Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Lunch

11-06-2015

Verlang niet naar meer.

Verlang niet naar meer.

/ /

11-06-2015

Vandaag was het een woensdag, en het was mooi weer. Vroeger had deze combinatie van omstandigheden een bepaald gevoel opgeleverd, iets van vreugde en belofte. Buiten spelen, ijsjes eten, watergevechten misschien. Nu zei Mette het alleen maar tegen zichzelf om de eindeloze stroom van gedachten te doen stoppen. Ze kende haar hoofd, wist waar het toe in staat was, maar nooit had ze de controle werkelijk verloren, waren de woorden niet te stoppen. Vandaag was het anders. De gedachtenstroom was onhoudbaar. Zachtjes begon ze de gedachten uit te spreken, want wanneer ze aan het praten was, kon ze er niet doorheen denken.

De lunchpauze was net begonnen en omdat haar twee favoriete collega’s een overleg hadden, liep ze in haar eentje tussen de grote gebouwen, op weg naar het kleine supermarktje. Iedereen droeg kleding in blauw, grijs, beige en zwart.

Ze liep met kleine pasjes, haar smalle rok en hoge hakken lieten haar geen andere mogelijkheid dan kittig te lopen.

In het supermarktje pakte ze de salade die ze altijd at, en een flesje rode vruchtensap. Normaal dronk ze water, maar dat was geen onderdeel van de combideal van de dag. Eten en drinken voor een mooi rond bedrag. Op kantoor zeiden ze soms: neem je een cd’tje voor me mee? Het was elke dag anders, maar na drie jaar werken op dezelfde plek was er geen combideal meer te bedenken die ze niet al eerder had gehad. Ze keek naar de boodschappen in haar hand. Honderden mensen zouden vandaag hetzelfde eten als zij.

Er werkten geen kassamedewerkers meer in de winkel. Ze scande haar boodschappen zelf en pinde zonder een code in te toetsen. Intussen bleef haar hoofd tollen van de zinnen, flarden van zinnen, ideeën, meningen, angsten, losse woorden, monologen, dialogen, gefluister en geschreeuw.

Ze haatte haar baan.

Ze wist het, maar nooit zou ze het hardop uitspreken, ze durfde het haast niet te denken. Ze werd goed betaald, werkte voor een bekend bedrijf, was bevriend met een aantal collega’s. Ze had een huis gekocht, ging op vakantie, kocht mooie tassen. Maar niets hielp werkelijk, ze haatte haar baan.

‘Wees niet bang, niemand weet waar hij mee bezig is, ze denken er alleen niet over na,’ prevelde ze nu hardop. Het was een mantra dat ze had geschreven naar aanleiding van een artikel in een vrouwenblad. Het sturen van je eigen gedachten, zo stond er, was erg eenvoudig. Daarom besloeg het verhaal slechts anderhalve pagina met veel spirituele afbeeldingen eromheen. Ze had het in elk geval erg serieus genomen en uitgeknipt, gekopieerd, gelamineerd en op verschillende plekken in haar huis gelegd.

Ze ging op een bankje zitten en begon de salade te eten met de houten vork die ze erbij gepakt had. Elke dag een houten vork, elke dag een plastic bakje, elke dag een plastic flesje, elke dag twee servetjes. Ze zou vast naar de hel gaan.

Er liepen twee jonge vrouwen voorbij. Alles aan hen ademde ambitie en belofte.

‘Waar zie jij jezelf over vijf jaar?’ vroeg de linker aan de rechter. Het antwoord kon Mette niet verstaan, de twee liepen stevig door, hadden vast geen tijd voor pauzes.

Mette begon te prevelen. ‘Over vijf jaar? Ik weet niet eens wat ik vanavond ga eten- dus waar heeft iedereen het toch over? Het kan niet zijn dat dit het is- dat dit hier, deze onzin, dat dit het is.’

Een andere stem klonk ineens: ‘Waarom niet- waarom niet?’

Voordat ze kon antwoorden, kwam er een tweede stem bij: ‘Verlang niet naar meer- verlang naar dat wat je hebt.’

Mette schudde met haar hoofd. Ze kon niet gek worden, niet vandaag, er was geen tijd. Ze sloot haar ogen.

Een harde stem klonk dicht bij haar gezicht. ‘Hallo? Kun je mij horen?’

Er werd aan haar schouders getrokken, geschud.

Ze opende haar ogen. Boven haar hingen bezorgde gezichten met gekromde lichamen eraan.

‘Je bent flauwgevallen’

‘Weet je waar je bent?’

‘Kunnen we iemand voor je bellen?’

Ze sloot haar ogen weer.

Een collega van een andere afdeling liep voorbij en belde de secretaresse die haar naar huis bracht. De bedrijfsarts werd ingeschakeld. Er werden bloemen bezorgd. Het kwam veel voor, zeiden mensen uit haar omgeving. Ze had te hard gewerkt, was te ambitieus, dat soort dingen.

Mette staarde apathisch voor zich uit in een leunstoel in de tuin van haar ouders. De gedachten waren opgehouden, ze hoorde slechts nog een zacht gezoem. Zodra ze de juiste pillen en de juiste dosering hadden gevonden, zou ze weer aan het werk gaan. Ze dacht dat ze ernaar uit keek.

Mager

07-03-2014

Zoiets zegt iets over je persoonlijkheid.

Zoiets zegt iets over je persoonlijkheid.

/ / /

07-03-2014

We keken naar de voorbijrennende kinderen die net een ijsje hadden gegeten. We keken naar de kinderen die hun ijsje lieten smelten tot over het hoorntje, tot over hun handen, tot over de mouwen van hun truitjes. We keken naar de oude dame die met muizenhapjes een bolletje perenijs aan het eten was. We keken naar de meisjes van de ijssalon die chagrijnig waren, maar daar geen tijd voor hadden.

Mijn vriendin Mara, of eigenlijk- mijn kennis Mara, mijn vriendin van vroeger, mijn oude klasgenoot, wist nu zeker wat voor man ze eigenlijk zocht en daarom zaten we hier, bij de ijssalon. Dit gesprek hadden we al vaker, veel vaker gevoerd. Mara was een ‘serial dater’ ofwel iemand die verslaafd was aan gekwetst worden. Alle aandacht die ze kon krijgen was welkom, ongeacht wie de persoon in kwestie was, ongeacht het soort aandacht. Vroeger stelde ze elke nieuwe man voor aan haar hele vriendenkring en aan haar ouders.

Dat was nu wel voorbij- die keer dat ze met een opgefokte bankier was verschenen was er één teveel geweest. Het probleem was niet dat hij alleen maar over geld sprak, commentaar gaf op het eten en coke snoof aan tafel. Dat soort dingen waren we wel gewend van Mara’s mannen. Het probleem was dat hij lingerie meenam van de vriendinnen van Mara. En niet alleen bij de vriendinnen, maar ook bij haar zussen en zelfs bij haar moeder bleek er ondergoed te missen. Het was ook haar moeder die het als eerste opmerkte. Zij was haar bh met extra kabels langs de voorkant kwijtgeraakt. Eeuwig zonde, ze voelde zich altijd zo lekker vrouwelijk met haar borsten als rollades ingepakt.

Sindsdien was Mara niet meer welkom met haar mannen. In tranen beloofde ze iedereen op zoek te gaan naar zichzelf, eerlijk te zijn over wat ze nu werkelijk zocht en nodig had, en nog meer van die dingen die ze in tijdschriften had gelezen. Dat was nu vier maanden geleden. Vandaag kwam ze met de uitslag van haar zelfonderzoek, had ze van tevoren aan de telefoon gezegd. 

Eerst kochten we ijs, ik bestelde twee bolletjes vanille in een bakje, waarop Mara me veelbetekenend aankeek. Zoiets zegt kennenlijk iets over je persoonlijkheid. Het zegt dat ik behoudend ben, een controlefreak, een perfectionist en mogelijk racistisch. Dat zei ze. Ik zei dat het betekende dat ik van vanille-ijs houd en niet van vieze handen en goedkope koekjes. Mara schudde haar hoofd en bestelde toen drie bolletjes ijs op een groot hoorntje. Ze nam chocolade, pistache en aardbei. Misschien had ze toch gelijk, dacht ik. Je moest wel gestoord zijn om zulke dingen op te eten. Maar ik zei niks. Met het eten van het ijs verbeterde de stemming weer een beetje, we gingen in de zon op een bankje zitten.

 

‘Okee, wat heb je ontdekt de afgelopen maanden?’

 

‘Nou, ik ben eruit wat ik nodig heb,’ zei Mara. ‘Wat ik zoek. De man die ik zoek is mager. Ja, ik zoek een magere man. Een hele magere, met van die jukbeenderen die uitsteken.’

 

‘Een magere man? Hoezo? Ik hou juist van mannen met een beetje vlees eraan. Niet dik ofzo, maar een stevige vent, een buikje vind ik niet erg. Dat kleedt ook af in bed, denk je niet?’

 

Ze nam nog een hapje. ‘Nou, dat kan misschien wel zijn, maar ik denk dat een hele magere het zal zijn voor mij.’

 

‘Het is wel lekker makkelijk zoeken naturlijk,’ zei ik. ‘Hup de kroeg door- op zoek naar een magere vent. Maar waarom per se heel mager? En is alleen op uiterlijk selecteren wel de beste manier? Niet dat ik er verstand van heb hoor. Maar heel mager?’

 

Nu zei ze een tijdje niks. Ik zei ook niks. 

 

 

‘Het klinkt een beetje gek misschien,’ begon ze, ‘maar het is om te wennen.’

 

‘Om te wennen?’

 

‘Ja, kijk- in het westen gaan de meeste mensen dood aan één of andere ziekte, of aan hun hart. Maar een magere man gaat niet dood aan zijn hart. Die gaat dood aan kanker.’

 

‘Nou, dat is niet gezegd toch- hij kan ook onder een auto komen, of een andere nare ziekte krijgen die alleen maar letters als naam heeft, of een domme hobby beginnen en van een berg vallen ofzo..’

 

‘Tuurlijk- maar dat is allemaal minder waarschijnlijk.’

 

Mara zuchtte heel diep.

 

‘Ik wil gewoon een man die er al een beetje uiziet alsof hij aan het einde is. Dan hoef ik er niet zo aan te wennen. Snap je?’

 

Ik keek naar de ouders van de kinderen met de ijsjes. Ze zagen er moe uit.

 

‘Snap je?’ Zei ze nog een keer.

 

‘Nee, natuurlijk niet.’

 

‘Jammer.’

 

‘Ja, jammer.’

Mayonaise

29-10-2017

Ze leefde een leven zoals de bedoeling was.

Ze leefde een leven zoals de bedoeling was.

/ / /

29-10-2017

Didi was een gewone vrouw met een gewoon leven. Ze had een goede kantoorbaan, een prettige woning en een lieve vriend. Ze woonde in een net huisje niet ver van het centrum van een grote stad.

Op donderdagavond ging ze naar de sportschool, op maandag rende ze een rondje door het park. Op woensdagavond in de oneven weken sprak ze af met een clubje vriendinnen van haar studie. Dat werd nooit laat, want ook haar vriendinnen moesten de volgende dag weer op tijd op. Bovendien wilden ze allemaal acht uur slaap halen. Dan functioneerde je het beste, zo vonden ze.

