Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Transformatie

08-04-2013

Hier zijn we wie we werkelijk zijn.

Hier zijn we wie we werkelijk zijn.

/ /

08-04-2013

‘Welkom bij deze alles veranderende ervaring’ zegt de man met de witte tanden. Hij spreekt Nederlands maar op een vreemde gelikte manier, die wat Amerikaans aandoet. Hij heet Glenn en weet zijn korte naam zo uit te spreken dat hij lang klinkt, als Robberto of Dimitri.

We zitten in een zaaltje van hotel, geen lullig hotel, maar een van de betere van de stad. Buiten schijnt de zon, maar wij zijn hier om ons leven te veranderen. Meer energie, meer zelfvertrouwen, minder stress, je innerlijke kompas vinden en volgen, de volgende grote stappen nemen, een huid die straalt. Alles in vier dagen voor een kleine 600 euro. Geen geld voor de rest van je leven. Stel nou dat ik nog veertig jaar leef, dan is dit 0,04109589041096 cent per dag, voor elke dag geluk.

Ik kijk om me heen. Wat voor mensen zouden hun leven drastisch willen veranderen? Iedereen zo te zien. We zijn van alle leeftijden en achtergronden. We hebben plannen, dromen, ideeën en vooral: angsten. Maar er wordt aan gewerkt- zegt het hyperactieve team van health and lifestyle consultants. Ze lachen bemoedigend en zijn aanrakerig tijdens gesprekken.

 

We beginnen met een voorstelronde. De jongen naast mij mag eerst.

‘Hoi, ik ben Harold en-‘

 

‘Ho- mag ik je even stoppen hier?’ Glenn glimlacht en staat op. Hij praat met veel handgebaren. ‘Lieve mensen- hier zijn we niet de naam die onze ouders ons geschonken hebben. Hier zijn we wie we werkelijk zijn. Ik ben Glenn- en jij heet Harold. Je hoeft al die verwachtingen niet meer mee te nemen- al die ideeën die bij Harold horen. Je bent hem niet- misschien kies je, zoals ik voor een nieuwe naam, misschien ook niet. Maar op dit moment ben je niet Harold- zo heet je alleen maar.’ Hij glimlacht en knijpt in de schouder van Harold die schaapachtig kijkt. ‘Ga maar door- je kunt het.’

 

Harold woont in een nieuwbouwhuis met zijn vriendin, werkt ‘in de ict’ en is zoekende. Net als Marc die na zijn scheiding toch niet vond wat hij zocht, ondanks de vele vluchtige contacten in zijn penthouse. Net als Gerda- de huisvrouw die op haar kleinkinderen past en vrijwilligerswerk doet- ze wil meer. Net als Cherryl, een carrièrevrouw die dankzij haar personal trainer fitter is dan ooit, maar nog steeds leegte voelt. Dit is de groep mensen waar ik toe behoor. Wat een misère.

Ik ben aan de beurt. 

‘Nou, ik heet..-’

‘Wacht, ik stop je daar even- ik voel dat we de energie kwijt zijn in de groep.’ 

Glenn heeft zijn ogen gesloten en masseert zijn slapen. ‘We gaan even een klein oefeningetje doen en daarna verder hiermee. Volg mij maar.’

Als eendjes hobbelen we achter hem aan door de hotelgangen. We nemen de lift naar beneden, dan staan we in de spa van het hotel. Een elegante zonnebankbruine dame staat ons op te wachten.

‘Welkom allemaal- ik ben Mariska en ook ik heb de eer onderdeel te zijn van jullie transformatie. Om nu in de juiste, prettige en veilige flow te raken, gaan we eerst wat oefeningen in het water doen. Pak maar een badpak of zwembroek van de tafel daar en kleed je om.’

Kort daarna staan we in het water- de tranformatiekandidaten, niet Glenn of Mariska. Zij staan met een grote glimlach aan de rand. Vijf bleke gezichten kijken beteuterd terug.

‘Eerst gaan we heel stil staan’ zegt Mariska terwijl ze haar handen voor haar borst vouwt. ‘Adem in en uit- voel hoe je onderdeel bent van het alles- hoe je het water bent. Hoe alles één wordt. We gaan nu een mantra zingen, blijf stil staan met je ogen gesloten en doe mij na.’

Iedereen humt met gesloten ogen. Ik doe mijn best maar begin nogal af te koelen in het zwembad. Ook Gerda lijkt het moeilijk te hebben, haar lippen paars van de kou. Ik kijk stiekem naar Harold, die naast me staat.  Zijn lichaam is wit met paarse vlekken, en stil staan lukt hem niet meer.

‘Sorry’ zegt hij. Maar iedereen humt door. ‘Sorry- mag ik-‘ Iedereen humt maar door. Ik sluit mij ogen ook weer- egoïsme zal onderdeel van mijn transformatie zijn. Ik kies voor mezelf, het is verdomme mijn transformatie. Dan hoor ik een snik. Ik open mijn ogen.

 

Beteuterd kijkt Harold naar beneden. Zijn handen zijn niet langer gevouwen, hij staat in een lichtgele wolk.

 

‘Gadverdamme’ zeg ik. Het hummen houdt ineens op.

 

‘Het komt door de kou’ zegt Harold.

 

‘Maak je geen zorgen, we zijn juist trots dat je je nu al zo hebt durven laten gaan’ zegt Glenn. Mariska knikt instemmend. ‘Ik ben heel trots op je, dat je je nu al zo kwetsbaar hebt durven opstellen, en we staan nog maar aan het begin. Lieve mensen, kijk naar Harold en geef hem de liefde die hij nu nodig heeft. En kijk daarna naar jezelf en stel je dan de vraag of je dit ook zou durven.’

 

‘Durven?’ Zeg ik.

 

‘Sorry, maar jij bent nog niet voorgesteld, van jou kunnen we nog geen vragen beantwoorden.’

 

Glenn lacht naar de groep en knikt. ‘Laat het maar gaan allemaal- laat het allemaal maar gaan.’

 

Schuin voor me zie ik langzaam een gele wolk om Gerda’s onderlijf ontstaan.

 

Ik durf niet te kijken wat er achter me gebeurt.

 

‘Bevrijd jezelf! Laat het allemaal gaan!’

 

Het hummen begint weer, we moeten onze ogen weer sluiten. Ik sluip naar het trapje aan de zijkant van het bad. Glenn staat daar te wachten.

 

‘Waarom denk je dat je je niet mocht voorstellen? Ik zag al dat je er niet klaar voor bent. Je bent misschien wel willing, maar niet able. En we doen geen refunds trouwens. Veel succes in de toekomst.’ 

Lapjeskat

01-04-2013

Ik vertrouw die blik in haar ogen niet.

Ik vertrouw die blik in haar ogen niet.

/ / /

01-04-2013

‘Leuk huis heb je, heel gezellig, en zo licht ook.’  Maartje liet zich wat verder in de kussens zakken op de bank van haar collega. Het was een beetje vreemd dat ze nu bij haar thuis was uitgenodigd, maar Elsa was nieuw in het bedrijf en misschien voelde ze dat soort dingen niet zo goed aan. En Maartje was op haar beurt weer te beleefd geweest om te weigeren. 

Elsa kwam met twee glazen thee de kamer weer in. ‘Ja, dankjewel. Maar waarvoor ik je eigenlijk hier heb uitgenodigd…’

Ze nam een slok en leek naar de juiste woorden te zoeken.

 

‘Ik heb dus een kat hè, dat vertelde ik je toch?’

 

‘Ja, hoezo?’

 

‘Nou ik wil graag dat je haar ontmoet, vind je dat okee? Het klinkt misschien een beetje raar, maar ik zou het echt erg waarderen als je even kennis zou maken met Minou.’

 

Maartje aarzelde, dit was wel een beetje typisch, dacht ze. Maar een beetje excentriciteit wilde ze niemand ontzeggen. ‘Nou, als je graag wilt dat ik haar ontmoet dan doe ik dat. Ik ben wel iets meer een hondenmens, maar eigenlijk hou ik wel van alle dieren.’

 

‘Momentje.’ Elsa stond op en liep de kamer uit, haar gezicht stond ernstig. 

 

Maartje bleef zitten op de bank, ze begon zich af te vragen of haar eeuwige beleefdheid zich dan nu tegen haar begon te keren. Bij het laatste functioneringsgesprek was dat haar enige verbeterpunt geweest, gebrek aan assertiviteit. Ze had in datzelfde gesprek eigenlijk willen aankaarten dat ze nu nog steeds minder verdiende dan haar collega in dezelfde functie, maar ze durfde niet. En hier zat ze dan, te wachten op de kennismaking met de kat van een nieuwe collega.

Elsa kwam weer binnen, in haar armen een lapjeskat. Een ordinaire lapjeskat was het. Niet uitzonderlijk groot, klein, dik of dun. 

 

Met een zwierig gebaar zette Elsa de kat op de grond.

 

‘Minou, Maartje, Maartje, Minou.’ Zei ze bij wijze van introductie.

 

Maartje voelde zich onmiddelijk verwant met de kat die niks zei, maar haar baasje kritisch aankeek om vervolgens rustig op het tapijt te gaan zitten. 

 

‘En wat denk je ervan?’

 

‘Waarvan?’

 

Elsa schoof wat dichterbij. ‘We moeten nu fluisteren- ik vertrouw die blik in haar ogen niet.’

 

Fluisterend vroeg ze nogmaals: ‘Wat denk je ervan?’

 

‘Waarvan?’ Maartje fluisterde nu ook.

 

De kat was zich aan het wassen.

 

‘Nou kijk goed, zie je die groene ogen? En die gevlekte vacht? En dat tongetje, dat gekke roze tongetje?’

 

Ze hielden hun blik op de kat gericht.

 

‘Ja, ze ziet eruit als een gewone lapjeskat.’ Fluisterde Maartje aarzelend.

 

‘Nee- nee, je kijkt niet goed. Kijk met je hart-  zet je chakra’s open- en zie wat ik zie.’

 

Maartje wist niet wat Elsa bedoelde maar probeerde met volle overgave haar chakra’s  te openen.

 

De kat was inmiddels op het kleed gaan slapen.

 

‘Sorry, maar ik voel niet wat je bedoelt’ zei Maartje, terwijl ze haar tas pakte.

 

‘Blijf nog even zitten- en luister wat ik je te zeggen heb.’ Elsa was niet langer aan het fluisteren. ‘Ik denk dat die kat  bezield is door een zwarte ziel uit het verleden. Zoals ze loopt, zoals ze kijkt, het kan niet anders dan…’

 

‘Dan wat?’

 

‘Dan dat ze behekst is’

 

‘Sorry?’

 

‘Denk er maar over na- dat uiterlijk, dat klopt toch niet? Alle kleuren vacht? We stemmen toch ook niet op alle partijen?’

 

‘Nee, dat klopt- maar ik weet niet of je deze vergelijk..’

 

‘JE STAAT AAN HAAR KANT!’ Elsa was opgesprongen en wees met haar kaneelstengel woedend naar Maartje en de kat.

 

‘Eruit- nu! Allebei!’

 

In de auto, met de mauwende kat naast zich op de bijrijdersstoel besloot Maartje dat ze nu echt eens op haar werk moest gaan praten over een assertiviteitstraining. Als ze durfde.

Goede Vrijdag

29-03-2013

Ik heb de vraag gemist, zoals ik deze avond wel meer heb gemist.

Ik heb de vraag gemist, zoals ik deze avond wel meer heb gemist.

/ /

29-03-2013

Gaat het een beetje? De jongen staat ongemakkelijk naar me te kijken, het is donderdag,  half vier ‘s nachts en de straten zijn stil.

Ik veeg de haren uit mijn gezicht en probeer dapper te glimlachen. Koude rilling, koude windvlaag. Er is niemand hier, behalve de ongemakkelijke jongen en ik in mijn jas die te koud is voor de tijd voor het jaar. Of eigenlijk precies goed is voor de tijd van het jaar en daarom te koud- alle kleren zijn altijd te koud tegenwoordig.

‘Het gaat wel, dankje’ ik probeer mijn evenwicht te bewaren door de lantaarnpaal vast te pakken, maar hou daar snel mee op. In deze kou val ik nog liever met mijn kop op de kasseien dan dat ik zoiets kouds aanraak. Ik weet niet waar mijn handschoenen zijn.

De jongen staat er nog steeds- meer uitleg lijkt nodig.

‘Voedselvergifting.’ Zeg ik.

Zwijgend kijken we naar de oranje drap die voor mijn voeten ligt. Zestig euro omgezet in oranje drap. Eerst in olijven, tortilla’s, margarita’s en tequila. En nu dit. Met een noodgang terug de wereld in. Pijn in mijn nek, mijn schouders, mijn neus en mijn kaken.

‘Voedselvergiftiging.’ Ik herhaal het zodat het extra waar zal lijken.

Voordat hij iets terug kan zeggen gaat verandert de wereld om mij heen. Mijn plastic pumps, ook niet ongeschonden door deze avond heen gekomen, lijken  uiteen te vallen, mijn benen dragen me niet langer.

Gesjor, geschuifel, ik verlies een schoen.

Warme wind en helder licht.

Ik bibber en open mijn ogen. We zijn in de McDonalds en de jongen kijkt me bezorgd aan. ‘Ben je er weer een beetje?’

Ik knik en kijk om me heen. Veel mensen met slaapzakjassen met bontkragen hier. Slimme mensen, zij hebben het vast nooit koud.

 

‘Wil je wat drinken? Cola of water ofzo?’

 

Ik wrijf in mijn ogen, nepwimpers vallen op tafel.

 

‘Mag ik een Happy Meal?’ Ik zoek naar mijn handtas, maar die is niet hier.

 

Als ik opkijk staat er een Happy Meal voor me op tafel. Eerst wil ik het speeltje, een opwindbaar mannetje dat heen er weer kan lopen over de tafel. Na de eerste happen is de horizon rustig geworden. Tegenover me zit de jongen naar me te kijken, hij drinkt een milkshake en zegt niks.

