Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Rust

28-12-2015

Het rook naar huisparfum.

Het rook naar huisparfum.

/

28-12-2015

Het was onmogelijk de tijd terug te draaien, dat begreep hij ook wel. Hij had harde keuzes gemaakt, dat begreep hij ook wel.

Toch voelde alle verandering onrechtvaardig en dat begreep niemand.

Geen van zijn vrienden leek hem werkelijk te begrijpen, en zijn gezin was zelfs ronduit vijandig geworden. Als hij dit allemaal van tevoren had geweten, dan was hij er niet aan begonnen, zei hij tegen zichzelf. Als een mantra herhaalde hij deze zin. Soms wel een halfuur achterelkaar, wanneer hij in de auto zat. Het was de enige manier om met zichzelf te leven. Hij voelde zich als een slecht geïnformeerde politicus die met de gebakken peren was komen te zitten.

Zijn dochter stuurde hem een foto van haar opgestoken middelvinger, zijn zoon belde nooit terug. Zijn echtgenote sprak hij niet meer, wel wist hij dat zij achtereenvolgens een slotenmaker en een advocaat had gebeld.

De vrouw waar alles om te doen was geweest zat soms urenlang somber op de bank. Ze moest er nog een beetje aan wennen. Haar omgeving ook. Ze speelde een spelletje op haar telefoon, om niet na te hoeven denken, te voelen. Alles wat ze wilde had ze gekregen. Maar ze voelde zich niet euforisch, optimistisch of gelukkig.

Misschien was enkel het verlangen zo verslavend geweest, was hun band gebaseerd op spanning en lust. Maar daarvoor was het nu te laat, ze waren een koppel geworden. Zo kwam het dus dat ze samen door de tl-verlichte supermarkt liepen. Hij duwde een winkelwagen voor zich uit, wat niet meeviel omdat het linker voorwieltje niet meer kon zwenken. Hij concentreerde zich op de kar en zij bepaalde de route, ze liep een meter voor hem uit. Ze vergaten vuilniszakken te kopen en hingen maar weer een boodschappentas in de prullenbak.

Hij keek om zich heen in zijn nieuwe huis. Het rook naar huisparfum. Zoiets had de echtgenote onzin gevonden, maar het had wel iets, eigenlijk. Ach, dacht hij, het maakte al niet meer uit. Dit ging het zijn. Zalm uit de nieuwe stoomoven, goed onderhouden kozijnen, een serie kijken vanaf de hoekbank.

Zij was gaan hardlopen, hij zou nog wat werken aan de keukentafel. Het bureau werd pas over drie weken bezorgd. ‘Het nieuwe leven’, mompelde hij zachtjes. Het internet deed het niet. Hij stond op om de modem uit en aan te zetten.

Ze kwam de kamer weer in, bezweet en vermoeid. ‘Ik ga even douchen,’ zei ze. ‘Zet jij de oven alvast aan? Dan kunnen we na het eten nog even langs de Praxis voor plinten in de studeerkamer.’

Hij knikte afwezig en probeerde zich voor de geest te halen hoe de woorden vrijheid en verantwoordelijkheid zich ook alweer tot elkaar verhielden.

Sales

25-02-2015

Een stilleven van haar leven

Een stilleven van haar leven

/ /

25-02-2015

‘Goed, dank u voor dit gesprek. Wij spreken deze week nog een aantal kandidaten en zullen dan contact met u opnemen.’ De dame van personeelszaken leek haar mond niet te hoeven bewegen terwijl ze dit zei, als een doorgewinterde stewardess die gedachteloos een zwemvest aantrok en de nooduitgangen aanwees.

Ook de kandidaat had al eerder met dit bijltje gehakt en zei met dezelfde routine allerlei gepaste dingen. Ze pakte haar fiets die ze twee straten verderop had geparkeerd. (ze wist niet zeker of er wel plek was voor de deur van het bedrijf en wilde adequaat en zelfverzekerd binnenkomen, dat lukte beter wanneer ze haar fiets in een rekje had weten te stallen) Het was rustig in de stad, op dit tijdstip waren de meeste mensen aan het werk of in elk geval andere dingen aan het doen dan fietsen.

Ze stopte bij de supermarkt op de hoek en kocht alvast avondeten. Ze nam van alles het goedkoopste en ook de boontjes die in de aanbieding waren. Bij de kassa haalde ze de boodschappen uit haar mandje en zette de boel op de band. Een stilleven van haar leven, dacht ze somber. Een leven met wit deeg, goedkope groenten en lelijk vormgegeven verpakkingen. Misschien zou het binnenkort beter worden, het was immers geen slecht gesprek. Ze probeerde het voor de geest te halen, maar kon slechts flarden herinneren en merkte toen dat ze de gesprekken van gister en vandaag door elkaar aan het halen was.

Ze stopte de boodschappen in haar handtas, droeg wat er niet in paste in haar armen naar haar fiets. Achter haar klonk geroep. Een kleine dikke vrouw kwam achter haar aan gesneld, een pinpas in haar hand. ‘U vergeet uw pas’ zei de vrouw buiten adem, ‘ontzettend bedankt’ zei de sollicitante. Ze stapte op haar fiets en reed naar huis.

Zodra ze haar boodschappen had uitgepakt, ging haar telefoon.

‘Met Mara Hansen.’

‘Dag Mara, met Sandra spreek je, van personeelszaken. Vanmorgen hebben wij een gesprek gehad, en ik wilde je graag nog een aantal aanvullende vragen stellen.’

‘Okee.’

‘Of eigenlijk: ik wilde je even doorverbinden naar mijn collega van PZ, de heer van Gelderland.’

‘Van Gelderland?’

‘Ja, dat is bij ons gebruikelijk- wanneer we een kandidaat potentieel interessant vinden, volgt er nog een korte telefonische screening voordat we verdere besluiten nemen.’

Mara slikte. Ze was potentieel interessant geacht, en nu moest ze zich dan gaan bewijzen aan de telefoon met ene meneer van Geldland of zoiets.

‘Okee.’

‘Dan verbind ik je nu door, het kan even duren dus blijf aan de lijn.’

Een muziekje klonk. Het was waarschijnlijk ooit gecomponeerd met de gedachte van rustgevende muziek voor momenten van wachten, maar het deed alle haren op haar armen recht overeind staan. Ze had gelezen dat de Amerikanen de tune van Sesamstraat gebruikten als martelmethode, misschien konden ze ook contact opnemen met de schepper van dit melodietje. Drie minuten en twintig seconden later kreeg ze iemand aan de lijn.

‘Hallo?’

‘Ja, mevrouw Hansen? U spreekt met Johan van Gelderland, PZ. Ik zal u nog wat vragen stellen, zoals mijn collega u ongetwijfeld heeft verteld.’

Zijn stem klonk scherp, kwaad bijna.

‘Ja.’

‘U heeft bij ons gesolliciteerd, is dat correct?’

‘Ja.’

‘U schrijft dat u ons bedrijf een prachtige inspirerende plek vindt, is dat correct?’

‘Ehm, ja.’

‘Vindt u dat?’

‘Nou zeker op het gebied van..’

‘Ja of nee mevrouw Hansen.’

‘Ja.’

‘Momentje alstublieft,’ zei de man. Op de achtergrond klonk gerommel.

Ze slikte en masseerde haar slapen. Ze probeerde haar brief voor de geest te halen, maar de afgelopen weken had ze haast dagelijks een brief gestuurd, en elke werkplek de hemel ingeprezen. Sommige brieven waren zo goed gelukt dat ze haast ging geloven wat ze schreef.

‘Mevrouw Hansen, bent u daar nog?’

‘Ja.’

‘Ik wil meer waarheid.’

Verward herhaalde ze de vraag in haar hoofd, wat was dat nou, meer waarheid?

‘Kunt u uitleggen wat u precies bedoelt?’

‘Meer waarheid. Ik hoor het wanneer iemand mij bedondert. Dus ik herhaal de vraag maar even, vindt u deze werkplek inspirerend?’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Okee!’

‘TOE DAN!’

‘Nee!’

‘Bent u werkelijk gedreven met een hands-on mentaliteit?’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Nee.’

‘Heeft u werkelijk geleerd snel te schakelen tussen verschillende projecten en afdelingen?’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Ja, het is waar!’

‘MEER WAARHEID!’

‘…maar het waren misschien maar twee afdelingen van elk drie personen…’

‘MEER WAARHEID!’

‘…die parttime werkten..’

‘Heeft u werkelijk een passie voor Sales?’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Nou ja, passie, passie. Ik ben er goed in, dus dan…’

‘MEER WAARHEID!’

‘Soms kom je er pas na een tijdje achter waar je talenten nu werkelijk liggen en voor mij is Sales gewoon een stukje….’

‘MEER WAARHEID!’

‘Ik haat het maar ik kan niks anders!’

Ze zwegen aan beide kanten van de lijn.

‘Mevrouw Hansen?’ Meneer van Gelderland klonk heel kalm nu.

‘Ja?’

‘Graag zie ik u donderdag om half vier bij personeelszaken. Dan nemen we het contract door en laten we uw nieuwe werkplek zien.’

‘Okee.’

‘Nou, proficiat en een fijne dag nog,’ zei meneer van Gelderland opgeruimd.

‘U ook,’ zei Mara terwijl ze vertwijfeld om zich heen keek.

Schoon

22-01-2015

Het was niet eenvoudig om jong te zijn in deze tijd.

Het was niet eenvoudig om jong te zijn in deze tijd.

/ /

22-01-2015

Er waren alleen maar knappe mensen in de koffiebar. Jonge mannen met baarden, jonge vrouwen met lange dunne benen en lange haren die in rommelige knotjes op hun hoofd zaten. Ze droegen kleding die er een beetje afgeragd uitzag, maar wel duur was geweest. Ze zaten verspreid over de koffietent met hun laptops voor zich. Ze waren aan het flexwerken of facebooken terwijl ze een fortuin uitgaven aan koffies met lange moeilijke namen, extra shotjes en vooral zonder koeienmelk. Van de koffie namen ze foto’s die ze een extra sfeervolle laag gaven door er een oranje gloed overheen te doen. Ook namen ze foto’s van zichzelf met daarachter een hashtag, zo konden ze laten zien dat ze #welbewust #postmodern #narcistisch konden zijn en dat kwam mooi uit want #yolo.

Het was hoe dan ook niet eenvoudig om jong te zijn in deze tijd, hoewel het begrip jong ook aan inflatie onderhevig leek te zijn of in elk geval niet meer met levensjaren te maken had.

Wie niet jong was, was de vrouw die ook het café ingelopen was. Ze was een opvallende verschijning met haar kromme rug en felgekleurde kleding. Op haar korte grijze haar droeg ze een gek mutsje met een soort voelsprieten bovenop. Haar rode broek was net iets te kort waardoor haar gestreepte sokken ook zichtbaar waren. Het capuchonvestje boven de broek had ze vast bij zo’n hippiekraampje ergens op een markt gekocht of ergens op straat gevonden. Ze nam plaats aan een van de tafeltjes aan het raam en zette haar paarse tas op de grond naast zich. Toen liep ze naar de bar

(er kan veel worden gezegd over mooie hippe mensen maar bedienen is niet iets waar ze goed in zijn)

en bestelde een kopje thee. Het barmeisje opende de theedoos, maar de vrouw hoefde geen theezakje. Dat hoefde ze niet te zeggen tegen het barmeisje, want zij was net bezig met het omhelzen van een bekende.

Voorzichtig schuifelde de vrouw terug naar het tafeltje. Eerst deed ze haar vestje uit. Onder het vest droeg ze een oranje t-shirtje. Haar armen waren dun en bekleed met loszittend vel. Toen boog ze voorover en maakte ze haar blauwe schoenen los. Daarna deed ze haar sokken uit. Haar teennagels waren van een indrukwekkende lengte. Ze ging weer rechtop zitten en nam de paarse tas op schoot. Na even rommelen vond ze wat ze nodig had: een bruin washandje.

Voorzichtig doopte ze het washandje in het kopje met heet water. Daarna waste ze met veel aandacht haar rechtervoet en daarna haar linkervoet. Ze kneep het washandje uit boven het vaasje met bloemen dat bij haar op tafel stond.

Mevrouw, mag ik wat vragen?’ Een baard met een streepjestrui en een strakke spijkerbroek stond naast haar tafeltje.