Er waren meer dingen waar ze het over eens waren. Hoe een leuk ingericht huis eruit zag, bijvoorbeeld. Welke restaurants het bezoeken waard waren, welke boeken het lezen. Wat een leuke grap was, wat lekker gek was en wat ongepast. Soms vroegen mensen of Didi en haar vriendinnen zussen waren, of nichtjes ten minste. Die vraag amuseerde hen. Tegelijkertijd dachten ze allemaal hetzelfde: dat zijzelf dan wel de knapste zou zijn van het stel.

Didi droeg graag kleding van merken uit het middensegment, want dat bleef langer mooi. Ze dronk kruidenthee met een wijze spreuk op het theezakje en in het weekend een glaasje witte wijn. Soms las ze een boek, elke avond keek ze tv.

Soms waren er tegenslagen, soms meevallers. Soms kibbelde ze met haar vriend, meestal was het gezellig. Ze was attent naar vrienden en familie. Elke zes maanden ging ze naar de tandarts, elke zes weken naar de kapper. Afval werd gescheiden en ze stond op voor oude mensen in de bus. Didi leefde kortom, een leven zoals de bedoeling was.

Toch was er recentelijk een bepaalde onrust in haar leven gekomen, en wel in de gedaante van een man die ze nog nooit in het echt had ontmoet. De man was acteur, maar eigenlijk was hij vooral bekend als de mayoman uit een serie reclames voor mayonaise. Ze had de reclames tientallen keren gezien zonder in de war te raken, zelfs zonder de mayo te willen kopen.

Het was begonnen met een interview in een damesblad waarvan ze de inhoud niet meer zou kunnen herhalen en ook de foto’s was ze al praktisch vergeten. Toch was er iets gebeurd, want vanaf dat moment was hij overal waar zij was. Wanneer ze haar boodschappen op de band legde in de supermarkt, keek ze om zich heen om te zien of hij er toevallig ook was. Wanneer ze zich aankleedde, probeerde ze zich voor te stellen wat het mooiste zou passen terwijl ze naast hem zou staan. Wanneer ze in een van haar kookboeken bladerde stelde ze zich voor wat hij lekker zou vinden.

Want dat van die mayoreclame, dat was alleen voor het geld natuurlijk. Het was een man met klasse, een eindeloos diepe ziel, een poëtische geest, een man die geen banale dingen zou zeggen.

In haar hoofd zaten ze lange avonden aan het haardvuur in zijn huis, terwijl ze gesprekken voerden waaruit bleek dat ze zielsverwanten waren. In haar hoofd dronk ze rode wijn in plaats van witte, in haar hoofd was ze een vrouw die hoofden deed omdraaien op straat, een bijzondere verschijning.

De parallelle wereld breidde zich elke dag een beetje verder uit. In haar hoofd waren ze al naar Parijs verhuisd, teruggekomen, hadden ze een zoon gekregen en kwam er nu een geweldige kans in New York op hun pad.

Haar drukke innerlijk bestaan maakte dat ze zowel vrolijker als somberder werd.

Wanneer ze foto’s zag van zichzelf met haar vriend, op een huwelijk ergens op een middelmatige locatie, met eten dat te zout was, dan kon ze haar computer wel uit het raam gooien. Het kon niet zijn dat dit het was, dit leventje, dit gedoetje. Op andere momenten werd ze juist vrolijk wakker na een nacht vol dromen over de mayoman, en bekeek ze kleding voor haar toekomstige leven. Stiekem bereidde ze zich steeds meer voor op het bestaan met de mayoman, ook al wist ze dat het belachelijk was.

Ze durfde aan niemand te vertellen wat er gaande was in haar hoofd. Vriendinnen hadden gezegd dat haar ogen sprankelden, haar haren glanzender leken. Haar vriend had gezegd dat ze emotioneler was dan anders, maar was ook blij met haar verhoogde libido, niet wetend dat zij de mayoman zag wanneer ze haar ogen sloot.

Het was op een regenachtige avond in november dat ze de mayoman in levende lijve zag. Het toeval was een handje geholpen, Didi had uitgebreid onderzocht waar hij woonde, waar hij boodschappen zou doen. Het was flink om, maar niemand hoefde ervan te weten.

Ze baalde van haar outfit die dag, maar het gure weer had haar gedwongen tot het aantrekken van een groot vest en stevige laarzen. De mayoman zelf zag er ook niet al te florissant uit, in een groene parka en met beslagen brillenglazen (een bril die ze nog niet eerder had gezien maar uiteraard meteen charmant vond).

Subtiel achtervolgde ze hem van schap naar schap en uiteindelijk zorgde ze ervoor dat ze precies achter hem in de rij kwam te staan.

Halsreikend keek naar de boodschappen die hij op de band legde. Het begon anders dan ze dacht, met een halfje casino wit. Daarna volgden een fles aanmaaklimonade, de goedkoopste leverworst die er maar bestond, een pak pasta, een potje kant-en-klare carbonarasaus, twee pakken chocoprinskoeken, een zak wokkels en een fles felgroene Fernandes.

Misschien had hij een kind te logeren, probeerde ze zichzelf gerust te stellen. Een neefje ofzoiets. Maar er was geen kind te bekennen. Met lede ogen keek ze hoe de mayoman alles in een versleten Aldi-tasje stopte.

Daarna zag ze haar toekomst langs de scanner gaan. Goede wijn, ambachtelijk brood, verse kaas, zalm gerookt op eikenhout.

Ze dacht aan haar goedzakkige vriend die nu op de bank zou zitten. Ze dacht nog eens aan de mayoman, aan haar gedroomde toekomst.

En toen barstte ze in tranen uit.

Meer

10-07-2015

We hebben het veel over je gehad.

We hebben het veel over je gehad.

/ / /

10-07-2015

Nerveus ijsbeerde Dirk door de kamer. Hij had een vrije dag vandaag, maar dat was voor hem geen reden om te ontspannen. Het was de droom die hij vannacht had gehad, die hem door de kamer deed lopen als een gekooid dier.

Hij zat aan de rand van een zwembad bij een grote villa, ergens in Zuid-Europa, Spanje misschien. Om hem heen hoorde hij geklets van zijn vrienden, kennelijk hadden ze als groep besloten hierheen te gaan. Vanuit de keuken klonk muziek, gelach en het geluid van messen op snijplanken. Op het terras stond zijn beste vriend een zak met kooltjes open te scheuren. Ze gingen barbecuen, zoveel was duidelijk. Het was nog heerlijk warm en zijn voeten liet hij loom in het water hangen. Naast hem stond een koud biertje. 

‘Aan tafel!’ klonk het toen. De wijnglazen waren gevuld, er stonden salades op tafel, schaaltjes met olijven en vers brood. Het eerste vlees van de barbecue ging rond. Het was mals, goed gekruid en perfect gebakken. ‘Bewaar nog wat ruimte voor de ronde met vis’ zei de vriendin van zijn beste vriend. ‘Iemand nog een beetje wijn?’ klonk het van rechts, ‘Wie wil de laatste mozzarella?’ klonk het van links.

Er was niks op de situatie aan te merken. Helemaal niks. 

Toen tikte een vrouw op haar glas met de achterkant van haar mes. Iedereen werd stil en keek haar aan. Ze stond op en keek de tafel rond. Ze was bloedmooi, met glanzende blonde haren, staalblauwe ogen en een diepbruine huid. Dirk keek om zich heen om te zien bij wie ze hoorde, maar hij kwam er niet uit. ‘Graag wil ik even jullie aandacht,’ zei de vrouw met een stem die verbazingwekkend krachtig was voor zo’n smalle klankkast. Ze keek met een glimlach de tafel rond, iedereen keek vol belangstelling terug.

‘Jullie weten natuurlijk allemaal waarom we hier zijn. Of eigenlijk: bijna allemaal! Want Dirk, lieve, lieve Dirk, dit is een interventie.’ Dirk dacht even na, was een interventie niet alleen voor mensen die aan de drank of drugs waren? Hij lustte wel een glaasje, maar om nou een interventie…Voordat hij iets kon uitbrengen, vervolgde de vrouw haar verhaal: ‘Want ja Dirk, we hebben het veel over je gehad hoor. Heel veel. En weetje, jij doet het goed Dirk. Je doet het goed, wees niet bang. Werken, vrienden, sporten, reizen, vrouwen, een huis. Allemaal prima. Maar weet je wat het is, jij lieve, lieve Dirk?’ Hij schudde zijn hoofd.

De vrouw zwaaide drie keer met haar vinger in de lucht en de tafel begon in koor: ‘Er had meer in gezeten.’

‘Meer? Waarin? Hoe bedoel je?’ stamelde Dirk. Nu werd hij wakker. Hij opende zijn ogen en keek om zich heen. Naast hem zat de kat hem strak aan te kijken. Ze mauwde kort, het leek of ze wilde zeggen: ‘wist je dat dan niet?’ Hij was opgestaan en had de kat brokjes gegeven. Het beest had ze nauwelijks aangeraakt, waarmee zijn vermoeden werd bevestigd dat ze werkelijk dacht dat er meer in had gezeten. Daarna was Dirk gaan douchen, had hij koffie gezet en toen was het ijsberen begonnen.

Hij zette de radio aan, de Tour de France was de hele dag te horen. Hij hoorde de verslaggever vragen aan een renner of er niet meer in gezeten had voor de etappe van gisteren. ‘Dat kun je je altijd afvragen’, zei de renner, ‘maar als je zo diep gaat en het zuur je zo…’ Dirk zette de radio uit.

Hij pakte de cornflakes uit de kast en vulde een kommetje. Hij voegde een plens koude melk toe en las de verpakking van de cornflakes. ‘Verbeterde receptuur’ stond er op het pak. ‘Nu met 100 gram extra’ stond er ook op het pak. Kennelijk hadden ze een vergadering gehad, de mensen van de cornflakesfabriek. Hadden ze geconcludeerd dat er meer ingezeten had.

Hij keek om zich heen, naar het appartement dat hij vier jaar geleden had gekocht. Zou er meer ingezeten hebben? Had de prjs beter gekund? Benutte hij de ruimte wel goed? Zouden mensen bij hem op bezoek komen en dan op de terugreis in de auto tegen elkaar zeggen: ‘Leuk huis, maar er had meer ingezeten?’

Er was geen besluit dat Dirk kon bedenken waarbij het uitgesloten was dat er meer in gezeten had. Hij dacht aan de vrouwen met wie hij geweest was, de banen die hij gehad had, de reizen die hij gemaakt had, de feestjes die hij georganiseerd had, de auto’s die hij gekocht had… had er meer ingezeten?

Zijn telefoon ging. De telefoon waarvan hij zich nu afvroeg of hij hem wel ten volste aan het benutten was. Welke functies zou hij allemaal niet kennen? Functies die ongelofelijk leuk en slim waren? Functies waarmee je alles kunt optimaliseren, maximaliseren, waarmee je overal alles eruit kunt halen. De telefoon ging weer over. Het was zijn moeder.

‘Mam?’

‘Dirk, ik heb verdrietig nieuws,’ haar stem klonk gesmoord, ‘opa is dood.’

‘Dood? Hoezo? Het was toch niet ernstig, die operatie?’

‘Nee, maar het ging mis. Hij gleed weg. Ze hebben nog geprobeerd hem weer terug te halen. Maar het zat er niet meer in.’

‘Ik ben vrij vandaag. Ik kom nu naar je toe.’

Terwijl hij op zoek was naar zijn autosleutels, vroeg Dirk zich af hoe hij alles uit deze dag zou kunnen halen, wat de optimale route zou zijn, welke begraafplaats de allerbeste, welk pak hij zou dragen op de begrafenis…in deze maalstroom van gedachten vergat hij dat zijn keukenkastje nog open stond. Hij strikte zijn veter, kwam omhoog en stootte zijn hoofd hard tegen de punt van het kastje.