 

‘Is mijn mascara uitgelopen?’ vraag ik. 

 

‘Wat voor avond heb jij gehad?’ vraagt hij.

 

Ik zucht. ‘Ach, jeweetwel, niks bijzonders. Een date.’

 

‘Een date? En waar is je date nu?’

 

Ik kijk op. ‘Waar is jouw date nu?’

 

Hij lacht. ‘Ik had geen date, ik heb net gewerkt, ik had avonddienst.’

 

Hij vertelt over zijn werk, hij wordt dokter. Hij is slim en hij heeft rechte tanden en vlassig haar.  Hij vertelt over zijn leven. Hij praat en praat en praat. ‘En jij?’

 

Ik heb de vraag gemist, zoals ik deze avond wel meer gemist heb.

 

‘Ik? Nou, soms, als ik iets wil voelen kijk ik naar zielige dingen op internet.’

 

Aan zijn gezicht te zien ben ik nu geen vraag aan het beantwoorden, maar het is wel waar.

 

‘Zielige dingen?’

 

‘Ja, filmpjes over mensen die dapper zijn en vechten tegen ziektes die ze niet verdienden, zulk soort dingen.’

 

‘Zijn er mensen die ziektes verdienen?’

 

‘Nee, je weet wel, laat maar.’ Ik leg mijn hoofd op tafel en sluit mijn ogen. Mijn linkervoet voelt koud. 

 

‘Weet je wat voor dag het vandaag is?’

 

Ik schud mijn hoofd terwijl ik een uitgedrukt frietje van mijn linkervoetzool peuter.

 

‘Goede Vrijdag’

 

‘Goh.’

 

‘Hij is ook voor jou gestorven, voor jouw zonden. Het is een bijzondere dag. Dat wij elkaar tegenkomen, zomaar in de nacht- jij, zo verloren. Maar nu niet meer.’

Ik heb de hik gekregen, maar hij merkt het niet. Hij praat en praat en praat. Het plastic mannetje is van de tafel gevallen. 

 

‘Zal ik je naar huis brengen?’

Ik knik, hikkend zit ik achterop zijn fiets. Mijn linkervoet bungelt als een dode klomp aan mijn been.

 

‘Ik ben geen zondaar, ik ben een vegetariër’ zeg ik.

 

‘Dat is dan net misgegaan, je hebt een hamburger gegeten.’

 

‘O.’

 

We zijn in mijn straat.

 

‘Nou, dankjewel’

 

Ik schuifel naar de voordeur en hoor de jongen nog roepen ‘Vergeet het niet: hij is ook voor jou gestorven.’

 

Ik word wakker met de ergste kater uit mijn leven.

Bedankt

25-03-2013

Wij wensen u veel succes in de toekomst.

Wij wensen u veel succes in de toekomst.

/

25-03-2013

Geachte mevrouw Bijl,

Veel dank voor uw reactie op onze vacature. Helaas is de keuze niet op u gevallen. Door het grote aantal reacties kunnen wij normaal gesproken niet nader toelichten waarom onze voorkeur naar een andere kandidaat is uitgegaan. Echter, in uw specifieke geval zal ik, (Marcel de Vries, P&O manager) een korte uiteenzetting geven van diverse redenen u niet uit te nodigen. Maar wees vooral niet bevreesd verder te lezen, want deze terugkoppeling bevat uiteraard ook de nodige complimenten.

Zo is het prijzenswaardig dat u voor creatieve studies hebt gekozen, en uw hart heeft gevolgd. Echter zoeken wij iemand met een gezonde honger naar geld, dat valt uit uw opleidingen bepaald niet op te maken. 

Ook de diverse vrijwilligersactiviteiten in zowel binnen –als buitenland geven een positief beeld van u als persoon. Wij zoeken echter geen persoon, wij zoeken een werknemer.

Daarnaast getuigen die vrijwilligersactiviteiten ook van een wat naïeve levensinstelling. Wij werken hier met realisten.

Hoewel het steeds vaker voorkomt dat ouders hun kinderen een originele naam meegeven, zien wij toch liever namen die vertrouwen uitstralen. Waarmee niet wordt gezegd dat u onbetrouwbaar bent, maar het gaat hier niet om ons, het gaat hier om de klant.

Soortgelijke opmerking kan worden gemaakt over uw haarkleur- wij kiezen voor een bepaalde uitstraling naar de klant. (maar mocht u interesse hebben eens een vorkje te prikken: 06- 26935472)

Het is fijn dat u een enthousiaste indruk maakt in uw schrijven, het doet ons echter vrezen dat deze baan te weinig uitdagend zal zijn. Want laten we wel wezen- corporate data business handler creative executive designer engineer consultant assistant zijn, is een weinig prikkelende functie voor een bohémienne als u. 

Wij wensen u veel succes in de toekomst,

Marcel de Vries,

P&O manager

Wankers inc. Faking sustainable creativity for rich white people and hipsters who want to kill themselves.

Bijenkoningin

18-03-2013

‘Op het strand van Club Med?’

‘Op het strand van Club Med?’

/ / /

18-03-2013

De meisjes zaten samen op een bank in de Starbucks, een bank die comfort uitstraalde, maar klote zat, wat wel passend was bij de koffie die eenzelfde soort teleurstelling met zich meedroeg.

Het leek ze niet te deren, ze hadden hun ijskoffie’s, die vast skinny soja mokka carameloccino’s heetten, ze hadden hun mobieltjes, hun grote leren handtassen, hun strakke jeans. Ze droegen hun lange gladde haren, lange dunne benen en mooie gelijkmatige gezichten zonder rimpels of oneffenheden met een vanzelfsprekendheid die intimiderend was.

Ze waren de dochters van ouders die hun eerste kind na hun eerste promotie hadden gekregen. Ouders die hun kinderen sushi leerden eten op hun derde. Ouders die hun dochters alles gaven wat ze nodig hadden. Wat hun dochters zeiden nodig te hebben. Uggs bijvoorbeeld. Een Ipad mini. Een zangcoach.

‘Had je het gehoord van Benthe?’ Vroeg het linkermeisje terwijl ze aan haar rietje lurkte.

‘Wat?’

‘Nou, ze is toch op Gran Canaria?’

‘Ja, dat gaat zij toch supervaak heen?’

‘Ja, maar moet je horen-‘

‘Echt zo’n saai kuteiland, ik zei tegen mijn vader dat als hij me nog eens meeneemt naar zoiets, dat ik dan wel gewoon alleen thuis blijf.’ 

‘Alleen thuis blijven? Tss, dat mag je echt niet. Dan moet je gewoon bij je moeder slapen.’

‘Nou en, het maakt niet uit want ik ga toch wel mee op vakantie dit jaar. Door mij gaan we nu naar Miami.’

‘Cool- daar was ik vorig jaar. Maar moet je nou horen- Benthe is dus op Gran Canaria- appt ze me vanmorgen ineens deze foto.’

‘Gatver! Wat is dat?’

‘Ja, weet ik veel- ze zegt dat ze gewoon lag te zonnen en dat er ineens een lading negers aanspoelde. ’

‘Op het strand van Club Med?’

‘Ja, bizar hè. Ik geloof wel dat ze snel zijn weggehaald hoor, door die jongens van de ligbedjes ofzo.’

‘Jezus, is je dag ook meteen naar de klote.’

‘Ze doet er anders echt supercool over- ze heeft haar flesje water aan zo iemand gegeven. Kijk maar naar haar profielfoto, staan ze samen op.’

Ze bekeken de foto nauwkeurig en constateerden dat Benthe al best bruin geworden was. Ze lurkten verder aan hun rietjes.

‘Mijn batterij is bijna op, laten we nog snel even een foto nemen.’

Zwoel keken ze in de camera.

‘Hmm, Vincent appt net dat er een flashmob is op het plein- zullen we even gaan kijken?’

‘Harlem shake zeker?’

‘Ik denk het.’

‘Sorry hoor, maar dat vind ik echt supersaai. Laten we naar mijn huis gaan, kunnen we nog wat outfits fotograferen voor mijn blog.’

Ze stonden op en lieten hun bekers die nog halfvol waren, op de tafel staan.

Kapper

14-03-2013

Ik wilde niet vallen met kniebeschermers. Ik wilde bloeden.

Ik wilde niet vallen met kniebeschermers. Ik wilde bloeden.

/ /

14-03-2013

‘Wat voor werk doe je?’ 

Normaal gesproken kwam het nooit tot dit punt bij de kapper omdat ik altijd deed alsof ik doofstom was. Helaas werd ik ditmaal gebeld tijdens het wachten op mijn beurt, wat me erg stoorde omdat ik het ‘real life verhaal’ over een doodnormaal meisje dat ‘s nachts sm-meesteres was, nog niet uit had. Aan de telefoon een dame die wilde weten wat ik van het proefabonnement had gevonden. Ik dacht aan de stapel opiniebladen die nog in het plastic naast mijn bed lag en begreep dat dat was waar de vrouw op doelde. Het was geen bijzonder lang gesprek en ik denk dat het voor beide partijen weinig bevredigend was. Gelukkig kon ik ophangen met de woorden ‘sorry, mijn kapper staat voor me, ik moet nu gaan.’ Nadeel was dus de situatie van een gesprek met de kapster.

Ze was een mooie vrouw, mijn kapster. Lekker bruin, een romig figuur, lang geblondeerd haar met krullen. Ze was helemaal in het zwart gekleed, dat moest van de baas hier. Onderzoekend keek ze me aan via de spiegel. ‘Wat voor werk doe je?’

Ik glimlachte weemoedig naar mijn spiegelbeeld. Wat deed ik nu eigenlijk? Niks om al teveel woorden aan vuil te willen maken. Beetje koffie inschenken, beetje kinderen in het gareel houden, beetje administratief. Ik keek naar mijn gezicht, hoe kon het nou dat ik wallen onder mijn ogen had? Met dat leventje van mij? Wat voor werk deed ik? Het antwoord was nog saaier dan de vraag.

In principe.

‘Callgirl.’ Mijn gezicht werd rood. Waar was ik mee bezig? Van alle levens die ik kon verzinnen, was dit het geworden? Ik sloot mijn ogen en vervloekte mezelf. Gelukkig hoefde ik alleen maar mijn puntjes te laten knippen, binnen een halfuur zou ik weer buiten staan.  ‘Oh, in een callcenter?’ reageerde de kapster. Zo zie je maar weer. Er was een ontsnapping mogelijk, het leven was mild voor me vandaag. Ik kon nu terugkrabbelen, gewoon bevestigen dat ik in een callcenter werkte, geen centje pijn.  Maar ik wilde niet vallen met kniebeschermers. Ik wilde bloeden. ‘Nee, niet in een callcenter. Callgírl’ zei ik. ‘Weetjewel, die met mannen naar bed gaat voor geld.’

De kapster keek op. Ze fronste haar wenkbrauwen een beetje, dacht even na en zei toen: ‘Dus je bent zzp’er?’ Ik dacht even na. ‘Ja’ zei ik, ‘dat klopt, zzp’er.’ De kapster keek ernstig terwijl ze rustig doorknipte. ‘Denk je dan wel aan je aangiftes enzo?’ Dat moet per kwartaal, zo’n gedoe. Ik weet ervan, want mijn vriend heeft een eigen zaak, en hij is er echt druk mee hoor, al die administratie enzo.’ Ze knikte alsof ze het erg eens was met zichzelf en vroeg toen: ‘Onder welk btw-tarief val je eigenlijk?’ ‘Nou,’ zei ik. ‘Dat ehm, verschilt nogal eens, ik geloof het gewone tarief.’ ‘Maar zulke dingen moet je precies weten hoor’ zei ze. ‘Heb je bijvoorbeeld een eigen ruimte waar je bed op een podium kan staan, hoppa, zes procent. Podiumkunsten.’ 

Ik glimlachte treurig. Mijn puntjes waren geknipt. ‘Ik zal het eens allemaal navragen, dank voor je advies in elk geval.’ Ze lachte. ‘Geen probleem joh, en dat haarmasker krijg je van mij. Omdat de zzp’ers al hard genoeg gepakt worden tegenwoordig.’

Ze had gewonnen. Met een serene glimlach liep ze naar haar volgende klant. Ik rekende af bij een andere kapster. ‘Meid, je ziet er weer lekker opgefrist uit’ zei die. 

Herdenken

08-03-2013

Jonge mensen die niet ziek zijn gaan dood aan drugs.

Jonge mensen die niet ziek zijn gaan dood aan drugs.

/ /

08-03-2013

Het was al een tijd geleden dat ze elkaar hadden gezien, en nu was het moment gekomen om te meten wie het ergste had gefaald. Het zou een nek aan nek race worden, gezien de studie die ze deelden, gezien het economische klimaat waar ze in leefden, gezien hun leeftijden, gezien hun ambitieniveau’s. En ook het seizoen was niet om over naar huis te schrijven. Koud, grijs, guur, maar vooral venijnig tot op je botten. Schrale lippen, trekkende handen, traanogen, schilferhuid. Maandenlang leefden ze in het donker, alleen vooral. Deze avond kropen ze uit hun nesten, op naar het bruine café, met smerige wijn maar goed bier.

De aanleiding van het samenzijn. Een van hen was er tussenuit geknepen, deed er niet langer aan mee, dood.

‘Fijn dat je er bent’ zei de een. ‘Maar wat een verdrietige reden.’ Zei de ander. Daarna knikte iedereen en namen ze een slok. Gelukkig hadden ze elkaar al een tijd niet gezien en kon er gepraat worden rondom het thema ‘wat doe jij nu?’ En ja, wat deden ze nu eigenlijk? Ze deden klotebaantjes, voor minimunloon, schonken koffie, maakten kopietjes of verkochten spullen die de mensen niet nodig hadden. Ze keken nu al terug naar hun studietijd, zo kort geleden, een jaar bijna, maar ach, verzuchtten ze nu samen, ‘wat wisten we toen nou helemaal?’ Twee van de groep waren de uitzendkrachtendans ontsprongen en spendeerden hun dagen onder systeemplafonds in hoge glimmende gebouwen. Zij maakten vast praatjes bij de koffieautomaten (of zouden dat esspressobarretjes zijn in zulke gebouwen?) en netwerkten. Netwerken. Netwerken. Netwerken. Wat een hel. De uitzendkrachten keken glimlachend naar de twee carrièremakers en bekeken daarna hun eigen netwerk.