De vrouw zei niks, en de baard ging verder. ‘Kunt u even op mijn laptop letten, ik moet even naar wc.’

Hij wees naar het tafeltje naast haar, waar inderdaad een laptop stond.

De vrouw knikte en de jongen ging liep weg terwijl hij naar zijn telefoon keek.

Het wassen ging verder, eerst nog haar armen en hals, daarna haar gezicht en toen eventjes onder haar t-shirt, oksels, buik en borsten.

De jongen kwam weer terug, ‘dankje’ zei hij, zonder haar aan te kijken.

Ze deed haar sokken weer aan en ook haar schoenen en haar vest. Het restje theewater gooide ze in de bak van de olijfboom die binnen stond. Langzaam schuifelde ze weer naar buiten.

Niemand had haar gezien.

Schrijver

07-06-2018

Acute situaties zijn niet aan hem besteed.

Acute situaties zijn niet aan hem besteed.

/

07-06-2018

De schrijver zit op een bankje aan het plein met de mooie bomen. Hij draagt zijn rode sjaal, een colbert, schoenen waarmee hij met gemak de hele stad kan doorkruisen.

Hij kijkt naar de kinderen die achter een bal aanrennen, naar de gehaaste moeders die op wiebelige schoenen voort proberen te maken achter grote kinderwagens. Hij kijkt naar mannen in pakken die telefonerend voorbij snellen. Hij kijkt naar de oude bewoners van de buurt die met afhangende schouders plastic tassen van de goedkope supermarkt meezeulen naar hun huisjes waar projectontwikkelaars als gieren op azen.

Het meeste van zijn leven speelt zich af in zijn hoofd, zo weet hij. In interviews legt hij het ontelbaar vaak opnieuw uit. Dat hij een geboren toeschouwer is, niet gemaakt om werkelijk deel te nemen, niet gemaakt om haantje de voorste te zijn- niet gemaakt om zijn vader op te volgen.

Acute situaties zijn niet aan hem besteed, goddank rolt de bal van de kinderen geen moment in zijn richting. Het zou verraden dat hij niet geschikt is voor enige vorm van publieksinteractie, dat hij zou schrikken, houterig en onhandig de bal zou terugschieten. En wanneer hij dan weer zou plaatsnemen, zou hij moeten zoeken naar waar hij was gebleven in zijn hoofd.

De bladeren aan de bomen ruisen zachtjes en het het feit dat hij het opmerkt, bevestigt voor hem maar weer eens dat hij een echte schrijver is. Een kunstenaar, een artiest.

Maar in de nacht kijkt hij met open ogen naar het plafond terwijl zijn vrouw met langzame diepe teugen ademhaalt, met een vanzelfsprekendheid die hem ontzag inboezemt.

Hij denkt na over het personage dat hij geworden is. Hij denkt na over eigenschappen, vormen en eigenaardigheden die hij zou kunnen toevoegen aan zichzelf. Een uitgewerkt personage te zijn in het verhaal waar hij maar geen vat op kan krijgen. Hij voelt zich een bedrieger, een leugenaar soms. Te leven zonder plot, te weten dat de informatie altijd in de verkeerde volgorde komt, het maakt hem moe en somber. Zelfs in zijn eigen verhaal lukt het niet de held te zijn, enkel de rol van gedistingeerde heer is hem gaan passen als een kostuum waar hij zich buiten zijn eigen kringen voor schaamt.

Op weg naar huis raast de wereld langs hem heen. Scooters met lauwe pizza’s in de bagagebox scheuren voorbij, groepen dronken Britten vernederen hun vriend die gaat trouwen, een oude hond loopt leeg op de rand van de stoep.

Hij gaat zijn woning in. De sleutels, de deur die langzaam opent, de plek waar hij zijn sjaal hangt, het zijn stappen van een vaste choreografie. De schoenen gaan uit, de pantoffels aan. Het huis ruikt zoals de bedoeling, ruikt zoals altijd.

Zijn vrouw staat in de keuken, ze leest de krant op het aanrecht, een gewoonte die ze heeft, een gewoonte die hij niet had kunnen bedenken. Onbekommerd is ze een mens met eigenaardigheden, een mens met eigen gewoontes. In haar hoofd geen ruimte om dit te bevragen, maar enkel opgestroopte mouwen, boodschappenlijstjes, verjaardagen, verse bloemen op de keukentafel. Ze heeft soep gemaakt, zegt ze. Het moet alleen nog even worden opgewarmd. En of het een fijne wandeling was.

Hij zegt dat het fijn was, maar voor zulk soort antwoorden zijn ze te lang samen. ‘Heb je het weer?’ Vraagt ze.

Hij knikt en kijkt hoe ze de krant sluit, het fornuis aanzet, een glas water voor hem vult. Ze gebaart hem te gaan zitten aan de keukentafel en zet een kom soep voor hem neer.

‘Voorzichtig’, zegt ze, ‘het is heet’.

En met elke hap hete soep die hij eet, terwijl haar ogen op hem gericht zijn, voelt hij zich meer en meer gestalte krijgen. Zelfs al heeft hij geen kennis van het naderende plot, zelfs al is zijn vrouw geen schrijver.

Solidair

13-05-2013

Duur in verhouding tot wat eigenlijk.

Duur in verhouding tot wat eigenlijk.

/ / /

13-05-2013

Ik kwam voor kiwi’s, maar dat mislukte. Als ik over een week of twee, drie heel veel zin in kiwi’s zou hebben, wist ik waar te gaan. Hetzelfde voor avocado’s, ze lagen te rijpen in de schappen. Toen viel mijn oog op de aanbieding van de week. Een emmer vol kleine tomaatjes, precies wat ik nodig had.

Daarna volgden een stuk kaas, een doos crackers en een zakje zure matjes. Ik heb veel geleerd over zure matjes. Zo heb je nooit een beetje trek in zure matjes. Zin in zure matjes komt met veel tegelijk. Zure matjes zijn genadeloos, ze maken je lippen stuk en doen zeer aan je keel. Zure matjes kunnen niet bevriezen. Zure matjes hebben de smaak van aardbeien, maar niet van echte aardbeien of van diepvriesaardbeien, aardbeienlimonade of aardbeienijs of ander aardbeiensnoep. Eigenlijk zijn ze best een beetje vies, maar daarover hoor je nooit iemand. Over het eten van zure matjes wordt sowieso maar weinig gepraat. Dat was vandaag niet anders.

 

‘Lekker zijn die tomaatjes he?’ Zei de man achter me in de rij.

 

‘Inderdaad.’

 

‘Maar wel duur in verhouding.’

 

Ik knikte. Duur, dacht ik, duur in verhouding. Duur in verhouding tot wat eigenlijk. Tot grote tomaten? Tot de groothandel? Tot mijn inkomen? En hoezo? Voor hem is het toch niet duur, ik koop ze zelf.

 

‘Eigenlijk zijn die zure matjes duurder.’  Zei ik.

 

‘Nou moppie, dat denk ik niet.’

 

De caissière scande mijn producten. De tomaatjes waren duurder.

 

‘Zie je wel?’

 

‘Maar uiteindelijk niet hoor, meneer.’

 

‘Hoezo?’

 

‘Nou, die tomaatjes zijn beter voor me dan de matjes. Als ik ziek word, dan draait iedereen daarvoor op, uiteindelijk dan. Beter dat ik de tomaatjes eet.’

 

Ik zuchtte, had geen idee waarom ik dit gesprek was begonnen. Gelukkig zei de man niks terug. Mijn boodschappen waren ingepakt, ik maakte aanstalten weg te lopen.

 

‘Wacht even,’ zei de man terwijl hij een doos negerzoenen of blankenpoepjes of gelijkheidsideaaltjes of hoe ze nu ook heten, in zijn tas stopte. De man was best wel dik, zag ik nu. 

 

‘Ik eet veel en ongezond. Ik sport niet. Ik rook en drink met overgave. Dat doe ik niet alleen voor mezelf. Nee, ik houd de gezondheidszorg betaalbaar. Dus als ik tegen jou zeg, duur die tomaatjes, dan bedoel ik ook: duur die tomaatjes.’

 

Ik knikte beduusd.

 

‘Wat sta je nou te kijken mop? Het is toch niks om somber van te worden? Weet je wat? Ik trakteer je op een saucijzenbroodje hiernaast.’

 

Weigeren was geen optie. Ik at het voor de maatschappij.

Spaghetti

15-02-2013

Op zijn plek stond een bord pasta af te koelen.

Op zijn plek stond een bord pasta af te koelen.

/ / /

15-02-2013

Ze aten spaghetti omdat het woensdag was. Het was kwart over zes en vader was nog niet thuis, hij was te laat. Dat gebeurde de laatste tijd steeds vaker. ‘Zo’ zei moeder. ‘ We gaan gewoon aan tafel, je vader zal er zo zijn. Bovendien, we hebben hem helemaal niet nodig om te eten. Dat kunnen we best zelf. Was jullie handen en kom aan tafel, dan schep ik alvast op. Hij zal er zo zijn.’ De kinderen keken haar zwijgend aan. Ze wisten dat hij er niet zo zou zijn, maar spreken tijdens het eten was niet toegestaan. Onder de tafel schopte Boris, 8 jaar oud, zijn zus Lida, 10 jaar oud. Tranen sprongen in Lida’s ogen, maar ze gaf geen kik. Geen herrie tijdens het eten. Alleen het getik van de grote enge klok die van oma was geweest. Oma was nu dood en de klok was nu hier. ‘Een antiek erfstuk’ zeiden vader en moeder over die klok. Aan de zijkant hadden Boris en Lida stiekem hun namen in het hout gekerfd. Gewoon, uit verveling, omdat ze de klok niet mooi vonden en omdat ze nog nooit hun naam op iets antieks hadden gezet. Als vader en moeder daar achter zouden komen, zouden de kinderen een week geen tv mogen kijken. 

Moeder schepte de spaghetti uit de pan, ze had daar een speciale tang voor gekregen met moederdag. Er was geen saus, maar er stonden plastic bakjes op tafel met blokjes ham en kaas. Ook was er een fles ketchup waarop in verschillende talen geschreven was dat er nu nog meer tomaten in zaten. Boris wilde vragen hoe het kon dat er nu meer tomaten in een fles zaten dan vroeger, maar hij was gisteren al van tafel gestuurd bij het avondeten en had nu wel zin in een warme maaltijd. Hij keek naar zijn zus die een hartje van ketchup op haar pasta maakte. 

De klok tikte en Boris maakte een slurpgeluid bij het opzuigen van een sliertje spaghetti. Moeder keek niet op van haar bord maar gaf hem geroutineerd een klap op zijn achterhoofd. 

Na de pasta kwam de vla. Ze mochten het niet zelf inschenken omdat ze altijd teveel namen. Vader schonk altijd de vla in, maar hij was nog steeds niet thuis. Op zijn plek stond een bord pasta af te koelen. Moeder at nooit vla, ze schonk het voor de kinderen in en bleef aan tafel zitten. Haar mond werd steeds kleiner, van een glimlachje, naar een streepje, naar een klein knopje. 

‘Willen jullie nog even in de tuin spelen?’ vroeg ze ineens. Lida liet haar lepel vallen, zo erg schrok ze van de stem van haar moeder. Nog nooit had ze die tijdens het eten gehoord. Boris had zijn mond open en zijn laatste hap vla drupte in zijn kommetje. Ze kinkten allebei. Natuurlijk wilden ze wel even spelen in de tuin, na het avondeten- ook dat was nog nooit gebeurd. 

‘Goed’ zei moeder terwijl ze de lege kommetjes op het aanrecht zette. ‘We gaan een grote kuil graven, in de hoek bij het konijnenhok. Pak jullie schepjes maar, dan neem ik die grote van papa wel even.’ Zwijgend liepen ze de tuin in, moeder wees aan waar er gegraven moest worden, maar eerst moest de grasmat eraf. Het gras was heel gelijkmatig gemaaid, vader had er zelfs een schaartje voor gekocht. 

Ijverig gingen ze aan de slag, moeder schepte veel sneller en veel grotere scheppen dan de kinderen, en het schoot al flink op. Na een poosje hadden ze een groot vierkant gat gegraven, het kwam tot Lida’s knieën. ‘Zo is het wel goed’ zei moeder, terwijl ze een haar uit haar gezicht veegde. ‘Lida, doe jij je laarzen uit en loop maar naar binnen. Dan mag je papa’s stoel bij de eettafel pakken. En jij Boris, doe jij je laarzen ook uit, en dan mag je papa’s bordje spaghetti pakken, en zijn mes en lepel en vork. Gaat dat lukken?’ 