De scherpe pijn, er viel niets op aan te merken. Hij voelde tranen opwellen en besloot er alles uit te halen wat erin zat. Hij gierde met uithalen terwijl hij op de keukenvloer zat. Even later zou hij zich herinneren dat de autosleutels in zijn jaszak zaten en dan rustig naar zijn ouderlijk huis rijden.

Mening

26-03-2015

vrouwen die zichzelf wilden verbeteren

vrouwen die zichzelf wilden verbeteren

/ / /

26-03-2015

De staantafels waren netjes bekleed met donkerrode tafelkleden. Op elke tafel stond een glaasje met nootjes en een klein kaarsje. Het was maximaal gezellig gemaakt, maar eigenlijk was er geen kruid opgewassen tegen de typische kantoorbedomptheid die in deze ruimte heerste. Het paste wel uitstekend bij de situatie- een netwerkmoment na de korte workshop ‘effectief communiceren’ die de deelnemers voor een kleine vijfhonderd euro hadden gevolgd.

Een vrouw van begin dertig stond aan een tafeltje. Ze zag er succesvol uit, dat wil zeggen: tamelijk aantrekkelijk en een beetje onaardig. Een man in pak kwam bij haar staan. Hij had een volle bos krullen op zijn hoofd en een zelfvoldane glimlach op zijn gezicht. Voor hem waren dit soort workshops een gelegenheid om nieuwe vrouwen op te duikelen. Vrouwen met ambitie, vrouwen die zichzelf wilden verbeteren. Daar hield hij wel van. De diamantjes zaten in de workshops over communiceren. Veel over niks.

‘Waar werk jij?’ vroeg de vrouw aan hem.

Hij wachtte even met antwoorden. Zo leek hij interessanter, dat had hij jaren geleden ergens gelezen en het leek echt echt te werken.

‘Ik? Nou, het is een beetje geheim eigenlijk.’ Hij probeerde zijn intense blik op haar uit. Het leek maar weinig effect te hebben, want ze zei: ‘Ach, je hoeft het niet te zeggen hoor.’ Ze namen allebei een slok, zij van haar witte wijn, hij van zijn biertje.

Ze zuchtte. Zou hij nog gaan vragen wat zij voor werk deed? Dat was de hele reden van haar vraag. Zodat ze kon vertellen over haar werk, haar successen, haar slimmigheidjes, haar logo, haar website, de opstartfase, het onverwachtse succes (voor de buitenwereld dan, zijzelf geloofde vanaf de eerste minuut in haar product. Uiteraard.)

Hij keek om zich heen. Wat was dit nou voor rare toestand? Hij wilde juist dat ze zou aandringen, dat ze per se wilde weten wat voor belangrijke baan hij wel niet had. Niet dat ze het zo snel zou laten gaan.

Er kwam nog een vrouw aangelopen. In haar ene hand een glas rode wijn, in haar andere hand een hapje dat net was uitgedeeld. Iets met bladerdeeg, mayonaise en garnaal. Maar vooral iets van ongemakkelijk formaat. Het kon niet in stukjes worden gesneden of afgebeten, want dan viel het uitelkaar. Het paste wel in één keer in je mond, maar dan werd het meer een kwestie van de boel binnenboord houden in plaats van rustig de smaken proeven of enigzins charmant een hapje eten.

‘Wat een onhandig hapje,’ zei ze terwijl ze haar grote handtas op de grond neerzette. De andere vrouw glimlachte zonder begrip uit te drukken. De man zag zijn kans schoon en zei:

‘Dat is nou precies mijn vak!’

‘Te grote hapjes maken? Ben je cateraar?’ Vroeg de succesvolle vrouw met een opgeheven wenkbrauw.

De andere vrouw zei niks, ze was druk met een servetje voor haar mond het hapje binnenboord te houden. Nu maar hopen dat het decoratieve plukje dille niet tussen haar tanden was terechtgekomen.

‘Cateraar? Ik? Ha! Nee!’ zei de man. ‘Nee, maar ze zei nog iets,’ hij gebaarde naar de vrouw van het hapje dat ze het moest herhalen, ‘wat zei je nou over het hapje?’

De vrouw keek hem onzeker aan, ‘ehm, dat ze onhandig zijn?’

‘Precies! Je gaf een waardeoordeel, oftewel een mening. En dat is waar ik in doe. Meningen.’

‘Meningen?’

‘Ja, toch een vitale en drijvende kracht achter alles.’

De vrouw van het hapje probeerde subtiel met haar tong haar tanden af te gaan, op zoek naar dat stukje dille. Het zou de eerste keer niet zijn.

De succesvolle vrouw wilde over haar werk vertellen en vroeg zich af hoe ze hier nou subtiel over kon beginnen. Maar de man leek niet van plan zijn verhaal te laten kapen.

‘…dus dan komen ze bij mij. Je vraagt je misschien af wie?’

Niemand vroeg zich af wie, maar dat kon de man niet deren.

‘….nou, dat is dus heel breed. Van CEO’s tot politici, tot BN’ners en columnisten natuurlijk. Je vraagt je nu vast af: met wat voor vragen komen ze dan bij mij?’

Niemand vroeg zich dat af, maar dat kon de man niet deren.

‘Je bent wat je vindt, dat is mijn adagium! En het is waar- door het één te verkiezen boven het ander, zeg je eigenlijk: dit ben ik. Daar gaat het uiteindelijk om.’ Hij nam een slok bier.

‘Maarre, is het niet zo dat mensen zelf bedenken wat ze vinden?’ vroeg de vrouw van het hapje voorzichtig.

De man gooide zijn hoofd in zijn nek en liet een bulderende onoprechte lach klinken. ‘Ha nee, natuurlijk niet. Denk je nou echt dat al die politieke partijen echt zoveel meningen hebben? Welnee, ze zijn allang blij dat er een of andere halve zool naar ze wil kijken of luisteren. Als ze dan ook nog na moeten denken waarover ze een mening hebben, nou dan zouden ze helemaal geen tijd meer hebben.’

‘Goh,’ zei de vrouw die nu zeker was dat er geen dille tussen haar tanden zat, maar zich wel afvroeg of ze geen blauwe tanden had van de wijn. Wat een hekel had ze toch aan dit soort dingen.

‘Wat een reuze interessant verhaal,’ zei de andere vrouw die geen idee had van wat hij zojuist had verteld omdat ze met haar telefoon bezig was geweest. Hoe dan ook, hier was haar kapstokje om haar eigen verhaal aan op te hangen. ‘Nou, mijn bedrijf is toevallig ook echt ontstaan vanuit een behoefte die ik al zag- in tegenstelling tot vele anderen. Ik ben gespecialiseerd in…’

‘WACHT!’ riep de man nu ineens.

‘Wat is er?’ Vroeg de succesvolle vrouw geïrriteerd.

‘Ik voel een mening opkomen…’ Hij sloot zijn ogen en wreef stevig over zijn buik.

‘Het leven is te kort! Laten we het vieren en niet meer over werk praten. Leven moeten we, leven! Dat is mijn nieuwste mening!’

‘Goh,’ zei de ene vrouw weer.

‘Nou, om nog heel even terug te komen op mijn bedrijf…’ begon de succesvolle vrouw opnieuw.

‘Ik vind het niet leuk meer hier,’ zei de ene vrouw nu plompverloren. Ze pakte haar tas van de grond.

‘Een dijk van een mening noem ik dat!’ riep de man vol enthousiasme. ‘Een dijk van een mening!’

De succesvolle vrouw wenkte het meisje van de bediening. Ze nam twee hapjes van het dienblad. Voor elke wang een. Het was bijzonder oncomfortabel.

‘Had ik al gezegd dat je hele mooie ogen hebt?’ zei de man die nu pas weer haar kant opkeek.

Een brede glimlach gemaakt van gekauwde garnalen, dille en bladerdeeg viel hem ten deel. Gelukkig wist hij precies wat hij daarvan vond.

mentor

18-10-2016

Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin.

Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin.

/

18-10-2016

‘Ik zal me even voorstellen,’ zegt de dame in het roze mantelpakje tegenover me. Ze heeft een leeftijdsloos gezicht en lange bruine haren die ze in een grote knot op haar hoofd draagt. Aan haar voeten goudkleurige pumps met een grote strik erop. Het lijkt of ik in een theaterstuk beland ben, een stuk zonder publiek en zonder script voor mij. De situatie doet me denken aan mijn leven.

Ik kijk naar de leegte om ons heen. We zitten in een loods aan de rand van de stad, op het dak horen we de regen tikken als ongekookte rijst op de bodem van een pan. Onze stemmen klinken hol in de ruimte die slechts gevuld is met vier stoelen, een tafel, een koffiezetapparaat op een krukje en een kamerplant waarvan de bladeren deels bruin verkleurd zijn.

Een week geleden ontving ik de uitnodiging per post. In sierlijke letters op zwaar papier werd me gevraagd naar deze afspraak te komen, nadere informatie zou volgen op de dag zelf, vandaag dus. Ik ben zenuwachtig voor wat komen gaat, ik was zelfs twintig minuten te vroeg. Minuten die ik dolend over het industrieterrein heb doorgebracht.

‘Mijn naam is onbelangrijk,’ zegt de vrouw, ‘mijn functie daarentegen is erg belangrijk.’ Ik knik, niet omdat ik het begrijp, maar om te laten zien dat ik haar woorden heb gehoord. Ze vervolgt: ‘Ik maak deel uit van een taskforce die mentoren naar de mensen sturen. Nu moet ik dat even nader definiëren, de mentoren zijn er niet voor alle mensen. Ze zijn er voor de behoeftigen. Op deze manier zijn we bij u terecht gekomen.’

‘De behoeftigen?’ vraag ik, ‘ik denk niet dat ik daarbij hoor, het gaat best goed met me, eigenlijk.’ De vrouw glimlacht. ‘Dat zeggen ze allemaal. Maar u moet niet onderschatten hoe ons selectieproces werkt. Wij doen aan observeren, noteren en concentreren voordat wij concluderen. Ons onderzoek is grondig en uitputtend. Wij zijn overal. Dus wanneer u een mentor wordt aangeboden, is het zeker dat u er een nodig heeft.’

‘Maar, maar waarom dan precies?’ ‘Om diverse redenen,’ zegt ze, terwijl ze een grote oranje dossiermap uit de lade van de tafel pakt. ‘Wat we hier zien: sociale onhandigheid, postverlies, administratiegroei boven de 25 centimeter, beschimmeling van voedsel in Tupperware bakjes, eeuwig verschuivende to do-lijstjes, terugkerende voornemens voor het slapen gaan, nieuwe sportkleding die nooit verslijt, escalerend borrelgedrag, fietslampproblematiek… en zo kan ik nog wel even doorgaan. Komt dit u bekend voor?’

Ik knik bedremmeld.

‘Goed, dan stel ik voor dat we van start gaan.’ Ze bekijkt me van top tot teen. ‘Bent u ervan op de hoogte dat er een gaatje in uw onderhemd zit, aan de linkerzijde bij de zoom?’

Ik bloos. ‘Ik dacht, ik dacht dat niemand dat kon zien, ik draag er toch een trui overheen, dacht ik vanmorgen…’

‘Het klopt, het is eigenlijk niet zichtbaar,’ zegt de vrouw. ‘Maar dat is niet van belang. Waar het hier om gaat, is uw geestelijke instelling. Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin. Ook als niemand het ziet.’

