, ‘schrijf nu je eerste ingevingen op, dan geef ik daarna wat tips om de boel aan te scherpen.’

Iedereen buigt zich vol ijver over het papier. Ik maak een lijstje met doelen zoals ik ze altijd stel. Meer bewegen, beter koken, meer sparen, foto-albums maken van de foto’s op mijn computer. De leider loopt rond de tafel en leest zo nu en dan mee, maar zegt niks.

Dan klapt ze in haar handen en zegt ze: ‘Heel goed allemaal, dan is het nu tijd om je principekwestie te kiezen. Dus iets waar jij voor wilt staan. En maak het concreet, ik kom weleens mensen tegen die beter voor de planeet willen zorgen, maar dat is natuurlijk niet onderscheidend. We wonen allemaal op deze planeet, en er beter voor willen zorgen klinkt gewoon heel abstract. Bedenk waar jij voor op de poster zou willen staan. Welk soort protest jouw unieke imago kan versterken.’

We gaan weer aan de slag.

Ik bekijk mijn goede voornemens nog eens en nog eens. Er komen geen gedachten in mijn hoofd. De leider vangt mijn blik en komt naar me toe. Ze pakt een stoel en gaat naast me zitten.

‘Ik zie dat je het moeilijk hebt,’ zegt ze droogjes. ‘Ik weet niet zo goed,’ begin ik. ‘Wat vind jij belangrijk? Wie wil jij zijn? Wie ben je nu?’ onderbreekt ze me.

Ik begin te stamelen. ‘Ik? Nou, gewoon iemand die aardig is voor de mensen. Niet lullig, maar altijd aardig. En voor de aarde zorgen, ja ook belangrijk… en de dieren…Gewoon, een vredig…’

De leider doet alsof ze moet gapen. ‘Saai, saai, saai! Aan jou hebben we niks. Je zei iets met dieren? Nou, laat dat dan zien! Campagne, opiniestukken, tweets en insta! Meningen, meningen, meningen. Dáár is de wereld op gebouwd en op niks anders! Begrijp je wat ik zeg?’

‘Maar het gaat toch niet over mij persoonlijk…’ ‘Tuurlijk wel! Als jij dat vindt, dan is die mening helemaal van jou, dan stroomt die door je aderen, dan ben jij het boegbeeld, de inspiratie…’

Dan gaat haar telefoon en neemt ze op.

Stilletjes trek ik mijn jas aan en wandel ik naar buiten.

Vraagje

12-11-2014

Genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden.

Genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden.

/ /

12-11-2014

‘Hoe was je dag?’ Ze vraag het zo opgewekt mogelijk, ook al staat zijn gezicht op onweer.

‘Gaan we dit gesprek voeren? Je weet toch dat ik niet aan middelmatigheid doe. Wat moet ik met zo’n vraag?’

Hij schenkt zichzelf een whisky in.

‘Ik ga koken.’

‘Prima.’

Ze verwarmt de borden voor, legt het damasten tafelkleed op de tafel. De zilveren kandelaar van haar oma gaat ook op tafel, net als de kristallen wijnglazen. Ze kookt met de grootst mogelijke aandacht. Eerst een eitje met truffel, dan een velouté met aspergepunten, kreeft als hoofdgerecht en als afsluiter is er nog kaas. Hans houdt niet van zoet. Zij houdt wel van zoet, maar om nog eens in haar eentje, onder zijn afkeurende blik een huigemaakte apple crumble naar binnen te werken, ze heeft er geen zin meer in.

Aan niks ontbreekt het hen hier, in het grote huis. Kookeiland, regendouche, in elke ruimte een haard, deuren met glas-in-lood, marmeren schouwen, oude plafondlijsten, ligbaden op pootjes en nog meer dingen waar ze zo verliefd op werd toen ze verliefd werd op haar echtgenoot. Of was het andersom gegaan? Ze wist het niet meer en eigenlijk maakte het ook niet meer uit. Ze was hier in dit huis, een mevrouw geworden.

Alles van vroeger was voorbij, zelfs haar naam werd niet meer gebruikt. Van Maggie naar Magalie. Haar familie kwam alleen als hij er niet was, dat gebeurde tamelijk vaak, haar echtgenoot was een man van de wereld. Zij was geen vrouw van de wereld, zij was van dit domein, en elke keer wanneer ze elkaar zagen voelde ze zijn ogen prikken, zijn verveling. Ze was in topconditie, het huis was prachtig, het eten perfect. Maar genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden. ‘Tevredenheid is middelmaat en middelmaat is het einde van alles’ zei haar man.

Hij ging aan tafel zitten, en zij tegenover hem. Het haardvuur knapperde achter hen. Ze haalden synchroon hun servetten uit hun zilveren servetringen met hun initialen erin, en legden het servet op schoot. Zwijgend aten ze de eerste twee gangen. Ze wilde graag een gesprek met hem voeren, maar was tegelijkertijd bang dat ze weer zou laten blijken dat ze toch meer Maggie was dan Magalie, toch minder extra, toch meer ordinair. Een interessante vraag had ze tijdens het koken bedacht en nu, bij de kaas, had ze de moed om hem te stellen. Ze haalde diep adem en vroeg haar echtgenoot:

‘Ben je weleens eenzaam?’