Met grote ogen keken ze hun moeder aan, ze leek geen grap te maken. Ze liepen het huis in en kwamen terug met de stoel, het bord en het bestek. Moeder was in de kuil gaan staan en nam eerst de stoel aan. Ze legde het ding op zijn kant in de kuil, het bordje pasta en het bestek legde ze ernaast. ‘Zo, en nu gaan we de kuil weer dichtmaken.’ Lida en Boris zeiden niks, het werd al een beetje donker buiten en zo laat mochten ze normaal nooit opblijven.

Toen de kuil weer dicht was, en de grasmat er weer overheen lag, gingen ze naar binnen. Ze mochten ook nog in bad, omdat ze zo goed geholpen hadden.

Ze lagen allang in bed toen vader thuiskwam. Bij het ontbijt zagen ze hem. Hij stond in de keuken een boterham te eten, hij droeg zijn pak, zoals altijd. Hij dronk een glas melk en daarna gaf hij de kinderen een kus en ging hij weg. Moeder zei niks, haar mond was weer heel klein geworden. Boris en Lida pakten hun tassen en gingen naar school. Toen ze thuis kwamen zei moeder dat de stoel niet meer nodig was. 

Spoor

21-08-2017

De volgende stap was de meest cruciale.

De volgende stap was de meest cruciale.

/ /

21-08-2017

Het was begonnen als een ongeluk, maar nu kon hij zich niet meer herinneren hoe het leven was voordat het gebeurde. In het begin verbaasde het hem dat hij zomaar zijn gang kon gaan, dat niemand hem leek op te merken. Niemand, behalve kinderen, die hem nawezen terwijl ze aan hun andere arm werden meegesleept door hun gestresste ouders of doodvermoeide au pair.

Nu rekende hij juist op de mensen die hem negeerden, om zo de kleine groep volwassenen met nog een sprankje kind in zich, te verwonderen, zachtjes te herinneren aan het gevoel van spelen. Hij wilde hen laten voelen wat hij die dag voor het eerst weer meemaakte. Dat iets eenvoudigs, een kleine scene, opgebouwd uit de meest alledaagse objecten, dat zoiets een herinnering kon zijn. Een herinnering dat niks vanzelfsprekend is, dat gewenning geen einde hoeft te zijn van verwondering. Dat de mogelijkheden er zijn, de structuren, figuren, kleuren, geuren…dat de mens maar zo weinig van zijn capaciteiten benut.

Zo probeerde hij zijn nieuw gevonden missie, want dat was het, aan zijn vriendin uit te leggen. Ze hield veel van hem, maar niet van hem alleen. Ze hield van zijn status, van zijn mooie baan, van zijn sociaal wenselijk gedrag, van zijn kennis, manieren, van welke rol hij had.

De nieuwe missie geneerde haar. Ze was bang dat bekenden hem zouden treffen in de stad, het lange spoor achter zich aan makend. Ze was bang dat er publiciteit zou komen. Dat zij de vrouw van de gekke melkman zou worden.

Dat was hoe hij genoemd werd, ‘de gekke melkman.’ Die naam ontstond al in de eerste week toen hij voor het eerst door de stad was gefietst met de melk. Daarna experimenteerde hij nog met frisdrank, sap en water, maar niets gaf het effect als de hagelwitte halfvolle melk, bovendien trok zoetigheid nogal veel insecten aan.

Het ritueel was eenvoudig. Na zijn gerespecteerde baan met kantoortijden vertrok de man naar de supermarkt, waar hij zoveel melk kocht als hij maar in zijn twee boodschappentassen passen kon.

Eenmaal buiten hing hij de tassen aan weerszijden van zijn stuur en dan pakte hij de schroevendraaier uit de binnenzak van zijn colbert. Soms voelde hij overdag stiekem even aan de schroevendraaier, tijdens een zakelijk overleg, tijdens de lunchpauze, tijdens telefoongesprekken. Het was of hij elke dag bijna jarig was.

De volgende stap was de meest cruciale. Hij moest nu een gat steken in de bodem van de twee tassen, en wel zo dat ze niet zouden scheuren, maar slechts zouden lekken. Daarna was het tijd om in de melkpakken te prikken. En dan was het zaak om zo hard mogelijk te fietsen, een witte rivier achterlatend.

Mensen waarschuwden hem soms, oudere dames kwamen achter hem aan met zakdoekjes, hondeneigenaren schreeuwden hem na dat hun gulzige hond nu wel spoedig dood zou gaan door de melk.

Maar dat alles gleed van hem af, terwijl hij door de stad reed, van supermarkt naar supermarkt. Steeds opnieuw kocht hij nieuwe pakken om ze buiten weer lek te steken. Urenlang herhaalde hij het ritueel.

De witte rivier stroomde dagelijks door de stad, en hoewel milieu-activisten schande spraken van de verspilling, de grote meerderheid van de mensen er zwijgend omheen manoeuvreerde, was er ook nog een groep medestanders. Ze volgden zijn route, doneerden pakken melk, probeerden de stroming vrij te houden van lege blikjes of ander zwerfafval,  hielden zijn fiets vast wanneer nodig. Ze spraken niet met elkaar, en ook niet met de man die rustig het spoor naar de horizon bleef verlengen.

En als ze dan zwijgend naast elkaar stonden, de stille medestanders met hun glanzende ogen op de witte stroom gericht, dan wisten zij zeker dat ze op de juiste plek waren.

Sportschool

06-11-2014

Onder haar hoofd een lichaam.

Onder haar hoofd een lichaam.

/ /

06-11-2014

Mieke werkte nu sinds twee jaar in het hoge kantoor achter het station. Ze deed administratief werk, saai maar wel goedbetaald. Ze bouwde pensioen op en had ook een sportschoolabonnement van de zaak. Daar zou ze gebruik van kunnen maken, maar in praktijk rende ze liever door het park, dan dat ze ook nog tijdens het sporten met collega’s te maken had. Samen een lesje volgen, in de kleedkamer staan, laat staan de sauna… Sommige dingen hield Mieke liever gescheiden. De andere vrouwen op de afdeling gingen wel elke dinsdag en donderdag naar de sportschool. Ze volgden lessen met namen als BBB, Bodytone of Abmazing.

Steeds vaker gingen de gesprekken de volgende dag over de sportles van de avond daarvoor. En steeds vaker gingen de gesprekken tijdens de lunch over de les van die avond. Zo kwam het dat er op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag over de sportschool gesproken werd, over de spierpijn, over de mensen die ze nu weer gezien hadden in de sportschool. Langzaam maar zeker was Mieke een buitenstaander geworden die geen idee had van de wereld van haar vrouwelijke collega’s.

‘Kom toch een keertje mee,’ had Sonja tijdens de lunch geopperd, nadat ze met de anderen ruim twintig minuten uitgebreid hadden gelachen om de blunder van Jeffrey op de sportschool. Hij was één van de instructeurs, wist Mieke inmiddels, haar collega’s kenden de namen van iedere instructeur. Ze hadden precies de namen die je zou verwachten bij het beroep van sportschoolinstructeur. Net zoals zij de naam droeg van een administratief medewerkster, bedacht Mieke somber.

‘Nee dankje, ik ga niet mee, het is niks voor mij, zo’n bedompte ruimte met apparaten enzo..’
‘Maar we doen ook een lesje,’ begon Sonja, ‘het is echt heel leuk en gezellig.’
‘En je kunt het ook wel gebruiken,’ viel Karin haar bij, ‘niet lullig bedoeld ofzo.’
‘Hoe bedoel je, ik kan het wel gebruiken?’
‘Nou, gewoon zoals iedereen van onze leeftijd… Een kleine lifting van je billen, iets meer gevormde armen, strakker buikje. Je kunt het wel gebruiken.’

‘Waar kan ik dat dan precies voor gebruiken?’

‘Je gaat lekkerder in je vel zitten, dat is wat Karin wil zeggen,’ probeerde Sonja de boel te sussen. Maar Karin liet zich niet graag sussen.
‘Nee, hoor ik bedoelde alleen te zeggen dat ze nu nog kan ingrijpen, maar straks is het te laat. Een zacht buikje wordt een buik, een zakkend kontje wordt twee lege kussenslopen en een ongetrainde arm een stuk stof aan een bot, weetjewel, zo’n flieber die beweegt wanneer je zwaait. Verder was het niet lullig bedoeld ofzo.’
Karin nam een slokje cola light. Sonja at hoofdschuddend de laatste happen van haar salade. Mieke staarde voor zich uit en sprak toen heel rustig tot Karin: ‘Wel fijn dat je het niet lullig bedoelde. En ook wel fijn dat je dat er voor de zekerheid nog even bij zei. Ik ga maar weer eens aan de slag.’

Na twee uur werken stond Mieke op om naar de wc te gaan. Ze droeg een strakke broek en een bloesje, kleding waar ze nooit lang over na dacht. Maar nu, nu voelde ze zich als een vervallen gebouw. Mooi in de jaren ’80 en ’90, nu wat gedateerd en spoedig een ware ruïne. Nog nooit eerder had ze op zo’n manier nagedacht over haar kont, haar buik, haar armen. En dit had Karin alleen nog maar gezegd op basis van Mieke’s uiterlijk op kantoor. Wat zou ze wel niet denken wanneer ze Mieke in de kleedkamer zou zien?

In de spiegel bij de toiletten bekeek Mieke zichzelf nog eens goed. Ze had mooi haar, een paar rimpels in haar gezicht, maar niks ernstigs. Beetje wallen onder haar ogen, maar goed, wie heeft dat niet als je Netflix hebt. En onder haar hoofd een lichaam. Gewoon een lichaam, het kon rennen door een park, fietsen en zwemmen. Het was best gezond. Alle gewrichten, banden en botten waren nog origineel.

Bij de koffiemachine stond haar collega Henk, hij werkte al twintig jaar bij het bedrijf. Hij was in gesprek met Tinus, een andere oudgediende. Tinus had een grote ronde buik die hij in bedwang hield met een overhemd en een riem. Tevreden klopte hij op zijn buik. ‘Ja, Henk, goed gereedschap moet je onder een afdakje hangen.’
De mannen lachten tevreden en spraken verder over een of andere voetbalwedstrijd waar Mieke alleen iets van had meegekregen door de ME busjes die de stad hadden belegerd gisteravond.

‘Ha Mieke, cappuccinootje voor jou doen?’
‘Doe maar zwarte koffie vandaag,’ zei Mieke.
‘Zwarte koffie? Wat is er aan de hand? Je bent toch niet aan de lijn hoop ik?’
‘Nee hoor, soms wil ik zwarte koffie. Maar even een vraagje, ga jij wel eens naar de sportschool?’
‘Waarom zou ik dat nou doen, haha de sportschool. Heb je soms te lang met dames lopen babbelen?’
‘Nou, ze vroegen of ik niet toch mee wilde…’
‘Dat heb jij toch helemaal niet nodig?’
‘Nou, als ik nu niet in actie kom, dan ben ik over een paar jaar misschien wel…’
‘Ben benieuwd wat er nou komme gaat,’ zei Tinus met een lach op zijn gezicht.
‘..helemaal uitgezakt en vadsig.’
Tinus en Henk keken elkaar aan en barstten in lachen uit. ‘Uitgezakt en vadsig!’ Hikte Tinus. ‘Dus dan wil je eigenlijk het beste van mij en van hem hebben!’
‘Haha, jij wilt zeker met die andere meiden een beetje gaan puffen voor de spiegel. Je hele week erop inrichten, alleen maar daarover lullen, je bent niet goed, hahaha!’

Mieke liep terug naar haar bureau. Halverwege stopte ze bij de werkplek van Karin. ‘Hoi, ik heb er net even over nagedacht en ik ga niet mee vanavond. Of morgenavond of wanneer dan ook. Het is niet lullig bedoeld ofzo, maar ik heb het niet nodig.’

Sprookje

04-08-2015

Daar zei ze dan niets van.

Daar zei ze dan niets van.