Ik knik weer. Langzaam wordt het me duidelijk hoe erg ik een mentor nodig heb, hoe ongeschikt ik eigenlijk ben om alles maar alleen te doen.

‘Ik verwacht dat dit traject tussen de twee en de negentien maanden zal duren met een tweewekelijkse bijeenkomst hier op dit kantoor.

‘Heel graag,’ zeg ik, ‘eerst was ik niet zeker of ik hierheen zou gaan, maar ik ben heel blij dat ik de stap genomen heb.’

De vrouw knikt en noteert iets in de oranje map.

Dan wordt er op de deur van de loods geklopt. Een drijfnat meisje staat in de deuropening.

‘Dag,’ zegt ze, ‘ik heb een afspraak om twee uur, maar ik was verdwaald.’

De vrouw in het mantelpak kijkt wat ongerust naar mij, naar het meisje en weer naar mij.

‘Mag ik jullie uitnodigingen even zien?’ vraagt ze.

We leggen de enveloppen op tafel neer en kijken hoe de vrouw het papier zorgvuldig inspecteert. Na minuten van ernstig zwijgen zegt ze: ‘Er is hier helaas sprake van een zeer ernstige administratieve fout.’ Dan wendt ze zich tot mij en zegt ze: ‘U bent niet geselecteerd voor het programma, de brief was niet voor u.’

‘Maar, maar, alles leek over mij te gaan,’ stamel ik, ‘en ik, ik kan het niet alleen, ik was juist zo blij dat…’

‘Helaas,’ zegt de vrouw. ‘U heeft ons niet nodig. De brief was niet voor u. Wees niet teleurgesteld, zo gaan die dingen nu eenmaal.’ Dan pakt ze mijn jas. ‘Doet u deze maar snel aan, het regent pijpenstelen.’

Ik knik.

Het drijfnatte meisje heeft haar jas zojuist uitgetrokken en gaat op mijn plek zitten.

Buiten hoor ik mijn fiets omvallen door de wind. Ik wil kijken hoelaat het is, maar mijn telefoon is leeg. Ik rits mijn jas dicht tot onder mijn kin. Kennelijk heb ik alles onder controle.

Mode

24-01-2013

Ze zag er niet langer ongedisciplineerd uit.

Ze zag er niet langer ongedisciplineerd uit.

/

24-01-2013

‘Zo, kom eens even wat dichterbij’ zei de modeontwerper. Het meisje keek hem aan met grote ogen. Ze was jong, nog geen achttien. Haar hoofd leek te zwaar voor het fragiele lichaam, haar bewegingen waren langzaam, lijzig. Met trillende vingers vouwde ze een lokje haar achter haar oor. Haar huid was lichtpaars doorschijnend en bedekt met zacht dons, op haar armen waren de aders goed zichtbaar, als rietjes onder een dun vlies. Ze had het koud, trilde op haar benen. Het zou niet lang meer duren en ze zou knakken.  

 Hij had het avondjurkje nog wat aangepast sinds de vorige doorpas, en nu was ze hier om te kijken of de pasvorm nu goed was. De modeontwerper stond bekend om zijn perfectionisme, wat hem de bijnaam ‘Perfecte Paulo’ had opgeleverd. Zijn partner David noemde hem Peepee. Het meisje dat hier tegenover hem stond, zei meneer Peepee. Ze was het achternichtje David en wilde een succes worden in de modewereld. Ze was niet onaardig, in elk geval lang genoeg, haar gezicht was onopvallend genoeg om iets moois op te schilderen met make-up en ze had mooi haar. Daarnaast was ze vastberaden en eerbiedig. Paulo vond het geen probleem haar even onder zijn hoede te nemen, de gedachte dat hij zo’n leuk jong ding kon maken of breken gaf hem een gevoel van controle. Controle die hij in het grote maakproces van de kledingstukken vaak leek te verliezen. Als dat gebeurde, liet hij alle werknemers op het atelier nablijven. ‘Nabespreking’ noemde hij dat. Maar het was niet de bedoeling dat zijn werknemers zouden spreken, het was een donderpreek van een uur, waarbij hij het zoveel mogelijk op de man speelde. Meestal ontaardde deze preek in een hoop gehuil, maar de laatste keer dat hij zich daar iets van had aangetrokken kon hij zich al niet meer heugen. Het was gelekt naar de pers, door een stagiair waarschijnlijk, maar stoppen was niet mogelijk. De nabesprekingen waren een verslaving geworden, gaven hem rust, werkten beter dan yoga en waren nog goedkoper ook.

 Hij keek nog eens naar het meisje, het speet hem dat de carrière waar ze zo van droomde nooit zou gebeuren. Niet omdat ze ongeschikt was, maar omdat haar oom David het verpest had, een paar maanden geleden. Het was koud geweest buiten, het was donker. Normaal gesproken was de donderdagavond van Paulo gereserveerd voor een uitgebreide massage, maar de masseur had een ongeval in de familie. Paulo werkte nog wat door in het atelier en besloot toen naar huis te lopen. Het was een lange dag geweest en de frisse lucht zou hem goed doen. Het rook al naar herfst en de wandeling was inderdaad louterend, zo zou hij de kleine straatjes doorkruisen en David verassen met zijn vroege thuiskomst. Misschien konden ze nog een glaasje drinken en samen in bad. Paulo kroop wat dieper in zijn kraag, de wind was guur. In de cafés die hij passeerde brandde donkeroranje licht. Als de deur openging vulde de straat zich kort met een warme stroom van geroezemoes die met een doffe klap werd afgesloten.

 Op de hoek zat café Mijn Liefde, een klein donker hok waar zolang Paulo zich kon herinneren dezelfde man achter de toog stond. Hij keek naar binnen, een paar stamgasten dronken jenever en in een hoekje zat een koppeltje te flikflooien. Het meisje had lange donkere haren en een rechte pony. De man die tegenover haar zat streelde door het haar en fluisterde dingen in haar oor die het meisje deden blozen. Paulo zag de man van achter, en was gecharmeerd van de brede schouders en het vaalgroene overhemd dat om zijn armen spande. Het deed hem denken aan… Paulo schrok en keek nog eens, een steek in zijn buik. Het was David, zijn David. Hij zag zijn geliefde naar voren leunen, hij kuste het meisje. Zoals hij ook Paulo had gekust. Zoals hij Paulo zou kussen, straks thuis, in dat mooie huis.

 Verslagen was Paulo doorgelopen. Onderweg gaf hij twee keer over. Groene bonensalade en bietensoep van de biologische traiteur. Dertig euro aan kleurrijke prut op de stoep. Thuis had hij een lange douche genomen en een schone pyjama aangetrokken. David was twee uur later thuisgekomen. Hij rook naar bloemetjesparfum. Paulo kroop extra dicht tegen hem aan. Hij snoof de geur op. Zo zoet als het verraad rook, zo zoet zou zijn wraak zijn. Twee dagen later hadden ze gesproken over het nichtje van David, over haar vooruitgang, over haar carrière. David was trots op haar. Het voelt alsof ze mijn dochter is, zei hij. Dat had hij niet moeten zeggen, dacht Paulo. Wat is er erger voor een ouder dan zijn kind te verliezen. Niks is er erger voor een ouder. David zou kapot gaan van verdriet, maar Paulo zou er voor hem zijn. De snikkende nachten, de plotselinge veranderingen in humeur, de hartverscheurende begrafenis, de herinneringen die zo dierbaar zijn en leken te vervagen. Hij zou er niet alleen doorheen hoeven gaan. Het zou een storm zijn waar hij en Paulo samen doorheen zouden gaan, ze zouden er sterker uit komen. Maar eerst dat verlies. Ze moest het zichzelf aandoen. Met een beetje hulp, een beetje hulp kan nooit kwaad.

 Nadie was steeds vaker naar het atelier gekomen. Elke week dronken ze wat thee en paste ze de laatste ontwerpen. Paulo gaf haar tips. Geen suiker meer. Geen alcohol. Geen brood. Geen frisdrank. Geen pasta. Geen aardappels. Geen rijst. Geen vlees. Ze werd steeds slanker. Toch bleven de ontwerpen haar moeilijk passen. Ze zou de showstopper worden, de belangrijkste van de show. Maar die jurk, die moest wel goed passen. Elke week, voordat de masseur kwam vermaakte Paulo de jurk. Hij nam de naden in, een heel klein beetje, elke keer opnieuw. Op de opleiding werd hij al geroemd om zijn nauwkeurige steek. Niemand die het zag, niemand die het hoefde te weten. Het meisje was gewoon een beetje ongedisciplineerd, dat zagen ze wel vaker bij van die jonge modellen.

 Vandaag zag ze er niet ongedisciplineerd uit. Ze was zelfs nauwelijks zichtbaar. De jurk was weer smaller gemaakt, maar deze keer paste hij goed. De botten bij haar heupen staken door de jurk heen, de halslijn hing als aan een kledinghaak over haar holle borstkas. De jurk paste. ‘Dit is de mooiste dag uit mijn leven’ fluisterde het meisje met tranen in haar ogen. Ze probeerde te glimlachen maar ze was er te zwak voor. Voorzichtig omhelsde Paulo haar. ‘Je bent mijn ster, hoor je me? Mijn ster.’ Het meisje beefde op haar benen. Paulo hielp haar uit de jurk en drapeerde hem voorzichtig over de stoel die in de hoek stond. ‘Kleed je maar aan, dan gaan we het vieren in de stad’ zei hij. Ze gaf geen antwoord. Een zachte plof klonk. Op de grond een karkas.

 Met gillende sirenes was de ambulance vertrokken. Ze waren er snel. Op de terugweg waren de zwaailichten uit en was het stil. Het lichaam opgeraapt, meegenomen, ingesnoerd, lag af te koelen in de wagen.

Moeten

17-11-2013

Wat is het verschil nu helemaal.

Wat is het verschil nu helemaal.

/ /

17-11-2013

De toeristen begrepen maar weinig van het verkeer en versperden het wegdek van de hele brug. De fietsers zochten hun weg tussen de fotograferende figuren door, sommigen lieten hun irritatie duidelijk merken, anderen gingen blijmoedig voorwaarts. Nu kwamen er ook fietsers van de andere zijde. Twee dames botsten bijna op elkaar. Een oudere dame met een brilletje met kogelronde glazen en een jongere vrouw van begin de dertig, met een warrig kapsel en parels in haar oren. 

‘U moet rechts fietsen!’ Riep de dame in bekakt Nederlands. 

‘Ik had het graag gedaan, maar er liepen allemaal mensen’ zei de andere dame terwijl ze gebaarde naar de voetgangers om hen heen.

‘Dan moet u bellen!’

‘Bellen?’

De vrouw demonstreerde het op haar eigen fietsbel. Driftig belde ze een paar keer achterelkaar. ‘Dat moet u doen.’

‘Nou, dat heb ik dus niet gedaan.’

‘Dat blijkt.’

 

De andere vrouw zweeg. Hierop stapten ze op hun fiets en begonnen ze elk in hun eigen richting weg te rijden, deze grap had al teveel tijd gekost. De jonge vrouw was haast aan het einde van de brug toen ze zich bedacht.

 

Ze keerde om en fietste ze snel ze kon achter de dame met het brilletje aan. ‘Mevrouw, mevrouw!’  riep ze. De dame met de bril keek om en stopte toen ze zag dat het de vrouw van zojuist was. ‘Komt u uw excuses maken?’ De jonge vrouw schudde haar hoofd, ‘nee natuurlijk niet’. ‘Nou, dat zou anders wel gepast zijn’ zei de dame met het brilletje, ‘maar dat zou ik u helemaal niet moeten vertellen, dat zou u moeten begrijpen.’  Ze verplaatsten zich naar de stoep.

