Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Trein

28-02-2013

Het begon nu echt oncomfortabel te worden, deze treinreis.

Het begon nu echt oncomfortabel te worden, deze treinreis.

/ /

28-02-2013

Zadie zat in de trein en keek om zich heen. Ze zuchtte. Nog maar twee stations en dan naar huis fietsen. Het was opnieuw koud geworden, deze winter overtrof alle winters die ze eerder meemaakte. Dat waren er 29 in totaal.

In haar handen een boek, een goed boek waar ze maar niet doorheen kon komen. Lange stroperige zinnen en ingewikkelde plotwendingen, volgens haar vriendenkring echt briljant. Ze verlangde naar de Cosmopolitan die het meisje voor haar aan het lezen was. ’27 briljante sekstips’, ’jeans voor elk lichaamstype’ en ’14 vakantie hotspots’. Daar kon je tenminste wat mee, geen geneuzel over moeilijke liefdes van ondoorgrondelijke personages, geen langdradige beschrijvingen van pittoreske omgevingen, maar gewoon een handleiding voor het leven. Zo heb je seks met iemand, deze broek moet je dragen (deze twee gingen niet helemaal samen, hoewel de juiste jeans vast een hoop zou kunnen bereiken) en hierheen moet je op vakantie. Het meisje met de Cosmopolitan stond op en stapte uit, op haar plek ging een man zitten, misschien meer een jongen, eigenlijk.

Ze probeerde verder te lezen, gluren was zo onbeschaamd en bovendien viel ze op lange mannen en hij was een korte. Ze las: ‘met de moed der wanhoop wederkeerden zij, echter niet voordat de dagen en nachten zich verder en verder van haar verwijderden, terwijl…’ Kutboek.

‘Goed boek?’ De jongen, ja, het was meer een jongen, begon te praten.

‘Ehm , ja heel goed, ik ben helaas een beetje te moe om me er echt op te kunnen concentreren geloof ik.’ Ze geloofde het haast zelf.

‘Ja, dat ken ik. Sorry, dit klinkt een beetje cliché, maar kennen wij elkaar niet ergens van?’

‘Ehm, denk je dat?’

‘Ja, je komt me zo bekend voor.’ Hij knikte geestdriftig.

Zadie dacht heel hard na terwijl ze zijn gezicht bestudeerde. Hij zag er in haar ogen tamelijk nietszeggend uit, wat zoveel betekende als dat ze hem vast weleens had gezien, maar toen niet had onthouden.

De jongen gaf niet op.

‘Kom je weleens bij de Zeppos?’

‘Soms, naja, heel zelden eigenlijk.’

‘De Vuig?’

‘De wat?’

‘De Vuig’

‘Niet dat ik weet,’

‘Nou, dat zal wel niet.’

‘Nee.’

‘De Potters dan?’

‘Nee.’

‘De Doerak?’

‘Nee.’

‘Het duveltje?’

‘Oh jezus, nee. Kom jij daar?’

‘Soms.’

De trein stopte, het volgende station was voor haar.

‘Ik weet zeker dat we elkaar eerder gesproken hebben- laat me even denken.’

Zadie begon naar haar boek te verlangen, dat saaie boek. ‘Misschien hou je me voor iemand anders?’ Probeerde ze.

‘Onmogelijk. Laat me even denken, misschien hebben we gemeenschappelijke vrienden.’

 ‘Oja, dat zou kunnen.’

Hij werd weer enthousiaster.

‘Ken je misschien, es even kijken, Dennis de Vlaai, of Tim de Vries of Hilda Jongstra, Marijn Kooijmans, of Nina Rozenstraat?’

‘Ehm sorry, nee.’

‘David Post, Karin Swart, Jochem Hoekstra, Sanne de Jong of Femke Bakker?’

 ….

Het begon nu echt oncomfortabel te worden, deze treinreis. De jongen wist niet van ophouden.

‘Okee, nog 1 poging- je kent vast wel Jody, kut ik weet zijn achternaam niet- met dat haar, die Jody weetjewel.’

‘Ik ken geen Jody.’

‘Echt niet? Bizar. Maarre, Mariska- Ja, Mariska Veen ken je vast wel, ja toch, iedereen kent Maris. ‘

Ze zuchtte. ‘Kennelijk ben ik niet iedereen.’

‘Welke scholen heb je gezeten?’

‘De Wegwijzer, het Comenius en toen de RUG.’

‘Raar- ik zat op allemaal andere, maar ik weet zeker- wij kennen elkaar.’

 

Ze glimlachte ongemakkelijk. Ze mocht er bijna uit.

 

‘Je ouders, dan hoe heten zij? Of broers en zussen, heb je die?’

‘Ik moet nu echt gaan’ zei ze terwijl ze haar tas pakte. ‘Fijne dag nog.’

 

Haastig liep ze over het perron waar het hard waaide. Achter haar hoorde ze haar naam, het was de jongen uit de trein. Hij schreeuwde dat hij het weer wist, waar ze elkaar van kenden, maar al snel piepten de treindeuren en gingen ze dicht. Zadie stond op het perron en zag de trein steeds kleiner worden tot hij helemaal verdwenen was.

Trots

26-11-2015

Stilstand is hen gegeven.

Stilstand is hen gegeven.

26-11-2015

‘Wat goed dat er zoveel vrijwilligers zijn’, zeggen de mensen blijmoedig tegen elkaar. Na weken van uitstellen sloot ook ik me aan bij het leger van goedbedoelenden.

Ik kan schrijven over hoe graag de kinderen wilden meedoen met het knutselen, hoe hun ouders flauwtjes glimlachten met droeve ogen.

Ik kan schrijven over alle andere vrijwilligersprojecten die ik zag.

Ik kan schrijven over de tapijttegels, tl-verlichting, grauwheid.

Ik kan schrijven over de kleuters die met elkaar op de vuist gingen. Over het jongetje dat maar om aandacht bleef vragen. Over de te korte broeken. Over de poepluier die maar niet verschoond werd. Over de taalbarrière.

En dan iets positiefs, over hoe trots we mogen zijn dat er zoveel initiatieven voor gevluchte mensen bestaan.

Maar laat me schrijven over de schaamte die ik voelde toen ik er was. Ik schaamde me voor de omstandigheden waaronder we deze mensen laten leven. Ik schaamde me voor het voedsel. Ik schaamde me voor de schraalheid. Ik schaamde me voor de onzekerheid waarin ze maandenlang moeten leven. De procedures zijn niet gestart, ze hebben geen geld. Hun kinderen gaan niet naar school.

Ik voel me getuige van diefstal. Want waar ik altijd probeer om zoveel mogelijk dingen te doen op een dag, mijn tijd nuttig te besteden, stelen we uren, dagen, maanden, van onze medemensen. Stilstand, enkel stilstand hebben we hen gegeven. Ze worden niet meer continue met de dood bedreigd, maar menselijke waardigheid gaat over meer dan dat.

Ik schaam me omdat ik niet geloof dat ‘we doen wat we kunnen’. Ik schaam me voor de schorre kelen en bange protesten waarmee de komst van een AZC wordt verhinderd. Ik schaam me voor het gebrek aan medemenselijkheid.

Ik schaam me omdat mijn leven tien kilometer buiten het AZC zoveel beter is, niet omdat ik een beter mens ben, maar omdat ik nou eenmaal een betere kaart getrokken heb.

Tuin

08-04-2015

Het leek wel een kunstproject.

Het leek wel een kunstproject.

/ /

08-04-2015

Kruid, onkruid, kronkelplant, gras, paardenbloem, donkergroen plantje, lichtgroen plantje… eigenlijk had ze geen idee wat ze aan het doen was in deze tuin die ooit door iemand anders met veel liefde werd aangelegd en nu was overgeleverd aan haar onkundige handen. Volgens haar vriendin met groene vingers zou ze niks fout kunnen doen in deze tuin, ‘Het is zo’n oerwoud, ga maar lekker los,’ had ze gezegd. Dat probeerde ze nu te doen, lekker losgaan in het oerwoud.

Na een uurtje woest knippen, wroeten en scheppen lag er een grote berg groen naast haar op het tuinpad. Hier en daar kroop een slakje, die pakte ze voorzichtig op om ze ergens anders neer te zetten. Ze kon zich herinneren dat haar oma slakken met bier uit de tuin probeerde te verdrijven, maar in deze tuin lagen de verhoudingen anders. De tuin was net zoveel van de slakken als van haarzelf als van niemand in het bijzonder.

Ze ging even zitten op het gammele stoeltje van het witte bistrosetje dat de vorige eigenaar had achtergelaten. De takken van het buxushaagje bewogen lichtjes, een klein vogeltje kwam tevoorschijn, keek even rond en verdween weer in het struikje. Nieuwsgierig hurkte Britt voor het haagje, zouden er meer vogeltjes in zitten? Ze zag geen vogeltjes. Wel zag ze iets blauws, links achter de buxus, een beetje in de hoek van de tuin. Voorzichtig duwde ze de plant opzij.

Nu kon ze het beter zien, het leek wel de rubberen onderkant van een schoen. Een schoen in een veel grotere maat dan de hare, een schoen die hier zo te zien al een hele tijd geleden terecht gekomen was. Britt wurmde zich langs het haagje om de schoen te pakken. Nu stond ze in het stukje tuin dat normaal gesproken onzichtbaar was door de afschermingen van de buxus en schuttingen.

Het was inderdaad een schoen, een herenschoen in grote maat, minstens maat vijfenveertig, schatte ze. Ze boog voorover om de schoen te pakken, maar toen ze de schoen vasthield voelde hij zwaar, van schrik liet ze hem weer vallen. Er zat iets in de schoen, zoveel was duidelijk. Waarschijnlijk was het gewoon regenwater, stelde ze zichzelf gerust. De binnenzool had het regenwater vast opgezogen. Maar misschien, en het was deze optie waar ze nerveus van werd, woonde er wel een muizenfamilie in de schoen. Met een angstig gezicht gaf ze een klein schopje tegen de schoen die voor haar op de grond lag. Er kwamen geen muizen uit. Ze haalde diep adem en pakte de schoen aan de veters vast. Met een zwiep gooide ze hem over het haagje, op de berg groen die ze al had verzameld. Met trillende handen wrong ze zich weer langs het haagje naar het tuinpad.

Ze liep naar binnen, waste haar handen en dronk een glas water. Daarna pakte ze de rol met vuilniszakken en wandelde ze weer naar buiten.

Best een gedoe eigenlijk, zo’n tuin.

Ze trok de werkhandschoenen die ze bij de supermarkt had gekocht aan en begon de bladeren en takken in de vuilniszak te stoppen. De schoen was een beetje van de berg afgerold en lag naast haar op het tuinpad. Snel pakte ze hem bij de veters vast, maar ditmaal keek ze ook naar wat ze aan het doen was. Toen zag ze ineens waarom de schoen gewicht had, hij was niet leeg, er zat geen regenwater in en ook geen muizenfamilie. Wel een voet. Een aangevroten, vergane kapotte, ontlijfde voet.

Met een gil liet ze ze schoen vallen. Ze rende het huis in en zocht naar haar telefoon. Die was zoals gewoonlijk bijna leeg, dus zocht ze eerst naar de lader. Het snoer zat erg in de knoop waardoor ze alleen onhandig dicht bij het stopcontact kon telefoneren. Ze dacht even na, wie zou ze bellen? Het was niet echt een spoedgeval, maar politie was wel een goeie. Ze legde haar telefoon weer weg, en liep naar haar computer. Politie bellen maar geen spoed, welk nummer was dat nou toch? Ze vond het nummer en belde. De stem aan de andere kant van de lijn zei dat ze er meteen aankwamen en dat ze niks moest aanraken in verband met het sporenonderzoek.

De drie agenten belden een halfuur later aan, ze liepen meteen door naar de tuin. Een van hen ging met Britt naar binnen om een verklaring op te nemen aan de keukentafel. Het duurde niet zo lang. Toen kwamen de andere twee weer binnen. Ze zeiden dat ze onderzoek wilden doen en dat er niemand in de tuin mocht komen. Britt vroeg of ze koffie wilden, dat wilden ze allemaal wel.

‘Gebeurt dit wel vaker?’ Vroeg Britt, in een poging een gesprekje te beginnen met deze vreemde mensen in haar keuken. ‘We maken veel mee, mevrouw,’ zei de jonge agent die een donsachtige baardgroei had. ‘Als u wilt, kunnen we u in contact brengen met slachtofferhulp,’ zei de agente met de lange bruine vlecht. ‘Het was niet mijn voet,’ zei Britt. ‘Dat zien wij ook wel,’ zei de agente, ‘maar zoiets kan toch een grote impact hebben.’ Britt knikte.

De agenten verzegelden haar tuindeur en stonden op. De voet namen ze mee in een plastic zakje. Het leek wel een kunstproject. ‘U hoort van ons’ zeiden de agenten.

De volgende dag stond haar tuin vol met mensen met lange en korte functie-omschrijvingen en namen. Halverwege de ochtend werd besloten een graafmachine uit te laten rukken. De volledige tuin werd ondersteboven gekeerd, de buxus uitgetrokken, de klimop vernield.

Er werd niks gevonden en ook geen sorry gezegd. De huisbaas was uit zijn humeur over de puinzooi en Britt besloot te vertrekken naar een ander onderkomen, iets met een balkon.

Sindsdien was er niks veranderd, behalve dan dat elke keer wanneer Britt iemand zonder linkervoet zag, ze weer terug dacht aan die dag dat ze ging tuinieren en er niks aan de hand was.

Vakantie

17-02-2019

Soms droomde ze met open ogen, soms was ze wakker met ogen dicht.

Soms droomde ze met open ogen, soms was ze wakker met ogen dicht.

17-02-2019

De verveling was er langzaam ingeslopen, ongemerkt – de lijn tussen comfort en saaiheid was dun. Ze had alles waar ze ooit op had gehoopt, naar had verlangd, gestreefd. En nu verveelde ze zich te pletter.

Het huisje in het vakantiepark, de stationwagen, de kwispelende hond, de kinderen die zeurden of ze naar het zwembad mochten, haar man die een boek zat te lezen op de bank. Met alles in haar lichaam probeerde ze zich vervuld te voelen, gelukkig en trots. Ze had niets te klagen, niets te wensen. Toch lag ze al dagenlang in een joggingpak op de bank te staren naar de witte muren, naar de fletse kunstwerken aan de muur.

‘Mama heeft een beetje te hard gewerkt, ze moet uitrusten,’ hoorde ze haar man tegen de kinderen zeggen. Het was lief en het was onjuist. Ze had hard gewerkt, maar niet te hard. Misschien had ze wel te zacht gewerkt. Zelfs in haar werk was de verveling geslopen, was het plezier haast ongemerkt weggelopen, gemorst.