/ /

04-08-2015

Er was eens een vrouw die niet gelukkig durfde te zijn. Het was niet eenvoudig het geluk altijd te vermijden en daarom begon ze meteen bij het ontwaken. Soms had ze heerlijk geslapen, de hele nacht aan één stuk door. Dan dacht ze bij het wakker worden: ‘Wat ben ik toch een slaapkop, er zijn mensen die al uren aan het werk zijn. En ik lig maar te dromen, te liggen, wat zonde van de tijd.’ De ochtenden na onrustige nachten zei ze tegen zichzelf: ‘Wat een vreselijke nacht was dat. Ik ben nog zo moe en de dag moet nog beginnen.’

Daarna stapte ze uit bed en ging ze voor haar kledingkast staan. ‘Wie zal ik vandaag eens zijn?’ zei ze hardop. Elke dag kon ze iemand anders zijn. Hoge hakken en een korte jurk maakten haar een wulpse dame, een vale spijkerbroek met gympen een jonge vrouw. Soms was ze opvallend, soms een grijze muis. Maar welk personage ze ook koos, gelukkig was het nooit. Nadat ze aangekleed was, kamde ze haar haren en stiftte ze haar lippen. Tegen haar spiegelbeeld zei ze dan: ‘zo kan het er wel weer mee door.’ Dan ging ze de deur uit.

Ze fietste altijd naar haar werk, ook in de wind, regen en sneeuw. Soms boden collega’s haar een lift aan met de auto, als ze tot laat hadden gewerkt of wanneer er een afscheidsborrel was geweest. Natuurlijk nam ze het aanbod nooit aan.

Wanneer er een collega vertrok, organiseerde de vrouw die niet gelukkig durfde te zijn het afscheid. Ze kocht het cadeau, regelde de catering en de speeches. Meestal vergaten een paar mensen het geld van het cadeau over te maken. Daar zei ze dan niets van.

Haar werk deed ze met veel toewijding. Het werk was niet moeilijk en ook niet erg interessant. Doorgroeimogelijkheden schoof ze door naar haar collega’s. ‘Ik zit goed waar ik zit,’ zei ze dan met een weemoedige glimlach op haar lippen. Collega’s werkten zo nu en dan vanuit huis, dat leek haar ook wel fijn.

Snel dacht ze erachteraan dat ze niet geschikt zou zijn voor zoiets. 

Dat ze vast een gebrek aan discipline zou hebben en dat het halfuur fietsen naar haar werk een minimale hoeveelheid beweging was.

Ze was geliefd, op het werk en daarbuiten. Ze kookte de sterren van de hemel voor anderen, en nam zelf het kleinste bordje met de minst goed gelukte opmaak. Ze was zo gastvrij dat haar logees in haar bed gingen, en zij op de bank lag in een oude slaapzak.

In restaurants nam ze de meest tochtige plek zodat niemand anders daar hoefde te zitten. Als de ober haar dan een betere tafel wilde geven, zei ze: ‘Tocht? Welnee, ik zit hier prima.’ Gekweld door een stijve rug liep ze dan over straat.

Er waren ook mannen die haar mee uit eten wilden nemen. Lieve, zachte mannen die de deur openhielden, haar jas aannamen, haar stoel aanschoven. Mannen die de rekening wilden betalen, mannen die luisterden en lachten om haar grapjes. Maar na een tijdje ging het altijd mis.

‘Ach,’ zei ze dan tegen haar vriendinnen, ‘hij is heel lief enzo, maar eigenlijk is hij gewoon te lief. Het is niet spannend genoeg.’ De vriendinnen vielen haar dan begripvol bij en spraken daarna over hun eigen problemen.

Het was een mooie zomerdag en de vrouw die niet gelukkig durfde te zijn fietste door de stad. Ze probeerde niet teveel om zich heen te kijken. Toch zag ze het allemaal: de blauwe lucht, de felle kleuren, de verliefde stelletjes, een kind dat leerde fietsen, een vrolijke buschauffeur die wachtte op de man die vanuit de verte kwam aangehold.

Zachtjes begon ze te neuriën. Verschrikt hield ze haar mond toen een andere fietser tegen haar zei: ‘Wat een heerlijke dag is het toch!’ Ze snelde naar huis en zette de televisie aan, maar er was nergens een journaaluitzending te vinden. Haar krant was al naar het oud papier. Ze ging op het oncomfortabele krukje naast het keukenraam zitten. Twee duiven keken haar nieuwsgierig aan vanaf de andere kant van het glas. Ze glimlachte naar de beestjes.

Ze probeerde het te negeren, maar het was heel duidelijk. Ze voelde zich licht, er bruiste iets door haar lichaam. Ze sloot haar ogen en voelde het nog sterker, in golven. Ze wist: er was geen stoppen aan.

Stoplicht

21-06-2016

Ik zou hier niet moeten zijn.

Ik zou hier niet moeten zijn.

/

21-06-2016

‘Er is geen reden om zo bedroefd te kijken,’ zegt de oude man met de baard tegen de jonge man bij het stoplicht. ‘Er is geen reden je schouders te laten hangen.’ ‘Wat weet u daar nou van?’ antwoordt de jongen met verdrietige ogen. ‘Wat weet u nou van mijn gedachten, van de gebeurtenissen in mijn leven? Wat weet u van mijn verdriet?’

‘Niets,’ zegt de oude man met de baard. ‘Van jou weet ik niets. Zoals jij van mij niets weet. Maar dat heeft met geluk niet te maken. Zie je die zonnestralen op het natgeregende wegdek? Hoor je de kinderen hollen op het schoolplein hierachter? Voel je het briesje op je huid? Dat is wat wij delen, dat is de werkelijkheid van bij dit stoplicht staan.’

De auto’s van links hebben groen, de man met de baard en de jongen zetten een klein stapje achteruit.

‘U heeft geen idee van mijn werkelijkheid,’

zegt de jongen. ‘Ziet u deze spijkerbroek die ik heb aangetrokken? Dit vest, deze schoenen? Ziet u hoe mijn haren nog nat zijn van het douchen? Het kostte me vandaag vier uur om tot dit punt te komen. Om de kracht te vinden uit bed te stappen, een douche te nemen, me af te drogen, me aan te kleden. Daarna heb ik een uur uit het raam gekeken, ik heb moed verzameld. Moed om naar buiten te gaan. Ik heb mijn telefoon gezocht, mijn sleutels, mijn portemonnee. Het duurde wel een halfuur. Ik heb alles in mijn zakken gestoken en nu ben ik hier bij het stoplicht. Vertel me niet over de zonnestralen. Mijn kleding voelt zwaar op mijn lichaam, ik kan elk moment worden opgeslokt door het asfalt, verdwijnen in de gracht. Ik moet me dwingen stil te staan voor het rode licht, niet met ferme passen voor een truck te stappen. En dat is nog niet het ergste. Het ergste is dat het me niet uit zou maken. De eerste seconden misschien- ik heb nooit goed tegen pijn gekund. Maar daarna…’

Het licht springt op groen. Ze lopen naast elkaar naar de overzijde van de straat.

‘Heb je iets gegeten?’ vraagt de man met de baard. ‘Gisteren heb ik gegeten,’ zegt de jongen. ‘Vandaag nog niet. Ik zie geen reden te eten. Het zal alleen verlengen.’ ‘Ja,’ zegt de man met de baard, ‘dat is waar.’ Hij is even stil en zegt dan: ‘Ik wil je vragen, ik hoop dat het je niet ongemakkelijk maakt, ik wil je vragen om een koffie met me te drinken. In het koffiehuis, daar op de hoek. Ik zal het voor je betalen.’

‘Ik heb geen reden dat te doen,’ zegt de jongen met verwarring in zijn ogen. ‘Dat is waar,’ zegt de man met de baard. ‘Maar wat moet jij nou nog met een reden? Wat kan jou nou nog bewegen? Een goed argument? Daar trap ik niet in. Ik vraag je mee te komen, zonder reden. We laten de zon, de wind, de aarde buiten beschouwing, dat beloof ik. Die koffie, dat vraag ik je als een vreemde bij het stoplicht.’

‘Goed,’ zegt de jongen. Zwijgend lopen ze naar het koffiehuis. De eigenaar begroet hen hartelijk, de twee mannen kennen elkaar al lang. De man met de baard bestelt twee koffie en twee broodjes kaas.

‘Waarom doe je dit?’ vraagt de jongen na de eerste slok koffie. ‘Jouw pijn is ook de mijne,’ zegt de man met de baard. ‘Dat kan niet,’ zegt de jongen. Ze zwijgen.

‘Ik ben blij dat je er bent,’ zegt de man met de baard dan. ‘Het is een misverstand,’ zegt de jongen, ‘ik zou hier niet moeten zijn.’ ‘Maar je bent er,’ zegt de man met de baard. ‘Ja,’ zegt de jongen en hij veegt een traan weg.

De man met de baard rekent af. Ze lopen samen naar buiten en staan dan stil. Ze zoeken naar een passend afscheid. ‘Bedankt,’ zegt de jongen en hij geeft een hand. ‘Jij bedankt,’ zegt de man met de baard.

Ze gaan elk een andere kant op.

De vrouw van de bloemenstal staat de jongen al op te wachten. Zijn bestelling ligt klaar.

Succesvol

03-11-2015

Het moest wel echt zijn.

Het moest wel echt zijn.

03-11-2015

Ze stond bij de koffiehoek op haar werk en keek hoe de café crème uit de machine kwam. Dat was koffie-apparatentaal voor gewone koffie. Het proces begon altijd met gekerm, dan volgde een mechanisch schuifgeluid en dan kwam de herrie van het malen van de bonen. Tot slot klonk er een lange zeurende toon en wanneer het kopje vol was, blies de machine nog een paar keer hard uit, alsof hij opgelucht was dat het weer gelukt was iemand van koffie te voorzien.

Ze dronk uit haar eigen mok, dat deed iedereen die hier langer dan een jaar werkte. Zij werkte er langer dan een jaar en ook langer dan vijf jaar. Zeven jaar kwam ze al hier, in dit gebouw. Ze had carrière gemaakt, ze was wat de mensen een succesvolle vrouw zouden noemen.

Het uitzicht vanuit het pand was weinig verheffend. Grijze gebouwen, een snelweg, parkeerplaatsen. Het hinderde niet, wie had er nou tijd om naar buiten te kijken onder werktijd. Nu ze erover nadacht, was dit misschien wel de eerste keer dat ze echt lang naar buiten aan het kijken was, kijken dat staren werd.

Ze keek naar haar eigen leven alsof het een auto-ongeluk was.

Een ongeluk waar iedereen voorbij reed. Je wilt het niet zien, maar er is iets waardoor je haast wel moet kijken. Een kijkersfile. Lenneke stond in haar eigen kijkersfile.

Ze friemelde wat aan haar bloesje. Eronder droeg ze een nieuw lingeriesetje. Haar benen waren glad geschoren, alles daarboven vers gewaxt. Ze was er klaar voor, ze was er de laatste zes maanden altijd klaar voor. Ze had goede wijn in huis, schoon beddengoed, sliep in sexy maar oncomfortabele nachthemdjes. Ze liet haar telefoon geen moment uit het zicht.

Ze probeerde zo min mogelijk na te denken over haar eigen gedrag. Van een afstandje was het zo’n akelig cliché allemaal. Dat, terwijl ze zeker wist dat het echt was. Het moest wel echt zijn. 

Straks moest ze een belangrijke vergadering voorzitten. Normaal gesproken zou ze dit lang hebben voorbereid, een tikje nerveus zijn, extreem gefocust. Maar nu kon ze het relativeren. Het zou wel goed komen. Of niet. Eigenlijk interesseerde het haar geen bal. Zo ging het met alles in haar leven. Alles waar ze de laatste jaren zo hard voor had gewerkt, leek waarde te zijn verloren. Het bewijs was nu toch wel geleverd dat ze sterk en onafhankelijk was? Het bewijs dat ze niemand nodig had? Het bewijs dat ze een leuke, sterke vrouw was?

Tijdens therapie had ze het ineens hardop gezegd: ze wilde koken, zorgen, samenzijn. Daarna had ze het meteen teruggenomen. Gelachen door haar tranen heen. Gezegd dat ze te moe was. Thuis dronk ze een fles wijn leeg terwijl ze Netflix keek.

Een piepje klonk. Ze wist dat hij het was.

‘Ik zal rond 8 bij jou zijn, eerst even de kinderen naar bed brengen. Marjan denkt dat ik vergader tot laat. X’

Opgelucht keerde ze terug naar haar bureau. Ze was heel gelukkig eigenlijk. En op een dag zou hij voor haar kiezen. En dan zouden ze een gezin stichten. Voor altijd samen zijn. Wandelen op het strand. Een hond nemen. Een zondagse ontbijttafel vol met kinderen.