 

‘Ik wilde u nog even zeggen dat ik helemaal niks moet. Of eigenlijk, ik moet al genoeg. En ik ken u nu misschien vier minuten en ik moet al zoveel. Ik moet rechts fietsen, bellen, mijn excuses aanbieden..’

 

‘Zo is het leven nu eenmaal- veel moeten en zo nu en dan een borrel’

 

‘Is dat hoe u ermee omgaat?’

 

‘Dat is hoe iedereen ermee omgaat.’

 

‘Ik ben al dat moeten een beetje beu.’

 

‘Nou, dan doet u het niet en dan kunt u intrek nemen onder de brug waar u mij zojuist bijna ondersteboven heeft gereden. Dan moet u helemaal niks, behalve ontlasten in de gracht.’

 

De jongere vrouw dacht even na. ‘Maar u wílt toch ook wel dingen, of is alles moeten?’

 

De dame glimlachte weemoedig. ‘Ach, kind, wat is het verschil nu helemaal. Vanaf het moment waarop een mens tamelijk comfortabel leeft, met een woning, voldoende voedsel en kledij- alles vanaf dat moment, kent het geen wezenlijk verschil tussen moeten en willen. We doen het onszelf allemaal aan, zoveel is zeker.’

 

De jongere vrouw dacht hard na over waarom ze ook alweer achter de dame was aangekomen, wat ze had willen zeggen, wat het probleem was geweest. De dame vatte het zwijgen als een aanmoediging op en ging door met praten.

 

‘Is het vrijheid om iets te willen? Wat voor gevoel geeft verlangen aan u? Is verlangen niet net zo dwingend als het gevoel iets te moeten?’

 

De vrouw knikte bedremmeld.

 

‘Goed’ zei de dame, ‘ik was op weg naar mijn vaste café, doet u er eentje mee? Maar voelt u zich vooral niet verplicht.’

 

Muiltjes

17-02-2015

Zijn tijd is niet nu.

Zijn tijd is niet nu.

/ / /

17-02-2015

Het is druk in de tram, er moet een of ander studentenfeest zijn afgelopen, want het staat vol met jonge jongens in iets te ruime pakken en meisjes in goedkope galajurken met daarover hun normale winterjassen. Buiten regent het steeds harder, in de tram klinkt het drukke gekwetter van de studenten. Bij het treinstation stappen de meeste uit.

Niet het meisje in de lange auberginekleurige jurk die ze draagt met een korte zwarte trenchcoat en zilverkleurige schoenen met hoge hakken en heel veel bandjes. Ze heeft een elfachtig gezicht en is in het gezelschap van een lange bleke jongen met wilde bruine krullen en felblauwe ogen.

‘Wil je even zitten?’ Vraagt hij.

‘Heel graag!’ Ze lopen naar het einde van de tram en gaan daar op het achterste bankje zitten.

‘Mijn god, wat doen mijn voeten pijn.’ Driftig wrijft het meisje over de bovenkant van haar voeten.

Tegenover haar zit een oudere man in een lange donkerblauwe jas. Hij heeft een een hoge hoed op en zijn rechterhand rust op een wandelstok. De man lijkt uit een andere tijd te zijn gekomen, alsof hij is geteleporteerd en zo in deze tram is beland. In zijn tijd, want die tijd is niet nu, droegen de dames geen praktische jassen over hun jurken. Ze noemden jurken vast ook geen jurken, maar japon of avondtoilet of zoiets.

‘Hoeveel haltes is het nog?’ Vraagt het meisje aan de jongen terwijl ze haar benen over zijn schoot uitstrekt.

‘Nog wel veel, Osdorp is ver en we zitten nu nog in het centrum.’

‘Fijn, dan doe ik ze even uit.’ Snel maakt ze de schoentjes los, de afdruk van de bandjes staat diep in haar voet. Haar kleine tenen zijn ook in de verdrukking gekomen deze avond, als puntige radijsjes zitten ze tegen de rest van de tenen aangedrukt. Met een zucht van verlichting begint ze haar voeten te masseren.

‘Vrouwen,’ zegt de jongen hoofdschuddend terwijl hij op zijn mobieltje kijkt.

De man met de hoed kijkt geamuseerd naar het schouwspel. Het meisje glimlacht naar hem, waarop hij zegt: ‘Was het een fijne avond?’

‘Jawel, alleen denken mijn voeten daar anders over.’

De tram staat ongewoon lang stil op een kruispunt, vier politiewagens en een ambulance razen voorbij met loeiende sirenes. Langzaam komt de tram weer in beweging.

‘Mag ik u wat vragen?’ Zegt de man dan, terwijl hij zijn voorhoofd dept met een katoenen zakdoek die hij uit zijn binnenzak heeft gehaald.

‘Ja hoor.’

‘Hoeveel wilt u voor die schoenen hebben?’

‘Die schoenen? U bedoelt mijn schoenen? Ik moet nog naar huis, ik doe ze zo weer aan. Helaas.’

De man rommelt in zijn jaszak en haalt een stapeltje bankbiljetten tevoorschijn.

‘Is zoiets voldoende?’

‘Ik moet zo nog naar huis,’ begint het meisje, maar nu valt de jongen haar in de rede. ‘Jezus Kyra, doe niet zo stom. Desnoods nemen we een taxi, moet je zien wat een geld.’

De oudere heer glimlacht en zegt: ‘De volgende halte moet ik eruit.’

‘Je moet me dan wel naar huis dragen hoor,’ sist het meisje naar de jongen.

‘Prima,’ zegt hij schouderophalend.

De tram stopt en de man staat op. Hij drukt het meisje de bankbiljetten in haar hand en neemt de schoenen aan. Tevreden wandelt hij de straat met statige herenhuizen in.

Het meisje staart naar de bankbiljetten in haar hand.

‘Hoe chill,’ zegt de jongen waarna hij uitgebreid gaapt.

Het meisje knikt terwijl de tram weer in beweging komt. Zwijgend kijkt ze naar de regen in het schijnsel van de straatlantaarns. Nog maar zes haltes te gaan.

Museum

26-06-2015

Het was fijn, maar ook eenzaam.

Het was fijn, maar ook eenzaam.

/ /

26-06-2015

‘Kom je hier wel vaker?’ Mina zuchtte. Ze was in een museum, wie versiert er nou iemand in een museum? Langzaam wendde ze haar gezicht af van het schilderij dat ze aan het bekijken was en keek ze opzij.

Een knappe man stond naast haar. Op zijn hoofd een woeste bos zwart haar, zijn gezicht had Aziatische trekken. Hij was lang en droeg een spijkerbroek die er zo nieuw uitzag dat het Mina niet zou verbazen als de stof een krakend geluid zou maken tijdens het lopen. Zijn overhemd was hagelwit en om zijn linkerpols droeg hij een paar leren armbandjes. Het was kortom, helemaal zo slecht nog niet, een gesprek te beginnen met dit figuur.

Een paar maanden eerder was ze door een kleine magere suppoost gevolgd in alle ruimtes in het grootste museum van de stad. Toen ze eindelijk aan het einde van de expositie was gekomen, had hij haar telefoonnummer gevraagd. Ze had acuut een verloofde verzonnen en toen de suppoost opmerkte dat ze geen ring droeg, verzon ze er een lang en onhandig verhaal bij van een middag klussen in haar nieuwe woning, waarbij de ring beschadigd raakte en zodoende bij de juwelier was beland. De suppoost had haar meewarig aangekeken en toen zijn nummer op een briefje geschreven en aan haar meegegeven. Vanaf de garderobe had ze nog een keer omgekeken naar de suppoost, bang dat hij haar ook naar buiten zou volgen. Dat bleek niet het geval, ze keek op zijn rug waar zijn vlassige staartje tussen zijn schouderbladen rustte.

Uitzonderlijk, had ze besloten. Dat iemand je zomaar aanspreekt in een museum- dat is uitzonderlijk. Maar vandaag was er dan een nieuwe ronde, een nieuwe kans. In het gesprek met deze man zou ze niet liegen, geen verloofde, woonhuis of spannende baan verzinnen.

‘Kom je hier wel vaker?’ herhaalde de knappe man de vraag.

‘Sorry, ik was even in gedachten. Ja, ik kom hier wel vaker, elke twee maanden ofzo. En jij?’

‘Ben hier vandaag voor het eerst. Woon je hier?’ vroeg de man. Hij sprak keurig Nederlands, op een precieze, bijna onwennige manier. Alsof hij de woorden pas voor het eerst had uitgepakt. Spiksplinternieuw, net als zijn kleding.

‘Ja, ik woon op tien minuutjes fietsen ongeveer, en jij?’

‘Ik woon al een jaar of negen niet meer in Nederland, maar ben nu voor zaken hier. Zullen we anders even koffie drinken?’

Mina deed of ze erover moest nadenken.

Op weg naar het museumcafé wisselden ze elkaars namen uit: Cheng en Mina. Mina en Cheng. Ze moest oppassen haar fantasie niet teveel op hol te laten slaan. Hij vertelde over zijn Nederlandse moeder en Chinese vader. Over opgroeien in verschillende landen, over internationale scholen en zijn huidige leven als expat in Dubai. Het was fijn, maar ook eenzaam zei hij. De luxe, het personeel, het mooie weer… wat is het allemaal waard in je eentje?

Mina knikte begripvol en zag zichzelf intussen diepgebruind op een ligbedje aan het zwembad liggen met een stapel vrouwenbladen naast zich. Ze zou wel een nieuwe bikini moeten kopen, ze had er nu maar twee waarvan eentje echt best versleten was.

Ze begon net over haar leventje te vertellen, hoe het was om junior communicatiemedewerker te zijn bij een energiebedrijf, over het appartement dat ze deelde met een oud-studiegenoot en over haar familie die nog altijd in de buurt van Zwolle woonde. Ze wilde net vertellen over de tweeling van haar oudere zus, toen ze twee handen voor haar ogen voelde.

‘Mina!’ Ze herkende de stem. Het was een oud-collega waarmee ze samen in een koffiebar had gewerkt tijdens haar studententijd. Hoe heette ze nou toch? Kim, Sanne, Lisa…. Zoiets.

‘Dit is Chung…’ stelde Mina de man voor, en dit is….

‘Ik heet geen Chung…’

‘Oh sorry, dit is Ching… en dit is…..Lisa..’

‘Ik heet geen Lisa- ik heet Emma!’

‘Sorry, sorry. Emma, dit is Chong. Chong, dit is Emma.’

De knappe man keek Mina aan met een koud gezicht. ‘Dit is precies waarom ik weg ben gegaan uit Nederland,’ zei hij toen.

‘Wat bedoel je?’

‘Het racisme. Verschrikkelijk.’

‘Ik had je naam alleen even fout, sorry-’

‘Nee, je hebt het nog steeds niet goed. Maar voor mensen zoals jij is het allemaal eender. Ching, Cheng, Chung, Chong. ‘ Hij begon zich nu echt kwaad te maken. Met een hoog stemmetje boog hij nu voorover en zei hij: ‘Witte lijst met sambal bij? Of vragen of mijn ouders een restaurant hebben, het is niet te geloven. Wat een achterlijk land!’

Mina stond haastig op en zei: ‘Nou, ik stap maar weer eens op, ga nog wat koffie drinken met, met….mensen zoals ik.’