Man en kinderen verlieten met veel gedoe het huisje om nog eens naar het tropisch zwemparadijs te gaan. Daarna zouden ze patat gaan eten en boodschappen gaan doen, wat haar zeker vier uur rust zou geven.

Maar rust waarvan precies? Ze sloot haar ogen en probeerde in slaap te vallen. De afgelopen dagen had ze steeds in een soort sluimerstand doorgebracht, halfwakker, halfslapend. Soms droomde ze met open ogen, soms was ze wakker met ogen dicht.

Het was niet dat ze spijt had van haar keuzes. Ze had geen spijt van haar kinderen, haar man, haar baan. Zelfs van deze vakantie kon ze geen spijt hebben.

Er was niks mis.

Niet met het huisje, het park, zelfs niet met het weer.

Dat ze hier lag, kwam enkel doordat ze niet meer kon voelen, al maanden niet. Geen spijt, geen blijdschap, geen boosheid, geen verdriet, geen honger, geen energie. De laatste weken was ze als een zombie opgestaan, aangekleed, naar haar werk gegaan. Ze had leuke dingen gedaan, had geborreld met vrienden, verjaardagen gevierd, was met de kinderen naar de dierentuin geweest.

Ook had ze zich al verdiept in wat er mogelijk mis zou kunnen zijn. Overspannen, burn-out, oververmoeid, een tekort in vitamine b12, of toch een mysterieus virus of syndroom… Google was onuitputtelijk gebleken, maar geen enkele diagnose wist haar echt te overtuigen.

Ze stond op van de bank om koffie te gaan zetten. Van koffie was nog nooit iemand slechter geworden. Terwijl het apparaat begon te pruttelen en druppelen keek ze uit het keukenraampje dat uitzicht bood op het kronkelende schelpenpad richting het strand.

Vanuit de verte zag ze een man in een gele regenjas naar beneden lopen. Hij droeg kaplaarzen en had een grote grijze baard die in de wind wapperde. In zijn rechterhand een houten stok, een staf haast. Het geheel was indrukwekkend en vreemd, maar belangrijker nog: het haalde haar voor een moment weg van de staat waarin ze tot dat punt in had verkeerd.

Ze schonk een kop koffie in en en slofte terug naar de bank. Ze zette de tv aan en keek zonder met haar ogen te knipperen naar het thuiswinkelkanaal dat een serie van obscure uitvindingen presenteerde. Ze overwoog de chopstar waarmee je komkommers kon doorknippen, het ergonomische hoofdkussen en de trilplaat waar je alleen maar op hoefde te staan voor een complete workout.

Langzaam dommelde ze weer een beetje in, de afstandsbediening gleed uit haar hand, viel op de grond waar het klepje aan de achterkant losliet en de batterijen wegrolden onder de bank.

‘Dat is niet handig’, hoorde ze een zware stem zeggen. Verschrikt keek ze op. In de kamer stond de man met de regenjas. ‘Hoe, hoe komt u hier binnen?’ vroeg ze hem. ‘De deur was open en ik heb zin in koffie,’ zei hij met een kalme vanzelfsprekendheid die haar nog verder verwarde.

‘Wij kennen elkaar niet, dus sorry, nee. En ik moet alleen zijn,’ zei ze.

‘Geen zorgen, ik kom alleen voor een bak koffie en ga dan weer. Ik zie dat je nog hebt staan.’

Hoofdschuddend liep ze naar het keukentje en schonk ze de man een kop koffie in.

‘Melk, suiker?’

‘Zwart .’

De man was aan de eettafel gaan zitten, de houten stok leunde tegen de muur. Het leek alsof de man op een andere schaal gebouwd was dan zij, dan alles in de ruimte. Hij was reusachtig. Zwijgend zette ze de koffie op tafel. Het koffiekopje verdween haast in zijn handpalm.

‘Fijne vakantie?’ zei hij toen.

Ze haalde haar schouders op. ‘Het is leuk voor de kinderen.’ Ze krabde even aan haar hoofd en ging toen weer op de bank liggen.  Met haar ene oog keek ze naar de thuiswinkelzender, met het andere naar de man in de regenjas.

‘En wat is er met jou aan de hand?’ zei de man.

‘Ik kijk tv,’ zei ze zonder hem aan te kijken.

‘Het lukt je niet hè?’ zei de man. ‘Ik zie het wel hoor. Het lukt je niet.’ 

Ze zei niks. Langzaam stond de man op van tafel. ‘Het gaat wel weer over. Vergeet niet dat alles altijd over gaat.’

Met zware passen liep hij naar de voordeur. Hij keek niet om, maar zij keek hem wel na.

Ze verzamelde de batterijen van onder de bank, zette de afstandsbediening weer in elkaar en de tv uit. Toen ze opstond, voelde ze zich lichter.

Onder de douche neuriede ze een liedje uit haar jeugd en toen haar gezin weer binnenkwam, zei ze: ‘Wat fijn dat jullie er weer zijn,’ en ze meende elk woord omdat ze wist dat het over zou gaan.

Valentijnsbrief

14-02-2013

Valentijnsbrieven voor elke fase

Valentijnsbrieven voor elke fase

14-02-2013

Valentijnsdag is voor niemand eenvoudig. Verzetten doet pijn, meewerken ook. Daarom helpt Revka je een beetje op weg met drie liefdesbrieven die eenvoudig gepersonaliseerd kunnen worden. 

Kies het stadium van de liefde:

pril

stabiel

aflopend

Verleden

17-08-2016

Het leven smaakte zoeter dan ooit.

Het leven smaakte zoeter dan ooit.

/ /

17-08-2016

Het begon met kleine dingen die niet meteen opvielen. Hij liep wat breder, sprak wat luider en wat langzamer ook. Steeds vaker verkondigde hij ongevraagd zijn mening, in cafés, in de krant, op het internet. Zijn stukken hadden allerlei maatschappelijke kwesties als onderwerp, maar gingen in essentie alleen maar over hemzelf. Het ging over wat hij dacht, wat hij ergens van vond. Het was niet tegen te houden, de drang naar een podium die in hem was ontstaan.

Elke keer wanneer hij een mening voelde opkomen, schreef hij er een stuk over. Hij was niet bang grootse woorden te gebruiken in zijn teksten, of op het kitscherige af, poëtisch te zijn. Soms werd hij zelfs een beetje opgewonden van zijn eigen teksten.

Hij had altijd al het gevoel dat hij een beetje specialer was dan de rest van de wereld en nu was het dan eindelijk ook bij die wereld doorgedrongen. Nog nooit verdiende hij zoveel geld, kreeg hij zoveel likes, berichten, sjans en commentaar. Het leven smaakte zoeter dan ooit.

Vandaag had hij een middag vrij, en had hij zonder nadenken wat dure kleding gekocht. Hopelijk hoefde dat binnenkort niet meer, als alles volgens plan zou lopen, werd hij binnenkort gekleed door een mooi merk. Gewoon, omdat hij het was. Omdat hij invloed had, omdat andere mensen hem wilden zijn, of in elk geval zijn stijl wilden hebben.

Na het winkelen liep hij naar de stomerij om zijn pak te halen. Steeds vaker moest hij chique gekleed verschijnen, er waren namelijk nogal wat luxe merken die evenementen organiseerden. Zo had hij deze maand een champagnefeestje, een lancering van een nieuw soort jenever voor hipsters, een borrel ter gelegenheid van een geïmporteerde kaviaarsoort en een bijeenkomst van de honderd meest mediagenieke mensen.

De borrels waren onderdeel van zijn leven geworden, de vrouwen die er rondliepen ook. Slank, gebruind, langbenig, met wapperende haren en fonkelwitte tanden. Ze droegen onmogelijke schoenen, diep uitgesneden jurken en roken naar geld. Soms vluchtten ze meteen een badkamer in, soms wisselden ze nummers uit en zagen ze elkaar in de duurste hotels van de stad. Ze hadden zelfs schuilnamen, dat was normaal in dit wereldje. Zijn vriendin wist in welke wereld hij verkeerde en deed alsof ze het niet zag.

Ook dat was normaal in dit wereldje.

Zijn telefoon verloor hij geen moment uit het oog, een constante stroom van foto’s, filmpjes, uitnodigingen en gesprekken, zorgde ervoor dat hij soms wel driemaal per dag moest opladen.

Zonder zijn ogen van het beeldscherm te halen, legde hij het bonnetje op de balie van de wasserette. Hij was druk met het typen van een snedig antwoord en merkte de priemende ogen van het meisje van de wasserette niet op. Zwijgend pakte ze het bonnetje en liep ze naar achter.

Toen ze terugkwam met het pak, zei ze hardop: ‘David, ben jij dat?’ Betrapt keek hij op, zijn telefoon deed hij snel in zijn zak. ‘Ja, klopt.’ Ze keek hem aan, hij keek terug, maar leek haar niet te zien. ‘Ken je me nog?’ vroeg ze toen. ‘Waarvan precies?’ In zijn hoofd ging hij de laatste maanden na. Misschien had ze hem gezien op de voorleesavond, dat ze publiek was. Of toen hij in een panel zat. Publiek denkt er niet over na dat zij jou herkennen, maar dat het andersom niet zo werkt.

‘Iris, van je studie, weetjenog?’ Hij schudde even met zijn hoofd, maar hij wist het nog wel. Het was alsof hij naar het leven van een ander keek, als hij terugdacht aan die tijd. Dat hij gestudeerd had, dat zou hij nooit achterhouden, maar de mensen, de plekken, het leven uit die tijd… daar wilde hij niet meer aan denken. Hij was iemand geweest die niet zo graag wilde bestaan. Met de ogen van nu vond hij het maar gênant, zoals hij toen was. Gelukkig hoefde hij nooit aan die tijd terug te denken, behalve vandaag dan.

‘Ik lees veel van je,’ zei ze, toen ze merkte dat hij niks meer ging zeggen.
‘Dat kan heel goed, de laatste maanden waren een gekkenhuis.’
‘Wat goed,’ zei ze.
‘Ja,’ zei hij. Hij voelde zich ongemakkelijk in deze omgeving, het was een plek om maar kort te zijn, anders zou de armoe die hier heerste nog aan hem blijven kleven.
Hij pakte zijn telefoon weer uit zijn zak.
‘Ik moet er weer vandoor.’
‘Leuk je weer gezien te hebben,’ zei zij.
‘Ja,’ zei hij.

Buiten voelde hij hoe zijn hart tekeer ging. Heel even voelde hij zich zoals toen, die tijd dat hij studeerde. Klein, onbelangrijk, ongeschikt misschien wel.

Misschien moest hij zijn dealer nog maar eens bellen.

Toen keek hij naar zijn weerspiegeling in de ruit van de wasserette. Knapper dan ooit, dacht hij bij zichzelf, knapper dan ooit. Hij voelde zich weer breder worden. Toen liep hij terug naar zijn eigen woonwijk, waar mensen van vroeger niet zouden opduiken.

Visite

05-01-2015

Het eerste stukje gaat altijd makkelijk.

Het eerste stukje gaat altijd makkelijk.

/ /

05-01-2015

Het was al een tijd geleden dat Lida haar zoon en schoondochter op bezoek had gehad. Van schoondochters mocht je niks vinden, hield ze zichzelf voor. Zelf was ze weinig welkom geheten, dertig jaar geleden. Haar schoonmoeder refereerde de eerste twee jaar naar haar als ‘dat meisje’ om daarna in een stilzwijgend afkeuren te vervallen. Met de komst van de kinderen was de boel iets verbeterd, met de verhuizing 300 kilometer naar het zuiden nog meer. Maar de relatie bleef verziekt tot het bittere einde.

Dat soort taferelen zou Lida nooit hebben, nam ze zich toen voor. Ze had twee zonen en een dochter. De dochter reisde als reisleidster de wereld rond en stuurde wekelijks kaartjes. Af en toe spraken ze via Skype, maar over een vaste geliefde had ze nooit gesproken. De jongste zoon bleek homo te zijn, hij woonde inmiddels drie jaar samen met een knappe oudere architect. Vandaag was het dus de oudste die kwam eten met zijn vriendin, vrouw inmiddels. Lida kon slecht wennen aan die nieuwe status, de twee waren stiekem getrouwd ergens in het Caribisch gebied, zonder gasten, met twee voorbijgangers als getuigen.

Het was geen slecht mens, of iets dergelijks, haar schoondochter. Ze was niet onknap, en had een redelijk stel hersenen. Ze was niet te dik en ze had geen sterk accent. Zo nu en dan maakte ze een grapje en als ze op bezoek kwamen nam ze bloemen mee of een doosje chocolade. Ze had een redelijk goede baan en kwam uit een normale familie. Er was niks mis mee, maar hoe Hugo daar nou zo verliefd op had kunnen worden, dat bleef Lida een raadsel.

Subtiel probeerde ze de mening van haar man te peilen. Maar hij was weinig gevoelig voor subtiele zaken (en ook weinig gevoelig voor minder subtiele zaken, nu ze erover nadacht). Daarom had ze hem een na het derde bezoek van Hugo en Ilse gewoon maar gevraagd wat hij ervan vond. ‘Ik vind haar niet zo lekker als ik had gehoopt,’ klonk het vanachter het Financiële Dagblad. ‘En verder?’ De krant kwam naar beneden. ‘Verder? Ach, wat valt er nou te vinden. Als die jongen maar gelukkig is.’ In de keuken schonk Lida zich nog een glas port in.

Gelukkige kinderen,
dat is wat elke ouder wil.

Vandaag kwamen ze dan eten en Lida had zich uitgesloofd in de keuken. De drank had ze overgelaten aan haar echtgenoot, die sowieso vaak en graag in de slijterij te vinden was. De deurbel klonk. Sinds wanneer ging het eigenlijk zo? Wanneer had hij zijn sleutels ingeleverd? Van haar had het niet gehoeven, er waren sleutels genoeg, de buren hadden er een, haar zus, en de buurt was veilig genoeg om de achterdeur overdag open te laten. De bel ging weer, vlug deed Lida haar schort af en gooide hem in een hoek op het aanrecht. ‘Steek jij de kaarsjes aan?’ Vroeg ze aan haar man terwijl ze met nerveuze passen richting de voordeur liep. ‘Huugje,’ mompelde ze, want dertig of niet, nog steeds was hij haar eigen kleine mannetje. En potverdorie- moest je haar nu zien, in haar eigen huis, lopend met nerveuze passen. Misschien is het de overgang, dacht ze bij zichzelf.