Hij zou voor haar kiezen. Dat kon niet anders.

Supermarkt

25-03-2010

Ik besloot dat het me niks deed.

Ik besloot dat het me niks deed.

/

25-03-2010

Na een paar weken belde je op. Ik kwam uit mijn werk, zat op de fiets en nam mijn telefoon op.

 Hoi.

Ja, hoi met mij. Hoe gaat het ermee?

Niet zo goed.

Hoe bedoel je?

Deze dag- ik weet niet. Het lukt niet. Deze dag lukt me niet.

Oh, jammer te horen. Ik sluit trouwens ook even onze gezamenlijke bankrekening, dan is dat ook maar gedaan.

Ja.

Okee, spreek je later, doei

Doei.

 Zo gaat dat dus. Ik besloot dat het me niks deed. Ik fietste door en vergat mijn afslag te nemen. Fietste terug, bedacht wat ik ook alweer aan het doen was. Boodschappen. Ik zette mijn fiets vast op alle sloten, bij de ingang. Dat had jij altijd onzin gevonden, zoveel moeite voor die paar minuten. Maar ik had geen geld voor een nieuwe fiets en ook geen haast bovendien. Ik had bijna nooit meer haast.

 Ik liep naar de ingang, alles leek onscherp te zijn geworden, de mensen, de aanbiedingen, de logo’s van de supermarkt op de blauwe vlaggen. Alleen de dakloze bij de ingang was niet onscherp. Zijn roodgevlekte huid, grijze haren en felle groene ogen keken recht door me heen. Ik deed was de andere mensen deden. Ik keek weg met een raar lachje waarmee ik wilde zeggen: ‘Het spijt me dat je daar staat, ik heb wel twee euro, maar geef ze niet. Ik zal ze waarschijnlijk uitgeven aan een biertje ergens, dat ik dan lauw laat worden en niet opdrink, een pakje kauwgum dat ik kwijt zal raken in een van mijn honderd handtassen of aan een stuk chocola waarvan ik spijt zal hebben dat ik het überhaupt kocht.’

 Ik liep door. Nu was het slechts een kwestie van een mandje pakken, boodschappen verzamelen, afrekenen en wegwezen. Gewoon, zoals iedereen dat doet. Het mandje liet ik achter me aan slepen, ze hadden lange hengsels en wieltjes tegenwoordig. Dat was dan vooruitgang.

‘Nooit boodschappen doen als je honger hebt’ hoorde ik mijn moeder zeggen. Ook nooit boodschappen doen als je geen honger hebt, zou ik daaraan toe willen voegen. Ik had geen honger en geen dorst. Ik had een blauwe mand en geen idee wat te doen. Denk na, zei ik tegen mezelf. Pakte toen mijn telefoon, bestudeerde mijn spiegelbeeld in het display. Wat zou zij eten?

 Ik wist wat jij lekker vond, dat was wat ik kocht. Dat was wat ik at. Nu kocht jij het zelf.

Fruit, bedacht ik. Fruit is altijd goed, mensen eten fruit. Twee stuks per dag en een appel om de dokter weg te houden. En groenten dan ook. Geen fruit zonder groenten, of zoiets.

 Mannen in pakken liepen bellend langs, stopten bij de kant-en-klaar maaltijden, gristen wat weg en stonden alweer bij de kassa, waar ze met plastic kaartjes betaalden en weer verdwenen.

 Kant-en-klaar eten, ik besloot er ook naar te gaan kijken, voor de vorm. Ik at geen eten uit plastic bakjes waarbij het leek of er vier ingrediënten in zaten, maar op de onderkant van het bakje dertig beschreven stonden. Ik wilde niet geloven in het idee dat een paar minuten straling op een vis in een plastic bakje, een Toscaanse vis als resultaat zou hebben.

 Maar toch. Ik kon dat allemaal wel denken, maar voorlopig had ik niks dan twee tomaten, twee appels en een kiwi in mijn mandje. De mannen in pakken waren allang weg. Ik besloot het eten te kopen waarvan ik me kon herinneren dat ik er vroeger van genoten had. Instant aardappelpuree. Een collega vertelde ooit dat muizen het poeder graag oplikken, maar het dan wel met de dood moeten bekopen. Maar ik was geen muis en zou er bovendien gekookt water bij gooien. En een beetje magie, dat proces van poeder naar voedsel, kon ik wel gebruiken.

 Bij de kassa gaf ik de caissière een blauw kaartje, nu bespaarde ik 18 cent op de aardappelpuree. Daarna rekende ik af, en liep naar buiten, met een plastic zakje waarvan het niet de vraag was of, maar wanneer de hengels zouden breken. Kijkend naar de grond passeerde ik de dakloze, hij was in gesprek met een oudere dame.

 Thuis lengde ik het poeder aan met heet water, en het wonder van de puree voltrok zich voor mijn ogen. Ik sneed een tomaat in partjes en dronk een glas water. Ik at, nam een appel toe. Waste toen af, het afwasmiddel was haast op en ik lengde het in de fles aan met water. Droogde af, keek naar de plantjes op het balkon. Werken, leven, eten, meedoen. Zo gaat dat dus.

 

– Dit verhaal verscheen in 2011 in nummer 6/7 van het Hollands Maanblad.-

 

Talent

09-12-2015

Het was niet dat er iets mis was

Het was niet dat er iets mis was

/ / /

09-12-2015

Toen haar ouders dood waren was ze bijna vijftig. De kinderen waren toen al het huis uit. De jonste was toen nog niet met zijn motorfiets van een klif gestort, de oudste nog niet geëmigreerd naar Nieuw-Zeeland. Ze had drie broers en twee zussen die aan de andere kant van het land woonden. Een man was er ook geweest in haar leven, maar hij was na twintig jaar huwelijk vertrokken en woonde nu in een zeer vervuilde flat aan de rand van Zoetermeer.

Haar voornaamste gezelschap was dat van haar huisdier: een klein wit hondje met een rood halsbandje. Het beest heette Mono, en als ze naar buiten gingen zette ze het in een speciale wandelwagen voor honden.

Ze was niet oud, als ze de statistieken mocht geloven kon ze nog decennia mee. Maar ze was alle jeugd verloren. Ze wist niet meer hoe te lopen, denken, praten, koken of zich kleden. Ze liep als een oude vrouw, dacht in korte angstige zinnen, sprak enkel over andere mensen en kleedde zich in kleurloze kleding uit boetieks met namen als Modehuis Ans en Veeman Fashion.

In de kleine plaats waar ze woonde kende ze de mensen van de winkels en een handjevol mensen uit de buurt. Hoewel, misschien was kennen niet het juiste woord. Ze wist wie ze waren, met wie ze getrouwd waren, waar ze woonden, dat soort dingen. Nooit werd ze uitgenodigd voor verjaardagen, huwelijken, kraambezoeken of begrafenissen.

Het was niet dat ze onaardig was. Ze was best vriendelijk. Ze waste haar haren tweemaal per week en ging naar de tandarts en de kapper. Haar kleding was schoon, gestreken en rook naar de geurbuiltjes die in haar kledingkast hingen. Het probleem was kortom, niet dat er iets werkelijk mis was, maar dat er niets werkelijk goed was.

Op televisie had ze een programma over zakendoen gezien en de jonge managementgoeroe had uitleg gegeven over het geheim van zakelijk succes.

Terwijl hij erover vertelde kwam hij tot de conclusie dat het eigenlijk een formule was voor succes op alle mogelijke gebieden in het leven.

Het zat volgens hem allemaal in één enkel woordje en dat was: meerwaarde. Met meerwaarde is er geen ontkomen aan, met meerwaarde garandeer je jezelf van werk, vrienden, liefde, geluk, een toekomst eigenlijk.

Daarna gaf hij een stappenplan dat ze driftig overschreef op het kladblokje dat ze ooit had gekregen van de gemeente toen de riolering werd vervangen bij haar in de straat. De pen die erbij zat was door Mono te grazen genomen en had ze dus moeten weggooien.

De stappen waren eenvoudig: 1. Bepaal uw talent. 2. Blink uit. 3. Treed naar buiten.

Ze keek op de klok. Het was half vier en dat betekende dat ze een stukje vlees uit de vriezer moest gaan halen. Ze koos voor een slavink. Ze hield niet van eten en ook niet van koken maar ze deed het toch, net zoals ze alle andere dingen deed. Ze kookte twee aardappels, warmde erwtjes uit een glazen potje op, braadde het vlees en zette toen een kopje sterrenmixthee. Op het kladblok schreef ze toen: 1. Talent. Ze keek naar Mono die druk bezig was zichzelf tussen zijn achterpoten te likken.

Ze staarde naar het blaadje. Er moest toch wel iets te bedenken zijn?

De deurbel klonk. Verontrust keek ze om zich heen. Ze verwachtte niemand, maar ze besloot toch maar open te doen.

Een pakketjesbezorger stond voor de deur. Meestal waren het jonge knapen, maar ditmaal betrof het een oudere bezorger met een imposante grijze snor en gitzwarte ogen.

‘Dit is voor nummer 104’ zei hij met een grote vierkante doos in zijn handen.

Er was iets waardoor ze haar evenwicht leek te verliezen, en ze zweeg een poosje. 

‘Wilt u misschien even binnenkomen?’ Zei ze toen ineens.

‘Nou, daar heb ik echt geen tijd voor,’ zei hij.

‘Heel even.’

‘Vooruit dan maar.’ Hij zette een stap naar binnen. Het smalle halletje was meteen gevuld met deze grote man in het grijs met oranje jack. Onhandig ging ze hem voor naar de woonkamer waar Mono ogenblikkelijk vreselijk begon te keffen.

‘We hebben niet zo vaak bezoek,’ zei ze terwijl ze een kop thee voor de man neerzette. Zijn oog viel op het kladblokje op tafel.

‘Talent? Ha, nou daar doet men maar over alsof het iedereen toekomt, alsof iedereen het heeft… nou, wij weten toch wel beter. Het is wat het is. Geen hoogvliegers, laagvliegers, middenvliegers. Enkel aanstellers en normaaldoeners, als je het mij vraagt.’

Toen zette hij zijn lege kop weer op tafel en zei hij: ‘Ik kom volgende week weer langs en dan kom ik graag eten.’

Ze knikte en deed de voordeur voor hem open.

Terug bij de tafel verfrommelde ze het kladblaadje. Daarna plofte ze op de bank en lachte een kwartier lang hardop.

Tattoo

05-02-2016

Ik weet het goedgemaakt.

Ik weet het goedgemaakt.

/ /

05-02-2016

Ze hield het theekopje goed vast en keek om zich heen. Overal hingen afbeeldingen van tatoeages, chinese tekens, draken, vlammen, tribals, ankertjes en pin-ups, alles was mogelijk hier. Tussen de afbeeldingen hingen diploma’s en certifcaten van de inspectie. Een tatoeage, ze had het nooit serieus overwogen, maar mocht ze het ooit willen, dan was dit vast een goede plek. De studio was in elk geval een stuk minder heftig dan ze had gedacht. Er stond geen harde rockmuziek op, het rook fris en ze kreeg een kopje biologische kruidenthee aangeboden.

Ze zat op een rood pluche fauteuiltje, tegenover haar was de eigenaar van de tattooshop gaan zitten. Ze was naar binnen gekomen om een pakketje dat per ongeluk bij haar bezorgd was, af te geven. Sinds kort waren overburen, ze woonde nog maar drie weken in het huisje schuin tegenover de shop.

Vaak was ze al voorbij gelopen. Steeds hadden ze naar elkaar gelachen, gezwaaid zelfs. In haar hoofd was hij een leuke interessante man geworden, en heel anders dan wat ze gewoonlijk aan mannen ontmoette.

Zomaar een gesprek beginnen was niet haar sterkste kant, maar met de komst van het pakketje had ze een echte reden gekregen om binnen te lopen, een praatje te maken. Voor de zekerheid had ze even een beetje lippenstift opgedaan voordat ze naar hem toe ging. Haar joggingbroek verving ze voor die ene spijkerbroek waarin ze een buitengewoon goede kont had.