Werklozen, die netwerkten met werklozen. 

‘Zullen we het even over hem hebben, nu we toch samen zijn?’ vroeg het meisje met twee masterdiploma’s dat nu fulltime bij de Ikea werkte. De groep werd stil. Ja, daarvoor waren ze nu samen. Herdenken. Zoiets deden ze eigenlijk nooit. Ze hadden hun grootouders misschien wel begraven, zagen de dienst voor André Hazes op televisie, en moesten met dodenherdenking altijd stil zijn van hun ouders. Herdenken voor de tv. Herdenken, het leek ineens iets van vroeger. Ouderwets. Er was in hun leven geen tijd om te herdenken, of geen geduld maar misschien is dat wel hetzelfde.

Wat konden ze over hem zeggen. ‘Hij was wel echt een denker he.’ Zei de een.  ‘Ja, dat klopt, en zo ook zo goed voorbereid altijd op colleges.’ Ze keken in hun biertjes die dood waren. Ze wilden met iets meer komen, tot tranen roeren. Een YouTube filmpje kan verdomme tot tranen roeren. En hier zaten ze dan, helemaal stil. Ze hadden geen woorden, alles klonk leeg en arbitrair.

Gelukkig was daar de drukste van de groep. ‘Het was zo bizar om erachter te komen, zo via Facebook.’ Instemmend geknik en opluchting, het gesprek ging weer over henzelf. Het was weer vertrouwd, het was de categorie: ‘hoe heb jij het ervaren?’ ‘Waar was jij toen je het hoorde?’ en: ‘Hoe kwam jij erachter?’ Facebook. Het antwoord was meestal Facebook.

 

‘Ja, ik dacht, zo wat een bizarre grap, als die R.I.P.’s op zijn wall.’

‘Echt raar he. Zesentwintig en zomaar ineens dood.’ Geknik aan tafel.

 

Ze werden comfortabel met elkaar.

 

‘Ik dacht, het is vast drugs. Jonge mensen die niet ziek zijn gaan dood aan drugs.’

 

‘Ik dacht een ongeluk ofzo.’

 

 ‘Ik was vooral opgelucht dat hij het niet zelf had gedaan.’

 

‘Hoezo?’

 

‘Naja, ik wist niet wat er allemaal in hem omging, had toch gekund.’

 

‘Maar je bent blij dat hij het niet zelf heeft gedaan?’

 

‘Ja, tuurlijk, dat is toch het ergste dat je je kunt voorstellen?’

 

‘Is dat het ergste? Iemand die dood wil en dan dood gaat? Is dat erger dan iemand die niet dood wil en dood gaat?’

 

Ongemakkelijk geschuifel van voeten, een biertje viel om. Het hinderde niet, er zat nog maar weinig in. Het ongemak nestelde zich dieper in.

 

Een van de carrièremakers zette zijn glas op tafel. ‘Ik stap maar weer eens op, sommige mensen moeten werken morgen.’ Hij legde een tientje neer, veel teveel voor twee bier in een tent als deze, maar niemand bood aan te wisselen en hij verdween zo snel hij kon.

 

‘Iemand nog wat drinken?’

 

De vraag zweefde boven de borreltafel. Niemand hoefde nog wat drinken. Het zag ernaar uit dat deze avond ten einde was gelopen. Een onbevredigend einde, maar dat kwam wel vaker voor, wisten ze nu.

Een heer

06-03-2013

Ze voelde zich niet zo voldaan als ze had verwacht.

Ze voelde zich niet zo voldaan als ze had verwacht.

/ / /

06-03-2013

‘Ik vind dat jullie een erg schraal wijnassortiment hebben’ zei de keurige heer tegen het barmeisje in het debatcentrum. ‘Het is allemaal van een ongelofelijke middelmatigheid en duur bovendien.’

‘Tja,’  zei het meisje ‘Ik kan er helaas niks aan doen, het wijnassortiment, daar ga ik niet over.’

‘Dat zeiden ze in de Tweede Wereldoorlog ook ’ zei de heer met een zelfingenomen grijns op zijn gezicht. Hij hief zijn handen in de lucht, en begon met een hoog stemmetje dramatisch te roepen: ‘Oh, oh, nee mijn verantwoordelijkheid is het niet. Het komt allemaal van bovenaf, mijn naam is haas.’

Het barmeisje draaide zich om. Diep ademhalen en tot vijfendertigduizend tellen. Een glas water drinken. Ze keerde zich weer richting de man die inmiddels de andere gasten in het café salueerde met een Hitlergroet. ‘Zij is er zo een!’ schreeuwde hij terwijl hij haar richting in wees. ‘Zij heeft het niet gewusst!’ Met een bleek gezicht keek het barmeisje naar deze scène. De barjongen kwam nu ook binnen met een krat frisdrank. Hoofdschuddend keek hij naar de man. ‘Die is een beetje in de war vandaag. Maar ja, hij is de beste vriend van de directeur, dus laat maar.’

Een dame met bordeauxrood haar kwam nu ook naar de bar. ‘Hij maakt een grapje, hij meent het niet zo’ zei de vrouw.  ‘Dus kijk niet zo geshockeerd. Kom op meisje, maak er nou maar geen drama van. Trouwens, het programma begint zo, we zijn hier bijna weg. ’ Het klopte, het programma ging over enkele minuten van start, het was de derde in de reeks over ‘naastenliefde anno nu’. 

Het café stroomde leeg, het meisje verzamelde het serviesgoed, de barjongen stond in de spoelkeuken. Bij elk koffiekopje werd ze bozer. Ze begon te trillen over haar hele lichaam en ging even zitten. Tranen in haar ogen, van woede.

Over de stoel links achterin hing nog een jas. Dat gebeurde wel vaker. Maar dit was niet zomaar een jas. Dit was de jas van meneer de relschopper. Een grote degelijke jas, bestand tegen weer en wind, een dure jas, maar zeker waar voor je geld, zoiets. Ze haalde diep adem en pakte het ding op.

Zou ze het durven?

Nee, wijn zou je meteen zien. Ze liet de jas over de stoel hangen en liep naar de espressomachine. Die moest nog worden schoongemaakt, een grote bak koffiedrap lag onderin de lade. Ze pakte de lade er voorzichtig uit en ging ermee aan tafel zitten bij de jas. Met een theelepeltje schepte ze voorzichtig kleine lepeltjes met koffiedrap in de jaszakken. 

‘Goh’ dacht ze, ‘dit is echt een bijzonder praktische jas, met zoveel vakken en ritsjes.’ Ze sloeg geen enkele zak over. Niet teveel, dan zou het meteen worden opgemerkt, maar precies genoeg om nog dagen last van te hebben, vieze nagels, vieze sleutels, prut in de telefoon…

Toen elke zak voorzien was van een schepje koffie, maakte ze de rest van het café schoon. Ze voelde zich niet zo voldaan als ze had verwacht, nee, eerder leeg. Het was niet genoeg, zoveel was duidelijk, ze liet verdomme niet zomaar over zich heen lopen. Snel pakte ze de jas en rende ermee naar buiten waar de zon was gaan schijnen. Bovenop de brug nam ze een flinke teug lucht en gooide toen zonder verdere omhaal de jas in de gracht. Tijdens de val van de jas voelde ze spijt, maar ze wist dat het daarvoor te laat was, dus keek ze kalm naar wat er gebeurde. De jas bleef op het water drijven en gleed rustig met de stroming mee, begon na een poosje te zinken, te verdwijnen.

Ze keek de jas na en liep toen rustig weer naar binnen, kleedde zich om en groette haar collega. Haar dienst zat er op. 

Trein

28-02-2013

Het begon nu echt oncomfortabel te worden, deze treinreis.

Het begon nu echt oncomfortabel te worden, deze treinreis.

/ /

28-02-2013

Zadie zat in de trein en keek om zich heen. Ze zuchtte. Nog maar twee stations en dan naar huis fietsen. Het was opnieuw koud geworden, deze winter overtrof alle winters die ze eerder meemaakte. Dat waren er 29 in totaal.

In haar handen een boek, een goed boek waar ze maar niet doorheen kon komen. Lange stroperige zinnen en ingewikkelde plotwendingen, volgens haar vriendenkring echt briljant. Ze verlangde naar de Cosmopolitan die het meisje voor haar aan het lezen was. ’27 briljante sekstips’, ’jeans voor elk lichaamstype’ en ’14 vakantie hotspots’. Daar kon je tenminste wat mee, geen geneuzel over moeilijke liefdes van ondoorgrondelijke personages, geen langdradige beschrijvingen van pittoreske omgevingen, maar gewoon een handleiding voor het leven. Zo heb je seks met iemand, deze broek moet je dragen (deze twee gingen niet helemaal samen, hoewel de juiste jeans vast een hoop zou kunnen bereiken) en hierheen moet je op vakantie. Het meisje met de Cosmopolitan stond op en stapte uit, op haar plek ging een man zitten, misschien meer een jongen, eigenlijk.

Ze probeerde verder te lezen, gluren was zo onbeschaamd en bovendien viel ze op lange mannen en hij was een korte. Ze las: ‘met de moed der wanhoop wederkeerden zij, echter niet voordat de dagen en nachten zich verder en verder van haar verwijderden, terwijl…’ Kutboek.

‘Goed boek?’ De jongen, ja, het was meer een jongen, begon te praten.

‘Ehm , ja heel goed, ik ben helaas een beetje te moe om me er echt op te kunnen concentreren geloof ik.’ Ze geloofde het haast zelf.

‘Ja, dat ken ik. Sorry, dit klinkt een beetje cliché, maar kennen wij elkaar niet ergens van?’

‘Ehm, denk je dat?’

‘Ja, je komt me zo bekend voor.’ Hij knikte geestdriftig.

Zadie dacht heel hard na terwijl ze zijn gezicht bestudeerde. Hij zag er in haar ogen tamelijk nietszeggend uit, wat zoveel betekende als dat ze hem vast weleens had gezien, maar toen niet had onthouden.

De jongen gaf niet op.

‘Kom je weleens bij de Zeppos?’

‘Soms, naja, heel zelden eigenlijk.’

‘De Vuig?’

‘De wat?’

‘De Vuig’

‘Niet dat ik weet,’

‘Nou, dat zal wel niet.’

‘Nee.’

‘De Potters dan?’

‘Nee.’

‘De Doerak?’

‘Nee.’

‘Het duveltje?’

‘Oh jezus, nee. Kom jij daar?’

‘Soms.’

De trein stopte, het volgende station was voor haar.

‘Ik weet zeker dat we elkaar eerder gesproken hebben- laat me even denken.’

Zadie begon naar haar boek te verlangen, dat saaie boek. ‘Misschien hou je me voor iemand anders?’ Probeerde ze.

‘Onmogelijk. Laat me even denken, misschien hebben we gemeenschappelijke vrienden.’

 ‘Oja, dat zou kunnen.’

Hij werd weer enthousiaster.

‘Ken je misschien, es even kijken, Dennis de Vlaai, of Tim de Vries of Hilda Jongstra, Marijn Kooijmans, of Nina Rozenstraat?’

‘Ehm sorry, nee.’

‘David Post, Karin Swart, Jochem Hoekstra, Sanne de Jong of Femke Bakker?’

 ….

Het begon nu echt oncomfortabel te worden, deze treinreis. De jongen wist niet van ophouden.

‘Okee, nog 1 poging- je kent vast wel Jody, kut ik weet zijn achternaam niet- met dat haar, die Jody weetjewel.’

‘Ik ken geen Jody.’

‘Echt niet? Bizar. Maarre, Mariska- Ja, Mariska Veen ken je vast wel, ja toch, iedereen kent Maris. ‘

Ze zuchtte. ‘Kennelijk ben ik niet iedereen.’

‘Welke scholen heb je gezeten?’

‘De Wegwijzer, het Comenius en toen de RUG.’

‘Raar- ik zat op allemaal andere, maar ik weet zeker- wij kennen elkaar.’

 

Ze glimlachte ongemakkelijk. Ze mocht er bijna uit.

 

‘Je ouders, dan hoe heten zij? Of broers en zussen, heb je die?’

‘Ik moet nu echt gaan’ zei ze terwijl ze haar tas pakte. ‘Fijne dag nog.’

 

Haastig liep ze over het perron waar het hard waaide. Achter haar hoorde ze haar naam, het was de jongen uit de trein. Hij schreeuwde dat hij het weer wist, waar ze elkaar van kenden, maar al snel piepten de treindeuren en gingen ze dicht. Zadie stond op het perron en zag de trein steeds kleiner worden tot hij helemaal verdwenen was.

Oorbellen

22-02-2013

Misschien ging er nog wel een tweede kassa open.

Misschien ging er nog wel een tweede kassa open.

/ / /

22-02-2013

De hitte was niet te harden in het warenhuis, de rij voor de paskamers liep tot achterin de zaak en de rij voor de kassa groeide alleen maar. Jengelende kinderen hingen aan hun moeders, meisjes met grote leren handtassen drukten driftig op hun mobieltjes, terwijl verschillende caissières werden opgeroepen naar de kassa te komen om artikelen te ruilen.

Ook ik stond in deze rij, denkend aan spreuken over mindfulness, over acceptatie en over geduld. Ik wilde niet mindful zijn, wilde juist ontsnappen aan het hier en nu. Ergens in mijn telefoon moest een lijstje bestaan met de beste uitspraken van de Dalai Lama maar het bereik was slecht en de pagina was nu al tien minuten aan het laden. Ik stopte de telefoon weg en keek om me heen. Nog maar drie mensen voor me.