Het eerste stukje van een bezoek gaat altijd makkelijk. Koude snelle zoenen, jassen uit, bloemen aannemen, dicht op elkaar staan in een kleine ruimte, schoenen uitdoen of toch aanlaten, even de sjaal nog ophangen, best wel afgekoeld buiten, maar gister was het beter, morgen wordt het slechter, tenminste, zoiets zeiden ze op de radio, maar ze zeggen zoveel, en dan de woonkamer in.

‘Wat ruikt het lekker,’ zei de schoondochter.
‘Je moeder is al de hele middag in de keuken bezig’ zei de echtgenoot.
‘Ik zet de bloemen even in een vaas, schenk jij ze even wat in’ zei Lida.
‘Voor mij niet teveel, ik moet nog rijden’ zei de zoon.

Ze gingen op de bank zitten. Op de achtergrond de golden oldies cd die Hugo een paar jaar geleden cadeau had gedaan. Niksige muziek vond Lida, maar perfect voor deze gelegenheid. De drie waren in gesprek over de huizenmarkt en Lida stond op om naar de keuken te gaan. Daar schonk ze de venkelsoep in dunne glazen kopjes. Erbovenop een zelfgemaakte soepstengel. Ze zette de glaasjes op het zilveren dienblaadje dat van haar moeder was geweest. Naast de glaasjes zette ze de amuselepels neer. Vanmorgen had ze kleine torentjes van makreelmousse gemaakt, bovenop de torentjes een spiraaltje van citroenschil. Het was veel werk geweest, maar het resultaat mocht er zijn, vond ze.

Met het blad in haar armen liep ze richting de bank.
‘Kijk eens, hier alvast wat kleins,’ zei ze.
De anderen zeiden de dingen die mensen zeggen in zulke situaties. Toen aten ze het zwijgend op.
‘Lekker,’ zei de echtgenoot.
‘Ja,’ zei haar zoon.
‘Ja,’ zei de schoondochter, ‘hoewel het voor mij wel een beetje meer gekruid had gemogen. Dat is geen kritiek hoor.’
‘Ja, maar jij kan ook heel goed koken,’ viel de zoon zijn vrouw bij.
‘En ik niet?’ Vroeg Lida nijdig.
‘Jawel,’ haastte de zoon zich nu te zeggen, ‘maar jij kookt gewoon, zeg maar, gewoon. Lekker, niet teveel poespas.’
‘Nou, dit zette ik jullie vroeger niet voor hoor.’ Lida verzamelde de glaasjes en lepels en zette ze op het dienblad.
‘We gaan zo aan tafel, ga maar vast zitten. Lieverd, schenk jij nog even bij?’
De echtgenoot knikte.

Lida keek in de pan met boeuf bourguignon. Niet echt verfijnd misschien, maar wel heel lekker, toch? In de oven lagen de parten geroosterde pompoen, de knolselderijpuree was ook al klaar. Met tegenzin liep ze de woonkamer in met de schalen. Ze schepten op. Het zag er mooi uit, al die kleuren bijelkaar.

‘Mag ik ook eens wat witte wijn?’ Vroeg de schoondochter.
‘Je drinkt toch liever rood?’ Vroeg Lida.
‘Ik denk dat ik de witte wat lekkerder vind. Deze is een beetje vlak.’
‘Vlak?’ Zei Lida.
‘Ilse weet heel veel over wijnen. Ze kan ook heel goed proeven,’ zei de zoon, ‘dankzij haar heb ik ook veel beter leren proeven.’
Lida sloeg haar wijn in één teug achterover. De echtgenoot merkte niks.

Tijdens het eten werd er wat gepraat over tv-series en mensen van vroeger. Toen stond Lida op om het dessert te halen: zelfgemaakte chocolademousse.

‘Dat hoef ik niet,’ zei de schoondochter toen Lida de schaal op tafel zette.
‘Ik ben niet zo’n zoetekauw.’
‘Meestal eten we kaas toe,’ vulde de zoon haar aan, ‘heerlijk, met een goed glas port.’
‘Port hebben we,’ zei de echtgenoot opgeruimd, ‘ik ga het wel even pakken.’
Nijdig schepte Lida drie kommetjes chocolademousse op.
‘Niet te veel hoor mam, dat moet ik er allemaal weer af sporten,’ zei de zoon.
‘Hij is al drie kilo kwijt,’ zei de schoondochter, ‘en echt veel gespierder’.
‘Is dat zo?’
De zoon knikte. ‘Ik ben echt veel gezonder sinds wij samen zijn.’

‘Gezondheid is het belangrijkste van alles,’ zei de echtgenoot terwijl hij een glas port hief.
Iedereen zei proost.

Daarna verzamelde Lida het servies en ging ze koffie zetten. De schoondochter wilde helpen met afruimen, maar dat hoefde niet. Terwijl de koffie liep, masseerde Lida haar slapen. Het zat er bijna op. De keuken was een groot slagveld, en voor wat eigenlijk? Ze zette kopjes en chocolaatjes op een dienblad en bracht het naar de eettafel. Toen ging ze de koffiekan halen.

‘Filterkoffie, wat lekker puur,’ zei de schoondochter.

Lida probeerde te glimlachen en nam een grote slok koffie die veel te heet was voor grote slokken. Proestend ging ze naar de keuken om haar mond te spoelen. Toen ze weer de kamer inkwam stonden de zoon en schoondochter met hun jassen aan in de kamer.

‘Volgende keer bij ons,’ zeiden ze.

Vliegveld

15-01-2014

Van netwerken zou het vandaag niet komen.

Van netwerken zou het vandaag niet komen.

/ / /

15-01-2014

‘Mag ik u even storen?’

Voordat Tammo iets kon zeggen, zat de vrouw al naast hem, met haar laptop op haar schoot. ‘Wij doen onderzoek naar wat de bezoekers aan onze stad de afgelopen dagen hebben gedaan, hoeveel geld ze uit hebben gegeven, welk vervoer ze hebben gebruikt, dat soort dingen. We doen dat per gate, en vandaag interviewen we passagiers bij gate 67.’

Tammo was een paar dagen in een middelgrote Duitse stad geweest. Hij zou daar een congres hebben bijgewoond, maar het was hem niet helemaal gelukt. Hij was vier dagen geleden ‘s avonds laat in het zakenhotel aangekomen, in zijn beste kostuum, drie schone hemden en witte shirts in zijn koffer. Hij was naar zijn kamer gegaan, had wat uit de minibar gedronken, een handvol pinda’s gegeten, slechte tv gekeken.

De volgende ochtend begaf hij zich naar de ontbijtzaal. Er zaten nog wat andere mannen die op hem leken, maar Tammo was niet anders gewend, overal waar hij kwam ontmoette hij andere mannen in pakken. Straks bij het congres, zou hij ze wel ontmoeten, netwerken was een van zijn voornaamste kwaliteiten.

Maar van netwerken zou het vandaag niet komen. Tammo pelde net zijn gekookte eitje toen een stem vroeg: ‘Coffee or tea?’ Hij keek op, aan zijn tafel stond een Duitse serveerster in uniform met in elke hand een thermoskan. ‘Coffee or tea?’ herhaalde ze de vraag, maar Tammo kon zich niet langer bezig houden met futiliteiten als drinken, eten, praten.

Haar gezicht leek te schijnen als een zacht maanlicht. Haar postuur kwam hem voor als te kwetsbaar om zulke kannen te dragen. Haar ogen waren doorzichtig, haar lichte haren in een eenvoudig staartje gebonden. Ze stond daar nauwelijks te bestaan, klaar om te verdwijnen, op te lossen.

Ze schonk hem thee in en liep de andere tafels af. Als verlamd zat Tammo in zijn stoel. Hij probeerde haar na te kijken, maar had geen kracht zijn hoofd mee te laten draaien met haar bewegingen. Toen ging ze door de klapdeur naar de keuken. Tammo kon niet anders dan staren. De deur waar ze doorheen was gelopen met stapels vuile borden leek nog bij te komen van haar voorbijgaan.

Tammo keek op zijn horloge, met een taxi zou hij precies op tijd bij het conferentiecentrum zijn. Met de lift ging hij naar boven, eenmaal in zijn kamer haalde hij diep adem.

Het bed was al opgemaakt door een kamermeisje.

Hij poetste zijn tanden, trok zijn jas aan en pakte zijn tas.

Toen hij de sleutel pakte en daarmee de lichten in zijn kamer uitdeed, werden zijn knieën week. Zijn handen trilden, zweet brak hem uit. Snel stak hij de sleutel terug, het licht sprong aan. In de badkamer liet hij de koude kraan stromen, eerst over zijn polsen, daarna dronk hij wat en plenste hij het in zijn gezicht. De mouwen van zijn jas werden nat. In de spiegel keek hij naar de man met het natte gezicht. Het zei hem allemaal niks. Hij trok zijn jas uit en ging op de wc-pot zitten.  Waar was hij mee bezig?  Wat moest hij in deze stilte?

Tammo liep terug de kamer in. Zijn jas lag nog op de vloer in de badkamer. Hij trok zijn schoenen en colbert uit, deed zijn das af en ging op het bed zitten. De stilte verpletterde hem. Hij sloot zijn ogen en gleed weg.

Toen hij wakker werd, was het buiten al donker, het was half acht ‘s avonds. Hij had honger en dorst en geen idee waar hij was. Toen hij zijn tas op de grond zag staan, kwam het langzaam terug. Duitsland. Het congres. Dat is wat hij kwam doen. Hij stond op en ging naar de wc. Alle geluiden waren ongewoon luid. Op zijn sokken verliet hij de kamer en nam hij de lift naar het restaurant.

Een nors meisje stond bij de ingang van het restaurant. Tammo noemde zijn kamernummer en mocht plaats nemen aan de tafel voor twee in het midden van het restaurant. Hij bestelde kip met aardappels en rode kool, een karaf huiswijn en een cola.  Na het eten ging hij terug naar zijn kamer, in de lift zag hij dat hij geen schoenen aan had.

Die nacht kon hij niet slapen. 

Hij stond vroeg op, nam een douche en begaf zich naar de ontbijtzaal. Het was leeg, het meisje was er niet.

Ruim op tijd zat hij in de taxi naar het conferentiecentrum. Hij luisterde naar de lezingen, netwerkte, at een broodje en dineerde met de andere mannen in pakken. Hij merkte iets vreemds: hij stond er, maar hij was er niet. 

Het was al laat toen hij terugkeerde in zijn kamer. Uitgeput viel hij in slaap. De volgende dag was precies hetzelfde. Ze was er weer niet. Hij ontbeet in stilte, vertrok, netwerkte en keerde terug. Maar weer merkte hij: hij was er niet. 

De dag daarna vertrok hij na het ontbijt. Ze was er weer niet. Misschien had hij het zich allemaal verbeeld. Misschien had hij een beetje te hard gewerkt, misschien bestond zij niet eens, misschien bestond hij niet eens. In de taxi naar het vliegveld staarde hij naar buiten, hij zag de stad die hij geen moment had bezocht aan zich voorbij trekken.

Betalen, uitstappen, inchecken, douanes, wachtrijen, koffie halen. Het was hem allemaal zo bekend, dat hij nauwelijks het gevoel had wakker te zijn. En nu dus die enquête. Hij beantwoordde alle vragen gedwee. ‘Gaat het wel?’ vroeg de vrouw nu onderzoekend. Hij knikte, niet omdat het wel ging, maar omdat dat nu eenmaal het enige was wat hij kon doen. Zijn vlucht ging haast vertrekken, hij stond op en sloot aan in de rij, waar hij uiteen viel in duizend stukjes.

Voornemens

29-12-2017

Ik probeer adequaat te reageren.

Ik probeer adequaat te reageren.

/

29-12-2017

Halverwege mijn fietstocht breekt de hemel in twee en besluit ik te schuilen in een café. Drijfnat open ik de deur van de plek waar ik al honderden keren voorbij fietste, maar nooit naar binnen ging.

Het is een café waarvan er zoveel bestaan, dat ik het lijkt of ik er al eerder ben geweest. Een niet al te grote ruimte met een witgeverfde vloer, betonnen details, hangplanten, houten kistjes als tafel. Het is een goedgelukte plek, gemaakt voor mensen zoals ik. Mensen die veel zwarte kleren dragen en een beetje tobberig uit de ogen kijken. Mensen die drie euro vijftig betalen voor een kopje water met drie schrijven gember erin. Niet omdat ze zo rijk zijn, maar omdat de situatie nu eenmaal zo is.

Het verveelde meisje achter de bar geeft me de thee en ik ga in de hoek van de ruimte zitten op het rotan stoeltje, naast de grote plant. Op het gammele tafeltje liggen fotografietijdschriften, waar ik doorheen blader, op zoek naar iets waarvan ik niet weet wat het zal zijn. Ik kijk om me heen.

Aan de leestafel komen steeds meer mensen zitten. Ze lijken elkaar niet te kennen, maar lijken wel een kledingkast te delen. Een kast vol grote jassen, hoogwaterbroeken, mannenschoenen, rugtassen, geen make-up.

De tafel wordt aangevoerd door een vrouw van een jaar of dertig in een tuinbroek. Haar haren zijn in een scherpe bob geknipt en ze heeft een meisjesachtig gezicht met grote ogen.

Wanneer de tafel bijna bezet is, loopt ze een rondje langs de andere tafeltjes, vertelt ze vol enthousiasme over wat ze gaan doen. Ik kan het allemaal net niet verstaan, doe dan maar alsof ik het blad aan het lezen ben, zodat ze me kan storen en ik verbaasd op kan kijken.

Sneller dan ik verwachtte, staat ze naast me. ‘Hoi, ik ben Anisae, en bezig met een project. We schrijven goede voornemens voor het volgende jaar. Maar in plaats van alleen, doen we dat met een groepje mensen, zodat we elkaar ook kunnen inspireren.’

Ik probeer adequaat te reageren, maar zoals dat wel vaker gaat met dingen die ik voor het eerst meemaak, lukt het slecht. ‘Doe je mee?’ zegt ze met wat ongeduld in haar stem. Ik knik en loop achter haar aan naar de grote tafel.

‘Hoi,’ zeg ik tegen de andere mensen. Sommige knikken, de meesten zijn bezig met hun telefoon. We krijgen allemaal een velletje papier en een potlood. ‘Zo,’ zegt de leider, ‘schrijf nu je eerste ingevingen op, dan geef ik daarna wat tips om de boel aan te scherpen.’

Iedereen buigt zich vol ijver over het papier. Ik maak een lijstje met doelen zoals ik ze altijd stel. Meer bewegen, beter koken, meer sparen, foto-albums maken van de foto’s op mijn computer. De leider loopt rond de tafel en leest zo nu en dan mee, maar zegt niks.