De oud-collega was inmiddels aan het tafeltje gaan zitten bij de man. Ze leken bovengemiddeld geïnteresseerd in elkaar, hun ogen lieten elkaar niet meer los. 

‘Doei Lisa,’ zei ze tegen de oud-collega. 

‘Ik heet geen Lisa.’ 

Nadenken

17-01-2020

Nooit vond ze wat ze nodig had

Nooit vond ze wat ze nodig had

/ /

17-01-2020

Ines stapte uit de bus, ogen op haar telefoon gericht. Ze was moe en dacht aan douchen en Netflix, aan automatische afschrijvingen, aan tosti maken of Indiaas bestellen en aan kattenbakgrit en stofzuigen. De dag was al gearchiveerd in haar hoofd. Een dag om in een laatje te stoppen en binnen een maand te vergeten voor altijd.

Ze stak over en graaide in haar tas naar de huissleutels. In haar ooghoek zag ze iets liggen, half op straat, half op de stoep. Even dacht ze dat het gordijnen waren, kussens van een bankstel misschien. De raarste dingen werden bij het grofvuil gezet. Haar onderbuurvrouw had eens een levende hamster in een kooi gevonden, een vriend vond een rode koffer gevuld met linkerschoenen. Ines hield van de verhalen, maar niet van neuzen door oude troep, niet van tweedehands winkels, niet van de geur, niet van vieze handen. Ze keek nog eens naar het donkerblauw, zag toen ook een nest van zilverdraad aan de ene kant. Toen ze een stapje dichterbij deed, zonk haar hart. Het was een vrouw die daar lag. Een oude vrouw in een lange donkerblauwe mantel. Aan haar voeten slangenleren pumps, haar hoofd rustte op een bijpassende handtas. Ze lag op haar zij, alsof ze haar opgestoken haren niet in de war wilde maken. Voorzichtig liep Ines om de dame heen, bang om het gezicht te zien. Misschien was ze wel aangevreten door ratten, waren er al meeuwen geweest om de ogen uit de kassen te pikken.

Het gezicht was niet beschadigd, haar ogen waren open, leken van glas. Ines keek om zich heen, op zoek naar anderen, op zoek naar mensen die van wanten weten.

‘Hallo,’ zei ze onzeker.

De dame bewoog niet, keek nog altijd recht voor zich uit.

‘Mevrouw, gaat het wel goed?’

‘Zal ik u even overeind helpen?’ Een vraag waar ze meteen spijt van had omdat ze ooit leerde dat je niet mocht slepen met mensen waarvan je niet wist hoe ze op de grond terecht gekomen waren. Iets met rugletsel, nekwervels en nog meer informatie die ze ontstellend saai had gevonden maar waar ze nu naar smachtte.

‘Ik bel een ambulance voor u,’ zei ze meer vragend dan de bedoeling was.

De vrouw knipperde met haar ogen en zei toen langzaam met zachte stem:

‘Kind, dat hoeft niet. Alles is in orde hier.’

‘Waarom ligt u daar dan?’

‘Ik wilde even nadenken, dat was alles.’

‘Maar dat hoeft toch niet liggend op straat?’

‘Het was in een opwelling. Maar ik moet zeggen, het is lang niet slecht.’

‘Zal ik u overeind helpen?’

‘Nee hoor, ik zou zeggen: kom erbij. Plek zat.’

‘Weet u waar u bent? Kan ik iemand voor u bellen?’

‘Kind, maak je niet zo druk. We zijn vlakbij de Beukenlaan en ik ben gewoon even gaan liggen om dingen te overdenken.’

Er was nog steeds niemand gekomen om de touwtjes in handen te nemen, niemand om het juiste te doen.

Ines was niet goed in gepast gedrag, was het nooit geweest. Ze kon maar slecht herkennen wat abnormaal was, wanneer iets niet door de beugel kon.

‘Goed, dan laat ik u maar. Trekt u wel uw benen een beetje in, straks rijdt er nog iemand overheen.’

‘Zal ik doen.’

Ines liep naar huis, haar sleutels in de hand. Binnen plofte ze neer op de bank, haar gedachten bij de vrouw op straat. Wat was de juiste manier om met zoiets om te gaan?

Er was zoveel informatie op de wereld, maar nooit vond ze wat ze nodig had. Om haar gedachten te verstommen zette ze de televisie aan, maar er was niets dan reclame en programma’s over wonen, koken en trouwen. Allemaal dingen die ze maar weinig interessant vond.

Met een zucht stond ze weer op, besloot ze toch maar te gaan kijken of de vrouw er nog lag. Hopelijk zou ze weg zijn, of was er een voorbijganger die de verantwoordelijkheid wilde dragen. Ines zou niet graag gered worden door zichzelf. Ze gunde de vrouw een betere redder. Maar eenmaal buiten bleek niets  te zijn veranderd.

‘Ben je daar weer?’ zei de vrouw, die geen centimeter bewogen had.

‘U moet opstaan, straks raakt u nog onderkoeld.’

‘Nou, dat zal wel loslopen, het is warm genoeg en deze jas is gemaakt in Engeland. Daar weten ze wel hoe ze jassen moeten maken. Heb je ooit gehoord van een onderkoelde jager?’

‘Nee.’

‘Dat is omdat die jassen zo goed zijn.’

‘Kunt u alstublieft opstaan, u hoeft niet weg, maar zitten zou al beter zijn.’

‘Beter voor wie? Niet voor mij. Voor jou?’

Ines zweeg en zag hoe een man met een leren jasje dichterbij kwam. Hij had vlassig haar en bruine tanden. Zijn stem klonk raspend en er hing een tabakslucht om hem heen. Hoewel zijn huid als oud leer was, waren zijn ogen licht en zacht als die van een kind.

‘Wat is hier aan de hand?’ zei hij alsof de straat zijn woonkamer was.

‘Deze dame wil hier liggen om na te denken. Maar dat lijkt mij niet zo’n goed idee,’ zei Ines.

‘Deze dame wil mij lastigvallen terwijl ik even aan het nadenken ben,’ zei de vrouw op de grond.

De man hurkte en keek eens goed naar de liggende vrouw. Hij aarzelde even en ging toen ook op de grond liggen.

‘Het is niet koud voor de tijd van het jaar,’ zei de man, ‘en u heeft ook een goede jas aan zo te zien.’

‘Een Engelse, zo worden ze niet meer gemaakt,’ zei de vrouw.

Ines keek opnieuw vertwijfeld om zich heen. Weer was er niemand die de weg wist, normaal kwam doen.

‘Nou, dan ga ik maar weer,’ zei ze.

‘Goed, fijne avond nog,’ zei de man.

‘Maar zijn jullie echt in orde?’

‘Tuurlijk, dik in orde. Heel fijn dit zo. Precies wat we wilden.’

‘Ik weet niet…’ begon Ines.

‘Meisje, wat is nou toch je probleem?’ zei de dame, nu scherper van toon.

‘Nou, het is gewoon zo, anders….’

‘Haha, anders, anders!’ lachte de man zijn tanden bloot.

‘Misschien is het toch beter als ik een ambulance bel. Gewoon om even te checken?’

‘Als je een ambulance belt, staan wij meteen op en gaan we ervandoor,’ dreigde de vrouw.

Ines zuchtte. Ze was moe en verdrietig. Ze wilde goed zijn in het leven en weten wat gepast was op ieder moment. Maar in plaats daarvan zag ze geen andere uitweg dan ook maar plaats te nemen op de grond, gewoon om even na te denken. Hopelijk zouden ze gered worden door iemand die er beter in was. 

Onherroepelijk

16-08-2013

Je hebt geluk, ze zijn helemaal verwelkt.

Je hebt geluk, ze zijn helemaal verwelkt.

/

16-08-2013

Tine voelde zich die ochtend opgewekt zoals altijd, en ze schonk juist melk over haar cornflakes toen haar man haar aan het schrikken maakte.

‘Tine, wat doe je nou?’ Zei hij met een bezorgd gezicht.

 

Ze draaide zich om en keek hem aan. Wat bedoel je?

 

‘Weet je dan niet wat voor dag het is?’ Zei hij zachtjes terwijl hij schichtig om zich heen keek.

 

‘Woensdag?’

 

‘Nee- nee dat bedoel ik niet. Je moet trouwens ook fluisteren.’ Fluisterde hij.

 

‘Okee.’ Fluisterde Tine terug.

 

‘En op je hurken zitten.’

 

Ze ging gehurkt naast haar man zitten die ernstig keek.

 

‘Het is vandaag de dag van de stilte.’  

 

Voordat Tine iets terug kon zeggen, legde hij zijn hand over haar mond. ‘Ssst- schrijf het op een briefje.’ Hij gaf haar een pen en een notitieblokje.

 

Tine pakte de pen en schreef:

 

WAT IS DAT NOU VOOR ONZIN?

 

Haar man pakte de pen en schreef:

 

HET MOET. ZE KOMEN VANDAAG EN ALS ZE ONS HOREN ZULLEN WE ONHEROEPELIJK GEPAKT WORDEN.

 

Tine pakte de  pen en schreef:

 

WIE ZIJN ZE? EN ONHEROEPPELIJK IS VERKEERD GESPELD.

 

Haar man pakte de pen en schreef:

 

JE BEGRIJPT DAT IK DAAR GEEN UITSPRAKEN OVER KAN DOEN. MAAR ZE KOMEN ANDERS ONHERROEPPELIJK.

 

Tine pakte de pen en schreef:

 

IK BEGRIJP ER NIKS VAN EN ONHEROEPPELIJK IS VERKEERD GESPELD.

 

Haar man pakte de pen en schreef:

JE HOEFT HET NIET TE BEGRIJPEN. JE MOET JE GEWOON DEZE DAG STIL HOUDEN. ANDERS GAAT HET ONHERROEPELLIJK MIS.

 

Tine pakte de pen en schreef:

 

ZIJN ER MEER MENSEN OP DE HOOGTE? EN ONHERROEPELIJK IS VERKEERD GESPELD.

 

Haar man schudde zijn hoofd en schreef:

 

VERTROUW ME NU MAAR. ZE KOMEN ANDERS ONHEROEPPELIJK.

 

Tine zuchtte diep en schreef:

 

MAG IK DAN NU GAAN ONTBIJTEN? EN ONHERROEPELIJK IS VERKEERD GESPELD.

 

Haar man pakte de pen en schreef:

 

NIET MET CORNFLAKES. DAN GAAT HET NOG ONHERREOPELIJK MIS.

 

Tine pakte de pen en schreef:

IK WEET NIET WAAR JE MEE BEZIG BENT MAAR IK DOE ER NIET MEER AAN MEE. IK GA NU ONTBIJTEN MET CORNFLAKES. EN ONHERROEPELIJK IS VERKEERD GESPELD.

 

Driftig stond ze op, haar man zat hoofdschuddend op de keukenvloer.

 

Ze pakte het kommetje cornflakes van het aanrecht en zei hardop tegen haar man: ‘Nou je hebt geluk hoor, ze zijn helemaal verwelkt.’ 

 

Haar man zat nog steeds op de grond en gebaarde druk dat ze haar mond moest houden. Hoofdschuddend ging ze aan tafel zitten eten. Ze pakte de krant en was juist bij een artikel over thuisonderwijs aanbeland toen de deurbel ging.

 

‘Nog iemand die er niet aan meedoet’ mompelde ze.