Achter mij een kinderwagen, dat wist ik al zonder om te kijken, de afgelopen minuten waren mijn enkels het doelwit geweest van kleine duwtjes. Voor mij  stond een Amsterdamse schone, met geblondeerde haren, een strakke zwarte trenchcoat aan en met leren laarzen aan haar voeten. Er hing een stevige rooklucht om haar heen.

Uit het niets kwam een vrouwtje aangelopen, rode konen, haar pluizige krullen in een soort van vogelnest op haar hoofd. Ze liep naar de Amsterdamse dame toe. ‘Sorry, mevrouw, mag ik wat vragen?’ De dame kantelde haar hoofd naar achteren, dat betekende ja. De vrouw met het pluishaar liet zich niet van haar stuk brengen en vroeg: ‘Zou ik alstublieft voor u mogen? Ik heb alleen maar deze oorbelletjes, en ik moet mijn dochtertje van zwemles halen, anders kom ik te laat.’

De Amsterdamse bekeek haar van top tot teen en begon toen te praten. ‘Luistert eens meissie- ik vind het goed, van mij mag het, maar voor hun-’ Ze wees op de rij achter haar, ‘ken ik het natuurlijk niet bepalen. Dus as je nou effe aan iedereen vraagt of het goed is, dan is het geen probleem.’ Vertwijfeld keek de vrouw naar de Amsterdamse dame. ‘Snap je me soms niet?’ Zei die. ‘Jawel, ik snap wat u zegt. Maar moet ik nu werkelijk al die mensen afgaan?’ De Amsterdamse zuchtte diep. ‘Je mot helemaal niks, maar als je voor mij in de rij wilt, moet je het wel zeker weten dat iedereen dat goed vindt, dat ken ik toch niet bepalen.’

De vrouw keek vertwijfeld om zich heen. ‘Van mij mag het hoor,’ zei ik met een bemoedigend knikje. Maar ook ik kon niet spreken voor de mensen achter mij. De vrouw met het pluishaar had nu een nog roder hoofd gekregen en keek nerveus om zich heen. Misschien ging er nog wel een tweede kassa open. Dat gebeurde niet.

Ze herpakte zichzelf en vroeg met bevende stem aan de vrouw met de kinderwagen of ze voor mocht. De vrouw zuchtte, maar ging akkoord. Haar kind was net in slaap gevallen met een stuk aangevreten liga nog in haar handje. Achter de wandelwagen twee pubermeisjes. Ze keken de vrouw aan met opgetrokken wenkbrauwen. Ze zeiden ‘Whatever.’ Opgelucht ging de vrouw naar de laatste van de rij, een stelletje Italiaanse toeristen. Hun ogen rooddoorlopen, op hun hoofden Noorse mutsen met het woord ‘Amsterdam’ erop. De vrouw sprak weinig Engels en geen Italiaans. ‘I go stand there, is that okee?’ De Italianen keken haar meewarig aan. Gekke stad, dit. De vrouw gaf niet op. ‘I go stand there, is that okee?’ Ze knikten. Opgelucht begaf ze zich weer naar voren, de Amsterdamse was zojuist aan de beurt. Beleefd ging de vrouw voor mij in de rij staan. Wat een overwinning. Toen de oorbellen gescand waren, realiseerde ze zich dat haar portemonnee nog thuis lag.

Reünie

20-02-2013

Ja- het noodlot heeft toegeslagen.

Ja- het noodlot heeft toegeslagen.

/ / /

20-02-2013

Filmmaker? Tjonge, wat een beroep. Ik? Niks bijzonders, nee- ik ben webmaster bij de provincie.

– Goh, ook leuk.

Hoe heet je film?

– Tja, ik twijfel nog: het wordt of ‘De treurige dagen van Hanno Vink’ of ‘Mosterdzaad’.

Mosterdzaad?

– Ja, Mosterdzaad.

Hoezo Mosterdzaad?

– Nou, de hoofdpersoon, die Hanno, is heel erg verliefd op een meisje, Stella. Zij vindt hem ook leuk, en dan zie je die liefde dus groeien en dan is er hele mooie scène waarin ze samen gaan koken. Hij kan amper koken, maar zij blijkt een ware keukenprinses en ze vraagt hem het mosterdzaad aan te geven voor de marinade van de kip.

Is Stella niet meer een naam voor een vegetariër?

– Waar slaat dat nou weer op?

Naja, ik dacht…

– Goed, in elk geval- deze Stella is geen vegetariër, want ze bakt kip en Hanno durft niet te zeggen dat hij niet weet welk potje mosterdzaad is, want ze is zo’n vrouw die kruiden overdoet in van die losse potjes en het staat er dus niet op.

En dan vraagt hij het aan haar?

– Nee, nee, hij gaat naar de wc om het op zijn telefoon op te zoeken. Moet je je voorstellen: nerveuze knappe jongen, dicht op de huid gefilmd, met zijn mobiele telefoon in de badkamer-

Ik dacht op de wc?

– De wc zit in de badkamer.

Sorry, ga door.

– Nou, hij dus zoeken naar een afbeelding van mosterdzaad, ineens: BOEM!

Boem?

– Ja- het noodlot heeft toegeslagen. Een gasexplosie- in de keuken. Hanno rent terug de keuken in- moet je voorstellen:  handheldcamerawerk, veel rook, zware ademhaling- dat soort dingen.

En dan is Stella dood?

– Hoe weet je dat?

Het klinkt als zo’n film waarin de hoofdpersoon dan met z’n kraag omhoog door een grijze stad loopt, met van die zelfmoordmuziek op de achtergrond. Of ze overleeft het wel, en dan is ze invalide en zorgt hij eerst voor haar en dan gaat hij vreemd en dan is het allemaal op een hele menselijke manier gefilmd. Dan schrijven ze dat ook in de recensies. En er wordt veel geneukt in de film, met alle jonge middelmatige actrices die dit land kent. En dan kom jij met je kop op de voorpagina’s van die magazines van kranten, en flirt je openlijk op Twitter en word je tafelheer bij zo’n tv-programma en dan ga je in de jury van allerlei festivals, net zolang tot niemand zich meer iets van die creatie kan herinneren, maar dat geeft niet, want het was niet de film die je maakte, het was allemaal maar een aanloopje naar het nieuwe merk dat je zelf bent.

 ….

– Ehm, kerel- gaat het een beetje met je?

Ja hoor, ik ben een beetje moe geloof ik.

– Okee. Genoeg over mijn film. Ben je nog samen met Nienke?

Nee, niet meer. Ben alweer twee vrouwen verder, haha. Jij nog met dingetje?

– Isa? O nee, ook allang niet meer. Ik ben nu net een paar maanden happy single.

Goed zo, jongen, goed.

– Jij nog een biertje?

Nee, ik ben wel goed zo, dankje. Ik ga zo maar eens op huis aan. Morgen weer werken.

– Ja, jij hebt het web te masteren- dat lijkt me geen eenvoudige klus.

Dat is het ook niet. Succes met je film.

Wonen

19-02-2013

Het is te vroeg voor gunsten.

Het is te vroeg voor gunsten.

/ / /

19-02-2013

De deur gaat open. Een niet onknap meisje met blond haar staat in de deuropening. Ze zegt dat je verder mag komen, zij doet de rondleiding. Keuken, badkamer, gemeenschappelijke woonkamer, kamer van Frans, kamer van haarzelf, kamer van Edith- maar die is er even niet, kamer van Johan, kamer voor de nieuwe. Mocht de groepsstemming zo uitkomen, dan is dit jouw kamer. Weer een badkamer, logeerkamer, washok, balkon. Dan naar de keuken om de groep te ontmoeten.

 ‘Koffie, thee, limonade, wijn of iets sterkers?’

Alle antwoorden kunnen fout zijn, wat te drinken om half negen ‘s avonds? Geen zuiplap zijn- geen sterk, misschien bier, hoewel- van blikjes ga je altijd zo boeren. Wijn- moeten ze speciaal openmaken, het is te vroeg voor gunsten. Het koffieapparaat belooft niet veel goeds. Water is een beetje spartaans, seksloos misschien ook. Je wilt naar huis, corrigeert je gedachten, je wilt dít huis. Thee zul je drinken, uit een grote mok met een uitspraak van Loesje erop. Je nipt aan de thee terwijl ze zich één voor één aan je voorstellen. Namen, opleidingen, banen, hobbies en grappen die je onmiddellijk vergeet.

Nu is de beurt aan jou. Het theezakje is gebarsten in je mok, je hoopt dat er geen theeblaadjes tussen je tanden zitten. Niet aan denken, je mond beweegt snel, je ogen schieten heen en weer naar alle ogen die terugkijken. Vergeet niet te glimlachen. Vergeet niet de overeenkomsten te benadrukken. Theaterbezoek? Zeer zeker. Hardlopen? Ook dat. Echte keukenprinses. Biologisch. En klussen, ja heel graag. Leven in een smerig huis? Dat nooit. Bezoek? Zo nu en dan. Huisdieren? Nee, hoor, niet mee. Maar als ze komen: heel leuk. Muziekinstrumenten? Geen.

Glimlachende mensen aan tafel, ze zitten klaar met een scheutje venijn. Heb je een woongroepziel? Of zit je hier soms voor een goedkope woning? Hij maakt een grapje, zegt iemand anders. Ze lachen om het grapje.

Wat vind je van de sfeer van deze groep? Moeilijk te zeggen na een half uurtje. Zenuwachtige grijns. De thee is in elk geval lekker, lieg je. Gelach van de groep. De volgende kandidaat is er al bijna.

Heb je nog vragen? Natuurlijk heb je een vraag. Iets onbenulligs, een vraag die interesse toont, maar waaruit geenszins zou kunnen worden opgemaakt dat je een zeikerd bent. Dat ben je niet. Je mag de muren verven.

Zijn ze het haast vergeten- het financiële plaatje. Gaat het je een beetje voor de wind? Betaal je je rekeningen op tijd? Met gemak, geen probleem. Niet met teveel gemak? Ze noemen bruto -en nettobedragen, stichtingen, contractsoorten, huislijsten, verzekeringen, woningbouwverenigingen en abonnementen. Je knikt en probeert adequaat te kijken. Allemaal geen probleem. Je bent moe.

Ongelofelijk bedankt voor het langskomen, ze bellen je nog wel, ergens volgende week ofzo. Johan loopt mee naar de voordeur. Leuk dat je er was. 

Spaghetti

15-02-2013

Op zijn plek stond een bord pasta af te koelen.

Op zijn plek stond een bord pasta af te koelen.

/ / /

15-02-2013

Ze aten spaghetti omdat het woensdag was. Het was kwart over zes en vader was nog niet thuis, hij was te laat. Dat gebeurde de laatste tijd steeds vaker. ‘Zo’ zei moeder. ‘ We gaan gewoon aan tafel, je vader zal er zo zijn. Bovendien, we hebben hem helemaal niet nodig om te eten. Dat kunnen we best zelf. Was jullie handen en kom aan tafel, dan schep ik alvast op. Hij zal er zo zijn.’ De kinderen keken haar zwijgend aan. Ze wisten dat hij er niet zo zou zijn, maar spreken tijdens het eten was niet toegestaan. Onder de tafel schopte Boris, 8 jaar oud, zijn zus Lida, 10 jaar oud. Tranen sprongen in Lida’s ogen, maar ze gaf geen kik. Geen herrie tijdens het eten. Alleen het getik van de grote enge klok die van oma was geweest. Oma was nu dood en de klok was nu hier. ‘Een antiek erfstuk’ zeiden vader en moeder over die klok. Aan de zijkant hadden Boris en Lida stiekem hun namen in het hout gekerfd. Gewoon, uit verveling, omdat ze de klok niet mooi vonden en omdat ze nog nooit hun naam op iets antieks hadden gezet. Als vader en moeder daar achter zouden komen, zouden de kinderen een week geen tv mogen kijken. 

Moeder schepte de spaghetti uit de pan, ze had daar een speciale tang voor gekregen met moederdag. Er was geen saus, maar er stonden plastic bakjes op tafel met blokjes ham en kaas. Ook was er een fles ketchup waarop in verschillende talen geschreven was dat er nu nog meer tomaten in zaten. Boris wilde vragen hoe het kon dat er nu meer tomaten in een fles zaten dan vroeger, maar hij was gisteren al van tafel gestuurd bij het avondeten en had nu wel zin in een warme maaltijd. Hij keek naar zijn zus die een hartje van ketchup op haar pasta maakte. 

De klok tikte en Boris maakte een slurpgeluid bij het opzuigen van een sliertje spaghetti. Moeder keek niet op van haar bord maar gaf hem geroutineerd een klap op zijn achterhoofd. 

Na de pasta kwam de vla. Ze mochten het niet zelf inschenken omdat ze altijd teveel namen. Vader schonk altijd de vla in, maar hij was nog steeds niet thuis. Op zijn plek stond een bord pasta af te koelen. Moeder at nooit vla, ze schonk het voor de kinderen in en bleef aan tafel zitten. Haar mond werd steeds kleiner, van een glimlachje, naar een streepje, naar een klein knopje. 

‘Willen jullie nog even in de tuin spelen?’ vroeg ze ineens. Lida liet haar lepel vallen, zo erg schrok ze van de stem van haar moeder. Nog nooit had ze die tijdens het eten gehoord. Boris had zijn mond open en zijn laatste hap vla drupte in zijn kommetje. Ze kinkten allebei. Natuurlijk wilden ze wel even spelen in de tuin, na het avondeten- ook dat was nog nooit gebeurd. 

‘Goed’ zei moeder terwijl ze de lege kommetjes op het aanrecht zette. ‘We gaan een grote kuil graven, in de hoek bij het konijnenhok. Pak jullie schepjes maar, dan neem ik die grote van papa wel even.’ Zwijgend liepen ze de tuin in, moeder wees aan waar er gegraven moest worden, maar eerst moest de grasmat eraf. Het gras was heel gelijkmatig gemaaid, vader had er zelfs een schaartje voor gekocht. 