Dan klapt ze in haar handen en zegt ze: ‘Heel goed allemaal, dan is het nu tijd om je principekwestie te kiezen. Dus iets waar jij voor wilt staan. En maak het concreet, ik kom weleens mensen tegen die beter voor de planeet willen zorgen, maar dat is natuurlijk niet onderscheidend. We wonen allemaal op deze planeet, en er beter voor willen zorgen klinkt gewoon heel abstract. Bedenk waar jij voor op de poster zou willen staan. Welk soort protest jouw unieke imago kan versterken.’

We gaan weer aan de slag.

Ik bekijk mijn goede voornemens nog eens en nog eens. Er komen geen gedachten in mijn hoofd. De leider vangt mijn blik en komt naar me toe. Ze pakt een stoel en gaat naast me zitten.

‘Ik zie dat je het moeilijk hebt,’ zegt ze droogjes. ‘Ik weet niet zo goed,’ begin ik. ‘Wat vind jij belangrijk? Wie wil jij zijn? Wie ben je nu?’ onderbreekt ze me.

Ik begin te stamelen. ‘Ik? Nou, gewoon iemand die aardig is voor de mensen. Niet lullig, maar altijd aardig. En voor de aarde zorgen, ja ook belangrijk… en de dieren…Gewoon, een vredig…’

De leider doet alsof ze moet gapen. ‘Saai, saai, saai! Aan jou hebben we niks. Je zei iets met dieren? Nou, laat dat dan zien! Campagne, opiniestukken, tweets en insta! Meningen, meningen, meningen. Dáár is de wereld op gebouwd en op niks anders! Begrijp je wat ik zeg?’

‘Maar het gaat toch niet over mij persoonlijk…’ ‘Tuurlijk wel! Als jij dat vindt, dan is die mening helemaal van jou, dan stroomt die door je aderen, dan ben jij het boegbeeld, de inspiratie…’

Dan gaat haar telefoon en neemt ze op.

Stilletjes trek ik mijn jas aan en wandel ik naar buiten.

Vraagje

12-11-2014

Genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden.

Genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden.

/ /

12-11-2014

‘Hoe was je dag?’ Ze vraag het zo opgewekt mogelijk, ook al staat zijn gezicht op onweer.

‘Gaan we dit gesprek voeren? Je weet toch dat ik niet aan middelmatigheid doe. Wat moet ik met zo’n vraag?’

Hij schenkt zichzelf een whisky in.

‘Ik ga koken.’

‘Prima.’

Ze verwarmt de borden voor, legt het damasten tafelkleed op de tafel. De zilveren kandelaar van haar oma gaat ook op tafel, net als de kristallen wijnglazen. Ze kookt met de grootst mogelijke aandacht. Eerst een eitje met truffel, dan een velouté met aspergepunten, kreeft als hoofdgerecht en als afsluiter is er nog kaas. Hans houdt niet van zoet. Zij houdt wel van zoet, maar om nog eens in haar eentje, onder zijn afkeurende blik een huigemaakte apple crumble naar binnen te werken, ze heeft er geen zin meer in.

Aan niks ontbreekt het hen hier, in het grote huis. Kookeiland, regendouche, in elke ruimte een haard, deuren met glas-in-lood, marmeren schouwen, oude plafondlijsten, ligbaden op pootjes en nog meer dingen waar ze zo verliefd op werd toen ze verliefd werd op haar echtgenoot. Of was het andersom gegaan? Ze wist het niet meer en eigenlijk maakte het ook niet meer uit. Ze was hier in dit huis, een mevrouw geworden.

Alles van vroeger was voorbij, zelfs haar naam werd niet meer gebruikt. Van Maggie naar Magalie. Haar familie kwam alleen als hij er niet was, dat gebeurde tamelijk vaak, haar echtgenoot was een man van de wereld. Zij was geen vrouw van de wereld, zij was van dit domein, en elke keer wanneer ze elkaar zagen voelde ze zijn ogen prikken, zijn verveling. Ze was in topconditie, het huis was prachtig, het eten perfect. Maar genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden. ‘Tevredenheid is middelmaat en middelmaat is het einde van alles’ zei haar man.

Hij ging aan tafel zitten, en zij tegenover hem. Het haardvuur knapperde achter hen. Ze haalden synchroon hun servetten uit hun zilveren servetringen met hun initialen erin, en legden het servet op schoot. Zwijgend aten ze de eerste twee gangen. Ze wilde graag een gesprek met hem voeren, maar was tegelijkertijd bang dat ze weer zou laten blijken dat ze toch meer Maggie was dan Magalie, toch minder extra, toch meer ordinair. Een interessante vraag had ze tijdens het koken bedacht en nu, bij de kaas, had ze de moed om hem te stellen. Ze haalde diep adem en vroeg haar echtgenoot:

‘Ben je weleens eenzaam?’

Haar man leek niet verbaasd te zijn over deze vraag, hij leek de vraag te verwachten of ten minste vele malen eerder te hebben beantwoord. Hij depte zijn mondhoeken met zijn servet en begon toen:

‘Eenzaam? Natuurlijk. Iedereen is eenzaam. Wat denk jij nou? Alleen worden we geboren en alleen gaan we dood. Alles ertussenin proberen we te vullen met zoveel mogelijk dingen, om de tijd te doden, zo comfortabel mogelijk, het liefst.’ Haar man gebaarde om zich heen. ‘Comfort, daar draait het om in deze wachtkamer van de dood. Daar zitten wij nu in. Maar wel met een degelijke vloerverwarming tijdens het wachten. Wist je dat je, als je goed luistert, de tijd kunt horen wegglippen?’

Hij sloot zijn ogen. ‘Hoor je wel?’

Ze hoorde niks.

‘Liefste, ik wilde alleen maar weten of je wel eens eenzaam bent geweest…’

Met een zucht opende hij zijn ogen weer.

‘Eenzaamheid zei je? Eenzaam zijn we allemaal. Wie weet nu werkelijk wat de ander denkt? Wie weet nu werkelijk wat hij zelf denkt? Jij niet hoor, ik evenmin. Om terug te komen op je vraag: Ja, ik ben eenzaam. En jij ook. Dat zijn we elke dag. Daarmee is jouw vraag die je me net stelde, in essentie gelijk aan de vraag hoe mijn dag was. En je weet wat ik daarvan vind.’

‘Ik weet wat je daarvan vindt,’ zei ze gedwee.

‘Dan ga ik nu even naar de voorkamer, breng je me zo een espresso?’

Ze knikte en hij stond op.

Vriendschap

04-04-2016

Ach, je weet hoe het gaat..

Ach, je weet hoe het gaat..

/ /

04-04-2016

Lia zat in het café te wachten op Mieke. Eigenlijk spraken ze nooit af met z’n twee. Ze kenden elkaar via hun mannen die al vrienden waren sinds de middelbare school. Ze kenden elkaar van de vriendengroep die uit vijf stellen bestond. Zo’n groep die samenkwam met oud en nieuw en samen ging wintersporten. Je zou dus kunnen zeggen dat ze elkaar goed kenden, maar dat was niet waar. Lia wist vooral van alle successen uit het leven van Mieke. Ze wist van alle carrièrestappen die ze had genomen, ze wist van de zoektocht naar de perfecte woning die ze nu hadden gevonden. Met de aanschaf van de nieuwe woning waren er ook een hoop nieuwe gespreksonderwerpen gekomen. Vloeren, aannemers, tuinontwerpers, gordijnen, stoomovens, internetproviders, de lijst leek onuitputtelijk.

Toch voelde Lia zich een beetje nerveus tijdens het wachten op Mieke. Er was namelijk iets waar ze haar vinger niet op kon leggen. Er was iets aan het contact met Mieke, iets wat Lia altijd deprimeerde. Mieke sprak altijd met een stralende lach op haar gezicht, een lach waarmee ze elk mannenhart kon veroveren. Dit maakte dan ook dat de vriend van Lia geen idee had wat Lia’s bezwaar was tegen Mieke, wanneer ze erover begon.

De laatste keer was het zo gegaan: ‘Er is iets waardoor ik me altijd een beetje rot voel, na een gesprek met Mieke,’ zei Lia in de badkamer, terwijl Marc zich aan het scheren was. ‘Iets geeft me het gevoel dat ik een sukkel ben en dat zij supersuccesvol is in alles.’ Marc zuchtte. ‘Wat is dat toch met jou? Mieke is echt een topwijf, als je het mij vraagt.’ ‘Er is iets, echt, en ik ben niet de enige, ik had het erover met Fenna en zij heeft het ook..’ ‘Jullie vrouwen zijn echt vreselijk. Lekker roddelen met elkaar en wanneer jullie haar dan weer zien, poeslief doen. Ik ben blij dat ik geen vrouw ben.’ zei Marc. ‘Nee, het is echt niet roddelen, het is gewoon zo dat ze je op heel slimme manier het gevoel weet te geven dat…’ ‘Weet je wat je doet,’ onderbrak Marc haar, ‘Je gaat gewoon eens met haar lunchen ofzo. Dan zul je zien dat het echt zo erg niet is. Kun je gelijk dat nieuwe tentje bij de waag eens proberen.’ Lia hoorde aan zijn stem dat het geen suggestie was, maar een dringend verzoek. Ze stuurde een appje naar Mieke die natuurlijk onmiddellijk heel erg aardig reageerde.

Lia had een nieuwe jurk aangetrokken omdat ze zich altijd zo underdressed voelde vergeleken met Mieke.

Ze speelde wat met suikerzakjes die in het bakje op tafel stonden. Toen klonk het getik van hoge hakken op de tegelvloer van het café dat het uiterlijk van een Franse brasserie had. Mieke droeg een lange trenchcoat, had haar haren op een wilde manier opgestoken en droeg een witte blouse met een jeans die haar lange slanke benen accentueerde. Aan haar arm bungelde een handtas die ruim 800 euro had gekost, wist Lia van Fenna die ook in de vriendengroep zat.

‘Lia, wat een leuk idee!’ riep Mieke halverwege de zaak. Ze zette de tas op een stoel en gaf een stevige omhelzing, alsof ze hele goede vriendinnen waren of alsof ze elkaar al jaren niet meer hadden gezien. Dat was allemaal niet waar, maar Lia wist niet anders te bedenken dan maar mee te gaan in het theater.

Ze spraken wat over de locatie en bestelden toen bij de serveerster die verkleed was als Frans kamermeisje. ‘Ik wil wel een verse jus en de groene salade met makreel,’ zei Lia. ‘Wil je daar brood bij?’ vroeg het meisje. ‘Nee, dankje,’ zei Lia, die een stuk steviger was dan Mieke en zich niet comfortabel voelde wanneer ze teveel zou eten in het bijzijn van Mieke. ‘Voor mij ook een verse jus, en de croque monsieur,’ zei Mieke. ‘Wilt u daar een gebakken ei op?’ vroeg de serveerster. ‘Ja, graag,’ zei Mieke.

‘Leuke jurk heb je aan,’ zei Mieke toen de serveerster weg was.

‘Dankje,’ zei Lia.

‘Het staat je echt mooi, deze kleur. Veel beter dan toen je zoveel pastels droeg, dat maakte zo flets. Dit is echt jouw kleur.’

‘Dankje,’ zei Lia weer, ‘hoe gaat het met het huis?’

‘Ach, je weet hoe het gaat, als ik ergens aan begin, zie ik het helemaal voor me, en dan heeft Stijn het niet makkelijk..’

Lia dacht aan de vriendelijke, knappe man die met Mieke getrouwd was. Alles wat ze maar wilde, hij zou het voor haar doen. Hij was liefdevol en geduldig, ook toen Mieke halverwege de verbouwing een gesloopt muurtje opnieuw liet bouwen omdat dat toch mooier was.

‘..maar het is nu dus echt bijna klaar. Precies zoals ik het in mijn hoofd had. En volgende week gaan we drie weken naar Thailand, om even bij te komen.’

‘Fijn,’ zei Lia begripvol.

‘Ja, we gaan gewoon lekker rondreizen, niks geboekt, behalve de eerste nacht en de laatste drie, dan zitten we in een soort drijvend hotel, misschien heb je het wel gezien in dat bbc programma, ‘The most amazing hotels on the planet.’

‘Nee, niet gezien.’

‘Moet je echt kijken, Stijn en ik zijn er verslaafd aan. En het is ook zo fijn om lekker samen op pad te gaan. Je vindt elkaar weer opnieuw uit. Misschien ook wel goed voor jou en Marc.’

‘Denk je?’

‘Het is goed voor elk stel, echt waar.’

Het eten werd neergezet. Lia keek met jaloerse ogen naar het bord van Mieke, die zei: ‘Soms moet ik gewoon zoiets eten, om een beetje op gewicht te blijven. Als ik niet oplet, vergeet ik gewoon te eten.’

‘Nou, daar heb ik geen last van,’ zei Lia, ‘ik vergeet genoeg in mijn leven, maar eten is niet één van die dingen, ik krijg gewoon trek rond lunchtijd.’

‘Dat dacht ik al,’ zei Mieke.

Na het eten bestelden ze nog een kopje koffie. Mieke had zich even geëxcuseerd toen haar telefoon ging. Ze stond buiten te bellen. Lia keek naar beneden, naar de jurk die ze ineens niet meer mooi vond, naar haar nagels die vierkant waren en niet zo mooi gevijld als die van Mieke. De koffie werd neergezet met een bordje met vier petit-fours erop. Er waren twee lichtgele, eentje in het roze en een witte. Erbovenop kleine bloemen van marsepein. Het waren kunstwerkjes, vakkundig gemaakt door de patissier die uit Parijs was ingevlogen.

Lia keek naar buiten en zag dat Mieke nog midden in haar telefoongesprek leek te zitten. Zonder na te denken nam ze een geel petit fourtje en stak hem in haar mond. Het smaakte zacht, zoet, met luchtige cake en fluwelen room vanbinnen. Ze keek weer naar Mieke die nog steeds druk aan het praten was. Nu nam ze ook het roze taartje, weer in één grote, gulzige hap. ‘De andere zijn voor Mieke,’ mompelde Lia. Ze keek weer naar buiten waar ze zag hoe Mieke niet langer aan het bellen was, maar een andere mooie vrouw omhelsde.

Ook het witte taartje verdween. Kort daarna de laatste gele. Lia zette het lege bordje in de vensterbank.

Mieke kwam weer binnen.

‘Sorry hoor,’ zei ze, ‘eigenlijk heb ik helemaal nergens tijd voor, de zaken gaan zo goed. Maar dan vind ik het veel te leuk om even buiten de deur te lunchen. Bij jouw werk kun je vast veel langer gemist worden.’