Haar man leek niet verbaasd te zijn over deze vraag, hij leek de vraag te verwachten of ten minste vele malen eerder te hebben beantwoord. Hij depte zijn mondhoeken met zijn servet en begon toen:

‘Eenzaam? Natuurlijk. Iedereen is eenzaam. Wat denk jij nou? Alleen worden we geboren en alleen gaan we dood. Alles ertussenin proberen we te vullen met zoveel mogelijk dingen, om de tijd te doden, zo comfortabel mogelijk, het liefst.’ Haar man gebaarde om zich heen. ‘Comfort, daar draait het om in deze wachtkamer van de dood. Daar zitten wij nu in. Maar wel met een degelijke vloerverwarming tijdens het wachten. Wist je dat je, als je goed luistert, de tijd kunt horen wegglippen?’

Hij sloot zijn ogen. ‘Hoor je wel?’

Ze hoorde niks.

‘Liefste, ik wilde alleen maar weten of je wel eens eenzaam bent geweest…’

Met een zucht opende hij zijn ogen weer.

‘Eenzaamheid zei je? Eenzaam zijn we allemaal. Wie weet nu werkelijk wat de ander denkt? Wie weet nu werkelijk wat hij zelf denkt? Jij niet hoor, ik evenmin. Om terug te komen op je vraag: Ja, ik ben eenzaam. En jij ook. Dat zijn we elke dag. Daarmee is jouw vraag die je me net stelde, in essentie gelijk aan de vraag hoe mijn dag was. En je weet wat ik daarvan vind.’

‘Ik weet wat je daarvan vindt,’ zei ze gedwee.

‘Dan ga ik nu even naar de voorkamer, breng je me zo een espresso?’

Ze knikte en hij stond op.

Vriendschap

04-04-2016

Ach, je weet hoe het gaat..

Ach, je weet hoe het gaat..

/ /

04-04-2016

Lia zat in het café te wachten op Mieke. Eigenlijk spraken ze nooit af met z’n twee. Ze kenden elkaar via hun mannen die al vrienden waren sinds de middelbare school. Ze kenden elkaar van de vriendengroep die uit vijf stellen bestond. Zo’n groep die samenkwam met oud en nieuw en samen ging wintersporten. Je zou dus kunnen zeggen dat ze elkaar goed kenden, maar dat was niet waar. Lia wist vooral van alle successen uit het leven van Mieke. Ze wist van alle carrièrestappen die ze had genomen, ze wist van de zoektocht naar de perfecte woning die ze nu hadden gevonden. Met de aanschaf van de nieuwe woning waren er ook een hoop nieuwe gespreksonderwerpen gekomen. Vloeren, aannemers, tuinontwerpers, gordijnen, stoomovens, internetproviders, de lijst leek onuitputtelijk.

Toch voelde Lia zich een beetje nerveus tijdens het wachten op Mieke. Er was namelijk iets waar ze haar vinger niet op kon leggen. Er was iets aan het contact met Mieke, iets wat Lia altijd deprimeerde. Mieke sprak altijd met een stralende lach op haar gezicht, een lach waarmee ze elk mannenhart kon veroveren. Dit maakte dan ook dat de vriend van Lia geen idee had wat Lia’s bezwaar was tegen Mieke, wanneer ze erover begon.

De laatste keer was het zo gegaan: ‘Er is iets waardoor ik me altijd een beetje rot voel, na een gesprek met Mieke,’ zei Lia in de badkamer, terwijl Marc zich aan het scheren was. ‘Iets geeft me het gevoel dat ik een sukkel ben en dat zij supersuccesvol is in alles.’ Marc zuchtte. ‘Wat is dat toch met jou? Mieke is echt een topwijf, als je het mij vraagt.’ ‘Er is iets, echt, en ik ben niet de enige, ik had het erover met Fenna en zij heeft het ook..’ ‘Jullie vrouwen zijn echt vreselijk. Lekker roddelen met elkaar en wanneer jullie haar dan weer zien, poeslief doen. Ik ben blij dat ik geen vrouw ben.’ zei Marc. ‘Nee, het is echt niet roddelen, het is gewoon zo dat ze je op heel slimme manier het gevoel weet te geven dat…’ ‘Weet je wat je doet,’ onderbrak Marc haar, ‘Je gaat gewoon eens met haar lunchen ofzo. Dan zul je zien dat het echt zo erg niet is. Kun je gelijk dat nieuwe tentje bij de waag eens proberen.’ Lia hoorde aan zijn stem dat het geen suggestie was, maar een dringend verzoek. Ze stuurde een appje naar Mieke die natuurlijk onmiddellijk heel erg aardig reageerde.

Lia had een nieuwe jurk aangetrokken omdat ze zich altijd zo underdressed voelde vergeleken met Mieke.

Ze speelde wat met suikerzakjes die in het bakje op tafel stonden. Toen klonk het getik van hoge hakken op de tegelvloer van het café dat het uiterlijk van een Franse brasserie had. Mieke droeg een lange trenchcoat, had haar haren op een wilde manier opgestoken en droeg een witte blouse met een jeans die haar lange slanke benen accentueerde. Aan haar arm bungelde een handtas die ruim 800 euro had gekost, wist Lia van Fenna die ook in de vriendengroep zat.