Ijverig gingen ze aan de slag, moeder schepte veel sneller en veel grotere scheppen dan de kinderen, en het schoot al flink op. Na een poosje hadden ze een groot vierkant gat gegraven, het kwam tot Lida’s knieën. ‘Zo is het wel goed’ zei moeder, terwijl ze een haar uit haar gezicht veegde. ‘Lida, doe jij je laarzen uit en loop maar naar binnen. Dan mag je papa’s stoel bij de eettafel pakken. En jij Boris, doe jij je laarzen ook uit, en dan mag je papa’s bordje spaghetti pakken, en zijn mes en lepel en vork. Gaat dat lukken?’ 

Met grote ogen keken ze hun moeder aan, ze leek geen grap te maken. Ze liepen het huis in en kwamen terug met de stoel, het bord en het bestek. Moeder was in de kuil gaan staan en nam eerst de stoel aan. Ze legde het ding op zijn kant in de kuil, het bordje pasta en het bestek legde ze ernaast. ‘Zo, en nu gaan we de kuil weer dichtmaken.’ Lida en Boris zeiden niks, het werd al een beetje donker buiten en zo laat mochten ze normaal nooit opblijven.

Toen de kuil weer dicht was, en de grasmat er weer overheen lag, gingen ze naar binnen. Ze mochten ook nog in bad, omdat ze zo goed geholpen hadden.

Ze lagen allang in bed toen vader thuiskwam. Bij het ontbijt zagen ze hem. Hij stond in de keuken een boterham te eten, hij droeg zijn pak, zoals altijd. Hij dronk een glas melk en daarna gaf hij de kinderen een kus en ging hij weg. Moeder zei niks, haar mond was weer heel klein geworden. Boris en Lida pakten hun tassen en gingen naar school. Toen ze thuis kwamen zei moeder dat de stoel niet meer nodig was. 

Valentijnsbrief

14-02-2013

Valentijnsbrieven voor elke fase

Valentijnsbrieven voor elke fase

14-02-2013

Valentijnsdag is voor niemand eenvoudig. Verzetten doet pijn, meewerken ook. Daarom helpt Revka je een beetje op weg met drie liefdesbrieven die eenvoudig gepersonaliseerd kunnen worden. 

Kies het stadium van de liefde:

pril

stabiel

aflopend

Bezoek

24-01-2013

Hij deed haar jas uit en hield de zijne aan.

Hij deed haar jas uit en hield de zijne aan.

/ /

24-01-2013

 ‘Zo, wat dacht je: ik ga dat oude mens ook weer eens bezoeken?’

 Het begon niet goed. Berend nam een slok van zijn koffie en keek om zich heen. Zijn jeugd, gedestilleerd tot deze uitdragerij waar zijn moeder haar laatste dagen sleet. Hij had wel eens ergere tehuizen gezien. Ze had haar eigen kamer en van pyjamadag hadden zie hier nog niet gehoord. Hij nam een mergpijpje. Smerig woord eigenlijk, mergpijpje.

‘Ik had wel allang dood kunnen zijn, hoor.’ Vervolgde ze.

‘Toen je vorige week belde heb ik het nog overwogen: gewoon er tussenuit knijpen vandaag. Kijken hoe druk je het dan nog hebt.’

‘Toe, moeder u weet dat ik mijn best doe, maar de zaak en de kinderen-’ Berend probeerde er tussen te komen- maar zijn moeder luisterde niet.

‘Een ondankbaar rotjong, dat is wat ik heb geworpen. En een pijn jongen, een pijn. Toen spoten ze de vrouwen nog niet plat hoor, zoals die meisjes van nu. Nee, hoor. En niks geen kraamhulp, gewoon hup het land weer op.’

‘Moeder, U woonde niet eens op een boerderij!’

‘Bij wijze van spreken dan.’

 De koffie was niet te drinken, ze had oploskofiie door een filter gegooid. Berend hield de moed erin, hoe vaak kwam hij hier nou helemaal? Hij sloeg zijn handen op zijn knieën om te laten zien dat het goed met hem ging. Dat hij jong en actief was, zoiets.

 ‘Zullen we maar even een wandelingetje maken, het is een prachtige dag.’

‘Als jij het zegt jongen, ik heb geen verstand van prachtige dagen.’ Zei zijn moeder.

 Berend zweeg en trok zijn jas aan, zijn moeder liet zich bij wijze van uitzondering in de hare helpen.

 Hij had gelijk gehad, het was een prachtige dag. Het plantsoentje voor het tehuis was keurig verzorgd en het pad was bezaaid met houtsnippers waarover kromgetrokken kleine mensjes begeleid werden door familieleden of verplegend personeel. Berend en zijn moeder gingen zitten op een bankje. Ze was nog steeds mooi, zijn moeder. Haar blauwe ogen leken wateriger te zijn geworden de laatste jaren, haar gezicht was de oude versie van wat hij zich kon herinneren. Een streng gezicht, met een scherpe neus maar ook elegant. Ze ontspande zich.

‘Hoe is het met Barbara en de kinderen?’

‘Bar is vorige week bij Frènk ingetrokken, Sophie heeft een kamer in Groningen gevonden. Matthijs woont om de week bij mij en zijn moeder. ’

 Tot zover de geografische aanduidingen. Nu maar hopen dat zijn moeder seniel genoeg was niet door te vragen. Dan kon hij voor zich houden hoe zijn ex-vrouw de hond had ontvoerd ‘omdat hij toch altijd op de zaak was’, hoe zijn dochter hem had aangekeken toen ze het nieuwe appartement zag en hoe zijn zoon na een hockeyfeestje opgehaald kon worden van de eerste hulp. Het ging goed met zijn ex. Zijn afwezigheid maakte dat ze weer de slanke actieve vrouw was waar hij ooit voor was gevallen. Nu woonde ze in een huis met een man die Frènk heette. Frenk met een e en een streepje. Wat een aanstellerij, dat streepje.

 Ze zwegen. Een dame met een rollator liep voorbij.

‘Dat is zo’n rotwijf, zei zijn moeder. ’

‘Pardon? ‘

‘Dat mens daar, een rotwijf. ’

 Berend vroeg niet verder. Hij keek opzij en zag zijn moeder met haar gebit spelen. Het paste niet goed, maar ze verdomde het mee te werken om het ding passend te maken. Ze stonden op, gingen terug naar haar kamer. Hij deed haar jas uit en hield de zijne aan.

‘Zo, nou ik ga maar weer, tot snel moeder.’ Hij gaf haar een kus op de wang. Het voelde zacht, haar wangen waren bedekt met witte dons. 

‘Als je maar weet dat ik de tijd nog veel meer aan het uitzitten ben dan jij, jongen. Ik zie je wel kijken hoor. Nou maak je geen zorgen, alles is voor jou. Dat wilde je vader- God hebbe zijn ziel- zo. Je krijgt alles.’

Ze was gaan zitten in de stoel waar ze vroeger handwerkjes in maakte. Het maakte haar nog kleiner. Een klein boos mensje in een mosgroene stoel.

‘En doe je Barbara en de kinderen de groeten als je thuis bent? ’

 Berend liep de deur uit, de gang door. De geur was scherp, een mengeling van oude meubels, nivea-creme en urine.

 Hij liep het parkeerterrein op, was ineens ontzettend moe. Het mocht niet van de dokter, maar hij stak een sigaret op terwijl hij op de motorkap leunde. Hij had liever in de auto gerookt, maar dat was niet de afspraak. Ze deelden de auto. En de afspraak, daar was Barbara nogal van, de laatste tijd. Behalve dan die van eeuwige trouw, godverdomme. De afspraak. 

Er trok iets aan zijn mouw. Berend keek opzij. Een klein vrouwtje keek hem met grote ogen aan. Ze leek wel honderd en had geen schoenen aan haar voeten. Ze was vast van de gesloten afdeling ontsnapt. Dat was ook niet de afspraak.

‘Meneer’ zei ze. ‘Kunt u me naar mijn moeder brengen? Ik ben haar kwijt, maar misschien ook niet. Ik vergeet nogal veel. Meneer, kunt u me naar mijn moeder brengen?’

 Hij gooide zijn sigaret op de grond en maakte hem uit met zijn schoen.

‘Geen probleem, mevrouw’ zei hij. Hij opende het portier van de auto, hielp haar op de bijrijdersstoel en deed haar veiligheidsgordel om. Toen hij naast haar zat stak hij een sigaret op. Langzaam reed hij van het parkeerterrein af, weg van dit alles.

 

Klantenservice

24-01-2013

Nu komt het ware kruipen.

Nu komt het ware kruipen.

/ /

24-01-2013

Mijn naam is Katinka en dat is geen grapje. Het zou ook geen bijzonder goede grap zijn, maar wel beter dan daadwerkelijk Katinka heten.

Ik heet Katinka.

Op dit moment zit ik in de kantoorruimte van de kozijnenhandel waar ik werk. Mijn taak is de telefoon aannemen en de offertes verwerken. Dat klinkt als een nuttige bezigheid: offertes verwerken. Ik zeg het op borrels en bij familiefeestjes. Niemand maakt zich zorgen over iemand die offertes kan verwerken. Probeer eens ‘ik ben autonoom kunstenaar’ en het wordt ongemakkelijk. Maar dat heb ik dus nooit, want ik verwerk offertes.

 Het verwerken is makkelijk, ik krijg de offertes van Henk of John binnen, zij zijn de verkopers, en ik maak ze netjes op de computer. Ik zorg ervoor dat we papier gebruiken met het bedrijfslogo en dat het adres van de klant op de enveloppe wordt geprint. Dan weeg ik de post en frankeer ik het.

We verkopen kozijnen van kunststof. Kunststof rot niet en is goed schoon te houden. Het is ook beter voor je ruiten, zeggen ze. Ik heb ze zelf ook, kunststof kozijnen. Dat vertel ik meestal niet aan andere mensen, hoewel het wel klanten zou kunnen overtuigen. Maar dat is niet mijn werk, de klanten overtuigen. Als ze bellen naar het bedrijf dan neem ik op, dat wel. Maar ze bellen nooit om overtuigd te worden, ze bellen om te klagen.

 Meestal klagen ze over de levertijd of over dat de monteur te laat is. Als meneer Dinse, hij is de baas, er is, dan zeg ik dat het inderdaad heel vervelend is. Dan zet ik ook mijn medelevende stem op. Dan zeg ik dat ik ‘erachteraan ga bellen’. Dat is niet gelogen, ik ga ophangen en dan bellen, maar niet met de monteurs, meestal bel ik met Sofie. Zij zit op opgesloten in net zo’n soort baan. Met Sofie spreek ik als Dinse weg is. Als Dinse weg is, neemt hij mijn klantvriendelijkheid met zich mee.

Dan praat ik extra langzaam en plat. Dan gaat het zo:

 ‘Dinse kozijnen en installatietechniek, met Moniek.’

 ‘Ja, met mevrouw Piespaard spreekt u’

 Okee. Ze heten niet echt Piespaard, maar voor ik verder ga, moet ik wat zeggen over onze clientèle, meestal zijn ze sjiek. Ze heten ze Pissard of Van Huischen-tot-Sloten Overlangs Onderdeur, zoiets. Maar in mijn hoofd heten de aardappelpraters allemaal Piespaard. En ze beginnen het gesprek allemaal met ‘ja’. Dan weet ik dat ze er al mee bezig waren voordat ik ze aan de lijn had. Dat ze al opgewarmd zijn, zeg maar.

 Ik houd het meeste van de kakmadam vanaf een jaar of vijftig. Ik bouw het rustig op tot het punt waarop haar stem overslaat. Dat schelle stemgeluid, die ontzetting, dat geeft me energie, het maakt dat ik morgen weer terugkom om de telefoon op te nemen.

 ‘Ik bel omdat er een half uur geleden een kozijn zou worden vervangen, maar nu is er nog niemand, en heb vrij genomen, speciaal hiervoor, kunt u mij zeggen of hij onderweg is?’

 ‘Ik heb geen idee’ zeg ik dan.

 ‘Hoe bedoelt u?’

 ‘Ze zijn de weg op hè, de jongens, ik neem aan dat ze zo komen.’

 ‘U neemt het aan, of weet u het zeker?’

 ‘Ik kan niks beloven, ik zit op het kantoor. Tsja, ik kan maar op één plek tegelijk zijn. U toch ook? Het zou wat zijn als het anders was.’

 ‘Ik heb speciaal vrij genomen en u heeft gezegd dat u vandaag om drie..’

 ‘Ho ho, IK heb helemaal niks gezegd, ik heb alleen gezegd dat ik geen idee heb.’

 ‘Maar het staat in de overeenkomst..’

 ‘Nou, maakt u van uw probleem alstublieft niet mijn probleem. Ik denk dat ze wel komen hoor, als u dat heeft afgesproken’

 ‘Wat koop ik daar nu voor? Zijn ze onderweg of niet?’

 Nu slaat de paniek in haar stem toe, en ik word steeds kalmer.

 ‘Beste mevrouw Pitriet’

 ‘Pissard’

 ‘Juist, excuseert u mij, mevrouw Pizza’

 ‘Pissard’

 ‘Pinnaar, excuus’

 ‘Werkelijk dit is ongehoord, kunt u mij zeggen of ze onderweg zijn?’

 ‘Sorry met wie heb ik het genoegen?’

 ‘Mevrouw Pissard’

 ‘En wat is het probleem als ik vragen mag?’

 ‘Wat het probleem is? Wat het probleem is? Pardon? Wij hebben elkaar toch al een tijdje aan de lijn, weet u nu nog niet waar dit allemaal over gaat?’

 Nu slaat de stem meestal over. Dan vragen ze naar mijn baas, de supervisor of ‘degene die mij betaalt.’ De laatste vind ik het leukste, lekker simpel.

 Dan leg ik de telefoon neer en loop ik de keuken in. Meestal eet ik dan even een koekje ofzoiets en dan kom ik terug. Dan pak ik de telefoon en zeg ik zo deftig mogelijk:

 ‘Dinse kozijnen, met Katinka, hoe kan ik u van dienst zijn?’

 ‘Bent u de baas hier?’