Lia wilde iets terugzeggen, maar in plaats daarvan knikte ze weemoedig. Ze voelde hoe het suikergoed met de makreel mengde in haar maag. Het was niet best.

Mieke dronk haar koffie met grote slokken en stond toen op. Ze omhelsde Lia weer innig. ‘Sorry, maar ik moet er echt vandoor nu. Super om je even te zien!’

De hele rekening bleek al te zijn betaald toen Lia bij de bar kwam. Bij thuiskomst zat Marc een computerspel te spelen op de bank. ‘Hoe was het?’ vroeg hij met zijn ogen op het scherm gefixeerd. ‘Gezellig,’ zei Lia. ‘Zie je nou wel,’ zei hij.

Vrijdagmiddagborrel

24-10-2012

Suze zei geen vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets.

Suze zei geen vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets.

/ /

24-10-2012

De dagen waren niet zoals hij had verwacht, maar wat waren verwachtingen nu helemaal. Schetsen van iets wat komen gaat en dan heel anders blijkt te zijn. Als mensen, zomaar mensen, maar waarschijnlijker zijn ouders of beste vriend, zouden vragen of het was wat hij ervan verwachtte, zou hij ‘ja’ zeggen. Niet omdat hij een leugenaar was, maar omdat de verwachting alleen maar een schets was geweest en de werkelijkheid met zwarte lijntjes eroverheen was gegaan.

 Het was in elk geval niet tegengevallen. Tot nu toe waren de collega’s redelijk vriendelijk en de werkdruk nauwelijks voelbaar. Ze waren de communicatie afdeling van het bedrijf en zaten daarom ze op de tweede verdieping, net boven personeelszaken, maar ver onder de ruime afdelingen boven, waar het geld werd verdiend, of ‘gemaakt’. Boven spraken ze zoveel Engels dat ze spraken over ‘geld maken’. Boven hadden ze betere koffie. Boven waren de secretaresses mooi. Boven werden maatpakken gedragen, beneden truien. Thijs en zijn collega’s hoefden ook niet in pak, ze waren de creatiefste afdeling. Vanuit deze vrijheid was een ander soort uniform ontstaan van comfortabele skateschoenen, een geruit bloesjes en een verwassen jeans.

 Zijn collega’s hadden stoppelbaardjes en dronken latte’s. Ze stuurden apps naar elkaar door en gingen naar dezelfde feestjes en concerten. Elke vrijdag was er de borrel voor het hele bedrijf. Dit deden ze meestal in de bar die ook in het kantoor zat, zo kon het hele bedrijf gezamenlijk de week afsluiten. In praktijk betekende dit dat de geldmakers bijeen kwamen, personeelszaken om vier uur dicht ging en dat zijn afdeling een biertje dronk in hun eigen hoek. De gesprekken waren net zo niksig als de tapijttegels die bij personeelszaken op de grond lagen, maar toch bleef iedereen komen naar deze merkwaardige bijeenkomsten.

 Thijs wist wel waarom hij bleef gaan, het was niet voor de gesprekken, niet om te netwerken en ook niet voor het bier. Zijn reden was Suze. Suze hoorde bij het groepje vrouwen van Sales, vrouwen met glanzende haren en hoge hakken. Vrouwen die lekker roken en mooie nagels hadden. Vrouwen die razendsnel op hun twitter tikten dat het weer tijd was voor de vrijmibo. Zo zeiden ze dat ook tegen elkaar. ‘Zie je zo op de vrijmibo?’

 Suze zei nooit vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets. Misschien dat ze daarom zo geliefd was bij veel van de mannen op kantoor. Ze was niet de mooiste van het bedrijf. Eigenlijk had ze best een grote neus. En als ze een glaasje wijn had gedronken loenste ze een beetje. Over dat loensen hadden Thijs en zijn collega’s het al gehad. Ze waren het erover eens: dat loensen was goed, geil. Mariëtte, de enige vrouw op de afdeling had geschamperd dat mannen van loensende vrouwen houden omdat het hen een gevoel van mogelijke ontsnapping geeft. Bij een schele vrouw heb je nog een kans dat ze niet zag dat je hand even op bil van de secretaresse hebt gelegd, zei Mariëtte. Er waren veel momenten waarop Thijs wilde dat hij het geluid van mensen uit kon zetten. Dat hij even met zijn vingers zou knippen en dat hij zou zien dat de mond bleef bewegen, maar dan zonder geluid. Bij Mariëtte had hij het vanaf de eerste dag gehad.

 Suze stond met haar rug naar de groep toe, ze stond in een kringetje met twee andere Sales vrouwen en een man die op de allerhoogste verdieping werkte. De twee vrouwen lachten om zijn grappen, kregen rode konen van de wijn, zo voor het avondeten. De mooiste vrouw legde zo nu en dan even haar hand op de hand van de man, die een ring droeg. De andere vrouw lachte zo hard ze kon, kreeg het er warm van en moest dus wel haar bloesje steeds verder openen.

 ‘Thijs, wat doe je?’ Hij draaide zich om. Mariëtte stond voor hem. ‘Je bent weinig spraakzaam vandaag’. Thijs probeerde langs haar heen te kijken, want Suze liep nu naar de bar. Mariëtte volgde zijn blik. ‘O, het loensende kutje, is dat het?’

 Vrouwen die vulgair werden van alcohol. Het ergste wat er was. Het liefste zou hij ze allemaal dronken voeren, in vliegtuigen stoppen en boven de oceaan eruit gooien. Dat ze dan nog half zouden gillen: ‘Jeeminee wat een wind zo tussen mijn benen’. Waarschijnlijk was er onvoldoende draagvlak voor dergelijke plannen, bedacht Thijs terwijl hij naar Mariëtte keek. Mariëtte kwam steeds dichterbij met haar gezicht. Ze rook naar make-up en alcohol. ‘Hmm, je bent een beetje een stille hè. Zo eentje van stille wateren, diepe gronden, is het niet?’ Thijs zei niets. Ze duwde haar borsten naar voren. Het waren mooie borsten, ze was net op vakantie geweest en haar decolleté had een diepbruine kleur gekregen. Later zouden daar rimpels komen en voordat het zover was moest ze een man vinden.

Ze lispelde in zijn oor. ‘Soms is je blik op iets gericht, een doel, een ver doel. En je vecht en vecht en doet je best, je kunt er niet van slapen. Terwijl, al die tijd, al die tijd, serieus, al die hele fucking tijd,’ haar stem werd steeds scheller, ‘het gewoon voor je neus was. Hier.’ Ze keek hem aan. Het leek of haar gezicht gecentrifugeerd was.Verfrommeld, zo zag ze eruit, met rode vlekken. Ze sloeg haar glas achterover. ‘Ik moet maar eens gaan.’ Thijs keek om zich heen, zijn collega’s lieten elkaar iets zien op hun telefoons. ‘Dat lijkt me een goed idee, tot maandag Mariëtte’. Het herhalen van een naam, een afwijking voorbehouden aan boze ouders, docenten en de volksstam die zichzelf intercedente noemt. Hij hoopte dat het zou werken, dat dit dronken schepsel die tik op haar vingers zou voelen. Maar in plaats daarvan draaide ze zich om en zei ze met lijzige stem: ‘Dat lijkt me een goed idee, tot maandag Mariëtte.’ Hij voelde dat hij een kleur kreeg en probeerde zich te herpakken. ‘Je gaat toch niet rijden, nu?’ Ze zuchtte. ‘Nee, ik ga lopen naar Nieuw-Vennep. Jezus man, kom jij eigenlijk wel van deze planeet of kom jij uit lamlulland?’ Ze pakte haar handtas en zwalkte richting de deur.

 Thijs keek haar na, zijn collega Björn kwam haar tegen bij de deur. ‘Ik bel wel even een taxi voor haar’ zei hij tegen Thijs. ‘Loop jij even met haar mee, zo kan ze echt niet de weg op.’ Thijs knikte en liep naar de lift. Daar stond ze te wachten, met haar hoofd tegen de muur geleund. Ze had nog niet op het knopje gedrukt. ‘Björn heeft een taxi voor je gebeld, ik ga even met je mee naar beneden, om je uit te zwaaien.’ Ze wisten allebei dat het niet zo was. Hij liep mee naar beneden omdat hij er net werkte en omdat Björn het zei.

 Ze stapten in de lift. Ze werden omringd door hun spiegelbeeld. Thijs fantaseerde dat hij Mariëtte bij haar haren pakte en met haar gezicht tegen de spiegels duwde terwijl hij schreeuwde: ‘Kijk nou, jij waardeloos stuk vrouwmens, kijk nou toch eens goed, ik walg van je.’ Maar in plaats daarvan stak hij zijn handen in zijn zakken en keek zwijgend hij voor zich uit.

 ‘Dag Gerard’, hij groette de portier, terwijl hij Mariëtte aan haar arm mee sleepte. Het was zijn tweede echte baan, en bij de eerste had hij geleerd vrienden te worden met al het ondersteunend personeel. Groet de secretaresses, kantinedames, portiers en schoonmakers. Op een dag ben je het toegangspasje kwijt en heb je ze allemaal nodig om zonder al teveel gezeik aan een nieuwe te komen of je oude terug te vinden.

 De schuifdeuren gingen open, het was bijna voorbij. Ze stonden buiten nu, in een landschap van grijze kantoorgebouwen met hier en daar een boom of iets wat een boom moest worden, maar voorlopig met een paaltje en zwart bandje in een bak stond. Voor het kantoor stond een betonnen bak met viooltjes voor een warm welkom. Het waaide altijd bij het kantoor, daarom lunchte iedereen bij mooi weer toch binnen.

 Mariëtte had haar hoofd op zijn schouder gelegd, haar ogen waren nu dicht. ‘Hmm’, kreunde ze zachtjes. Thijs keek naar de vliegtuigen die over vlogen, ze zaten vlakbij de luchthaven hier. Ideaal voor internationale zakenpartners. Ideaal voor al die mensen van boven. Hij keek op zijn telefoon. Zeven minuten al, hij besloot dit nog drie minuten vol te houden. Hoelang voordat een taxi er moet zijn eigenlijk? Er stond iets over in de krant, maar hij kon het zich niet herinneren, of ging dat nou over ambulances?

 Er waren tien minuten om. Er was geen taxi te zien. ‘Mariëtte, ik ga nu naar boven, maar blijf hier wachten, de taxi kan er elk moment zijn.’ Ze keek hem met lodderige ogen aan. ‘Maar je ging toch mee om mij uit te zwaaien? Ik vind dit nog niet echt wat je zegt een waardig afscheid.’ Ze kwam dichtbij met haar gezicht, ze sloot haar ogen, en deed een poging hem te zoenen. Thijs wende zijn gezicht af en gaf haar een zet, ze wist nog net haar evenwicht te bewaren door zich aan de bak met viooltjes vast te grijpen. Zonder om te kijken liep hij door de draaideur weer naar binnen, zonder te groeten passeerde hij Gerard.

 In de lift keek hij in de spiegels. Het gaf hem wel iets bijzonders, die woede. Hij straalde een kracht uit die maar weinig mannen hadden, en hij al helemaal niet. Als herboren stapte hij de lift uit. Björn kwam net het toilet uit gelopen. ‘Ah, is het gelukt?’ Thijs knikte, ‘jij nog een biertje?’ Hij liep terug de bar in en voelde opluchting toen hij zag dat Suze er nog was.

 Suze keek zijn richting uit, hij probeerde de oerman te zijn die zij nodig had, of waarvan hij zeker dacht te weten dat ze die nodig had. Ze leek zich te vervelen, keek op haar horloge en rommelde in haar tas. Ze stond op het punt om weg te gaan, zoveel was duidelijk. Thijs dronk zijn biertje in twee slokken op, ging met het tweede in zijn hand naar haar toe en tikte op haar schouder. ‘Sorry, volgens mij kennen wij elkaar nog niet.’ Ze draaide zich om, langzaam, alsof ze wist dat hij daar had gestaan en op haar schouder zou kloppen. ‘Nee, volgens mij ook niet’ zei ze. Hij pakte zijn kaartje. ‘Hierop staat mijn naam en functie, en hier voor je sta ik dan in het echt.’ Hij bestudeerde haar gezicht. Ze leek deze introductie wel te kunnen waarderen.

 ‘Ik ging er net vandoor’ zei ze. ‘Ik zie het’ zei Thijs. ‘Mag ik er dan nu langs?’ Hij bloosde, ging opzij. Hij moest iets zeggen nu, voordat ze weg zou zijn, voordat hij elke borrel moest overslaan uit schaamte, voordat iemand anders haar zou veroveren, haar zou huwen, haar zou bezwangeren. Er moest iets gebeuren nu. ‘Hou je van koffie?’ Hoorde hij zichzelf uitbrengen. De ergste zin ooit. Maar ze draaide zich om en gaf hem een scheef lachje. ‘Ja, ik hou wel van koffie.’ Nu was het tijd te handelen, de man te zijn die hij in de spiegel al had gezien. ‘Dan zien we elkaar morgen rond elf uur in het koffiehuis bij de brug.’ Ze bestudeerde zijn gezicht, op haar gezicht een minzaam glimlachje. ‘Zo zo. Ik waardeer je enthousiasme, maar misschien kan ik wel helemaal niet, je bent wel heel erg zeker van je zaak hè.’ Het duizelde Thijs een beetje. Ze sprak tegen hem, niet tegen iemand anders, maar echt tegen hem. Lange zinnen, tegen hem. ‘Dus je kunt niet?’ ‘Nee, wel goed luisteren nu. Ik kan wel. Zie je morgen.’ Ze liep weg, Thijs bestelde nog een rondje bier. Best een leuk bedrijf dit, en zo’n gezellige borrel ook.

 Hij sliep slecht die nacht. Hij woelde, had het te warm, zijn dekens leken te kort voor zijn lichaam en de wekker maakte abnormale hoeveelheden geluid. Hij zag Suze voor zich, hier in dit bed, in dit huis, bij hem in de keuken. Ze was overal en glimlachte alleen maar. Eindelijk viel hij in slaap.

-Stilte-

 Het was nog donker toen de telefoon ging.

–         Thijs?

–         Ja? Wie is dit?

–         Björn hier. Jongen, dit ga je niet geloven, het is zo fucked up.

–         Wat?

–         Mariëtte.

–         Mariëtte?

–         Ja, ze is er slecht aan toe.

–         Wat bedoel je ze is er slecht aan toe?

–         Ze heeft een dodelijk ongeluk veroorzaakt.

–         Jezus.

–         Ze botste frontaal op iemand van de zaak, misschien ken je d’r wel.

–         Wie

–         Suze, jeweetwel, van sales.