‘Lia, wat een leuk idee!’ riep Mieke halverwege de zaak. Ze zette de tas op een stoel en gaf een stevige omhelzing, alsof ze hele goede vriendinnen waren of alsof ze elkaar al jaren niet meer hadden gezien. Dat was allemaal niet waar, maar Lia wist niet anders te bedenken dan maar mee te gaan in het theater.

Ze spraken wat over de locatie en bestelden toen bij de serveerster die verkleed was als Frans kamermeisje. ‘Ik wil wel een verse jus en de groene salade met makreel,’ zei Lia. ‘Wil je daar brood bij?’ vroeg het meisje. ‘Nee, dankje,’ zei Lia, die een stuk steviger was dan Mieke en zich niet comfortabel voelde wanneer ze teveel zou eten in het bijzijn van Mieke. ‘Voor mij ook een verse jus, en de croque monsieur,’ zei Mieke. ‘Wilt u daar een gebakken ei op?’ vroeg de serveerster. ‘Ja, graag,’ zei Mieke.

‘Leuke jurk heb je aan,’ zei Mieke toen de serveerster weg was.

‘Dankje,’ zei Lia.

‘Het staat je echt mooi, deze kleur. Veel beter dan toen je zoveel pastels droeg, dat maakte zo flets. Dit is echt jouw kleur.’

‘Dankje,’ zei Lia weer, ‘hoe gaat het met het huis?’

‘Ach, je weet hoe het gaat, als ik ergens aan begin, zie ik het helemaal voor me, en dan heeft Stijn het niet makkelijk..’

Lia dacht aan de vriendelijke, knappe man die met Mieke getrouwd was. Alles wat ze maar wilde, hij zou het voor haar doen. Hij was liefdevol en geduldig, ook toen Mieke halverwege de verbouwing een gesloopt muurtje opnieuw liet bouwen omdat dat toch mooier was.

‘..maar het is nu dus echt bijna klaar. Precies zoals ik het in mijn hoofd had. En volgende week gaan we drie weken naar Thailand, om even bij te komen.’

‘Fijn,’ zei Lia begripvol.

‘Ja, we gaan gewoon lekker rondreizen, niks geboekt, behalve de eerste nacht en de laatste drie, dan zitten we in een soort drijvend hotel, misschien heb je het wel gezien in dat bbc programma, ‘The most amazing hotels on the planet.’

‘Nee, niet gezien.’

‘Moet je echt kijken, Stijn en ik zijn er verslaafd aan. En het is ook zo fijn om lekker samen op pad te gaan. Je vindt elkaar weer opnieuw uit. Misschien ook wel goed voor jou en Marc.’

‘Denk je?’

‘Het is goed voor elk stel, echt waar.’

Het eten werd neergezet. Lia keek met jaloerse ogen naar het bord van Mieke, die zei: ‘Soms moet ik gewoon zoiets eten, om een beetje op gewicht te blijven. Als ik niet oplet, vergeet ik gewoon te eten.’

‘Nou, daar heb ik geen last van,’ zei Lia, ‘ik vergeet genoeg in mijn leven, maar eten is niet één van die dingen, ik krijg gewoon trek rond lunchtijd.’

‘Dat dacht ik al,’ zei Mieke.

Na het eten bestelden ze nog een kopje koffie. Mieke had zich even geëxcuseerd toen haar telefoon ging. Ze stond buiten te bellen. Lia keek naar beneden, naar de jurk die ze ineens niet meer mooi vond, naar haar nagels die vierkant waren en niet zo mooi gevijld als die van Mieke. De koffie werd neergezet met een bordje met vier petit-fours erop. Er waren twee lichtgele, eentje in het roze en een witte. Erbovenop kleine bloemen van marsepein. Het waren kunstwerkjes, vakkundig gemaakt door de patissier die uit Parijs was ingevlogen.

Lia keek naar buiten en zag dat Mieke nog midden in haar telefoongesprek leek te zitten. Zonder na te denken nam ze een geel petit fourtje en stak hem in haar mond. Het smaakte zacht, zoet, met luchtige cake en fluwelen room vanbinnen. Ze keek weer naar Mieke die nog steeds druk aan het praten was. Nu nam ze ook het roze taartje, weer in één grote, gulzige hap. ‘De andere zijn voor Mieke,’ mompelde Lia. Ze keek weer naar buiten waar ze zag hoe Mieke niet langer aan het bellen was, maar een andere mooie vrouw omhelsde.

Ook het witte taartje verdween. Kort daarna de laatste gele. Lia zette het lege bordje in de vensterbank.

Mieke kwam weer binnen.

‘Sorry hoor,’ zei ze, ‘eigenlijk heb ik helemaal nergens tijd voor, de zaken gaan zo goed. Maar dan vind ik het veel te leuk om even buiten de deur te lunchen. Bij jouw werk kun je vast veel langer gemist worden.’

Lia wilde iets terugzeggen, maar in plaats daarvan knikte ze weemoedig. Ze voelde hoe het suikergoed met de makreel mengde in haar maag. Het was niet best.

Mieke dronk haar koffie met grote slokken en stond toen op. Ze omhelsde Lia weer innig. ‘Sorry, maar ik moet er echt vandoor nu. Super om je even te zien!’