 ‘Jazeker, wat is het probleem?’

 ‘Uw werkneemster die ik zojuist aan de lijn had, het is werkelijk ongehoord. Ze was ronduit onbeschoft en nog steeds weet ik niet wanneer mijn kozijnen zullen komen.’

 ‘Het spijt me dat te moeten horen mevrouw Pissard, ik zal onmiddellijk kijken wanneer ze komen.’

 Ik kijk in de digitale agenda en kan dan op een kwartier nauwkeurig zeggen wanneer ze er zullen zijn. Dat zeg ik dan eerst. Nu komt het ware kruipen.

 ‘Mevrouw Pissard, uiteraard bent u meer dan vrij een klacht in te dienen tegen onze Moniek, maar ik zou toch willen vragen hier vanaf te zien.’

 ‘En waarom dan wel? Ze was meer dan inadequaat, en ronduit onbeschoft.’

 ‘Het spijt me ontzettend dat te moeten horen. Weet u, Moniek is een speciaal geval. We noemen haar ook wel ‘ons projectje’. Ze werkt bij ons omdat we vinden dat iedereen een kans verdient. Ook mensen die een beetje, hoe kan ik het zeggen, anders zijn. Onze Moniek is een beetje anders. Ze bedoelt het niet kwaad, dat heeft ze niet in zich. Dat hebben die mensen nu eenmaal niet in zich. Maar ze kan wat onhandig uit de hoek komen. Daar proberen we haar ook op te trainen, maar ja, u weet hoe het gaat het met die bijzondere mensen, hè.’

 Nu kies ik voor een momentje stilte. De mevrouw groet beleefd, we hangen op. Ik ga maar weer eens koffie zetten.

Mode

24-01-2013

Ze zag er niet langer ongedisciplineerd uit.

Ze zag er niet langer ongedisciplineerd uit.

/

24-01-2013

‘Zo, kom eens even wat dichterbij’ zei de modeontwerper. Het meisje keek hem aan met grote ogen. Ze was jong, nog geen achttien. Haar hoofd leek te zwaar voor het fragiele lichaam, haar bewegingen waren langzaam, lijzig. Met trillende vingers vouwde ze een lokje haar achter haar oor. Haar huid was lichtpaars doorschijnend en bedekt met zacht dons, op haar armen waren de aders goed zichtbaar, als rietjes onder een dun vlies. Ze had het koud, trilde op haar benen. Het zou niet lang meer duren en ze zou knakken.  

 Hij had het avondjurkje nog wat aangepast sinds de vorige doorpas, en nu was ze hier om te kijken of de pasvorm nu goed was. De modeontwerper stond bekend om zijn perfectionisme, wat hem de bijnaam ‘Perfecte Paulo’ had opgeleverd. Zijn partner David noemde hem Peepee. Het meisje dat hier tegenover hem stond, zei meneer Peepee. Ze was het achternichtje David en wilde een succes worden in de modewereld. Ze was niet onaardig, in elk geval lang genoeg, haar gezicht was onopvallend genoeg om iets moois op te schilderen met make-up en ze had mooi haar. Daarnaast was ze vastberaden en eerbiedig. Paulo vond het geen probleem haar even onder zijn hoede te nemen, de gedachte dat hij zo’n leuk jong ding kon maken of breken gaf hem een gevoel van controle. Controle die hij in het grote maakproces van de kledingstukken vaak leek te verliezen. Als dat gebeurde, liet hij alle werknemers op het atelier nablijven. ‘Nabespreking’ noemde hij dat. Maar het was niet de bedoeling dat zijn werknemers zouden spreken, het was een donderpreek van een uur, waarbij hij het zoveel mogelijk op de man speelde. Meestal ontaardde deze preek in een hoop gehuil, maar de laatste keer dat hij zich daar iets van had aangetrokken kon hij zich al niet meer heugen. Het was gelekt naar de pers, door een stagiair waarschijnlijk, maar stoppen was niet mogelijk. De nabesprekingen waren een verslaving geworden, gaven hem rust, werkten beter dan yoga en waren nog goedkoper ook.

 Hij keek nog eens naar het meisje, het speet hem dat de carrière waar ze zo van droomde nooit zou gebeuren. Niet omdat ze ongeschikt was, maar omdat haar oom David het verpest had, een paar maanden geleden. Het was koud geweest buiten, het was donker. Normaal gesproken was de donderdagavond van Paulo gereserveerd voor een uitgebreide massage, maar de masseur had een ongeval in de familie. Paulo werkte nog wat door in het atelier en besloot toen naar huis te lopen. Het was een lange dag geweest en de frisse lucht zou hem goed doen. Het rook al naar herfst en de wandeling was inderdaad louterend, zo zou hij de kleine straatjes doorkruisen en David verassen met zijn vroege thuiskomst. Misschien konden ze nog een glaasje drinken en samen in bad. Paulo kroop wat dieper in zijn kraag, de wind was guur. In de cafés die hij passeerde brandde donkeroranje licht. Als de deur openging vulde de straat zich kort met een warme stroom van geroezemoes die met een doffe klap werd afgesloten.

 Op de hoek zat café Mijn Liefde, een klein donker hok waar zolang Paulo zich kon herinneren dezelfde man achter de toog stond. Hij keek naar binnen, een paar stamgasten dronken jenever en in een hoekje zat een koppeltje te flikflooien. Het meisje had lange donkere haren en een rechte pony. De man die tegenover haar zat streelde door het haar en fluisterde dingen in haar oor die het meisje deden blozen. Paulo zag de man van achter, en was gecharmeerd van de brede schouders en het vaalgroene overhemd dat om zijn armen spande. Het deed hem denken aan… Paulo schrok en keek nog eens, een steek in zijn buik. Het was David, zijn David. Hij zag zijn geliefde naar voren leunen, hij kuste het meisje. Zoals hij ook Paulo had gekust. Zoals hij Paulo zou kussen, straks thuis, in dat mooie huis.

 Verslagen was Paulo doorgelopen. Onderweg gaf hij twee keer over. Groene bonensalade en bietensoep van de biologische traiteur. Dertig euro aan kleurrijke prut op de stoep. Thuis had hij een lange douche genomen en een schone pyjama aangetrokken. David was twee uur later thuisgekomen. Hij rook naar bloemetjesparfum. Paulo kroop extra dicht tegen hem aan. Hij snoof de geur op. Zo zoet als het verraad rook, zo zoet zou zijn wraak zijn. Twee dagen later hadden ze gesproken over het nichtje van David, over haar vooruitgang, over haar carrière. David was trots op haar. Het voelt alsof ze mijn dochter is, zei hij. Dat had hij niet moeten zeggen, dacht Paulo. Wat is er erger voor een ouder dan zijn kind te verliezen. Niks is er erger voor een ouder. David zou kapot gaan van verdriet, maar Paulo zou er voor hem zijn. De snikkende nachten, de plotselinge veranderingen in humeur, de hartverscheurende begrafenis, de herinneringen die zo dierbaar zijn en leken te vervagen. Hij zou er niet alleen doorheen hoeven gaan. Het zou een storm zijn waar hij en Paulo samen doorheen zouden gaan, ze zouden er sterker uit komen. Maar eerst dat verlies. Ze moest het zichzelf aandoen. Met een beetje hulp, een beetje hulp kan nooit kwaad.

 Nadie was steeds vaker naar het atelier gekomen. Elke week dronken ze wat thee en paste ze de laatste ontwerpen. Paulo gaf haar tips. Geen suiker meer. Geen alcohol. Geen brood. Geen frisdrank. Geen pasta. Geen aardappels. Geen rijst. Geen vlees. Ze werd steeds slanker. Toch bleven de ontwerpen haar moeilijk passen. Ze zou de showstopper worden, de belangrijkste van de show. Maar die jurk, die moest wel goed passen. Elke week, voordat de masseur kwam vermaakte Paulo de jurk. Hij nam de naden in, een heel klein beetje, elke keer opnieuw. Op de opleiding werd hij al geroemd om zijn nauwkeurige steek. Niemand die het zag, niemand die het hoefde te weten. Het meisje was gewoon een beetje ongedisciplineerd, dat zagen ze wel vaker bij van die jonge modellen.

 Vandaag zag ze er niet ongedisciplineerd uit. Ze was zelfs nauwelijks zichtbaar. De jurk was weer smaller gemaakt, maar deze keer paste hij goed. De botten bij haar heupen staken door de jurk heen, de halslijn hing als aan een kledinghaak over haar holle borstkas. De jurk paste. ‘Dit is de mooiste dag uit mijn leven’ fluisterde het meisje met tranen in haar ogen. Ze probeerde te glimlachen maar ze was er te zwak voor. Voorzichtig omhelsde Paulo haar. ‘Je bent mijn ster, hoor je me? Mijn ster.’ Het meisje beefde op haar benen. Paulo hielp haar uit de jurk en drapeerde hem voorzichtig over de stoel die in de hoek stond. ‘Kleed je maar aan, dan gaan we het vieren in de stad’ zei hij. Ze gaf geen antwoord. Een zachte plof klonk. Op de grond een karkas.

 Met gillende sirenes was de ambulance vertrokken. Ze waren er snel. Op de terugweg waren de zwaailichten uit en was het stil. Het lichaam opgeraapt, meegenomen, ingesnoerd, lag af te koelen in de wagen.

Vrijdagmiddagborrel

24-10-2012

Suze zei geen vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets.

Suze zei geen vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets.

/ /

24-10-2012

De dagen waren niet zoals hij had verwacht, maar wat waren verwachtingen nu helemaal. Schetsen van iets wat komen gaat en dan heel anders blijkt te zijn. Als mensen, zomaar mensen, maar waarschijnlijker zijn ouders of beste vriend, zouden vragen of het was wat hij ervan verwachtte, zou hij ‘ja’ zeggen. Niet omdat hij een leugenaar was, maar omdat de verwachting alleen maar een schets was geweest en de werkelijkheid met zwarte lijntjes eroverheen was gegaan.

 Het was in elk geval niet tegengevallen. Tot nu toe waren de collega’s redelijk vriendelijk en de werkdruk nauwelijks voelbaar. Ze waren de communicatie afdeling van het bedrijf en zaten daarom ze op de tweede verdieping, net boven personeelszaken, maar ver onder de ruime afdelingen boven, waar het geld werd verdiend, of ‘gemaakt’. Boven spraken ze zoveel Engels dat ze spraken over ‘geld maken’. Boven hadden ze betere koffie. Boven waren de secretaresses mooi. Boven werden maatpakken gedragen, beneden truien. Thijs en zijn collega’s hoefden ook niet in pak, ze waren de creatiefste afdeling. Vanuit deze vrijheid was een ander soort uniform ontstaan van comfortabele skateschoenen, een geruit bloesjes en een verwassen jeans.

 Zijn collega’s hadden stoppelbaardjes en dronken latte’s. Ze stuurden apps naar elkaar door en gingen naar dezelfde feestjes en concerten. Elke vrijdag was er de borrel voor het hele bedrijf. Dit deden ze meestal in de bar die ook in het kantoor zat, zo kon het hele bedrijf gezamenlijk de week afsluiten. In praktijk betekende dit dat de geldmakers bijeen kwamen, personeelszaken om vier uur dicht ging en dat zijn afdeling een biertje dronk in hun eigen hoek. De gesprekken waren net zo niksig als de tapijttegels die bij personeelszaken op de grond lagen, maar toch bleef iedereen komen naar deze merkwaardige bijeenkomsten.

 Thijs wist wel waarom hij bleef gaan, het was niet voor de gesprekken, niet om te netwerken en ook niet voor het bier. Zijn reden was Suze. Suze hoorde bij het groepje vrouwen van Sales, vrouwen met glanzende haren en hoge hakken. Vrouwen die lekker roken en mooie nagels hadden. Vrouwen die razendsnel op hun twitter tikten dat het weer tijd was voor de vrijmibo. Zo zeiden ze dat ook tegen elkaar. ‘Zie je zo op de vrijmibo?’

 Suze zei nooit vrijmibo, eigenlijk zei ze bijna nooit iets. Misschien dat ze daarom zo geliefd was bij veel van de mannen op kantoor. Ze was niet de mooiste van het bedrijf. Eigenlijk had ze best een grote neus. En als ze een glaasje wijn had gedronken loenste ze een beetje. Over dat loensen hadden Thijs en zijn collega’s het al gehad. Ze waren het erover eens: dat loensen was goed, geil. Mariëtte, de enige vrouw op de afdeling had geschamperd dat mannen van loensende vrouwen houden omdat het hen een gevoel van mogelijke ontsnapping geeft. Bij een schele vrouw heb je nog een kans dat ze niet zag dat je hand even op bil van de secretaresse hebt gelegd, zei Mariëtte. Er waren veel momenten waarop Thijs wilde dat hij het geluid van mensen uit kon zetten. Dat hij even met zijn vingers zou knippen en dat hij zou zien dat de mond bleef bewegen, maar dan zonder geluid. Bij Mariëtte had hij het vanaf de eerste dag gehad.

 Suze stond met haar rug naar de groep toe, ze stond in een kringetje met twee andere Sales vrouwen en een man die op de allerhoogste verdieping werkte. De twee vrouwen lachten om zijn grappen, kregen rode konen van de wijn, zo voor het avondeten. De mooiste vrouw legde zo nu en dan even haar hand op de hand van de man, die een ring droeg. De andere vrouw lachte zo hard ze kon, kreeg het er warm van en moest dus wel haar bloesje steeds verder openen.

 ‘Thijs, wat doe je?’ Hij draaide zich om. Mariëtte stond voor hem. ‘Je bent weinig spraakzaam vandaag’. Thijs probeerde langs haar heen te kijken, want Suze liep nu naar de bar. Mariëtte volgde zijn blik. ‘O, het loensende kutje, is dat het?’