–         Nee, godverdomme, nee.

–         Zij is dood, Thijs. En Mariëtte wordt nu geopereerd.

–         …

–         Thijs?

 Thijs sloot zijn ogen. Deze werkelijkheid was te lelijk. Hij besloot te gaan slapen tot de zon hem zou wekken. En dan om elf uur naar het koffiehuis. Daar bij de brug.

 

Waarde

16-07-2014

Het was het niet waard.

Het was het niet waard.

/ /

16-07-2014

Anja keek naar de grond. In haar handen de krantjes die ze probeerde te verkopen, van elke twee euro die ze verdiende, mocht ze 90 cent zelf houden. Het was sinds vier maanden dat ze dit werk deed. De eerste maand was het ergste geweest, het staan, de gure wind, maar vooral de blikken. Gêne, de mensen voelden vooral veel gêne wanneer ze haar voorbij liepen. Ze keken haar niet aan, of alleen stiekem, heel vluchtig. Sommigen deden alsof ze aan het telefoneren waren, of op zoek naar iets, ergens heel diep in hun tassen. Kinderen staarden haar aan, pubers maakten grapjes.

Er waren ook mensen die een praatje met haar wilden maken, haar persoonlijk wilden leren kennen. Dat dacht ze eerst. Nu wist ze dat de naastenliefde van deze mensen voortkwam uit een onbedwingbare nieuwsgierigheid. Ze vertelde hen waar ze vandaan kwam, waar ze sliep, hoe het allemaal had kunnen gebeuren. Soms gaven de mensen haar dan een blikje cola. Lekker, maar wel slecht voor je tanden, dacht ze erbij. Haar tandarts deed alleen maar aan tandentrekken. Extractie, noemde hij dat.

Het levensverhaal dat ze met de mensen deelde was niet veel anders dan dat van haar vrienden van de straat. Maar voor de nieuwsgierige supermarktklanten was het buitengewoon exotisch, tragisch. Met een hart vol medeleven en een kar vol boodschappen liepen ze naar het parkeerterrein. Terwijl het verhaal voor Anja een andere vorm had gekregen. Het verhaal was geworden tot iets wat ze met zich meedroeg, maar niet van haarzelf was. Zijzelf was namelijk allang vertrokken. Die vrouw daar, bij de ingang van de supermarkt, die vrouw met dat pluizige haar, die vrouw in dat lila trainingsjackje, die vrouw was een restje. Anja was een restje geworden. Ze wisselde van standbeen. Nog zeven krantjes te gaan vandaag.

————————————————————————————————————————————————————————–
Maike deed haar sjaal om en bukte om de veters van haar dochter vast te maken. Vlinder was acht jaar, eigenlijk al een beetje te groot om haar veters te laten strikken. Maar ze was zo verdiept in het spelletje op haar Ipad, dat Maike besloot de strijd niet aan te gaan. Het was het niet waard.  Ze pakte de boodschappentassen, de lege flessen en dirigeerde haar dochter de voordeur uit. De ogen van het meisje bleven onafgebroken op het beeldscherm gericht. Maike liet haar in de auto stappen en leunde over haar heen om haar gordel om te doen.

‘Je zit voor mijn beeld, nu ben ik dood door jou’

Maike zweeg, het was het niet waard, ze moesten nog boodschappen doen. Ze startte de motor, langzaam reed de gezinswagen de woonwijk uit.

Er was zowaar plek vlakbij de ingang van de supermarkt. ‘Lieverd, doe je de Ipad nu even weg? We gaan boodschappen doen.’ Maike stiftte haar lippen in de spiegel van het zonneschermpje. Bij deze supermarkt kwam ze altijd bekenden tegen. ‘Ik blijf hier,’ kondigde Vlinder aan, ‘je hebt me net dood laten gaan, dus ik hoef niet meer mee.’ ‘Als je meegaat, mag je een toetje uitkiezen,’ zei Mayke nu, zich realiserend dat dat sowieso mocht, en dus niet genoeg zou zijn, ‘en een tijdschrift.’ Met een grote zucht legde Vlinder de Ipad naast zich neer. ‘Wat eten we vanavond?’ ‘Curry’ zei Mayke, ‘daar hou je toch zo van?’ ‘Ik heb meer zin in sushi’ zei Vlinder, terwijl ze naar de ingang huppelde.

Vlinder gedroeg zich boven verwachting, ze bracht de lege flessen weg, haalde nieuwe bananen en koos een toetje uit. Een familiebak Tiramisu, nogal veel voor hun gezin van drie, maar Maike liet het gaan, het was het niet waard. Een krijsend kind in de supermarkt, daar had ze nog veel minder zin in dan in het weggooien van een halve bak tiramisu.

Bij de tijdschriften kon Vlinder niet kiezen tussen de Donald Duck en iets voor meisjes die van paarden houden. ‘Maar papa vindt de Donald Duck ook heel leuk,’ zei ze, ‘Zullen we die voor papa kopen?’ Maike vond het lief dat haar dochter ook aan haar vader dacht en zei dat het goed was.

In de rij begon Vlinder zich te vervelen, ze hing aan de afscheidingshekjes en probeerde een koprol te maken. ‘Niet doen, straks bezeer je je nog’ zei een oudere dame tegen Vlinder. Die stak daarop haar tong uit. Maike deed alsof ze niks in de gaten had. Ze ging haar dag niet laten vergallen door één of ander bemoeizuchtig dametje.

Bijna buiten zag Maike de straatkrantverkoopster. ‘Zullen we een krantje kopen?’ zei ze tegen Vlinder. Die keek aandachtig naar de vrouw met de krantjes en zei toen beslist: ‘Nee.’ ‘Doe niet zo gek, we gaan nu gewoon een krantje kopen bij die mevrouw’ zei Maike, een beetje opgelaten, nu. ‘Ik vind haar haren niet mooi en haar kleren ook niet en het krantje is saai’ vulde haar dochter nu aan. De vrouw met de krantjes keek met lege ogen naar de grond. ‘Weetje wat mama doet? Mama geeft de mevrouw gewoon een beetje geld. Mama leest dat krantje eigenlijk ook nooit.’ Zenuwachtig opende Maike haar portemonne. Twintig cent aan kleingeld, een belediging zou dat zijn. Tien euro, twintig euro en vijftig euro in papier. Waar was dat vijfje nou gebleven? Waarschijnlijk aan Vlinder gegeven voor een ijsje, maar wisselgeld had ze niet gezien. Snel pakte ze het tientje uit haar portemonnee, ze probeerde het zo snel te geven dat Vlinder het niet zou zien. Maar ze zag het wel.

‘Ohoh! Mama! Je hebt die mevrouw tien euro gegeven!’ ‘Wees nou maar stil, we gaan naar de auto’ zei Maike. De straatkrantverkoopster stond nog even verloren bij de ingang. In haar ene hand het tientje, in de andere hand de stapel krantjes.

Eenmaal in de auto zei Vlinder: ‘Als zij tien mag, dan mag ik twintig.’ Ze pakte haar Ipad weer en speelde het spelletje met het geluid aan. Maike liet het maar gaan, het was het niet waard, vertelde ze zichzelf.

Wachten

18-09-2013

Leuk mens, maar ze verlelijkt met de dag.

Leuk mens, maar ze verlelijkt met de dag.

/ / /

18-09-2013

‘Alles wordt alleen maar erger’ zei de vrouw met het hondje.

‘Veel erger.’ De man met de snor bromde instemmend.

 

Ze waren te vroeg bij de bushalte omdat de dienstregeling was veranderd. Daar had niemand ze iets over verteld. Ze waren allebei zo tussen de vijftig en de zestig en hadden een blik in hun ogen waaruit bleek dat ze wisten hoe de wereld in elkaar zat.

 

‘Niet dat het vroeger beter was’ vervolgde ze.

 

‘Maar minder slecht’ vulde de man met de snor aan.

 

‘Precies.’ Het hondje likte aan de handen van de vrouw.

 

‘Weet u waar het al

helemaal niet te doen is?’ 

 

‘Den Haag.’ Zei de vrouw.

 

Het begon te regenen.

 

Aan de overkant van de straat duwde een magere vrouw met zwarte kringen onder haar ogen een tweelingwandelwagen voort. De kinderen krijsten de longen uit hun lijf vanonder het plastic dat over de kar gespannen was. Pas toen ze de hoek om was verstomde de herrie.

 

‘Heeft u kinderen?’ vroeg de man met de snor.

 

‘Ja, twee. Een dochter en een zoon. ‘ De vrouw haalde twee pasfoto’s uit haar portefeuille. Grote bleke gezichten keken in de camera. ‘Dat is Miranda, zij is getrouwd en heb twee kindjes. En dat is mijn zoon Marcel, hij is net gescheiden. Jammer hoor, was een leuke meid.’  Ze stopte de foto’s weer terug.

 

‘Hij heeft geen kinderen?’

 

‘Nee, ze waren veel te druk met hun bedrijf, en nu zij weg is, doe ik haar werk.’

 

‘Wat voor bedrijf was dat dan?’

 

‘Daar kan ik niet teveel over zeggen. Het is met planten. En u? ook kinderen?’

 

‘Nee, wel een vrouw. Leuk mens, maar ze verlelijkt met de dag, dat wel.’

 

‘Met de dag?’

 

‘Ja, het is echt ongelofelijk. Elke ochtend bij het wakker worden denk ik: wat zal het nu weer zijn. Welke groeven zullen zich nu in haar kop hebben genesteld?’

 

‘Is het echt zo erg?’

 

‘Mevrouw, anders zou ik het niet zeggen. Ik weet in elk geval wel zeker dat andere mannen met hun tengels van d’r afblijven. Ik raak d’r zelf al niet veel meer aan. Nou, dat was twintig jaar geleden wel anders hoor, de hele buurt keek als zij door de straat liep. Maar toen begonnen we een eigen zaak, en je kent dat wel, dan gaat het hard.’

 

‘Wat voor zaak heeft u?

 

‘Daar kan ik ook niet zoveel over zeggen. Een soort incassobureau met onmiddellijk resultaat, zo noem ik het graag.’

 

‘Daar werken wij ook weleens mee. Maar laatst liep het een beetje uit de klauwen. Viel er niks meer te incasseren en was ons mannetje gelijk voor drie maanden opgeborgen.’ Vertelde de vrouw terwijl ze het hondje aaide. 

 

‘Ik denk dat ik weet met wie u in zee bent gegaan, was het schele Cor? Maakt niet uit, daar kunt u natuurlijk niks over zeggen. Wat mij meer interesseert, heeft u nog groen op voorraad misschien? Ik ga een paar daagjes met wat vrienden naar zo’n Center Parcs huisje, om te ontspannen weet u wel.’ Zei de man met de snor. 

 

‘Hoeveel heeft u nodig?’

 

‘Grammetje of honderd, misschien.’

 

‘Och jongen toch’ zei ze, terwijl ze in haar handtas rommelde.

 

Ze gaf hem een groen bolletje wol. ‘Het zit erin, gewoon netjes afwikkelen en dan heb je het. Ik zou de wol wel graag terug hebben, ik brei een sjaal voor Marcel namelijk, en die jongen heeft echt een stierennek,  dat is me wat.’

 

‘Wat wilt u ervoor hebben?’

 

‘Ach’ zei de vrouw, ‘helemaal niks, iedereen heeft toch een mazzeltje nodig op z’n tijd. Maar die wol kun je gewoon afgeven bij de hondentrimsalon bij de brug, daar ben ik elke week.’

 

De bus was er. Ze stapten in en gingen ver van elkaar vandaan zitten. Ze waren mensen die wisten hoe de wereld in elkaar zat. 

Wagen

06-02-2015

Hoe zou ze deze dag doorkomen?

Hoe zou ze deze dag doorkomen?

/ / /

06-02-2015

Rosalie zag er piekfijn uit. Haar donkerblauwe wollen jas leek speciaal voor haar te zijn gemaakt en haar goudblonde haren glansden zo erg dat voorbijgangers zichzelf erin konden zien. Ze was heel slank en bewoog zich soepel door de dure winkelstraat. Over haar schouder droeg ze een grote leren tas met een glimmend metalen logo in het midden. Ze duwde een kinderwagen voor zich uit. Dat is niet helemaal hoe het was- ze duwde de Rolls Royce onder de kinderwagens voor zich uit. Want ook alle baby’s zijn gelijk, maar sommigen net iets gelijker dan de anderen.

Daarvan was de kleine Olivier zich natuurlijk niet bewust, hij lag voor zich uit te kijken in zijn slaapzak die vanbinnen met een lamsvachtje bekleed was, en qua kleur precies paste bij de rest van de uitrusting. Zijn moeder was namelijk op alles voorbereid: ze kocht niet alleen de grote wagen met extra sterke wielen, maar ook de aanvullende luiertas, het boodschappenrekje, de parasol, het muskietennet, de regenhoes, de bekerhouder en het stuurslot waarmee de wagen vastgezet kon worden. Op de slaapzak liet ze de initialen van Olivier borduren.

Ze keek op haar mobiel. Half twaalf nog maar, hoe zou ze deze dag doorkomen? De au pair had een onverwachts sterfgeval in de familie en was gisteravond halsoverkop naar Italië vertrokken. Over een week zou ze terugkomen. Een week was zo voorbij, hield Rosalie zich voor. Maar het betekende wel dat ze geen tijd had voor de dingen die zij wilde doen. Yoga, pilates, kleurenanalyse, schoonheidsspecialisten, massage, liefdadigheidswerk, afspraak met de hovenier, koffie met Merel, een wijnproeverij met Dorothea, dat soort dingen.

Werken, dat deed ze niet echt, het was niet nodig. Want werken, daar was haar overgrootvader zo goed in geweest, dat de volgende generaties het niet meer hoefden te doen. En de kleine Olivier ook niet. En zijn kinderen ook niet.

Rosalie’s man werkte wel, hij was eraan verslaafd zelfs. Elke ochtend vertrok hij voor dag en dauw in zijn maatkostuum om iets met financiële producten te doen. ‘Daar hoef jij je mooie hoofdje niet over te breken,’ had hij gezegd, en zo was het maar net.

Ze besloot een glas witte wijn te gaan drinken bij de brasserie op de hoek. In de wagen begon Olivier te jengelen. Hj moest vast weer iets van haar- het voedingsschema van de au pair lag ergens in de keuken, maar ze wist bijna zeker dat eten nu aan de orde was voor de kleine prins. Gelukkig had ze de zelfverwarmende fles bij zich. Ze stak de straat over en liep richting de brasserie. Ze opende de deur en met veel gedoe wurmde ze de kinderwagen naar binnen. De ober deed niet zijn best om zijn ontevredenheid over deze jonge clientèle te verbergen.