De hele rekening bleek al te zijn betaald toen Lia bij de bar kwam. Bij thuiskomst zat Marc een computerspel te spelen op de bank. ‘Hoe was het?’ vroeg hij met zijn ogen op het scherm gefixeerd. ‘Gezellig,’ zei Lia. ‘Zie je nou wel,’ zei hij.

Vrijdagmiddagborrel

24-10-2012

Suze zei geen vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets.

Suze zei geen vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets.

/ /

24-10-2012

De dagen waren niet zoals hij had verwacht, maar wat waren verwachtingen nu helemaal. Schetsen van iets wat komen gaat en dan heel anders blijkt te zijn. Als mensen, zomaar mensen, maar waarschijnlijker zijn ouders of beste vriend, zouden vragen of het was wat hij ervan verwachtte, zou hij ‘ja’ zeggen. Niet omdat hij een leugenaar was, maar omdat de verwachting alleen maar een schets was geweest en de werkelijkheid met zwarte lijntjes eroverheen was gegaan.

 Het was in elk geval niet tegengevallen. Tot nu toe waren de collega’s redelijk vriendelijk en de werkdruk nauwelijks voelbaar. Ze waren de communicatie afdeling van het bedrijf en zaten daarom ze op de tweede verdieping, net boven personeelszaken, maar ver onder de ruime afdelingen boven, waar het geld werd verdiend, of ‘gemaakt’. Boven spraken ze zoveel Engels dat ze spraken over ‘geld maken’. Boven hadden ze betere koffie. Boven waren de secretaresses mooi. Boven werden maatpakken gedragen, beneden truien. Thijs en zijn collega’s hoefden ook niet in pak, ze waren de creatiefste afdeling. Vanuit deze vrijheid was een ander soort uniform ontstaan van comfortabele skateschoenen, een geruit bloesjes en een verwassen jeans.

 Zijn collega’s hadden stoppelbaardjes en dronken latte’s. Ze stuurden apps naar elkaar door en gingen naar dezelfde feestjes en concerten. Elke vrijdag was er de borrel voor het hele bedrijf. Dit deden ze meestal in de bar die ook in het kantoor zat, zo kon het hele bedrijf gezamenlijk de week afsluiten. In praktijk betekende dit dat de geldmakers bijeen kwamen, personeelszaken om vier uur dicht ging en dat zijn afdeling een biertje dronk in hun eigen hoek. De gesprekken waren net zo niksig als de tapijttegels die bij personeelszaken op de grond lagen, maar toch bleef iedereen komen naar deze merkwaardige bijeenkomsten.

 Thijs wist wel waarom hij bleef gaan, het was niet voor de gesprekken, niet om te netwerken en ook niet voor het bier. Zijn reden was Suze. Suze hoorde bij het groepje vrouwen van Sales, vrouwen met glanzende haren en hoge hakken. Vrouwen die lekker roken en mooie nagels hadden. Vrouwen die razendsnel op hun twitter tikten dat het weer tijd was voor de vrijmibo. Zo zeiden ze dat ook tegen elkaar. ‘Zie je zo op de vrijmibo?’

 Suze zei nooit vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets. Misschien dat ze daarom zo geliefd was bij veel van de mannen op kantoor. Ze was niet de mooiste van het bedrijf. Eigenlijk had ze best een grote neus. En als ze een glaasje wijn had gedronken loenste ze een beetje. Over dat loensen hadden Thijs en zijn collega’s het al gehad. Ze waren het erover eens: dat loensen was goed, geil. Mariëtte, de enige vrouw op de afdeling had geschamperd dat mannen van loensende vrouwen houden omdat het hen een gevoel van mogelijke ontsnapping geeft. Bij een schele vrouw heb je nog een kans dat ze niet zag dat je hand even op bil van de secretaresse hebt gelegd, zei Mariëtte. Er waren veel momenten waarop Thijs wilde dat hij het geluid van mensen uit kon zetten. Dat hij even met zijn vingers zou knippen en dat hij zou zien dat de mond bleef bewegen, maar dan zonder geluid. Bij Mariëtte had hij het vanaf de eerste dag gehad.

 Suze stond met haar rug naar de groep toe, ze stond in een kringetje met twee andere Sales vrouwen en een man die op de allerhoogste verdieping werkte. De twee vrouwen lachten om zijn grappen, kregen rode konen van de wijn, zo voor het avondeten. De mooiste vrouw legde zo nu en dan even haar hand op de hand van de man, die een ring droeg. De andere vrouw lachte zo hard ze kon, kreeg het er warm van en moest dus wel haar bloesje steeds verder openen.

 ‘Thijs, wat doe je?’ Hij draaide zich om. Mariëtte stond voor hem. ‘Je bent weinig spraakzaam vandaag’. Thijs probeerde langs haar heen te kijken, want Suze liep nu naar de bar. Mariëtte volgde zijn blik. ‘O, het loensende kutje, is dat het?’