 Vrouwen die vulgair werden van alcohol. Het ergste wat er was. Het liefste zou hij ze allemaal dronken voeren, in vliegtuigen stoppen en boven de oceaan eruit gooien. Dat ze dan nog half zouden gillen: ‘Jeeminee wat een wind zo tussen mijn benen’. Waarschijnlijk was er onvoldoende draagvlak voor dergelijke plannen, bedacht Thijs terwijl hij naar Mariëtte keek. Mariëtte kwam steeds dichterbij met haar gezicht. Ze rook naar make-up en alcohol. ‘Hmm, je bent een beetje een stille hè. Zo eentje van stille wateren, diepe gronden, is het niet?’ Thijs zei niets. Ze duwde haar borsten naar voren. Het waren mooie borsten, ze was net op vakantie geweest en haar decolleté had een diepbruine kleur gekregen. Later zouden daar rimpels komen en voordat het zover was moest ze een man vinden.

Ze lispelde in zijn oor. ‘Soms is je blik op iets gericht, een doel, een ver doel. En je vecht en vecht en doet je best, je kunt er niet van slapen. Terwijl, al die tijd, al die tijd, serieus, al die hele fucking tijd,’ haar stem werd steeds scheller, ‘het gewoon voor je neus was. Hier.’ Ze keek hem aan. Het leek of haar gezicht gecentrifugeerd was.Verfrommeld, zo zag ze eruit, met rode vlekken. Ze sloeg haar glas achterover. ‘Ik moet maar eens gaan.’ Thijs keek om zich heen, zijn collega’s lieten elkaar iets zien op hun telefoons. ‘Dat lijkt me een goed idee, tot maandag Mariëtte’. Het herhalen van een naam, een afwijking voorbehouden aan boze ouders, docenten en de volksstam die zichzelf intercedente noemt. Hij hoopte dat het zou werken, dat dit dronken schepsel die tik op haar vingers zou voelen. Maar in plaats daarvan draaide ze zich om en zei ze met lijzige stem: ‘Dat lijkt me een goed idee, tot maandag Mariëtte.’ Hij voelde dat hij een kleur kreeg en probeerde zich te herpakken. ‘Je gaat toch niet rijden, nu?’ Ze zuchtte. ‘Nee, ik ga lopen naar Nieuw-Vennep. Jezus man, kom jij eigenlijk wel van deze planeet of kom jij uit lamlulland?’ Ze pakte haar handtas en zwalkte richting de deur.

 Thijs keek haar na, zijn collega Björn kwam haar tegen bij de deur. ‘Ik bel wel even een taxi voor haar’ zei hij tegen Thijs. ‘Loop jij even met haar mee, zo kan ze echt niet de weg op.’ Thijs knikte en liep naar de lift. Daar stond ze te wachten, met haar hoofd tegen de muur geleund. Ze had nog niet op het knopje gedrukt. ‘Björn heeft een taxi voor je gebeld, ik ga even met je mee naar beneden, om je uit te zwaaien.’ Ze wisten allebei dat het niet zo was. Hij liep mee naar beneden omdat hij er net werkte en omdat Björn het zei.

 Ze stapten in de lift. Ze werden omringd door hun spiegelbeeld. Thijs fantaseerde dat hij Mariëtte bij haar haren pakte en met haar gezicht tegen de spiegels duwde terwijl hij schreeuwde: ‘Kijk nou, jij waardeloos stuk vrouwmens, kijk nou toch eens goed, ik walg van je.’ Maar in plaats daarvan stak hij zijn handen in zijn zakken en keek zwijgend hij voor zich uit.

 ‘Dag Gerard’, hij groette de portier, terwijl hij Mariëtte aan haar arm mee sleepte. Het was zijn tweede echte baan, en bij de eerste had hij geleerd vrienden te worden met al het ondersteunend personeel. Groet de secretaresses, kantinedames, portiers en schoonmakers. Op een dag ben je het toegangspasje kwijt en heb je ze allemaal nodig om zonder al teveel gezeik aan een nieuwe te komen of je oude terug te vinden.

 De schuifdeuren gingen open, het was bijna voorbij. Ze stonden buiten nu, in een landschap van grijze kantoorgebouwen met hier en daar een boom of iets wat een boom moest worden, maar voorlopig met een paaltje en zwart bandje in een bak stond. Voor het kantoor stond een betonnen bak met viooltjes voor een warm welkom. Het waaide altijd bij het kantoor, daarom lunchte iedereen bij mooi weer toch binnen.

 Mariëtte had haar hoofd op zijn schouder gelegd, haar ogen waren nu dicht. ‘Hmm’, kreunde ze zachtjes. Thijs keek naar de vliegtuigen die over vlogen, ze zaten vlakbij de luchthaven hier. Ideaal voor internationale zakenpartners. Ideaal voor al die mensen van boven. Hij keek op zijn telefoon. Zeven minuten al, hij besloot dit nog drie minuten vol te houden. Hoelang voordat een taxi er moet zijn eigenlijk? Er stond iets over in de krant, maar hij kon het zich niet herinneren, of ging dat nou over ambulances?

 Er waren tien minuten om. Er was geen taxi te zien. ‘Mariëtte, ik ga nu naar boven, maar blijf hier wachten, de taxi kan er elk moment zijn.’ Ze keek hem met lodderige ogen aan. ‘Maar je ging toch mee om mij uit te zwaaien? Ik vind dit nog niet echt wat je zegt een waardig afscheid.’ Ze kwam dichtbij met haar gezicht, ze sloot haar ogen, en deed een poging hem te zoenen. Thijs wende zijn gezicht af en gaf haar een zet, ze wist nog net haar evenwicht te bewaren door zich aan de bak met viooltjes vast te grijpen. Zonder om te kijken liep hij door de draaideur weer naar binnen, zonder te groeten passeerde hij Gerard.

 In de lift keek hij in de spiegels. Het gaf hem wel iets bijzonders, die woede. Hij straalde een kracht uit die maar weinig mannen hadden, en hij al helemaal niet. Als herboren stapte hij de lift uit. Björn kwam net het toilet uit gelopen. ‘Ah, is het gelukt?’ Thijs knikte, ‘jij nog een biertje?’ Hij liep terug de bar in en voelde opluchting toen hij zag dat Suze er nog was.

 Suze keek zijn richting uit, hij probeerde de oerman te zijn die zij nodig had, of waarvan hij zeker dacht te weten dat ze die nodig had. Ze leek zich te vervelen, keek op haar horloge en rommelde in haar tas. Ze stond op het punt om weg te gaan, zoveel was duidelijk. Thijs dronk zijn biertje in twee slokken op, ging met het tweede in zijn hand naar haar toe en tikte op haar schouder. ‘Sorry, volgens mij kennen wij elkaar nog niet.’ Ze draaide zich om, langzaam, alsof ze wist dat hij daar had gestaan en op haar schouder zou kloppen. ‘Nee, volgens mij ook niet’ zei ze. Hij pakte zijn kaartje. ‘Hierop staat mijn naam en functie, en hier voor je sta ik dan in het echt.’ Hij bestudeerde haar gezicht. Ze leek deze introductie wel te kunnen waarderen.

 ‘Ik ging er net vandoor’ zei ze. ‘Ik zie het’ zei Thijs. ‘Mag ik er dan nu langs?’ Hij bloosde, ging opzij. Hij moest iets zeggen nu, voordat ze weg zou zijn, voordat hij elke borrel moest overslaan uit schaamte, voordat iemand anders haar zou veroveren, haar zou huwen, haar zou bezwangeren. Er moest iets gebeuren nu. ‘Hou je van koffie?’ Hoorde hij zichzelf uitbrengen. De ergste zin ooit. Maar ze draaide zich om en gaf hem een scheef lachje. ‘Ja, ik hou wel van koffie.’ Nu was het tijd te handelen, de man te zijn die hij in de spiegel al had gezien. ‘Dan zien we elkaar morgen rond elf uur in het koffiehuis bij de brug.’ Ze bestudeerde zijn gezicht, op haar gezicht een minzaam glimlachje. ‘Zo zo. Ik waardeer je enthousiasme, maar misschien kan ik wel helemaal niet, je bent wel heel erg zeker van je zaak hè.’ Het duizelde Thijs een beetje. Ze sprak tegen hem, niet tegen iemand anders, maar echt tegen hem. Lange zinnen, tegen hem. ‘Dus je kunt niet?’ ‘Nee, wel goed luisteren nu. Ik kan wel. Zie je morgen.’ Ze liep weg, Thijs bestelde nog een rondje bier. Best een leuk bedrijf dit, en zo’n gezellige borrel ook.

 Hij sliep slecht die nacht. Hij woelde, had het te warm, zijn dekens leken te kort voor zijn lichaam en de wekker maakte abnormale hoeveelheden geluid. Hij zag Suze voor zich, hier in dit bed, in dit huis, bij hem in de keuken. Ze was overal en glimlachte alleen maar. Eindelijk viel hij in slaap.

-Stilte-

 Het was nog donker toen de telefoon ging.

–         Thijs?

–         Ja? Wie is dit?

–         Björn hier. Jongen, dit ga je niet geloven, het is zo fucked up.

–         Wat?

–         Mariëtte.

–         Mariëtte?

–         Ja, ze is er slecht aan toe.

–         Wat bedoel je ze is er slecht aan toe?

–         Ze heeft een dodelijk ongeluk veroorzaakt.

–         Jezus.

–         Ze botste frontaal op iemand van de zaak, misschien ken je d’r wel.

–         Wie

–         Suze, jeweetwel, van sales.

–         Nee, godverdomme, nee.

–         Zij is dood, Thijs. En Mariëtte wordt nu geopereerd.

–         …

–         Thijs?

 Thijs sloot zijn ogen. Deze werkelijkheid was te lelijk. Hij besloot te gaan slapen tot de zon hem zou wekken. En dan om elf uur naar het koffiehuis. Daar bij de brug.

 

Gamma

24-09-2012

‘Krijtwit op roomwit’ mompelde hij.

‘Krijtwit op roomwit’ mompelde hij.

/ /

24-09-2012

 ‘We hebben het toch vorig jaar toch nog allemaal gedaan?’ Zei Ronald, vermoeid.

‘Nee, niet alles hoor- zeker niet. De trap, de kozijnen, de deuren, de tafel en de kasten. Dat wel. Maar jij was toch ook niet zo enthousiast over het resultaat toen?’ Zei zijn vrouw terwijl ze een stapel kleurenwaaiers op de keukentafel smeet. 

Ronald legde zijn krant neer en probeerde te glimlachen. ‘Niet enthousiast…niet enthousiast… nou, dat valt ook wel weer mee, het is meer dat ik weinig verschil zag toen. En het was wel veel werk. Ik heb nog vier dagen vrij moeten nemen en daarna nog acht sessies fysiotherapie er tegenaan moeten gooien, weet je nog?’

‘Weinig verschil! Weinig verschil!’ Schamperde zijn vrouw. ‘We gingen verdomme van melkwit naar roomwit- en dat is zeker een verschil geweest- want ik ben het nu al spuugzat. De muren komen op me af. We moeten het opnieuw doen- anders trek ik het niet meer hier. En liefje, je mag een beetje schilderwerk niet de schuld geven van je zwakke gestel. En trouwens, ik verzin dat niet hè, dat het verschil heel groot was. Elise zei het nog: het lijkt wel een ander huis. En zij, zij heeft er verstand van. Kom, trek je jas aan.’

‘Mijn jas?’

 ‘Ja, en zeg je afspraak met de mannen even af, we gaan naar de Gamma.’ Zei zijn vrouw terwijl ze de autosleutel pakte en het keukenlicht uitdeed.

Ze zwegen in de auto. Zij reed- het was haar Range Rover en bovendien vond ze dat hij reed als een bejaarde met polio. Dat zei ze zo: Je rijdt als een bejaarde met polio. Hij keek uit het raam, de vinexwijken trokken aan hen voorbij. Ronald had zijn vrienden een groepsbericht gestuurd, gezichtsverlies kon hij allang niet meer lijden. Toen hij ze had verteld dat hij Brigitte ten huwelijk wilde vragen, was het stil geworden in de kroeg. Zijn beste vriend Marc had geprobeerd de mening van de groep te verwoorden. De groep stond in hun bier te kijken en Marc had zijn keel geschraapt en had gezegd: ‘Maar Brigitte is een kutwijf.’ Marc was altijd een man van weinig woorden geweest. De groep was wel naar de bruiloft gekomen, maar niemand had getuige willen zijn. Daarom had Ronald zijn broer die naar Canada geëmigreerd was, gevraagd. Die vond het een grote eer en ook Brigitte was tevreden met deze keuze omdat ‘vrienden komen en gaan’. De vriendengroep van Ronald was al meer dan vijfentwintig jaar bijeen- maar zijn vrouw had nu eenmaal altijd gelijk.

 Waarom was hij met haar getrouwd? De reden was hem inmiddels ook een beetje ontglipt. Ze was mooi geweest, en lief ook misschien. Op haar manier dan. Brigitte was er geweest toen hij alleen was. Hij hield niet van alleen zijn. Hij kon er niet tegen, alleen zijn. En zij was daar. Plots was alles heel vlug gegaan. Hoe precies, hij wist het niet meer- en wat maakte het ook uit- ze waren getrouwd en hij kon geen kant meer op.

 Het parkeerterrein van de bouwmarkt was rustig- maar Brigitte wilde een plekje direct naast de ingang. Ze parkeerde haar Range Rover pal naast een Fiat Panda die nu behoorlijk klemgereden was. ‘Moet je maar niet zo’n kutauto rijden’ zei zijn vrouw. Ze stapte uit en liep de bouwmarkt in zonder te kijken of Ronald de auto al verlaten had. Hij haalde diep adem en liep achter haar aan.