Hij had haar hartelijk ontvangen, thee ingeschonken, was met haar gaan zitten en had verteld over zijn zaak. Hoeveel klanten hij had, wat de leukste opdrachten waren, dat soort dingen. Zij vertelde over haar werk als freelance consultant, over de woning die ze met veel geluk had weten te bemachtigen, over de dingen die ze nog ging veranderen in haar huis.

Hij luisterde en lachte om al haar grapjes. Ze voelde zich op haar gemak, hoewel ze in de spiegel zag dat ze wel een beetje rode konen had gekregen, alsof ze een paar glazen rosé had gedronken op nuchtere maag.

‘Doet het pijn, zo’n tatoeage?’ vroeg ze aan hem.

‘Ik kan het je wel even laten voelen, doe ik er gewoon geen inkt in,’ had hij gezegd.

Zoiets zou ze normaal gesproken nooit gedurfd hebben, maar om nu tegenover deze compleet ondergetatoeëerde man te zeggen dat ze het niet durfde, dat was nog enger dan het gewoon maar te doen.

Hij demonstreerde het door een stukje op haar arm onzichtbaar te tatoeëren. Het deed inderdaad veel minder pijn dan ze had gedacht.

‘Wat voor plaatje zou je nemen als je er eentje zou laten zetten, wat vind je mooi?’

‘Die bloemen vind ik wel mooi,’ zei ze terwijl ze op een paar tekeningen wees die vlakbij de deur hingen. ‘Maar het is toch niet echt iets voor mij. Heb er nooit serieus over nagedacht, tenminste.’

‘Blader anders even hier doorheen,’ zei hij terwijl hij een map vol voorbeelden overhandigde.

Hij ging op de armleuning van haar stoel zitten en keek over haar schouder mee naar de plaatjes. Een paar keer raakte hij haar rug zachtjes aan, ze hoopte dat het nog vaker gebeuren zou.

‘Ik denk dat ik deze het mooiste vind,’ zei ze toen, wijzend op een plaatje van een viooltje. ‘En mijn oma heette ook Violet.’

‘Mooi vind ik dat, dat er wel betekenis bij zit,’ zei hij, ‘soms dan willen mensen zomaar wat, en dat slaat dan gewoon nergens op. Vorige week nog, heb ik een pot Nutella op iemands kuit moeten zetten. Natuurlijk hield die gast wel van Nutella, maar je kunt toch moeilijk je hele been volzetten met je boodschappenlijstje.’

Ze lachte om zijn grapje, iets harder dan nodig.

‘Ik kan hem ook heel mooi klein maken,’ zei hij toen. ‘Dat het echt een soort geheimpje van jezelf wordt, ergens op je voet bijvoorbeeld. Je hebt mooie voeten, dat zag ik al meteen.’

Verlegen keek ze naar haar voeten in haar favoriete leren sandaaltjes.

‘Mag ik even?’ vroeg hij toen en hij gebaarde naar haar enkel. Verward knikte ze.

Hij nam haar rechtervoet op zijn schoot en deed het sandaaltje uit. Toen bestudeerde hij beide zijden van haar enkel en zei: ‘deze plek zou prachtig zijn.’

Ze probeerde haar voet terug te trekken, maar hij had haar enkel stevig vast. Bovendien hield hij nu in zijn andere hand het zoemende apparaatje met de naald erin.

‘Nee, dankje’ zei ze met paniek in haar stem. Hij leek haar niet te horen.

‘Niet doen,’ zei ze nu luider. Ze voelde speldenprikjes in haar huid en durfde zich niet meer te bewegen, bang om meer schade aan te richten. Ze huilde en keek de andere kant op.

Toen was hij klaar. In minuten had het kort geduurd, in beleving zou het nooit meer voorbij gaan.

Op haar enkel een klein viooltje.

‘Zo,’ zei hij. ‘De eerste is altijd heftig.’

‘Maar, maar ik wilde helemaal geen tatoeage.’

‘Doe niet zo gek. Je loopt hier al dagen lachend voorbij, komt hier een beetje met me zitten ouwehoeren, gouden sandaaltjes en alles… en nu wil mevrouw het niet meer?’

Ze keek bedremmeld naar de grond. Zou hij gelijk hebben?

Hij legde zijn hand op haar schouder en zei toen: ‘Ik weet het goedgemaakt. Deze krijg je van mij. Omdat we buren zijn.’

Bevend ging ze weer naar buiten. Ze schaamde zich als nooit tevoren en vroeg zich af of ze dit ooit aan iemand vertellen zou.

Test

20-09-2014

Ik wilde even testen hoe zelfredzaam je bent.

Ik wilde even testen hoe zelfredzaam je bent.

/ /

20-09-2014

Speurend liep Marie door haar straat. Een keurige straat in een keurige wijk. Alle huizen hadden een eigen oprit, een voortuintje, twee identieke planten in de vensterbank en iets decoratiefs op de voordeur hangen. Een krans, een lint met daaraan een houten hartje, een stukje wrakhout met daarop een spreuk in het Engels, een slinger van schelpjes of een een beest van stro en kippengaas. De stoep was extra breed zodat de bewoners hun fietsen in de nieuwe fietsenrekken konden parkeren. Veel fietsen hadden grote kratten aan het stuur en daarmee was het stallen een onhandig gedoe van geduw en getrek met fietsen geworden. Marie parkeerde haar fiets daarom meestal aan de zijkant van het huis. Op slot, maar nergens aan vast.

‘Je kunt niemand vertrouwen’ zei haar vriend Egon, ‘dus zet hem nu gewoon ergens aan vast. Als jouw fiets gestolen wordt, is het door je eigen luiheid. Je bent gewoon te lui om even moeite te doen.’

Vandaag kreeg Egon gelijk, haar fiets was weg. Marie opende de voordeur weer en kwam de woonkamer in. Daar zat Egon een krant te lezen op de bank. ‘Ik geloof dat mijn fiets gejat is.’ ‘Hmm’ zei Egon.

‘Ik doe wel online aangifte, dat kan vast, denk je niet?’ Egon bleef verscholen achter de krant.

Marie pakte haar laptop en zette hem aan op tafel. Het was een oud beestje, dat erg veel geluid produceerde en zeker tien minuten starttijd nodig had. ‘Koffie?’ vroeg ze nu aan Egon.

‘Lekker.’

Ze liep naar de keuken, en pakte twee kopjes uit de kast. Ze zette ze onder het apparaat. Terug in de woonkamer legde Egon de krant opzij.

Met een zucht zei hij: ‘Je hebt niet gekeken hè?’

‘Ik weet zeker dat ik hem bij het huis had neergezet. Zo gek, wie komt hier nou?’

‘Nee, dat bedoel ik niet. Ik heb het over de kopjes. Je hebt niet gekeken.’

‘Het zijn kopjes uit de kast, wat bedoel je precies?’

‘Je hebt niet ín de kopjes gekeken.’

‘Nee, maar ze waren leeg, en stonden in de kast. Wat is er nou?’

Egon lachte met een scheef mondje. ‘Het was een test. Ik had expres twee kopjes met koffieaanslag voorin de kast gezet. Ik wilde weten of jij wel checkt of alles schoon is voordat je het aan iemand voorzet. Nee dus.’

‘Jezus, dat slaat toch nergens op?’

‘Nou, kennelijk val je direct door de mand, dus ik sta er nog wel achter. Je ziet maar weer- zo lui als jij bent, dat is nergens goed voor.’

‘Ik kan er toch wel vanuit gaan dat een kopje uit de kast schoon is?’

‘Niet als jij de vaatwasser hebt uitgeruimd,’ zei Egon tevreden terwijl hij de krant weer opende.

Met een zucht ging Marie aan haar laptop zitten. Hoe kwam ze toch zo gemakzuchtig? Of was het misschien niet zo erg, kopjes met koffierestjes erin? Ze liet het maar gaan. Als je dingen niet kon laten gaan, wat voor leven had je dan?

Er was geen internetverbinding. Dat gebeurde normaal nooit. ‘Liefje, ik heb geen internet,’ zei Marie na een kwartier alle mogelijke instellingen te hebben doorlopen. Met een zucht legde Egon de krant weer naast zich neer. Met ferme pas liep hij naar de gangkast.

‘Zo,’ zei hij bij binnenkomst, ‘even de stekker in de modem en het gaat al een stuk beter.’

‘Was de stekker eruit? Waarom dan?’

‘Ik wilde even testen hoe zelfredzaam je bent. Niet zo, dus.’

Marie voelde een kleur op haar wangen verschijnen en balde haar vuisten. ‘Testen, testen, hoezo loop je mij te testen? Mijn fiets is net gejat en jij loopt mij te testen?’

‘We hebben het vaak genoeg gehad over die fiets. Als je zo’n mooie fiets niet goed vastzet, dan ben je hem kwijt. Het verbaast me eerlijk gezegd nogal dat het jou zo raakt, als je er zo mee omgesprongen bent.’

Marie was te kwaad om te spreken. Ze griste haar handtas van het aanrecht en liep de tuin in. Ze hadden een grote tuin waar een echte tuinarchitect een plan voor had bedacht. Het plan was dat er grind lag, en allerlei soorten rotsen en cactussen langs de kanten. ‘Lekker strak en geen onkruid’ had Egon gezegd. Marie had ook geen groene vingers, zij wilde alleen maar een hangmat hebben, maar dat paste niet in het ontwerp.

‘Het is hier geen Ibiza’ had de tuinarchitect gezegd. Hij had gelijk, het was hier geen Ibiza.

Marie ging zitten op een van de keitjes, en schudde met haar handtas. Ergens moest nog een pakje peuken zitten. Eigenlijk rookte ze niet, of in elk geval niet thuis. Daar hield Egon niet van. Maar ook al was hij nu thuis, hij zou het niet merken. Waarschijnlijk zat hij weer verzonken in de krant, hij was niet het type man dat je achterna zou komen lopen.

Marie vond het pakje, erin zat ook nog een aansteker met een witte kat erop. Geleend en nooit teruggegeven. Zo gingen die dingen toch? Of was ze weer te lui geweest? Een dievegge? Soms wist ze niet meer wat normaal gedrag was.

Ze rookte een sigaret en kalmeerde. Ze keek om zich heen, liep voor de verandering het tuinpad af. Dat deden ze nooit. Ze hadden geïnvesteerd in de tuin, dat zeiden ze tenminste op borrels. Maar waar het in praktijk op neer kwam, was dat ze hadden geïnvesteerd in een achtergrond van de woonkamer. Een soort decor waar ze nooit verder in liepen dan de eerste drie meter.

Achterin stond nog een deel van de vorige schutting. De tuinarchitect wilde het meenemen, maar Egon dacht dat ze er nog wel wat mee konden verdienen op Marktplaats. Tot dusver was dat niet gelukt, maar dat kwam volgens hem door de foto’s. Marie had beloofd een betere camera te lenen van een collega, maar was het tot nu toe steeds vergeten.

Misschien wilde ze het ook niet echt. Stomme schutting, stomme tuinarchitect. Het leek wel Bedrock hier. Marie bekeek de oude schuttingdelen nog eens goed, ze leken een beetje verschoven te zijn. Links zag ze iets gekleurds uitsteken. Haart hart maakte een sprongetje. Haar fietsbel! Een gestreepte fietsbel, gekregen van haar zus. Haar fiets was gewoon hier, niks gejat, niks geen aangifte. Een test, natuurlijk was het weer een test.

Met veel moeite verplaatste ze de schuttingdelen en bevrijdde haar fiets. Hij was nog helemaal in orde. Ze nam plaats op het zadel en fietste zo het grindpad af, terug richting het huis. Ze versnelde en versnelde en reed toen zo hard ze kon de woonkamer in. Helaas was de schuifdeur nog dicht.

‘Wat is er gebeurd?’ Vroeg de Eerste Hulparts terwijl hij Marie’s neus recht zette. ‘Het was een test’ zeiden Egon en Marie tegelijk.

Thuis

10-12-2014

Alsof de wereld niet in brand staat.

Alsof de wereld niet in brand staat.

/ / /

10-12-2014

‘Wat ben je aan het lezen?’ Vroeg de man aan zijn vrouw. Het was een donderdagavond en ze waren allebei thuis. Het was wel vaker donderdagavond, maar dat ze allebei thuis waren, was een zeldzaamheid. Vooral zij leidde een druk sociaal leven waardoor de avonden voor de man vaak alleen waren, tot zijn opluchting.