 Vrouwen die vulgair werden van alcohol. Het ergste wat er was. Het liefste zou hij ze allemaal dronken voeren, in vliegtuigen stoppen en boven de oceaan eruit gooien. Dat ze dan nog half zouden gillen: ‘Jeeminee wat een wind zo tussen mijn benen’. Waarschijnlijk was er onvoldoende draagvlak voor dergelijke plannen, bedacht Thijs terwijl hij naar Mariëtte keek. Mariëtte kwam steeds dichterbij met haar gezicht. Ze rook naar make-up en alcohol. ‘Hmm, je bent een beetje een stille hè. Zo eentje van stille wateren, diepe gronden, is het niet?’ Thijs zei niets. Ze duwde haar borsten naar voren. Het waren mooie borsten, ze was net op vakantie geweest en haar decolleté had een diepbruine kleur gekregen. Later zouden daar rimpels komen en voordat het zover was moest ze een man vinden.

Ze lispelde in zijn oor. ‘Soms is je blik op iets gericht, een doel, een ver doel. En je vecht en vecht en doet je best, je kunt er niet van slapen. Terwijl, al die tijd, al die tijd, serieus, al die hele fucking tijd,’ haar stem werd steeds scheller, ‘het gewoon voor je neus was. Hier.’ Ze keek hem aan. Het leek of haar gezicht gecentrifugeerd was.Verfrommeld, zo zag ze eruit, met rode vlekken. Ze sloeg haar glas achterover. ‘Ik moet maar eens gaan.’ Thijs keek om zich heen, zijn collega’s lieten elkaar iets zien op hun telefoons. ‘Dat lijkt me een goed idee, tot maandag Mariëtte’. Het herhalen van een naam, een afwijking voorbehouden aan boze ouders, docenten en de volksstam die zichzelf intercedente noemt. Hij hoopte dat het zou werken, dat dit dronken schepsel die tik op haar vingers zou voelen. Maar in plaats daarvan draaide ze zich om en zei ze met lijzige stem: ‘Dat lijkt me een goed idee, tot maandag Mariëtte.’ Hij voelde dat hij een kleur kreeg en probeerde zich te herpakken. ‘Je gaat toch niet rijden, nu?’ Ze zuchtte. ‘Nee, ik ga lopen naar Nieuw-Vennep. Jezus man, kom jij eigenlijk wel van deze planeet of kom jij uit lamlulland?’ Ze pakte haar handtas en zwalkte richting de deur.

 Thijs keek haar na, zijn collega Björn kwam haar tegen bij de deur. ‘Ik bel wel even een taxi voor haar’ zei hij tegen Thijs. ‘Loop jij even met haar mee, zo kan ze echt niet de weg op.’ Thijs knikte en liep naar de lift. Daar stond ze te wachten, met haar hoofd tegen de muur geleund. Ze had nog niet op het knopje gedrukt. ‘Björn heeft een taxi voor je gebeld, ik ga even met je mee naar beneden, om je uit te zwaaien.’ Ze wisten allebei dat het niet zo was. Hij liep mee naar beneden omdat hij er net werkte en omdat Björn het zei.

 Ze stapten in de lift. Ze werden omringd door hun spiegelbeeld. Thijs fantaseerde dat hij Mariëtte bij haar haren pakte en met haar gezicht tegen de spiegels duwde terwijl hij schreeuwde: ‘Kijk nou, jij waardeloos stuk vrouwmens, kijk nou toch eens goed, ik walg van je.’ Maar in plaats daarvan stak hij zijn handen in zijn zakken en keek zwijgend hij voor zich uit.

 ‘Dag Gerard’, hij groette de portier, terwijl hij Mariëtte aan haar arm mee sleepte. Het was zijn tweede echte baan, en bij de eerste had hij geleerd vrienden te worden met al het ondersteunend personeel. Groet de secretaresses, kantinedames, portiers en schoonmakers. Op een dag ben je het toegangspasje kwijt en heb je ze allemaal nodig om zonder al teveel gezeik aan een nieuwe te komen of je oude terug te vinden.

 De schuifdeuren gingen open, het was bijna voorbij. Ze stonden buiten nu, in een landschap van grijze kantoorgebouwen met hier en daar een boom of iets wat een boom moest worden, maar voorlopig met een paaltje en zwart bandje in een bak stond. Voor het kantoor stond een betonnen bak met viooltjes voor een warm welkom. Het waaide altijd bij het kantoor, daarom lunchte iedereen bij mooi weer toch binnen.

 Mariëtte had haar hoofd op zijn schouder gelegd, haar ogen waren nu dicht. ‘Hmm’, kreunde ze zachtjes. Thijs keek naar de vliegtuigen die over vlogen, ze zaten vlakbij de luchthaven hier. Ideaal voor internationale zakenpartners. Ideaal voor al die mensen van boven. Hij keek op zijn telefoon. Zeven minuten al, hij besloot dit nog drie minuten vol te houden. Hoelang voordat een taxi er moet zijn eigenlijk? Er stond iets over in de krant, maar hij kon het zich niet herinneren, of ging dat nou over ambulances?

 Er waren tien minuten om. Er was geen taxi te zien. ‘Mariëtte, ik ga nu naar boven, maar blijf hier wachten, de taxi kan er elk moment zijn.’ Ze keek hem met lodderige ogen aan. ‘Maar je ging toch mee om mij uit te zwaaien? Ik vind dit nog niet echt wat je zegt een waardig afscheid.’ Ze kwam dichtbij met haar gezicht, ze sloot haar ogen, en deed een poging hem te zoenen. Thijs wende zijn gezicht af en gaf haar een zet, ze wist nog net haar evenwicht te bewaren door zich aan de bak met viooltjes vast te grijpen. Zonder om te kijken liep hij door de draaideur weer naar binnen, zonder te groeten passeerde hij Gerard.