 

Voor de deur stond een man met een wit geschminkt gezicht. Hij droeg een lichtblauw linnen pak en een wit t-shirt. In zijn linkerhand droeg hij een rode koffer van glimmend metaal. ONHERROEPEIJK FACILITY SERVICES stond er op de zijkant geschreven.

 

Kan ik u helpen? Vroeg ze.

 

‘We komen uw stem op stil zetten’ fluisterde de man.

Snel probeerde ze langs hem te glippen, naar buiten toe. Maar ook in de voortuin  stond een man in een lichtblauw pak, die haar tegen wist te houden.

De eerste man liet haar een briefje lezen.

 

ONHEROEPPELIJK ZETTEN WIJ UW STEM NU UIT. GAARNE HIERVOOR UW BEGRIP.

 

‘Je hebt onherroepelijk verkeerd gespeld’ stamelde Tine terwijl de mannen een bus roze poeder over haar heen strooiden. Langzaam ebde de angst weg, samen met haar stem die ze nu onherroepelijk was verloren. 

Ontslag

23-05-2013

Ontslag nemen is geen optie.

Ontslag nemen is geen optie.

/ / /

23-05-2013

Geachte maatschappij,

 

Bij deze wil ik u graag informeren dat ik ontslag neem.

 

Met vriendelijke groet,

 

Revka Bijl.

 

 

Geachte mevrouw Bijl,
 
Helaas moeten wij u mede delen dat ontslag geen optie is. Wel zouden wij u willen vragen bijgaande enquête in te vullen.
 
Met vriendelijke groet,
 
De maatschappij

 

 

BIJLAGE
Deze bijlage maakt deel uit van een onderzoek naar het groeiend aantal verzoeken tot ontslag van de maatschappij. Maatschappijverlating is een illegale praktijk welke op geen enkele manier zal worden ondersteund door de maatschappij. Mocht u nog eventuele vragen hebben, dan wensen wij u veel sterkte.
De vragenlijst neemt slechts enkele minuten in beslag en zal zeer waardevol zijn voor de maatschappij.
 
De volgende vragen kunt u met Ja (J) of Nee (N) beantwoorden.
 
  1. Heeft u gestudeerd? (In geval van Ja, ga naar 2, anders ga naar 5)
  2. Heeft u uw hart gevolgd inzake studiekeuze?
  3. Heeft u meerdere studies afgerond?
  4. Heeft u een studielening afgesloten?
  5. Heeft u een passende baan?
  6. Heeft u zicht op een passende baan?
  7. Heeft u een vaste woning?
  8. Heeft u zicht op een vaste woning?
 
Hieronder staan vijf stellingen. Vul in: waar, niet waar of weet niet/geen mening.
 
  1. De maatschappij dat ben jij.
  2. Denk vooruit.
  3. Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker. 
  4. De dag die je wist dat zou komen, is nu hier.
  5. Veiligheid heb je zelf in de hand.

 

 

 

 

Geachte maatschappij,

 

Dank voor uw snelle reactie. Helaas zal ik de enquête niet invullen.

 

Met vriendelijke groet,

 

Revka Bijl.

 

 

 

Geachte mevrouw Bijl,
 
De enquête niet invullen is geen optie.
 
Met vriendelijke groet,
 
De maatschappij

 

 

Geachte maatschappij,

 

Hier mijn antwoorden:

  

  1. Heeft u gestudeerd? (In geval van Ja, ga naar 2, anders ga naar 5)     J         
  2. Heeft u uw hart gevolgd inzake studiekeuze?                                       J
  3. Heeft u meerdere studies afgerond?                                                       J
  4. Heeft u een studielening afgesloten?                                                      J
  5. Heeft u een passende baan?                                                                    N
  6. Heeft u zicht op een passende baan?                                                     N
  7. Heeft u een vaste woning?                                                                       N
  8. Heeft u zicht op een vaste woning?                                                        N

  

  1. De maatschappij dat ben jij. weet niet/geen mening
  2. Denk vooruit. weet niet/geen mening
  3. Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.  weet niet/geen mening
  4. De dag die je wist dat zou komen, is nu hier. weet niet/geen mening
  5. Veiligheid heb je zelf in de hand. weet niet/geen mening

 

Ook zou ik graag bezwaar willen maken omtrent mijn verzoek tot ontslag.

 

Met vriendelijke groet,

 

Revka Bijl.

 

 

 
Geachte mevrouw Bijl,
 
Ontslag nemen is geen optie. Over de uitslag kan niet worden gecorrespondeerd.
 
Hoogachtend,
 
De maatschappij.

 

 

 

Motherfuckers.

 

Met vriendelijke groet,

 

Revka Bijl.

 

 

 

 

Geachte mevrouw Bijl,
 
Het zij zo.
 
Hoogachtend,
 
De maatschappij.

 

Oorbellen

22-02-2013

Misschien ging er nog wel een tweede kassa open.

Misschien ging er nog wel een tweede kassa open.

/ / /

22-02-2013

De hitte was niet te harden in het warenhuis, de rij voor de paskamers liep tot achterin de zaak en de rij voor de kassa groeide alleen maar. Jengelende kinderen hingen aan hun moeders, meisjes met grote leren handtassen drukten driftig op hun mobieltjes, terwijl verschillende caissières werden opgeroepen naar de kassa te komen om artikelen te ruilen.

Ook ik stond in deze rij, denkend aan spreuken over mindfulness, over acceptatie en over geduld. Ik wilde niet mindful zijn, wilde juist ontsnappen aan het hier en nu. Ergens in mijn telefoon moest een lijstje bestaan met de beste uitspraken van de Dalai Lama maar het bereik was slecht en de pagina was nu al tien minuten aan het laden. Ik stopte de telefoon weg en keek om me heen. Nog maar drie mensen voor me.

Achter mij een kinderwagen, dat wist ik al zonder om te kijken, de afgelopen minuten waren mijn enkels het doelwit geweest van kleine duwtjes. Voor mij  stond een Amsterdamse schone, met geblondeerde haren, een strakke zwarte trenchcoat aan en met leren laarzen aan haar voeten. Er hing een stevige rooklucht om haar heen.

Uit het niets kwam een vrouwtje aangelopen, rode konen, haar pluizige krullen in een soort van vogelnest op haar hoofd. Ze liep naar de Amsterdamse dame toe. ‘Sorry, mevrouw, mag ik wat vragen?’ De dame kantelde haar hoofd naar achteren, dat betekende ja. De vrouw met het pluishaar liet zich niet van haar stuk brengen en vroeg: ‘Zou ik alstublieft voor u mogen? Ik heb alleen maar deze oorbelletjes, en ik moet mijn dochtertje van zwemles halen, anders kom ik te laat.’

De Amsterdamse bekeek haar van top tot teen en begon toen te praten. ‘Luistert eens meissie- ik vind het goed, van mij mag het, maar voor hun-’ Ze wees op de rij achter haar, ‘ken ik het natuurlijk niet bepalen. Dus as je nou effe aan iedereen vraagt of het goed is, dan is het geen probleem.’ Vertwijfeld keek de vrouw naar de Amsterdamse dame. ‘Snap je me soms niet?’ Zei die. ‘Jawel, ik snap wat u zegt. Maar moet ik nu werkelijk al die mensen afgaan?’ De Amsterdamse zuchtte diep. ‘Je mot helemaal niks, maar als je voor mij in de rij wilt, moet je het wel zeker weten dat iedereen dat goed vindt, dat ken ik toch niet bepalen.’

De vrouw keek vertwijfeld om zich heen. ‘Van mij mag het hoor,’ zei ik met een bemoedigend knikje. Maar ook ik kon niet spreken voor de mensen achter mij. De vrouw met het pluishaar had nu een nog roder hoofd gekregen en keek nerveus om zich heen. Misschien ging er nog wel een tweede kassa open. Dat gebeurde niet.

Ze herpakte zichzelf en vroeg met bevende stem aan de vrouw met de kinderwagen of ze voor mocht. De vrouw zuchtte, maar ging akkoord. Haar kind was net in slaap gevallen met een stuk aangevreten liga nog in haar handje. Achter de wandelwagen twee pubermeisjes. Ze keken de vrouw aan met opgetrokken wenkbrauwen. Ze zeiden ‘Whatever.’ Opgelucht ging de vrouw naar de laatste van de rij, een stelletje Italiaanse toeristen. Hun ogen rooddoorlopen, op hun hoofden Noorse mutsen met het woord ‘Amsterdam’ erop. De vrouw sprak weinig Engels en geen Italiaans. ‘I go stand there, is that okee?’ De Italianen keken haar meewarig aan. Gekke stad, dit. De vrouw gaf niet op. ‘I go stand there, is that okee?’ Ze knikten. Opgelucht begaf ze zich weer naar voren, de Amsterdamse was zojuist aan de beurt. Beleefd ging de vrouw voor mij in de rij staan. Wat een overwinning. Toen de oorbellen gescand waren, realiseerde ze zich dat haar portemonnee nog thuis lag.

Opnieuw

16-04-2015

Ik durfde niet te rennen.

Ik durfde niet te rennen.

/ /

16-04-2015

Ik keek naar het paspoort en het vliegticket in mijn hand. Eindelijk was het zover: ik ging een nieuw leven beginnen. Een drastisch besluit misschien, maar het voelde alsof alles en iedereen in mijn leven intensief had bijgedragen aan dit besluit.

Mijn baas meneer Russel bijvoorbeeld, hij had me de afgelopen maanden als secretaresse het leven zo zuur gemaakt dat ik niet anders kon dan ontslag nemen. Hij haalde zijn schouders op toen ik met klamme handen in zijn kantoortje het nieuws kwam brengen. ‘De vacature stond toch al open,’ zei hij, om te vervolgen met: ‘en ja graag, ik lust nog wel een koffie’. De weken tot mijn laatste werkdag moest ik mijn opvolger inwerken, een meisje van net negentien. Ze had lang blond haar, een egale huid en veel ruimte tussen haar ogen. Daardoor leek ze een beetje op een buitenaards wezen, ware het niet dat ze onder haar bijzondere hoofd een echt aards vrouwenlichaam had. Zware borsten, brede heupen en sterke benen. Een lichaam dat vanaf nu elke dag verder naar de grond zou zakken, want zo gaat het nu eenmaal met zwaartekracht.

Wat het precies was van meneer Russel dat mijn leven zo vergalde, kon ik me nu niet meer zo goed voor de geest halen. Er was natuurlijk het feit dat hij me nooit bij mijn naam noemde, maar alleen het woord ‘meiske’ gebruikte. De derde week had ik de moed verzameld om te zeggen dat ik met mijn tweeëndertig lentes geen meiske meer was. Toen was het de rest van de week ‘wicht’, en heb ik het erbij laten zitten.

Het administratieve werk was draaglijk geweest, maar meneer Russel liet geen moment voorbij gaan om me ook nog naar de stomerij te sturen, koffie te laten zetten, zijn kinderen van school naar hockey te rijden en het kantoor te stofzuigen. Dieptepunt was de dag waarop ik zijn zieke hond bij de dierenarts moest laten inslapen, en het nieuws vervolgens aan de kinderen moest vertellen. Mevrouw Russel was net een weekje naar Monaco en de au pair sprak geen Nederlands, waardoor het logisch leek dat deze taak op mijn schouders lag. Maar goed, dat was nu voorbij, echt voorbij.