Snel parkeerde ze de wagen bij een tafeltje in de hoek en zocht ze de fles op die in het speciale flessenvak van de luiertas zat. Daarna bevrijdde ze Olivier uit de slaapzak en nam ze hem op schoot. Gulzig dronk hij uit de fles.

Wat mag het voor u zijn? Vroeg de ober. ‘Doe maar een glas witte wijn, alsjeblieft,’ zei ze vermoeid. ‘Huiswijn?’ ‘Nee, de Sancerre.’ Even later werd het glas voor haar neergezet. Ze nam een flinke teug. Olivier jengelde weer. De fles was leeg en zijn luier was schoon. Rosalie probeerde hem af te leiden met een speeltje, maar haar zoon begon nu echt te spartelen. Ze besloot hem terug te leggen in de wagen, waar hij het meteen op een intens gekrijs zette. Het glas wijn lonkte, maar eerst moest ze Olivier tot bedaren brengen. Ze haalde hem weer uit de wagen. Het gekrijs sloeg weer om in gejengel. Met zijn rechtervoetje schopte hij het wijnglas van tafel. Het spatte in kleine stukjes uiteen op de tegelvloer.

De ober kwam aangesneld met stoffer en blik. ‘Wilt u een nieuwe,’ zei hij zonder er een vraag van te maken. ‘Graag,’ zei Rosalie. Olivier kwijlde intussen over het tafelblad. Een nieuw glas werd neergezet. Ze nam een grote slok. Olivier begon weer te jengelen. Negeren werkte niet, dus bekeek Rosalie haar jong nog eens goed. Ze kon geen reden vinden voor zijn gedrag. Hij was schoon, net gevoed en bovendien aangekleed in de beste, zachtste kleertjes, en had verder geen zaken om over na te denken. Rosalie nam nog een slok en zuchtte diep. Eigenlijk moest ze plassen, maar hoe ging ze dat nu organiseren? Ze keek om zich heen. Overal zaten mensen, maar niemand keek haar kant uit. Kon ze iemand vragen om op Olivier te passen?

Ze besloot hem terug in de wagen te leggen, waar hij het onmiddellijk weer op een krijsen zette. Snel liep ze naar de toiletten die in de kelder van de brasserie zaten. Het geluid van Olivier klonk steeds verder weg, en toen ze eenmaal de deur van haar hokje gesloten had, was het stil. Nooit eerder had ze het geluid van haar eigen urine zo rustgevend gevonden. Ze bleef nog even zitten met haar ogen gesloten.

De deur van de toiletruimte ging weer open. Twee dames kwamen druk kletsend binnen. ‘Dat is toch niet normaal?’ Zei de een, ‘Nee, echt zo onverantwoordelijk,’ zei de ander. ‘En die herrie- zo asociaal.’ ‘Ze zouden gewoon een horecaverbod moeten hebben tot tien jaar’ zei de een.

Rosalie kwam uit haar hokje. Ze hoorde het gekrijs van Olivier in de verte.

‘Hoort hij niet bij jullie?’ Vroeg ze.
‘Nee, godzijdank niet,’ zei de ene, ‘stel je voor, in een tent als deze…’
‘Echt een schande,’ beaamde Rosalie terwijl ze haar handen waste.

De dames gingen elk een hokje in en met lood in haar schoenen liep Rosalie terug naar binnen. Ze gooide de wijn in een teug achterover en liet 20 euro achter op tafel. Thuis zou ze checken of er ook een geluidsdempende kap op die wagen gemonteerd zou kunnen worden. Zo niet, zou ze er zelf patent op aanvragen.

Weer

01-07-2017

De vakantie deed weinig goed.

De vakantie deed weinig goed.

/

01-07-2017

Ze leerde tijdens haar opleiding al dat ze het werk niet persoonlijk moest nemen, dat ze slechts een boodschapper was. En tijdens haar sollicitatiegesprek leerde ze dat het hielp dat ze smaragdgroene ogen had, gouden haren en kuiltjes in haar wangen. ‘Dat vinden de kijkers leuk,’ had haar baas gezegd.

‘Jij bent het toetje van het journaal, dus jij moet goed maken wat ze die twintig minuten daarvoor allemaal aan ellende hebben gezien. En meer dan dat, want die kerel kijkt dan opzij naar zijn eigen mokkel op de bank, en dat is dan ook niet om vrolijk van te worden, dat snap je. En het is natuurlijk ook wel zaak dat het een beetje klopt wat je zegt.’

Het was haar eerste baan, haar eerste echte sollicitatiegesprek en hoewel ze de opmerkingen weinig gepast vond klinken, liet ze het gaan. Ze had huur te betalen, een horecabaantje waar ze slecht in was, waardoor ze dagelijks mot kreeg met de gasten van het restaurant, wat overigens geen effect had op de omzet omdat ze enkel toeristen ontvingen.

De eerste maanden waren voorbij gevlogen, ze leerde snel en veel. De kijkers waren dol op haar. Maar naarmate ze zich comfortabeler voelde voor de camera, werd haar baan lastiger. Ze verdiepte zich meer en meer in de achtergronden van het weer en maakte zich steeds meer zorgen. Zorgen over de verandering van het klimaat, zorgen over de grote hitte, over de intense regens. En dan al die grijze weken die zo op haar gemoed sloegen dat ze dagenlang nauwelijks sprak, op het weerbericht na.

De lange blonde haren begonnen uit te vallen, haar groene ogen waren voortaan roodomrand, de kuiltjes in haar wangen hielden zich schuil omdat lachen er niet meer in zat.

Haar baas zag het gebeuren en stuurde haar een week op vakantie naar een feesteiland. ‘Een beetje zee, zon en een goede beurt zal je goed doen. Je neemt het allemaal te serieus, en voor een tobberige weervrouw kan ik die oude dames wel weer op bellen, weetjewel, die op tv waren toen jij nog op school zat.’ Ze had geknikt en dacht aan de tankachtige dames die vroeger het weerbericht presenteerden. Ze kwamen het beeld ingeklost op leren laarzen, in grote overslagjurken en haren die zo uitgebreid geföhnt waren, dat ze eruit zagen alsof ze in een bizarre storm hadden vastgezeten.

De vakantie deed weinig goed. Ze maakt zich zorgen over de sterke UV-straling, over de vervuiling van de stranden, over de hoeveelheid water die haar resort nodig had om de tropische bloemen in leven te houden. Ze maakte zich zorgen over het IQ van haar medereizigers terwijl ze keek hoe ze vodka dronken uit elkaars navel. Ze sprak enkel tegen de mottige straatkatten die over het hele eiland zwierven. Op de laatste dag kreeg ze vreselijke diarree van een salade die als een kleurrijke depressie op haar bord had gelegen.

Bij terugkeer moest ze meteen een week dubbele diensten draaien, de weerman van de ontbijtshow was op vakantie gegaan.

Bedremmeld stond ze voor de kaart van Europa. Het zag er niet goed uit. Lage drukgebieden, veel wolken. De dagen zouden grauw worden, met veel wind en neerslag.

Ze dacht aan al die mensen die op vakantie in eigen land gingen. Ze dacht aan de caravans met voortenten, de vouwwagens, de bungalowtenten… al die plekken die naar nat gras zouden gaan ruiken met overal moddersporen op de grond. Ze dacht aan de klamme kou die in hun botten zou gaan zitten, aan de gelatenheid waarmee men naar de stromende regen zou kijken terwijl een steelpannetje water op een los pitje verwarmd werd om daar even later ontzettend smerige koffie van te brouwen.

‘Actie!’ Hoorde ze de regie roepen en somber keek ze in de camera.

Emotieloos legde ze uit wat er te zien was op de kaart, aan luchtstromen, hittegolven, overstromingen. Daarna kwam ze bij het laatste zinnetje van het bulletin, een zinnetje waarin ze vrijheid had om iets te zeggen tegen de kijkers.

‘Iets persoonlijks, een eigen groet, of wens de mensen in elk geval een hele fijne avond, maar zeg iets wat je kijkers het gevoel geeft dat je er echt voor ze bent,’ had haar baas gezegd.

Ze keek recht de lens in. ‘Lieve kijkers, het spijt me zo. Maar het wordt echt vreselijk slecht weer. En het wordt niet beter, ook al lijkt het zo. We hebben het allemaal kapot gemaakt, het enige advies dat ik u kan geven…’’

‘En cut!’ schreeuwde de regisseur. Een reclameblok werd ingestart. Een glas water werd naar de weervrouw gebracht.

Spoedig zou ze een eigen kamer krijgen in een instelling waar anderen haar verzorgden. Tussen de liefdeloze maaltijden door keek ze naar buiten, naar de lucht en huilde ze.

Weg

08-11-2016

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was.

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was.

/

08-11-2016

Het begon op een grauwe donderdag. Hij was naar zijn werk gegaan, zoals al die donderdagen die hij de afgelopen vijfentwintig jaar op het kantoor van het bedrijf in bakstenen en vloeibaar beton had doorgebracht. Hij had zijn langzame computer aangezet, grapjes gemaakt aan het bureau van een collega. Hij had koffie gehaald, hij had gewerkt.

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was. Zoals de bedoeling was. De bedoeling voor werkende mensen in kantoorgebouwen. Tijd als een voorbijtrekkende mist. Het is aanwezig, maar je ziet het niet scherp. En ineens is het voorbij, weggetrokken. Einde dag, dagen, week, weekend, maand, jaar, jaren. Zoals hij leefde, zo was het de bedoeling.

Na zijn werk fietste hij naar huis. Daar wachtte zijn vrouw hem op, de geur van andijviestamppot kwam hem tegemoet toen hij in het nauwe halletje van hun woning zijn jas ophing en zijn schoenen verwisselde voor pantoffels. Hij kuste zijn vrouw vluchtig op haar wang en zij zei iets over mensen die ze kenden of over het weer en daarna vroeg ze hoe zijn dag was en hij sprak lege woorden, een stuk of acht, tien hooguit. Kortom, het was een dag als alle andere.

Toen ze aan tafel zaten, zei zijn vrouw ineens:

‘Lieverd, wat is er met je aan de hand?’

Hij keek haar niet-begrijpend aan.

‘Wat bedoel je?’

‘Je ziet er zo, zo anders uit.’

‘Hoe bedoel je anders?’ vroeg hij kribbig. Als het maar niet betekende dat ze weer op dieet gingen. Die maanden zonder jus, hij vond het niks aan.

‘Nou, als iemand, iemand, iemand die aan het verdwijnen is.’

‘Aan het verdwijnen is?’

‘Het lijkt wel of ik door je heen kan kijken,’ zei ze bezorgd.

‘Wat een lariekoek,’ zei de man en hij schepte zich nog eens op.

Die avond keken ze de talkshow die ze elke avond keken en een aflevering van een spannende detectiveserie. Zo nu en dan keek zijn vrouw hem onderzoekend aan, maar hij merkte het niet op.

Het was pas toen hij in de badkamer voor de spiegel stond, dat hij zag wat ze bedoelde. De man met de tandenborstel die hem aankeek, was als een geest. Hij zag er niet ongezond uit, maar anders. Hij zag eruit als iemand die de ruimte niet kon vullen. Hij zag eruit als iemand waar je doorheen zou kunnen reiken, zonder het te merken. Hij waste zijn gezicht en ging naar bed. De meeste problemen in zijn leven waren lichter in de ochtend, zoveel was zeker.

Zijn vrouw lag al te slapen toen hij aan zijn kant ging liggen. Hij tilde het deken op en kroop dicht tegen haar warme zachte lijf. Ze rook als vroeger, maar dan ouder. Toen hij het deken wilde herschikken, zag hij dat het plat op het matras lag, dat enkel het lichaam van zijn vrouw opbolde onder dekens. Waar hij lag, was het helemaal vlak gebleven. Alsof er niemand was.

De volgende dag werd hij zoals gewoonlijk vijf minuten voor de wekker wakker. Zijn vrouw zette thee terwijl hij twee beschuitjes met jam at. Het was wat hij elke dag at, maar vandaag kreeg hij het nauwelijks op.

‘Gaat het wel, liefste?’ vroeg ze.

‘Prima, dankje, zei hij, terwijl hij dacht aan het vreemde incident met de dekens.

‘Ik bel de huisarts voor je,’ zei ze toen, ‘je ziet er zo, zo anders uit…. ik vertrouw het niet.’

‘Ik ga maandag wel,’ zei de man.

‘Waarom niet vandaag?’

‘Vandaag heb ik geen tijd.’

En daarmee stond hij op, kuste hij haar vluchtig op de wang, vluchtiger dan normaal, en liep hij naar de kapstok. Hij trok zijn schoenen en jas aan en vertrok naar zijn werk.

Het was een gure dag en hij meende de wind door zijn ribbenkast te kunnen voelen waaien, een gedachte die hij meteen als onzin afdeed.

Hij werkte niet al te hard, zoals de bedoeling is op vrijdagen. Buiten begon het te sneeuwen. Een verandering van weer waar hij volstrekt neutraal tegenover stond. Hij keek gedachteloos naar de voorbijvliegende vlokken en intussen verstreek de tijd zoals de bedoeling was. Daarna ging hij met een collega naar het bruine café om wat te drinken. Ze maakten een grapje met de barman, dronken twee tripels en trokken toen hun jassen aan om naar huis te gaan.

‘Rust goed uit,’ zei de collega. ‘Je ziet er beroerd uit.’

De man had zijn schouders opgehaald en geantwoord met: ‘Nee, jij trekt volle zalen.’

Ze gaven elkaar een klap op de schouder, de enige manier die ze kenden om uiting te geven aan de waardering van meer dan twintig jaar vriendschap. De collega voelde de klap nauwelijks, maar weet het aan de kou.

De man liep naar zijn fiets, zijn voeten lieten geen sporen na in de sneeuw. Maar welke volwassen man kijkt nou naar zijn sporen in de sneeuw.

Hij dacht aan zijn vrouw die de frituur nu ongeveer aan zou zetten omdat het vrijdag was.

Elke stap die hij richting zijn fiets nam, werd zwaarder. De wind woei hard en zijn kleding wapperde om hem heen. Zijn schoenen voelden los, zoal vroeger toen hij als klein kind in de schoenen van zijn vader probeerde te lopen.

Halverwege de brug stopte hij even. Voor het eerst zag hij zijn stad met de betovering die hij enkel op het gezicht van toeristen had gezien. Zijn handschoenen vielen naast hem op de grond. Ze waren afgegleden. Zijn vrouw had gelijk gehad. Hij was aan het verdwijnen. Hij keek nog eens naar het verstilde beeld van zijn stad in de sneeuw en voelde dat de tijd hem had ingehaald.