 In de lift keek hij in de spiegels. Het gaf hem wel iets bijzonders, die woede. Hij straalde een kracht uit die maar weinig mannen hadden, en hij al helemaal niet. Als herboren stapte hij de lift uit. Björn kwam net het toilet uit gelopen. ‘Ah, is het gelukt?’ Thijs knikte, ‘jij nog een biertje?’ Hij liep terug de bar in en voelde opluchting toen hij zag dat Suze er nog was.

 Suze keek zijn richting uit, hij probeerde de oerman te zijn die zij nodig had, of waarvan hij zeker dacht te weten dat ze die nodig had. Ze leek zich te vervelen, keek op haar horloge en rommelde in haar tas. Ze stond op het punt om weg te gaan, zoveel was duidelijk. Thijs dronk zijn biertje in twee slokken op, ging met het tweede in zijn hand naar haar toe en tikte op haar schouder. ‘Sorry, volgens mij kennen wij elkaar nog niet.’ Ze draaide zich om, langzaam, alsof ze wist dat hij daar had gestaan en op haar schouder zou kloppen. ‘Nee, volgens mij ook niet’ zei ze. Hij pakte zijn kaartje. ‘Hierop staat mijn naam en functie, en hier voor je sta ik dan in het echt.’ Hij bestudeerde haar gezicht. Ze leek deze introductie wel te kunnen waarderen.

 ‘Ik ging er net vandoor’ zei ze. ‘Ik zie het’ zei Thijs. ‘Mag ik er dan nu langs?’ Hij bloosde, ging opzij. Hij moest iets zeggen nu, voordat ze weg zou zijn, voordat hij elke borrel moest overslaan uit schaamte, voordat iemand anders haar zou veroveren, haar zou huwen, haar zou bezwangeren. Er moest iets gebeuren nu. ‘Hou je van koffie?’ Hoorde hij zichzelf uitbrengen. De ergste zin ooit. Maar ze draaide zich om en gaf hem een scheef lachje. ‘Ja, ik hou wel van koffie.’ Nu was het tijd te handelen, de man te zijn die hij in de spiegel al had gezien. ‘Dan zien we elkaar morgen rond elf uur in het koffiehuis bij de brug.’ Ze bestudeerde zijn gezicht, op haar gezicht een minzaam glimlachje. ‘Zo zo. Ik waardeer je enthousiasme, maar misschien kan ik wel helemaal niet, je bent wel heel erg zeker van je zaak hè.’ Het duizelde Thijs een beetje. Ze sprak tegen hem, niet tegen iemand anders, maar echt tegen hem. Lange zinnen, tegen hem. ‘Dus je kunt niet?’ ‘Nee, wel goed luisteren nu. Ik kan wel. Zie je morgen.’ Ze liep weg, Thijs bestelde nog een rondje bier. Best een leuk bedrijf dit, en zo’n gezellige borrel ook.

 Hij sliep slecht die nacht. Hij woelde, had het te warm, zijn dekens leken te kort voor zijn lichaam en de wekker maakte abnormale hoeveelheden geluid. Hij zag Suze voor zich, hier in dit bed, in dit huis, bij hem in de keuken. Ze was overal en glimlachte alleen maar. Eindelijk viel hij in slaap.

-Stilte-

 Het was nog donker toen de telefoon ging.

–         Thijs?

–         Ja? Wie is dit?

–         Björn hier. Jongen, dit ga je niet geloven, het is zo fucked up.

–         Wat?

–         Mariëtte.

–         Mariëtte?

–         Ja, ze is er slecht aan toe.

–         Wat bedoel je ze is er slecht aan toe?

–         Ze heeft een dodelijk ongeluk veroorzaakt.

–         Jezus.

–         Ze botste frontaal op iemand van de zaak, misschien ken je d’r wel.

–         Wie

–         Suze, jeweetwel, van sales.

–         Nee, godverdomme, nee.

–         Zij is dood, Thijs. En Mariëtte wordt nu geopereerd.

–         …

–         Thijs?

 Thijs sloot zijn ogen. Deze werkelijkheid was te lelijk. Hij besloot te gaan slapen tot de zon hem zou wekken. En dan om elf uur naar het koffiehuis. Daar bij de brug.

 

Waarde

16-07-2014

Het was het niet waard.

Het was het niet waard.

/ /

16-07-2014

Anja keek naar de grond. In haar handen de krantjes die ze probeerde te verkopen, van elke twee euro die ze verdiende, mocht ze 90 cent zelf houden. Het was sinds vier maanden dat ze dit werk deed. De eerste maand was het ergste geweest, het staan, de gure wind, maar vooral de blikken. Gêne, de mensen voelden vooral veel gêne wanneer ze haar voorbij liepen. Ze keken haar niet aan, of alleen stiekem, heel vluchtig. Sommigen deden alsof ze aan het telefoneren waren, of op zoek naar iets, ergens heel diep in hun tassen. Kinderen staarden haar aan, pubers maakten grapjes.