Bij de verfcounter stond ze nu, ze drukte vier keer achterelkaar op het belletje op de toonbank. Ze keek getergd om zich heen. ‘Waarom gaat het toch allemaal zo langzaam’ klaagde ze. Ronald had afgeleerd terug te praten bij dergelijke opmerkingen en keek voor zich uit. Een pukkelige jongen van een jaar of zeventien kwam aan de balie. Brigitte begon haar verhaal- verf wilde ze- en snel- want de kleuren die ze nu had dreven haar tot waanzin. Daarna pakte ze de kleurstaaltjes uit haar tas en toonde ze haar twee favorieten aan de jongen. Die pakte daarop twee A4’tjes uit een grote ladekast en zei: ‘Dit is een groter formaat van de staaltjes, zo heeft u een beter idee van de uitwerking van de kleuren.’ Brigitte boog zich over de vellen en draaide zich naar Ronald. ‘Wat denk jij?’ Dit was linke soep. De vraag kon niet onbeantwoord blijven, maar het verkeerde antwoord zou de toon voor de komende twee dagen zetten. Hij slikte en keek. Twee vellen wit papier hield ze vast. ‘Krijtwit’ zei ze terwijl ze het linkerpapier bewoog, ‘Of toch eiwit?’ zei ze, terwijl ze met het andere papier wapperde. Ronald wist niks te zeggen. Zijn vrouw trok haar mondhoeken misprijzend naar beneden. Kennelijk was het overduidelijk. Ze draaide zich om naar de jongen. ‘Krijtwit’ zei ze. ‘Ik denk erover veganist te worden, namelijk. Schiet natuurlijk niet op als je het hele huis eiwit verft. Doe maar twintig liter. En vijf liter lak ook. En rollers en kwasten, de hele reutemeteut- Pak van alles maar het beste- ik heb geen zin in die armoe van haren uit je kwast.’ De jongen knikte. Brigitte was de enige persoon die Ronald kende die in geen enkele winkel haar spullen zelf moest pakken. In supermarkten kwam ze niet- dat was Ronald’s taak. Betalen deed ze ook niet-, dat was ook Ronald’s taak.

Thuis aangekomen, pakte ze de trapleer en zei ze tegen Ronald: ‘Doe maar even een stukje, daar bovenaan de wand, van 25 bij 25 centimeter ofzo. Dan krijg ik een indruk van de nieuwe sfeer die zal ontstaan.’ Hij klom op de trap en nam de kwast van zijn vrouw aan. ‘Krijtwit op roomwit’, mompelde hij. Brigitte stond naast de ladder en zei ‘Niet als een homofiel- gewoon een mooi vierkant, met een beetje kracht alsjeblieft’. Het vierkant was bijna af, Ronald had buikpijn. Zijn vrouw zat gehurkt bij de potten met lak- ‘Verdomme, volgens mij zijn we opgelicht. Kijk, deze lak heeft wel dezelfde naam, maar is veel geler dan de muurverf, moet je zien.’ Ze keek op en versteende toen ze zag wat Ronald aan het doen was. Hij had zijn shirt uitgetrokken en tilde de pot muurverf op, het deksel lag naast zijn voeten. Het was een zware pot en het kostte hem moeite het ding om te keren boven zijn hoofd. Toen het lukte, liet hij los. Met een doffe klap viel de pot op zijn hoofd. Een verfpot met een lijf, dat was hij nu. Het vergde nogal wat van zijn nek, dat wel. De verfpot dempte het gekrijs van Brigitte, de verf dempte alles. Het voelde koud en zwaar en de verf droop langzaam over zijn schouders, borst, langs zijn benen naar beneden. In zijn ogen liep verf, in zijn oren liep verf, in zijn mond liep verf. Hij begon te hoesten en de wereld begon te draaien. Snel zou hij beginnen te braken en in zijn eigen braaksel kunnen stikken, met zijn kop in het krijtwit. Met een ruk werd de pot van zijn hoofd getrokken.

Zijn vrouw was woedend geworden- ze krijste met de verfpot in haar hand. Of hij gek geworden was- wat wel in de lijn der verwachting lag- of hij haar dan geen geluk gunde- en of hij godverdomme eens aan de parketvloer kon denken. Die vloer was hem inderdaad even ontschoten- deze actie zou weleens lelijke plekken kunnen opleveren. Hij ging zitten, bovenaan de trapleer. Brigitte was in de keuken, ze was aan het bellen- ze klonk nog steeds van streek. Haar hakken klakten op het parket. ‘Ze komen er zo aan’ zei ze toen ze terugkwam. Ronald klom het trapje af en zei: ‘Wie?’

‘De ambulance liefje, ik denk dat je overwerkt bent.’

‘Aha, de ambulance. De ambulance. Eén of twee?’

 ‘Hoe bedoel je?’  

 De tweede pot muurverf was nog gesloten, maar de lak was al open. Ronald pakte het potje en greep Brigitte bij haar keel. ‘Eén of twee liefste? Eén of twee? Want jij en ik, wij horen toch bij elkaar liefste?’ Brigitte huilde en probeerde met haar hoofd te knikken, maar dat ging moeilijk door zijn hand. Hij praatte door. ‘Je hebt helemaal gelijk, de muren komen ook op mij af- wat dat wel niet met een mens kan doen hè. Maar wat weet ik er nou van- ik ben je vriendin Elise natuurlijk niet.’ Zijn vrouw snikte. Ronald keerde de pot lak om, boven het hoofd van zijn vrouw. De lak zat in een kleiner potje, de substantie was dunner dan die van de muurverf. Brigitte’s haar en gezicht waren volledig bedekt onder de lak. Het rook niet naar waterbasis. ‘We krijgen wel veel dorst hè, van al dat klussen.’ Ronald dronk uit het blik. Zijn vrouw huilde nog steeds. Uit de verte klonken sirenes. ‘Stil maar liefste, het duurt niet lang meer’ zei hij. Hij nam nog een flinke slok en daarna gaf hij zijn vrouw een lange gepassioneerde tongzoen.

Hond

23-09-2012

Het beest was zo opgetogen dat het ogenblikkelijk begon te plassen.

Het beest was zo opgetogen dat het ogenblikkelijk begon te plassen.

/

23-09-2012

Het donkerblauwe pak met gouden knopen was gestoomd bij de duurste stomerij van de stad. Grover Willensteijn had het in de ochtend met zorg gekozen en aangetrokken. Hij was tweeënzestig, maar kon voor begin vijftig doorgaan. Hij was een verzorgde man met goede manieren. Een man die deuren open hield voor vrouwen en niet op straat at. Een man met verzorgde nagels en handen. Een man die rechtop liep op schoenen van hoge kwaliteit. Een man met een keurig huis en een neus voor goede wijn. Een kenner van literatuur en klassieke muziek.

Willensteijn liep door het winkelcentrum van de kleine gemeente waar hij woonde. Hij bezat een zeker elan waar dit winkelcentrum geen enkel verstand van had. Dat hij hier terecht gekomen was, kwam door de brief die hij in zijn linkerhand droeg. Het  postkantoor uit zijn buurt bleek te zijn afgeschaft en te zijn verplaatst naar een kantoorboekhandel in het winkelcentrum. Hij hield niet van onverwachte wendingen in zijn dag en een gesloten postkantoor was daar een duidelijk voorbeeld van. Hij keek om zich heen. Voor de winkels stonden borden met aanbiedingen, vol met spelfouten. Spelfouten die de Nederlandse taal niet verdiende, dacht Willensteijn. Steeds vaker begon hij te denken dat de wereld waarin hij leefde, de mensen om hem heen, dat eigenlijk alles- alles een complot was. Een complot waarin de stupiditeit in het leidingwater werd gestopt en het achterlijke woord via de beeldbuis werd verspreid.  Een complot waarin grote lelijke mensen in slecht zittende kleding het recht namen- met een vanzelfsprekendheid die zowel tenenkrommend als verbazingwekkend was- om zich uit te spreken over alles wat los en vast zat. Mensen die een frituurpan in hun bezit hadden en dan boven de bakken druipend vet samenschoolden en een referendum tegen het buitenland hielden, of tegen boeken. Het waren de kinderen die eendjes doodslaan met een stok. Ze waren volwassen geworden en liepen hier- hier in dit winkelcentrum op felgekleurde rubberen schoenen met gaten erin. Praktische schoenen waren het, dat zeker. Voor op van die feestjes waar ze met zijn tienduizenden naartoe gaan, allemaal hetzelfde gekleed. Valt er eentje neer, dan loopt iedereen door. Eroverheen, als dat de kortste route naar de bar is. Handig, die schoenen. Zo kan de smerigheid van de uitgedrukte mens makkelijk worden afgespoeld.

Willensteijn bekeek de etalages. Plastic kleding op goedkope poppen, felle kleuren en rekken vol met waar in slechte kwaliteit. Bejaarden schuifelden voor hem uit, ze waren gekleed in een kleurenwaaier die alles tussen beige en stront toonde. Een jonge moeder met een disproportioneel achterwerk liep met een winkelwagen. Voorin, in het zitje een dik roze kind met ook van die schoenen aan. Het kind staarde apathisch voor zich uit terwijl zijn kwijl naar beneden droop, over zijn kin, over de duwstang van de winkelwagen, als dikke draden doorzichtig slijm langzaam naar de grond. Het broertje van het kind stond te krijsen naast de wagen. Dit kind was ook dik en roze maar had iets meer haar en ook meer tanden. De moeder graaide in de boodschappenwagen en duwde de twee kinderen een grote gekleurde lolly in de handen. De kwijl van de kleine was nu groen met blauw geworden en liet sporen achter op de vloer van het winkelcentrum.

‘Grover!’ Klonk het plots achter Willensteijn. Hij kromp ineen- wie noemde hem nu nog bij zijn voornaam. Zijn moeder misschien, maar die had hij lang geleden al begraven. Niet zijn vrienden, een handjevol slechts, die eigenlijk meer kennissen waren. Zij noemden hem bij zijn achternaam en zouden bovendien niet in dit godvergeten oord rondlopen. Toch werd zijn naam steeds duidelijker geroepen. Hij draaide zich om en zag een vrouw van een jaar of vijftig in een lichtgroene broek hurken terwijl ze zijn naam riep. Qua uiterlijk had ze alle hoop en inzet laten varen, zoveel was duidelijk. Haar haren als vergeelde suikerspin, een lichaam dat aan alle kant uit haar broek probeerde te ontsnappen, tanden geel met zwart en diepe wallen onder haar fletse ogen. Met doorrookte stem riep ze nogmaals ‘Grover!’ Uit de bloemenstal kwam nu een harig beest aangesneld- luid keffend snelde het dier langs zijn baasje, in een rechte lijn, zo op Willensteijn af. Het beest begon zonder omhaal het linkerbeen van Willensteijn te berijden. De donkerblauwe broekspijp werd smerig, het beest liet haren, speeksel en hondenvoorvocht achter. Willensteijn stond als versteend en kokhalsde toen hij de vlekken zag. ‘Grover heb er de laatste tijd gewoon superveel zin an’ zei de vrouw in de lichtgroene broek, toen ze het beest had aangelijnd. Willensteijn had zijn mond tot een streepje getrokken, maar de vrouw was alweer doorgelopen en nu stond hij daar, vol met briljante reprimandes en snedige antwoorden. Hij stond daar, zomaar, misplaatst en alleen. Een echte heer met een vieze broekspijp in een winkelcentrum.

Na het ongeloof dat hem zojuist had overvallen, kwam nu de vastberadenheid. Hij liep achter de vrouw aan, het was tijd om verhaal te halen. Hoe kon iemand zijn naam, zijn edele voornaam nu zo misbruiken? Het stuk pus met bont, aangelijnd en wel, gewoon zomaar zijn naam geven. Het moest haast wel een complot zijn, dit, dit alles. Maar hij, Grover Willensteijn, besloot het niet langer lijdzaam te ondergaan. Het was genoeg geweest. Hij liep de supermarkt in, langs de groenten en het fruit, langs het vlees en de wijn, en vond de vrouw bij de chips terug. Natuurlijk bij de chips. De vrouw was zojuist een bekende tegengekomen die een donderbruin gelooid decolleté toonde, ook een doorrookte stem had en lange nepnagels met zebraprint. Ze sprak luid en vertelde dat ze vanaf nu ‘lekker haar ding aan het doen was’ en de vrouw in de lichtgroene broek knikte begripvol. Maar het beest- het beest was er niet.

Binnenmonds vloekend liep Willensteijn terug naar de ingang waar het klappoortje hem er niet uit wilde laten- onhandig klom hij over het hekje. Hij keek om zich heen en vond zijn naamgenoot rechts voor de winkel. Het dier kwispelde toen hij Willensteijn zag aankomen. Het beest was zelfs zo opgetogen dat het ogenblikkelijk begon te plassen. Het plaste een ongelofelijke hoeveelheid knalgele pis, zo tegen de kleine helikopter waar ouders van krijsende peuters een euro in gooiden voor een minuut rust. Willensteijn wachtte tot het beest was uitgeplast en nam toen de riem die om een prullenbak heen gewikkeld was. Hij keek om zich heen- niemand die op hem lette. Niemand die ergens op lette. Zo snel hij kon liep Willensteijn met het dier de supermarkt weer in.

De hond kwispelde opgetogen en Willenstein liep langs de groenten en het fruit, langs de wijn, langs de chips, waar de vrouwen nog steeds stonden, hij nam het beest mee richting de uiterste hoek van de supermarkt. Hier lagen alle diepvriesproducten. Het was rustiger, hier klonk alleen het gezoem van de vriezers. De hond keek schuin omhoog toen Willensteijn tot hem sprak: ‘Beste Grover, het spijt me, maar het is voor iedereen beter zo’. Na deze woorden schoof hij het vriesvak open en tilde hij de hond op. Hij zette het beest kwispelend tussen de Mexicano’s en de Pikantjes, niet ver van de rundvleeskroketten. Nu schoof hij de vriezer weer dicht. Het beest kefte, jankte en piepte, maar de dikke glazen platen maakten dat het geluid verdween in het gezoem van de vriezers.

Voldaan liep Willensteijn richting de kassa’s, nu hij toch hier was besloot hij het er maar van te nemen en een pak chocomelk aan te schaffen. Dat gaf hem dat gevoel van vroeger, toen alles beter was en de mensen beleefd. Hij zou er graag nog over mijmeren op een bankje, maar hij had nog een brief te posten.