Maar vandaag was het anders. Ze zaten samen op de grote donkergrijze bank die ze twee jaar geleden voor een hoop geld hadden gekocht. Het was een showmodel, maar nog steeds was het verreweg het duurste bezit dat ze ooit hadden aangeschaft. Hij bekeek het tafereel van een afstandje. Daar zat hij dan. Hij was de helft van een stel. Een stel op een bank. Donderdagavond. Buiten donker en koud. Binnen licht en warm. Samen.

De man gleed met zijn tong langs zijn tanden. Een tic van vroeger, nu al een stuk minder, maar nog even slecht tegen te onderdrukken wanneer hij zijn geduld begon te verliezen. Dat was nu. Hij zou het nooit toegeven, maar eigenlijk voelde hij zich vooral goed wanneer hij alleen was. Niet dat zijn vrouw zo lastig was- ze sprak weinig en rook lekker. Ze kookte goed en klaagde zelden. Toch verkoos hij de stilte boven alles. Vanavond was een vreemde avond, want nu moest niet zij, maar hij zometeen nog weg. Naar een kerstborrel, een vervelender sociaal construct kon hij zich niet voorstellen. Maar hij moest, want zonder netwerken was er überhaupt geen werken, had zijn zakenpartner gezegd. Waarschijnlijk was het waar. Wie huurde er nog een makelaar in tegenwoordig? Er waren zelfs borden te koop waarop stond: ‘ik verkoop mijn huis zelf’. Als de man zo’n bord op een raam geplakt zag, moest hij zich inhouden geen baksteen door de ruit te gooien. Alsof het geen vak was. Het was wel degelijk een vak. Zijn vak bovendien. Zijn vak.

De man keek naar zijn vrouw. Hoe dichterbij de kerstborrel kwam, hoe groter de afkeer van zijn vrouw werd. Zoals ze daar zat, zo op de bank, met haar boek. Alsof ze vakantie heeft, dacht hij. Alsof de wereld niet in brand staat. Alsof ik niet besta, alsof zij elke avond thuis is. Zo zit ze daar, kopje thee erbij, zometeen schenkt ze zich nog een glaasje wijn in. Een haarlok gleed vanachter haar oor voor haar gezicht. Al lezend veegde ze de lok weer achter haar oor. Het gebaar maakte hem woedend.

‘Wat lees je?’ Herhaalde hij. ‘Hmm?’ ‘WAT BEN JE AAN HET LEZEN?’ Zijn vrouw keek nu op vanuit haar boek. Haar wenkbrauwen had ze verbaasd opgetrokken. ‘Wat is er met jou aan de hand?’ ‘Ik vraag je wat,’ zei de man nu. ‘Dagboekfragmenten van grote vrouwen uit de geschiedenis,’ zei ze, ‘Wil je wat horen? Het is heel mooi.’ ‘Nee dankje.’ Ze las weer verder terwijl de man begon te mompelen: ‘Grote vrouwen uit de geschiedenis. Grote vrouwen. Geschiedenis. Pff, zeker een heel dun boekje.’
‘Wat zeg je?’
‘Niks hoor.’
Zonder op te kijken zei ze: ‘Moet jij niet zo gaan?’

‘Ik moet helemaal niks’ zei de man met zoveel mogelijk waardigheid, wat niet eenvoudig was bij deze uitspraak. Zijn vrouw keek niet op van haar boek.

‘Jullie hebben toch die kerstborrel?’
‘Jeeminee, mens! Kun je niet gewoon daar zitten en je boek lezen? Je hoeft je toch niet overal mee te bemoeien?’

Zijn vrouw kende hem ruim vijftien jaar. De eerste jaren raakte ze van streek door zijn buien. De jaren daarna probeerde ze hem te veranderen, door hem mee te slepen naar deskundigen die allemaal boosheid uit de kindertijd noemden, maar die allemaal onvoldoende overtuigingskracht bleken te bezitten om haar man te temmen. Nu was het zover gekomen dat ze geen krimp meer gaf bij deze buien.

‘Vergeet je je fietslampjes niet?’

Met een woeste beweging stond hij op. ‘Nee hoor moeder, die vergeet ik niet!’

Stampvoetend liep hij richting de badkamer, waar hij in de spiegel keek. ‘Potverdomme, ik zie er toch nog goed uit’ mompelde hij. Hij poetste zijn tanden, waste zijn handen en kamde zijn haar. ‘Niet slecht,’ mompelde hij, ‘helemaal niet slecht.’

Hij liep weer de woonkamer in. De bank was leeg. Zijn vrouw stond in de keuken, ze schonk zichzelf een glas rode wijn in. Op een klein bordje legde ze wat stukjes kaas en een handjevol nootjes. ‘Zie je wel,’ dacht de man, ‘ze gedraagt zich als een diva. Met die glimlach op haar gezicht, dat warme vest, die stomme pantoffels aan haar voeten. En ik, wat ga ik vanavond doen? Werken. Kerstborrel. Netwerken.’

Hij liep naar de hal, kribbig trok hij zijn jas aan. Zijn vrouw was alweer in haar boek verzonken op de bank. ‘Ik ga!’ ‘Kusje?’ Met een zucht liep hij naar haar toe en plantte hij een kus als een pets op haar wang. ‘Tot vanavond,’ zei ze zonder op te kijken.

Buiten bij zijn fiets kon de man zijn sleutels niet vinden. Hij voelde in zijn jaszakken, zijn broekzakken, zelfs in zijn colbert. ‘Godverdomme,’ zei hij terwijl hij weer naar de voordeur liep. De huissleutel had hij nog wel.

‘Ben je daar weer?’ Zei zijn vrouw toen hij binnenkwam.
‘Fietssleutel kwijt,’ zei hij kortaf.
Met grote passen liep hij door de kamer. Hij trok alle mogelijke lades open, keek in de keukenkastjes en werd bij elke poging chagrijniger.
‘Ik zal je even helpen’ zei zijn vrouw toen. ‘Welke jas had je vanmorgen aan?’
‘Deze.’
‘Nee, je ging naar de bouwmarkt, weet je nog? Dat doe je nooit in deze jas.’
Het was waar. Hij ging die ochtend naar de bouwmarkt en dat zou hij nooit doen in deze jas. Maar waar bemoeide zij zich eigenlijk mee? Waarom hield ze bij wanneer hij welke activiteit ondernam in welke jas?

Zijn vrouw stond bij de kapstok, in haar hand zijn fietssleutel. De groene jas had hij die ochtend gedragen. Natuurlijk.

‘Veel plezier lieverd,’ zei ze.

De man zei niks en liep met gebogen rug naar zijn fiets. Het waaide hard en hij had de hele weg wind tegen. De borrel was saai en duurde lang.

Thuis zat zijn vrouw een brief te schrijven aan haar minnaar.

Tijd

09-11-2015

Zoals het gaat met mensen die zoeken.

Zoals het gaat met mensen die zoeken.

/ /

09-11-2015

Vroeger had hij er nooit op die manier over nagedacht, maar de tijd was als een stijgende waterspiegel. Waar hij eerst in een ondiep plasje water had gestaan, voelde hij het nu al halverwege zijn buik komen. Het water bleef stijgen en stijgen, tot de dag waarop het water hoger zou komen dan zijn eigen hoofd en dan zou het klaar zijn. Over, schluss.

Nadenken over ouderdom maakt oud, hield hij zichzelf voor. Voor zijn leeftijd was hij fit. Hij sportte veel en at weinig. Drinken zou hij nooit echt kunnen afzweren. Het was dan ook de drank die zijn leeftijd nog het meeste verried.

Over het algemeen was hij geen ontevreden man. Zijn cv was van indrukwekkende omvang, hij was voorzitter van diverse belangrijke commissies en verenigingen. Ook deed hij werk waarover de maatschappelijk consensus was dat het nut had. Hij was een belangrijk en nuttig man.

Zijn kinderen waren gezond en kwamen vaak naar het ouderlijk huis. Zijn vrouw was mooi en intelligent. Haar haren waren lang, haar gewicht verschilde nauwelijks met dat van dertig jaar geleden. De aantrekkingskracht was veranderd, maar verdwenen was het niet.

Toch stemde dit alles hem bij vlagen somber.

Hij zag waar het naartoe ging, dit allemaal. Hij zou achteruit gaan, zijn vrouw ook. Hun kinderen zouden kinderen krijgen en op een dag zou er een grote receptie worden georganiseerd met veel van de grote namen uit het veld. Ze zouden lovende, geestige woorden spreken en hij zou exclusieve whiskey krijgen uit zijn favoriete streek. En dan naar huis.

Hij was op zoek gegaan, misschien was het iets biologisch, dat zei hij tegen zichzelf. En zoals het gaat met mensen die zoeken, had hij ook gevonden. Ze had de carrière en ambitie die hij ook had. Ze was niet mooier, slimmer of grappiger dan zijn vrouw. Maar zij vond hem wel knapper, slimmer, grappiger dan dat zijn vrouw hem vond. Ze was onder de indruk van hem. Verzorgde hem. Was altijd blij hem te zien.

En ze was jong. Want goed geconserveerd of niet, in twintig jaar tijd verandert een mensenlichaam, zoveel was zeker.

Hij voelde zich weer jong, als vroeger. Hij ontmoette haar vrienden in de kroeg, zag hoe ze hun levens aan het opbouwen waren. Hoe ze met energie aan het groeien waren, klimmen, ontwikkelen.

Misschien kon het. Hij zou het kunnen doen. Opnieuw beginnen. Een familie. Kinderwagens, nieuwbouwwijk. Hij zou het kunnen doen. Zij had geen tijd te verliezen, dat wist hij.

Morgen zou hij beslissen. Of anders overmorgen. Of de dag daarna misschien.

Tijdschrift

11-06-2014

Opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad.

Opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad.

/ / /

11-06-2014

Het gevoel van euforie over het feit dat ze een baan had gevonden, was groot geweest. Een baan, en dan ook nog bij één van de betere bladen. Ze waren het eerste met trends, baby’s van beroemdheden en allerlei soorten nieuws. Het blad was goed bevriend met een aantal luxe merken die zich uitsloofden met cadeautjes aan de redactieleden in ruil voor positieve stukken, de kasjmier trui die Mimi vandaag droeg als stille getuige. Ook mocht ze soms tripje maken naar verre oorden om iemand te interviewen of voor een fotoshoot. Een droombaan.

Vandaag deed ze weer een interview met twee jonge vrouwen voor de ‘upcoming and fabulous’ rubriek. Alle bijvoeglijk naamwoorden in het blad werden zoveel mogelijk in het Engels gebruikt. Ze hadden afgesproken in een klein koffiebarretje met mannen met baarden die filterkoffie inschonken met een ernst die het midden hield tussen lachwekkend en angstaanjagend.

Mimi dronk haar koffie en wachtte op de afspraak. Ze schreef de rubriek sinds vier maanden en nog nooit was de geïnterviewde op tijd geweest. Meestal kwamen ze tussen de 7 en 14 minuten te laat, een enkeling ruim een halfuur.

Twee meisjes kwamen nu binnen. De een klein en een beetje stevig, met een korte bloemetjesjurk en een grote bril. Naast haar een lange, model-achtige verschijning met een wit bloesje en een heel klein spijkerbroekje aan haar romp en wijde laarzen aan haar voeten. Ze dragen allebei felgekleurde dure designertassen die ze nonchalant aan hun linkerarm laten bungelen. In hun andere hand een mobiele telefoon of tablet, of iets anders plats en glimmends. Hoewel het maar een paar dagen zonnig is geweest, zijn ze allebei diep gebruind.

Mimi staat op en stelt zich aan de meisjes voor. Ze voelt zich klein en dik en onbelangrijk nu. De meisjes blijken de barjongen te kennen en nemen met hem rustig het weekend door. Ook bij hen zijn de bijvoeglijk naamwoorden voornamelijk in het Engels, met hier en daar een zelfbedacht woord of woorden die Mimi gewoon niet kent.

Ze gaan zitten. Het meisje in de bloemenjurk drinkt Duitse cola, het meisje in het spijkerbroekje drinkt tarwegrassap. Vers geslow-juiced, er gaan vijf volle handen gras in de machine.

‘Er staat gewoon heel superveel druk op de twintiger anno nu,’ zegt het meisje met de grote bril en bloemetjesjurk. ‘Klopt,’ zegt het meisje in het spijkerbroekje, ‘superveel druk’.

Met grote moeite glimlacht Mimi. ‘Toch is het jullie gelukt een modelabel, een magazine en een parfumlijn uit de grond te stampen?’