Er waren ook mensen die een praatje met haar wilden maken, haar persoonlijk wilden leren kennen. Dat dacht ze eerst. Nu wist ze dat de naastenliefde van deze mensen voortkwam uit een onbedwingbare nieuwsgierigheid. Ze vertelde hen waar ze vandaan kwam, waar ze sliep, hoe het allemaal had kunnen gebeuren. Soms gaven de mensen haar dan een blikje cola. Lekker, maar wel slecht voor je tanden, dacht ze erbij. Haar tandarts deed alleen maar aan tandentrekken. Extractie, noemde hij dat.

Het levensverhaal dat ze met de mensen deelde was niet veel anders dan dat van haar vrienden van de straat. Maar voor de nieuwsgierige supermarktklanten was het buitengewoon exotisch, tragisch. Met een hart vol medeleven en een kar vol boodschappen liepen ze naar het parkeerterrein. Terwijl het verhaal voor Anja een andere vorm had gekregen. Het verhaal was geworden tot iets wat ze met zich meedroeg, maar niet van haarzelf was. Zijzelf was namelijk allang vertrokken. Die vrouw daar, bij de ingang van de supermarkt, die vrouw met dat pluizige haar, die vrouw in dat lila trainingsjackje, die vrouw was een restje. Anja was een restje geworden. Ze wisselde van standbeen. Nog zeven krantjes te gaan vandaag.

————————————————————————————————————————————————————————–
Maike deed haar sjaal om en bukte om de veters van haar dochter vast te maken. Vlinder was acht jaar, eigenlijk al een beetje te groot om haar veters te laten strikken. Maar ze was zo verdiept in het spelletje op haar Ipad, dat Maike besloot de strijd niet aan te gaan. Het was het niet waard.  Ze pakte de boodschappentassen, de lege flessen en dirigeerde haar dochter de voordeur uit. De ogen van het meisje bleven onafgebroken op het beeldscherm gericht. Maike liet haar in de auto stappen en leunde over haar heen om haar gordel om te doen.

‘Je zit voor mijn beeld, nu ben ik dood door jou’

Maike zweeg, het was het niet waard, ze moesten nog boodschappen doen. Ze startte de motor, langzaam reed de gezinswagen de woonwijk uit.

Er was zowaar plek vlakbij de ingang van de supermarkt. ‘Lieverd, doe je de Ipad nu even weg? We gaan boodschappen doen.’ Maike stiftte haar lippen in de spiegel van het zonneschermpje. Bij deze supermarkt kwam ze altijd bekenden tegen. ‘Ik blijf hier,’ kondigde Vlinder aan, ‘je hebt me net dood laten gaan, dus ik hoef niet meer mee.’ ‘Als je meegaat, mag je een toetje uitkiezen,’ zei Mayke nu, zich realiserend dat dat sowieso mocht, en dus niet genoeg zou zijn, ‘en een tijdschrift.’ Met een grote zucht legde Vlinder de Ipad naast zich neer. ‘Wat eten we vanavond?’ ‘Curry’ zei Mayke, ‘daar hou je toch zo van?’ ‘Ik heb meer zin in sushi’ zei Vlinder, terwijl ze naar de ingang huppelde.

Vlinder gedroeg zich boven verwachting, ze bracht de lege flessen weg, haalde nieuwe bananen en koos een toetje uit. Een familiebak Tiramisu, nogal veel voor hun gezin van drie, maar Maike liet het gaan, het was het niet waard. Een krijsend kind in de supermarkt, daar had ze nog veel minder zin in dan in het weggooien van een halve bak tiramisu.

Bij de tijdschriften kon Vlinder niet kiezen tussen de Donald Duck en iets voor meisjes die van paarden houden. ‘Maar papa vindt de Donald Duck ook heel leuk,’ zei ze, ‘Zullen we die voor papa kopen?’ Maike vond het lief dat haar dochter ook aan haar vader dacht en zei dat het goed was.

In de rij begon Vlinder zich te vervelen, ze hing aan de afscheidingshekjes en probeerde een koprol te maken. ‘Niet doen, straks bezeer je je nog’ zei een oudere dame tegen Vlinder. Die stak daarop haar tong uit. Maike deed alsof ze niks in de gaten had. Ze ging haar dag niet laten vergallen door één of ander bemoeizuchtig dametje.

Bijna buiten zag Maike de straatkrantverkoopster. ‘Zullen we een krantje kopen?’ zei ze tegen Vlinder. Die keek aandachtig naar de vrouw met de krantjes en zei toen beslist: ‘Nee.’ ‘Doe niet zo gek, we gaan nu gewoon een krantje kopen bij die mevrouw’ zei Maike, een beetje opgelaten, nu. ‘Ik vind haar haren niet mooi en haar kleren ook niet en het krantje is saai’ vulde haar dochter nu aan. De vrouw met de krantjes keek met lege ogen naar de grond. ‘Weetje wat mama doet? Mama geeft de mevrouw gewoon een beetje geld. Mama leest dat krantje eigenlijk ook nooit.’ Zenuwachtig opende Maike haar portemonne. Twintig cent aan kleingeld, een belediging zou dat zijn. Tien euro, twintig euro en vijftig euro in papier. Waar was dat vijfje nou gebleven? Waarschijnlijk aan Vlinder gegeven voor een ijsje, maar wisselgeld had ze niet gezien. Snel pakte ze het tientje uit haar portemonnee, ze probeerde het zo snel te geven dat Vlinder het niet zou zien. Maar ze zag het wel.