Het was te laat voor alles.

Wens

06-05-2013

'Als je nu een wens mocht doen, wat zou die dan zijn?’

'Als je nu een wens mocht doen, wat zou die dan zijn?’

/ / / /

06-05-2013

Ze zaten in de tuin. ‘Als je nu een wens mocht doen, wat zou die dan zijn?’ Marie keek naar haar verloofde David die de krant aan het lezen was. De tuin begon te bloeien, over een paar jaar zou het zijn zoals ze het nu in haar hoofd had. Dan zouden ze ook zo’n rieten bankstel kopen met grote zachte kussens, maar voor nu hadden ze witte plastic tuinstoelen die in verschillende standen konden, erop lagen groen geruite kussens die de moeder van David cadeau had gedaan.

 

‘Niks. We hebben het toch goed zo?’ David keek niet op van zijn krant.

 

‘Ja, maar een wens is toch leuk? Je mag ook een villa kiezen, of een wereldreis of een bioscoop in de kelder, een nieuwe auto.  Toe, je wenst toch wel iets?’

 

‘Sorry, Marie, maar wat is dat nou voor een vraag?’ Zei David terwijl hij de krant op tafel legde.

 

‘Nou, gewoon, zie het als een gedachtenoefening.’ Ongeduldig bewoog Marie met haar voeten.

 

‘Ben je ongelukkig?’

 

‘Hoezo ongelukkig? Jezus, ik stel je gewoon een vraag. Ik begin een gesprek met je, dat is wat mensen doen als ze een relatie hebben. Ze praten. Moet je nu echt altijd alles zwaarder maken?’

 

Marie wist dat ze het gesprek de verkeerde kant op duwde, maar ze kon zich niet bedwingen. David wist waar dit naartoe zou gaan. Hij had er geen zin in en pakte zuchtend de krant weer van tafel.

 

‘Ik zit hier een krant te lezen in de tuin, en jij komt me storen met allerlei onbenulligheden. En dan maak ik het zwaar?’ Hij sloeg de krant open.

 

Met een mep sloeg Marie de krant naar beneden.

 

‘Onbenulligheden? Onbenulligheden? Praat ik over onbenulligheden? Nee, JIJ bent een interessante gesprekspartner. Naja, misschien als je van voetbal houdt of oeverloos geouwehoer over politiek of aandelenkoersen.’

Ze begon op dreef te raken. Ze kon haast niet kiezen waar te beginnen, welke munitie eerst af te vuren. Als een kat zat ze klaar om haar nagels uit te slaan, wachtend op een beweging van haar prooi.  Maar David werkte niet mee. Hij stond rustig op en keek haar koud aan. Ze wist dat hij ook woest was, want zijn vuisten waren gebald, zijn knokkels wit. Maar schreeuwen zou hij niet doen. Hij was trots op zijn zelfbeheersing, de waardigheid die hij altijd wist te bewaren. Het maakte haar nog razender.

 

‘Luister Marie,  ik ga even douchen, mijn ouders zijn over een uur hier.’

 

Marie liep achter hem aan. ‘Je bent een arrogante lul- voel je je te goed om met mij te praten? Vind je het allemaal geouwehoer? En dan zometeen mooi weer spelen als je ouders hier zijn?’

 

‘Marie, alsjeblieft, maak er nou geen drama van.’ David liep de trap op, door naar de badkamer. Marie volgde al fulminerend op enkele centimeters. ‘Drama? Drama? Dan gebeurt er tenminste nog iets hier!’ 

 

Ze maakte aanstalten om David in te halen, maar in haar woede zwiepte ze wat uit met haar been en wist ze haar kleine teen met een ferme tik tegen de poot van de salontafel te slaan. Het werd zwart voor haar ogen, ze hapte naar adem. Ze probeerde te vloeken, maar bleef hangen bij een langgerekte a-klank. Zoveel pijn uit zo’n klein teentje. 

David draaide zich om. ‘Gaat het een beetje?’

 

Bleekjes schudde ze haar hoofd.

 

‘Laat me eens kijken.’

 

Voorzichtig raakte hij haar voet aan, daarna haar tenen. Toen hij bij de kleine teen kwam maakte Marie een zacht grommend geluid. Ook zij kende zo haar trots.

 

‘Gebroken.’

 

‘Godver.’

 

‘Wil je wat water?’

 

‘Nee.’

 

‘Goed, ik bel mijn ouders af, dan gaan we daarna naar de Eerste Hulp.’

 

‘Mag ik toch wat water misschien?’

 

‘Nee.’ 

Wiener Melange

02-01-2014

Ze had geen idee wat te doen.

Ze had geen idee wat te doen.

/ /

02-01-2014

‘Kun je zo even op mijn kantoor komen?’ had de directeur gevraagd. Annie had geknikt, terwijl haar collega Karin aan het bureau tegenover haar veelbetekenend met haar ogen had gerold. Dat met die ogen deed Karin wel vaker, en Annie’s ervaring was dat het slechts zelden werkelijk veel betekenend was. Het was eerder een gewoonte die Karin in haar pubertijd had aangenomen, misschien wel eerder nog, en waar ze nooit mee opgehouden was. Ze scheelden maar weinig, zij en Karin. In leeftijd, lengte en gewicht. Ze hadden ook dezelfde baan, tas en laarzen. Dat van die baan en tas was toeval geweest, dat van die laarzen niet. Ze waren beiden gezegend met een goed stel Hollandse kuiten, kuiten van vrouwen die hard konden fietsen, kinderen baarden op het land, koeien konden melken. Dat soort kuiten, hoewel die van hen eerder een combinatie waren van genetica en Netflix. Hoe dan ook, het is niet eenvoudig om laarzen te vinden voor zulke kuiten. En als ze dan gevonden waren, werd het gedeeld met andere grootkuitige vrouwen. 

Schoorvoetend stond Annie op, de directeur was meestal tamelijk vriendelijk, maar op de een of andere manier voelde ze zich vandaag toch wat geïntimideerd. De directeur heette Hans, maar niemand gebruikte zijn naam, ook zijn eigen vrouw niet. Iedereen noemde hem meneer Feenstra. Hij noemde mensen afwisselend bij hun voornaam en achternaam, in een soort continue spel van aai-poesje-aai-poesje-rotkat, dat hij speelde. Hij had een ruime kamer met een wand van boekenkasten die waren gevuld met boeken van de vorige huurder van het kantoor. Zelf verspilde meneer Feenstra geen tijd aan zulke fratsen.

Annie slofte over de gang.

Deze dag leek niet veel goeds te beloven.

Ze voelde ze zich als een kind op weg naar het hoofd van de school, hoewel dat geen ervaring uit eerste hand was. Snel streek ze haar spijkerrok nog recht. Ze klopte op de deur. Er kwam geen antwoord van de andere kant en Annie besloot nogmaals te kloppen. Het bleef stil. Ongeduldig klopte ze nog eens. Het was half 11 en normaal gesproken zou ze nu met Karin een Wiener Melange uit het koffie-apparaat halen, een paar websites en het weekend doornemen. Ze had een leuke roddel gehoord over een gemeenschappelijke kennis, en was geïrriteerd bij de gedachte dat haar koffiepauze nu door haar baas werd verpest. Met een zwiep gooide ze de deur open.

‘Ik moet nu ophangen, ik heb ineens iemand in mijn kantoor staan’ zei haar baas aan de telefoon terwijl hij haar strak aankeek. Met een klap hing hij op. Annie frummelde wat met haar handen. ‘Dag meneer Feenstra, u wilde mij spreken?’

 

‘Doe de deur maar even dicht en ga zitten.’

 

‘Weet je waarom ik even met je wil praten Annie?’

 

‘Nee.’

 

‘Ik zal dan maar meteen met de deur in huis vallen. Het gaat om je koffiegebruik.’

 

‘Mijn koffiegebruik?’

 

‘Ja.’

 

‘Ik begrijp niet zo goed wat u bedoelt meneer Feenstra,’ stamelde Annie.

 

‘Welke koffie drinkt u hier?’

 

‘Gewoon, die uit het apparaat op de gang.’

 

‘Nee, niet gewoon.’

 

‘Hoe bedoelt u, niet gewoon?’

 

De directeur zuchtte diep en stond op. ‘Kom, mevrouw De Vries, ik zal het probleem even duiden.’

 

Met bonzend hart liep ze achter hem aan. Ze had geen verstand van gesprekken met bazen, maar problemen waren nooit goed.

 

Ze hielden stil voor het koffie-apparaat.

 

‘Goed, mevrouw De Vries, toont u nu eens wat u zou doen als ik hier gestaan had.’

 

‘Hoe bedoelt u?’

 

‘Nou, hoe haalt u koffie uit dit apparaat?’

 

‘Ik druk op het knopje?’

 

‘U drukt op het knopje?’

 

‘Ja.’

 

‘Drukt u maar op het knopje dan.’

 

Met bevende vinger ging ze naar het knopje voor Wiener Melange en drukte het in.

 

‘HA! ZIE JE WEL! IK WIST HET!’ Schreeuwde haar baas terwijl het apparaat begon te pruttelen en te loeien.

 

‘Wat bedoelt u?’

 

‘Mevrouw De Vries, ik hoop dat u begrijpt dat het niet de bedoeling is dat u op deze manier te werk gaat?’

 

Met zijn hand pakte de directeur de wijsvinger van Annie en sleepte hem mee naar de knop waar ze zojuist op had gedrukt, en toen iets hoger.

 

‘Kun jij lezen, Annie?’

 

‘Ja, meneer.’

 

‘Wat staat daar dan?’

 

‘Luxe koffieproducten, meneer.’

 

‘Inderdaad, Annie. Luxe koffieproducten. En vind jij dat iets voor de doordeweekse ochtend, Annie?’

 

‘Nou, ik-‘

 

‘VINDEN WIJ DAT IETS VOOR DE DOORDEWEEKSE OCHTEND, ANNIE?’

 

‘Nee, meneer.’

 

Hij liet haar hand los. ‘Goed, zo. En kijk niet zo beteuterd. We zijn immers een respectabel bedrijf en wij drinken koffie. Gewone koffie, in drie sterktes, met of zonder suiker en melk. Kun jij uitrekenen hoeveel soorten koffie dat dan zijn?’

 

‘Nee, meneer.’

 

‘Ik ook niet, maar het is meer dan dat er dagen in een week zijn.’

 

‘Goed meneer.’

 

‘Fijn. Ik wist dat ik op je medewerking kon rekenen, Annie.’

 

Met grote passen liep de directeur terug naar zijn kamer. Onder het koffie-apparaat stond de Wiener Melange af te koelen. Sip keek Annie naar het bekertje. Ze had geen idee wat te doen. 

Winnaar

07-05-2014

Ze kon hard rennen, fietsen, roeien, zwemmen, praten, lachen en drinken.

Ze kon hard rennen, fietsen, roeien, zwemmen, praten, lachen en drinken.

07-05-2014

Jacco was al een paar keer in het studentenhuis geweest, maar vandaag zat hij voor het eerst alleen aan de keukentafel. Zijn vriendin Marieke had college tot elf uur en hij was vrij. Omdat hij de slaap niet meer kon vatten, was hij toch maar opgestaan en zo zat hij nu in de keuken de krant te lezen. Hij was juist aan het sportkatern begonnen, toen een huisgenootje van Marieke binnenkwam.

Deze huisgenoot heette Elodie, een mooi elegante naam die al generaties in haar deftige familie werd doorgegeven. Helaas trouwde het frêle moedertje van Elodie een grofgebouwde bankier met erg dominante genen.  Zo kwam het dat Elodie ook wel de bulstronk werd genoemd, maar nooit in haar gezicht. In haar gezicht noemden ze haar ‘Elo’ en haar moeder zei ‘Dietje’.

Elo was een vrouw met status. Ze was president van haar studentenvereniging, voorzitter van een universiteitsgroep en huisoudste. Ze was groot, breedgeschouderd en tamelijk bierbuikig. Ze kon hard rennen, fietsen, roeien, zwemmen, praten, lachen en drinken. Ze had een schorre, lage stem en een grote bos krullen die haar ronde gezicht omlijstte.

‘Goedemorgen manneke!’

Zei ze terwijl ze neerplofte op de andere keukenstoel. Ze pakte het andere stuk van de krant en begon driftig te bladeren. Toen ze bij de kruiswoordpuzzel was aangekomen, pakte ze een pen uit de keukenla en begon ze te schrijven. Met een verbeten mond vulde ze de vakjes in razend tempo in. Zo nu en dan vloekte ze een beetje.

‘Wat ben je eigenlijk aan het doen?’ zei Jacco voorzichtig, hij was nog niet vergeten dat zij hem net manneke had genoemd, en hield rekening met ferme tik of een harde boer in zijn gezicht. Misschien was het wel een domme vraag, of zoiets.

 

‘Winnen. Ik ben eigenlijk altijd aan het winnen.’

 

‘Altijd?’

 

‘Ja, altijd. Anders zou ik toch niet zeggen: altijd.’

 

‘Dan bent je vast een heel gelukkig mens.’

 

‘Ja, dat klopt. Ik ben een heel gelukkig mens. Het gelukkigst van iedereen om precies te zijn. Het gelukkigst van alle mensen.’

 

‘Van alle mensen?’ vroeg Jacco ongeloving.

 

‘Ja, van alle mensen. Anders zou ik toch niet zeggen: van alle mensen.’ Ze legde de krant neer. ‘Of noem je mij nu een leugenaar?’

 

‘Nee,’ zei Jacco, ‘Dat zou ik nooit doen. Fijn dat je zo gelukkig bent. Fijn dat je altijd wint.’

 

‘Ik verlies ook weleens hoor,’ zei ze nu. ‘maar ik verlies dan zo goed, zó fucking goed, dat ik dan toch nog gewonnen heb.’

 

‘Je bent dus eigenlijk gewoon supergoed in alles?’

 

‘Nee, dat zeg ik niet. Ik win gewoon altijd.’

 

Jacco voelde zich nerveus worden. Straks wilde ze nog een of ander wedstrijdje doen ofzo. Hij was niet zo competitief ingesteld, of eigenlijk: helemaal niet. Hij voelde zich rot als hij van iemand verloor, maar ook als hij van iemand won. Hij raakte makkelijk in de war van mensen met scherpe tongen en had al op de basisschool geleerd wanneer de benen te nemen. Nu dus.

 

‘Okee, nou ik zie je wel weer he.’ De trilling in zijn stem deed Jacco blozen, maar de bulstronk leek het niet op te merken.

 

‘Niet als ik jou eerder zie,’ zei zij terwijl ze een ei in een pan gooide als een winnaar.