‘Ja, dat is heel gek eigenlijk, toen we begonnen hadden we echt niet het idee van: nu gaan we iets heel groots doen ofzo. Maar mensen vonden het tof wat wij deden, kennelijk.’

Mimi kijkt naar de meisjes, vrouwen eigenlijk, maar opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad. Ook niet voor bijna-dertigers. Ze kijkt naar haar vragenlijstje. ‘Wat zijn de grootste opstakels die jullie hebben overwonnen?’

Deze vraag doet ze goed.

Met grote overgave geven ze een onvoorstelbaar saai en gedetailleerd verslag van de overtuigingskracht die ze nodig hadden bij hun eerste grote investeerder (de peetoom van de kleine) en hoe het verder ging met harde keuzes maken, tussen beige en gebroken wit, taupe en licht grijs. De kleuren van het nieuwe seizoen lagen in hun handen. Het was een superstressvol proces. En dat is het nog steeds, eigenlijk. Maar soms zien ze een meisje ergens op straat of in een club ofzo, en dan denken ze: die ziet er goed uit. Zul je altijd zien: zo’n meisje draagt dan één van hun creaties. Dat maakt het allemaal waard.

Ze praten nog zeker een kwartier door, maar Mimi denkt aan haar fiets die bij de fietsenmaker staat, tot hoelaat zou ze die nog kunnen halen? Ze denkt aan de pan die in de koelkast staat, met restjes curry van gisteravond. Die kan ze vanavond nog opeten. Geen boodschappen doen, fijn. Ze zucht, ze heeft eigenlijk helemaal geen zin in curry.

Het gepraat is opgehouden. Gelukkig heeft Mimi alles opgenomen met de ouderwetse dictafoon die op tafel ligt. Ze probeert zo neutraal mogelijk te kijken en stelt dan de laatste vraag van haar lijstje.

‘Wat zijn jullie tips voor de lezeressen die ook een bedrijfje willen beginnen?’

‘Doe wat je leuk vindt.’

Het meisje met het tarwegrassap knikt. Ze drinkt de bodem zorgvuldig leeg met haar rietje, prrrprrrr, klinkt het.

‘Veel dank voor jullie tijd,’ Mimi staat op en geeft ze een hand.

‘Kunnen we zelf de foto’s bij het artikel kiezen? Want dat zou ik wel fijn vinden.’ Zegt het dunne meisje nu.

‘De fotoredactie bepaalt welke foto’s erbij komen.’

‘Als ik het niet zelf kan bepalen, dan gaat het niet door,’ zegt het meisje met een hoog stemmetje. Er verschijnt een mierzoete glimlach op haar mond. ‘Snap je?’

‘Ik zal kijken wat ik kan doen.’ Mimi denkt aan de haaibaai van een fotoredacteur. Die gaat nooit akkoord met inspraak van derden. Mimi besluit het verzoek maar te vergeten. Iedereen vergeet wel eens wat en dit is wat ze vandaag vergeten is.

‘Superchill- nou, doei doei!’ Roepen de twee terwijl ze samen op de witte Vespa van hun bedrijf stappen, de kleine voor, de lange achter. Mimi pakt haar dictafoon en tas en wil naar buiten lopen, maar de barman roept haar terug. Of ze nog even de drankjes kan betalen- en de salades en broodjes die ze to go hebben meegenomen. ‘Ze zijn zeker vergeten af te rekenen’ zegt de baardman.

Iedereen vergeet wel eens wat, denkt Mimi. Zo zie je maar.

Toekomst

25-06-2014

Ze vragen niks, ze doen het gewoon.

Ze vragen niks, ze doen het gewoon.

/

25-06-2014

Jordi deed de deur open  van de slaapkamer van zijn zusje Lulu. Die zat daar op het tweepersoonsbed samen met haar beste vriendin Mimi. Het bed was bezaaid met tijdschriften en kleding. De televisie stond aan, maar de twee keken niet. Mimi was kleding aan het bekijken op haar Ipad en Lulu was een spelletje aan het spelen op haar telefoon.

 

‘Wat moet je?’  vroeg Lulu zonder op te kijken.

 

‘Mama vraagt welke pizza jullie willen.’

 

‘Tonno. Wij willen altijd tonno.’

 

‘Ja, wij willen altijd tonno,’ herhaalde Mimi zonder op te kijken.

 

Jordi haalde zijn schouders op en maakte aanstalten de kamer te verlaten. Toen draaide hij zich om en zei hij:

 

‘Weet je wat er gebeurt als je gewoon ergens een rij vormt met een groep mensen, zeg tien, vijftien man?’

 

‘Nou?’ Zei Lulu of Mimi.

 

‘Dan sluiten mensen gewoon aan. Ze vragen niks, ze doen het gewoon.’

 

‘Denk je?’  Zei Mimi.

 

‘Nee, dat is zo, ze hebben het wetenschappelijk onderzocht. Ze hebben het ergens in Amerika getest en er ontstond echt een rij.’

 

‘Bizar,’ zei Mimi. Nog steeds hield ze haar ogen strak op de Ipad gericht.

 

‘Ja.’

 

‘Jordi, doe je de deur achter je dicht?’ Zei Lulu nu met een vermoeide stem.

 

Hij deed de deur achter zich dicht en ging naar beneden. In de keuken vertelde hij zijn moeder dat de meisjes een pizza salami wilden. Altijd salami, voegde hij eraan toe.

 

Het vertrek van Jordi uit de kamer verlegde de aandacht van de meisjes naar de tv. Twee donkerbruin geverfde meisjes met neptieten vochten met elkaar in het bubbelbad van een villa waar ze met met tien anderen woonden in het kader van een sociaal experiment. Plukken haar vlogen alle kanten uit, maar het gaf niet, want het was toch nep.

 

‘Ik heb honger,’ zei Mimi terwijl ze geeuwde.

 

‘Ja, ik ook.’

 

‘Heb je eten in je kamer?’

 

‘Cornflakes.’

 

‘Heb je ook melk?’

 

‘Nee, alleen cornflakes.’

 

‘Okee.’

 

Ze aten cornflakes uit de doos. Op tv zat een gespierde jongen in een string op een olifant. Om hem heen de lokale bevolking van het tropisch oord waar hij naartoe was gegaan om zichzelf te vinden. De jongen zei later dat het een onvergetelijke ervaring was om bij een volk te zijn dat nog niet zo ver ontwikkeld was.

 

‘Kom, we maken een selfie,’ zei Lulu nu.

 

‘Niet teveel duckface he?’

 

‘Moet jij zeggen.’

 

‘Ik moet meer lippenstift,’ driftig graaide Mimi in haar grote leren tas.

 

‘Deze is beter.’

 

‘Okee, deze filter doen?’

 

‘Ja.’

De foto was nu een sfeervol plaatje in pasteltinten geworden.

Mimi pakte een potje nagellak uit haar tas. ‘Kijk, de nieuwe kleur van Chanel. Van mijn moeder gejat, merkt ze toch niet.’

‘Cool.’

‘Moet zondag weer mee naar mijn oma, mijn moeder appt me net,’ zei Mimi nu met een verveeld gezicht.

‘Weet je wat mijn oma altijd zegt? antwoordde Lulu, ‘Ze zegt: kinderen jullie zijn de toekomst. Wot de fak denk ik dan altijd- wat moet je daar nou mee?’

‘Ja, serieus wot de fak echt,’ zei Mimi nu ook terwijl ze haar nagels lakte.

 

Beneden klonk de deurbel.

 

‘Pizza’ zei Lulu.

‘Altijd tonno’ zei Mimi.

Tomaten

30-09-2013

‘We eten toch tomatensoep vooraf?'

‘We eten toch tomatensoep vooraf?'

/ /

30-09-2013

‘Het zijn de kleine dingen die je vertellen hoe iemand in elkaar steekt.’ Het mooie meisje pakte een plastic zakje en begon het met sperzieboontjes te vullen. Ze was erg zorgvuldig, ze pakte maar een paar boontjes per keer, bekeek ze nauwkeurig en zo nu en dan gooide ze er een lelijk boontje uit.

‘Hoe bedoel je?’ Haar vriendin keek ongeduldig naar het boontjesproces en pakte toen haar mobiel uit haar grote leren tas. ‘Alweer een gemiste oproep, echt om gek van te worden, ik hoor dat ding nooit. Maar als het belangrijk is, bellen ze wel terug.’ Ze stopte haar telefoon in haar leren jasje dat erg strak zat. Ze was niet onknap, maar wel een stuk minder feeëriek dan haar vriendin die nu bijna klaar was met die verdomde boontjes.

 

‘Nou, wat je nu net zegt, over dat terugbellen. Dat is precies wat ik bedoel.’

 

‘Hoe bedoel je?’

 

‘Nou, dat maakt duidelijk wat voor soort mens je bent, hoe je in elkaar zit. Je bent bijvoorbeeld chaotisch.’

 

‘Maar dat weet je toch gewoon van me? Dat heeft toch niks met die telefoon te maken?’

 

Het mooie meisje begon nu tomaten uit te zoeken. ‘Juist wel, eerst zit je telefoon in je tas, dan in je jas, en je hoort het niet wanneer je gebeld wordt. Ik durf te wedden dat je niet eens je eigen beltoon zou herkennen.’ Het mooie meisje glimlachte.

 

‘Hoeveel tomaten denk je eigenlijk mee te nemen zeg, we zijn maar met z’n viertjes hoor,’ zei de vriendin, een beetje kribbig nu. 

 

‘We eten toch tomatensoep vooraf?’

 

‘Jezus, maak je die echt van tomaten? Ze hebben hier gewoon blikken hoor, of zakken of glazen potten, het is 2013.’

 

‘Kijk, dat bedoel ik nou. Nu leer ik weer je ware persoonlijkheid kennen, het zijn de kleine dingen.’ Het mooie meisje ging door met het sorteren van de tomaten.

 

‘Ja, ik ben inderdaad een praktisch ingesteld mens. Zo kom je daar achter, ja.’ Driftig probeerde de vriendin de tomaten weer uit de zak te halen, maar het mooie meisje hield de zak met een serene glimlach zo ver mogelijk van haar vandaan.

 

‘Nou, je zult vast ook je praktische kanten hebben, maar liefje, dat is niet waar we nu tegenaan lopen.’

 

‘Noem me geen liefje,’ siste de vriendin.

 

Het mooie meisje  liet zich niet uit het veld slaan, de tomaten waren uitgezocht en het zakje werd in het mandje gelegd. ‘Ik denk eigenlijk dat we hier tegen nog een aantal eigenschappen aanlopen. Je kunt zeggen: ze is praktisch ingesteld. Maar eigenlijk getuigt je gedrag toch meer van luiheid en laksheid, beetje hedonisme, en dan nog..’

 

‘Wat dan nog?’ De vriendin keek woest.

 

‘Ik zeg dit als een vriendin, begrijp me niet verkeerd.’

 

‘Wat dan nog? Wat heb je nog meer weten op te maken tijdens deze analytische boodschappentocht?’

 

‘Hmm, ik bespeur een beetje vijandigheid.’

 

De vriendin pakte het zakje tomaten uit het mandje. ‘Zou het?’

 

‘Ja, ik denk dat het komt doordat ik zo dicht op de kern zit, dat kan heel confronterend zijn, voor veel mensen.’

 

Met een zwaai gooide de vriendin het zakje tomaten op de grond. ‘Zou het?’

 

‘Wat doe je nu?’ Het mooie meisje keek met grote ogen naar haar vriendin.

 

‘Zeg jij het maar, jij weet het toch allemaal zo goed te duiden?’ Met haar rechtervoet stampte de vriendin nu op het zakje tomaten. ‘Jij weet het toch allemaal zo goed? Wat zegt dit over mij, over deze tomaten, over het fucking heelal?’

 

Het mooie meisje keek naar haar vriendin. ‘Nu doe je een beetje raar, dat lijkt me niet nodig. Ben je bijna klaar?’

 

Een paar mensen keken meewarig naar de vriendin die op de tomaten stond. Toen de blikken te erg begonnen te prikken stopte ze met stampen. Samen met het mooie meisje pakte ze de laatste boodschappen. Er waren veel aanbiedingen. Ook de geplette tomaten rekenden ze af. Dat moest van het mooie meisje. Maar wat dat dan weer zei over het mooie meisje, daar brandde de vriendin haar vingers niet aan.