‘Ohoh! Mama! Je hebt die mevrouw tien euro gegeven!’ ‘Wees nou maar stil, we gaan naar de auto’ zei Maike. De straatkrantverkoopster stond nog even verloren bij de ingang. In haar ene hand het tientje, in de andere hand de stapel krantjes.

Eenmaal in de auto zei Vlinder: ‘Als zij tien mag, dan mag ik twintig.’ Ze pakte haar Ipad weer en speelde het spelletje met het geluid aan. Maike liet het maar gaan, het was het niet waard, vertelde ze zichzelf.

Wachten

18-09-2013

Leuk mens, maar ze verlelijkt met de dag.

Leuk mens, maar ze verlelijkt met de dag.

/ / /

18-09-2013

‘Alles wordt alleen maar erger’ zei de vrouw met het hondje.

‘Veel erger.’ De man met de snor bromde instemmend.

 

Ze waren te vroeg bij de bushalte omdat de dienstregeling was veranderd. Daar had niemand ze iets over verteld. Ze waren allebei zo tussen de vijftig en de zestig en hadden een blik in hun ogen waaruit bleek dat ze wisten hoe de wereld in elkaar zat.

 

‘Niet dat het vroeger beter was’ vervolgde ze.

 

‘Maar minder slecht’ vulde de man met de snor aan.

 

‘Precies.’ Het hondje likte aan de handen van de vrouw.

 

‘Weet u waar het al

helemaal niet te doen is?’ 

 

‘Den Haag.’ Zei de vrouw.

 

Het begon te regenen.

 

Aan de overkant van de straat duwde een magere vrouw met zwarte kringen onder haar ogen een tweelingwandelwagen voort. De kinderen krijsten de longen uit hun lijf vanonder het plastic dat over de kar gespannen was. Pas toen ze de hoek om was verstomde de herrie.

 

‘Heeft u kinderen?’ vroeg de man met de snor.

 

‘Ja, twee. Een dochter en een zoon. ‘ De vrouw haalde twee pasfoto’s uit haar portefeuille. Grote bleke gezichten keken in de camera. ‘Dat is Miranda, zij is getrouwd en heb twee kindjes. En dat is mijn zoon Marcel, hij is net gescheiden. Jammer hoor, was een leuke meid.’  Ze stopte de foto’s weer terug.

 

‘Hij heeft geen kinderen?’

 

‘Nee, ze waren veel te druk met hun bedrijf, en nu zij weg is, doe ik haar werk.’

 

‘Wat voor bedrijf was dat dan?’

 

‘Daar kan ik niet teveel over zeggen. Het is met planten. En u? ook kinderen?’

 

‘Nee, wel een vrouw. Leuk mens, maar ze verlelijkt met de dag, dat wel.’

 

‘Met de dag?’

 

‘Ja, het is echt ongelofelijk. Elke ochtend bij het wakker worden denk ik: wat zal het nu weer zijn. Welke groeven zullen zich nu in haar kop hebben genesteld?’

 

‘Is het echt zo erg?’

 

‘Mevrouw, anders zou ik het niet zeggen. Ik weet in elk geval wel zeker dat andere mannen met hun tengels van d’r afblijven. Ik raak d’r zelf al niet veel meer aan. Nou, dat was twintig jaar geleden wel anders hoor, de hele buurt keek als zij door de straat liep. Maar toen begonnen we een eigen zaak, en je kent dat wel, dan gaat het hard.’

 

‘Wat voor zaak heeft u?

 

‘Daar kan ik ook niet zoveel over zeggen. Een soort incassobureau met onmiddellijk resultaat, zo noem ik het graag.’

 

‘Daar werken wij ook weleens mee. Maar laatst liep het een beetje uit de klauwen. Viel er niks meer te incasseren en was ons mannetje gelijk voor drie maanden opgeborgen.’ Vertelde de vrouw terwijl ze het hondje aaide. 

 

‘Ik denk dat ik weet met wie u in zee bent gegaan, was het schele Cor? Maakt niet uit, daar kunt u natuurlijk niks over zeggen. Wat mij meer interesseert, heeft u nog groen op voorraad misschien? Ik ga een paar daagjes met wat vrienden naar zo’n Center Parcs huisje, om te ontspannen weet u wel.’ Zei de man met de snor. 

 

‘Hoeveel heeft u nodig?’

 

‘Grammetje of honderd, misschien.’

 

‘Och jongen toch’ zei ze, terwijl ze in haar handtas rommelde.

 

Ze gaf hem een groen bolletje wol. ‘Het zit erin, gewoon netjes afwikkelen en dan heb je het. Ik zou de wol wel graag terug hebben, ik brei een sjaal voor Marcel namelijk, en die jongen heeft echt een stierennek,  dat is me wat.’

 

‘Wat wilt u ervoor hebben?’

 

‘Ach’ zei de vrouw, ‘helemaal niks, iedereen heeft toch een mazzeltje nodig op z’n tijd. Maar die wol kun je gewoon afgeven bij de hondentrimsalon bij de brug, daar ben ik elke week.’

 

De bus was er. Ze stapten in en gingen ver van elkaar vandaan zitten. Ze waren mensen die wisten hoe de wereld in elkaar zat.