Ik keek naar mijn naam op het ticket, alsof ik wilde controleren dat het echt van mij was. Het was echt van mij. Bestemming: Rio de Janeiro. Camiel moest me eens zien hier. Snel dook ik een taxfree winkel in om afleiding te zoeken. In mijn nieuwe leven zou ik namelijk nooit meer aan Camiel denken, terwijl hij verscheurd van verdriet de rest van zijn leven spijt zou hebben dat hij mij had weggedaan wegens burgerlijkheid. Het was nu twee uur ‘s middags, hij zou net uit bed zijn opgestaan, gister hadden ze een optreden met de band- de excuusnaam voor de groep dronkelappen met baarden die hij tijdens zijn studietijd had opgericht. Al gauw bleek dat je voor tentamens moest studeren en dat je als zanger van een bandje na elk optreden een andere vrouw mee naar huis kon nemen en Camiel liet zijn keuze vallen op het tweede soort bestaan. Toch begon de onrust hem ook naar de keel te grijpen en was hij dolgelukkig met mij. Twee jaar, drie maanden, een week en vier dagen lang om precies te zijn. Uiteindelijk bleek dat ik te saai was voor hem. Te normaal. Hij zou me eens moeten zien hier op het vliegveld, klaar voor een nieuw leven. Op een dag zou hij mijn naam in de krant zien staan. Het Hollandse fenomeen, beroemd in heel Brazilië. Waarmee ik precies zo succesvol zou worden, dat wist ik nog niet, maar dat was ook voor later zorg. Eerst maar even naar de wc.

De hokjes op vliegvelden zijn altijd ruim genoeg om je koffer mee naar binnen te nemen, handig voor mensen die alleen reizen.

Vanaf vandaag deed ik alles alleen.

Eigenlijk moest ik helemaal niet plassen, maar ik vond vliegtuigwc’s zo akelig. Terwijl ik naar de teksten op de deur staarde, dwaalden mijn gedachten weer af naar Camiel. Zou hij nu met die Maria samenwonen? Wat was dat trouwens voor naam? Ik probeerde heel hard zoveel mogelijk gemene dingen over haar te bedenken, maar slaagde er niet in. Ze was de belichaming van allerlei goede eigenschappen en van maatschappelijk en zakelijk succes. En muzikaal en mooi. Ik haatte haar.

Ik stond op en liep het hokje uit. Ik keek in de spiegel, misschien kon ik in Brazilië een nieuwe neus kopen, dat was daar veel gewoner dan hier. Een nieuwe naam zou ook wel passen bij mijn nieuwe leven. Consuela bijvoorbeeld, of was dat meer voor oude dames?

Het was bijna tijd om te boarden en ik keek op mijn ticket voor mijn gatenummer. Raar, het was slechts een letter met een getal, maar het leek werkelijk onmogelijk om dit te onthouden. Ik kwam in beweging, maar realiseerde me ineens dat ik mijn koffer niet meer had.

Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken, mijn knieën verslappen, mijn hart in mijn keel kloppen. Ik keek om me heen. Hij was nergens te bekennen, hij moest nog wel in de wc zijn. Snel wandelde ik terug naar de wc’s. Ik durfde niet te rennen, want voor je het weet denken ze dat je een terrorist bent of zoiets en word je preventief doodgeschoten en wordt er uiteindelijk een motie aangenomen met de naam van een of andere parlementariër die veel baat heeft bij de aandacht die deze zaak heeft opgeleverd. Dan ben je gestorven voor de bestuurlijke carrière van een ander.

Het hokje waar ik had gezeten, zat op slot. Ik hurkte om te zien of mijn koffer er nog stond, maar er stond nog een koffer in het hokje, precies voor de plek waar de mijne nog zou moeten staan. Verder zag ik twee opgezwollen voeten in roze crocs. Ik besloot te wachten. Alle andere deuren gingen open en dicht, er ontstond een rij achter me, die ik elke keer opnieuw in drie talen uitlegde dat ik niet hoefde. Het duurde lang, heel lang. Op mijn horloge zag ik dat ik vier minuten geleden bij de gate had moeten zijn. Ik bonkte op de deur. Er werd in het Chinees of iets wat daarop lijkt en wat ik ook niet spreek, teruggeroepen. Ik begon te zweten, ik kon niet zonder die koffer. Mijn camera, laptop, lenzenvloeistof, kleding, van alles zat erin. Essentiële dingen voor mijn nieuwe leven. 

Ik bonkte nog eens en nog eens. Vanuit het hokje klonk weer geschreeuw. De andere dames in de toiletten keken weg, sommigen durfden hun handen niet meer te wassen en liepen met snelle pasjes uit de ruimte. Ik bonkte nogmaals. Een ferme hand op mijn schouder deed me schrikken. Het was de hand van een grote man in een commandopak.

‘Wat zijn wij aan het doen?’

‘Mijn koffer,’ stamelde ik, ‘hij is daar en ik moet zo boarden, ze zit al zeker een halfuur in dat klotehokje…’

De man leek geen Nederlands te verstaan, want het enige wat hij zei was:

‘Komt u maar even met ons mee.’

Ik keek naar hem en naar zijn collega die schuin achter hem stond. Verder waren er geen mensen meer bij de wasbakken. Ik zei: ‘Ik heb een vlucht te halen en mijn koffer is daarbinnen, dus doe me een plezier en breek die deur open.’

Links en rechts werd ik nu vastgehouden en naar een raar stil gebied van het vliegveld gebracht. Ik zei niks meer, mijn vlucht was al weg. Mijn koffer was ook weg. Het verhoor ging in cirkeltjes, waarin de mannen op zoek waren naar aanwijzingen van grootse kwade plannen en ik alleen maar vertelde over die verdomde koffer en mijn vlucht naar Rio. 

Toen kwam er een derde man binnen, hij had een prachtige snor met vier kleuren blond. Hij fluisterde tegen de andere mannen. Ze knikten en stonden op zonder iets te zeggen. Ik legde mijn hoofd op de koele tafel. Ik kon wel een borrel gebruiken.

Er werd op de deur geklopt. In de deuropening stond een grote man met rode buitenwangen en een groene jas met heel veel zakken waarin je zakmessen en andere praktische dingen kon stoppen. Deze man was mijn broer, die ik al jaren niet had gezien. Hij was appelteler in Zeeland en erg gelovig sinds zijn ontmoeting met zijn vrouw Hester. Hij was negentien toen. Ik was zestien en fanatiek ongelovig. We maakten geen ruzie, maar verdwenen uit elkaars leven. Hij stond zwijgend naar me te kijken. Hoe langer hij tussen de bomen werkte, hoe meer hij er op eentje begon te lijken.

‘Kom je mee?’ 

‘Ik ging een nieuw leven beginnen, maar mijn koffer is kwijt,’ zei ik zo normaal mogelijk.

‘Uw koffer is terecht,’ zei de man met de snor.

‘Ik heb mijn vlucht gemist,’ zei ik tegen mijn broer.

Mijn broer zei niks. Ook niet toen we naar het parkeerterrein liepen, ook niet toen hij vijftien euro parkeergeld moest betalen en ook niet toen hij reed.

Eenmaal bij zijn boerderij aangekomen, zei hij: Hester en de kinderen zijn binnen, gedraag je een beetje’. Ik knikte en maakte mijn gordel los. Buiten haalde ik diep adem. De schone lucht, het kale landschap, de eindeloze hemel. Het voelde als opnieuw beginnen.

Parijs

05-01-2014

Misschien was het vroeger beter.

Misschien was het vroeger beter.

/ / /

05-01-2014

Metrostation Châtelet, zondagochtend 10 november, 11 uur.

Het waait over het perron, het ruikt zoals Parijse metrostations nu eenmaal ruiken. Muf, smerig, naar industrie, naar mens. Het is bij vlagen warm en koud. 

Langs de muur is een betonnen rand gemaakt, een plek waar zwervers gebruik van maken. Vandaag ligt er maar eentje, in zijn slaapzak. Aan de wanden hangen grote posters van films en evenementen in de stad, en afbeeldingen van verre paradijselijke bestemmingen. Allemaal zaken waar de man in de slaapzak geen geld voor zal hebben. Misschien vroeger. Misschien niet. Misschien was het vroeger beter voor hem. Slechter is moeilijk voor te stellen.

Alles aan hem is smerig, zijn spullen, in een berg plastic tasjes naast hem, zijn baard, zijn muts, zijn lange haren. Zijn gezicht is grauw en zijn vingers zijn haast zwart.

De metro komt over drie minuten en zal ons naar het Gare du Nord brengen. Daar hebben we nog tijd om koffie te drinken, wat tijdschriften te kopen, nog een croissant misschien. In de trein eten we dan eerst, om wat door de tijdschriften te bladeren, het lezen uit te stellen tot later en dan even de ogen te sluiten. Want het zijn toch altijd veel indrukken, op zo’n stedentrip. We kennen de stad steeds een beetje beter, maar ontdekken elke keer iets nieuws. We hebben onze carnets precies opgemaakt.

 

De man hoest. Hij rochelt. Hij kermt.

 

We praten over wat we volgend jaar echt moeten gaan doen. Soms staan de openingstijden verkeerd op de website van een instelling. Zul je altijd zien. Vroeg opgestaan, dichte deur.

 

De man begint te roepen.

 

We spreken erg weinig Frans, maar dit jaar leek het best goed te gaan. Maar twee keer werd er Engels terug gesproken.

Wat een geluk.

Alleen dat goedkope toeristenrestaurant, dat hadden we niet mogen doen. We weten beter dan dat. Nu echt.

 

De man huilt met uithalen.

 

Het leven is hier zo anders, hoe zou het zijn hier te werken, te wonen? Parijzenaars staan niet echt bekend om hun toegankelijkheid. Hoewel, bij internationale bedrijven ontstaat er toch vaak zo’n vriendenkring van expats?

 

Het lichaam van de man begint te schokken. Als een rups beweegt hij zich op de betonnen rand. Hij huilt niet meer.

 

Een vrouw met een tweelingwandelwagen komt voorbij. De babies zijn hetzelfde gekleed, in lichtroze skipakken met witte mutsjes. Wat een gedoe moet dat zijn, met een tweelingwagen door het Parijse metrostelsel. In Londen is dat beter geregeld. Daar hadden ze zoveel invalide oorlogsveteranen dat de stad werd aangepast. Dat zeggen ze.

 

De man hoest proppen bruin slijm op, hij veegt ze af met de mouw van zijn vale houthakkershemd.

 

Stel je voor dat je miljonair bent, dan kun je gewoon die jas kopen die we in de etalage zagen. Prachtig was die, maar 5600 euro, wie heeft dat nou over voor een jas? Misschien maakt de H&M wel een kopie binnenkort.

 

De man braakt op de grond. Het kletst in een grote plas naast hem, een deel spat omhoog op zijn slaapzak en gezicht.

 

De metro laat wel op zich wachten, zeg. Maar goed dat we er extra veel tijd voor hebben uitgetrokken. Je verkijkt je makkelijk op zulke dingen. We komen ook uit zo’n klein landje, we zijn echte afstanden niet gewend. Nog 1 minuut zegt het bord nu. Het perron is volgelopen met mensen.

 

De man ligt op zijn zij, hij ligt in foetushouding met zijn rug naar het spoor gekeerd. De slaapzak heeft hij uitgeschopt. Alleen zijn voeten zitten er nog in. Zijn spijkerbroek is net zo vuil als de rest van zijn kleding.

 

Het is echt een mooi boek dat je kocht in die museumwinkel. Misschien had ik het ook moeten doen. Hoewel ik natuurlijk al iets soortgelijks heb. Och, anders gewoon volgende keer. Zelfde tijd van het jaar?

 

De man krimpt ineen en schreeuwt kort, een rauwe kreet, alsof hij in barenspijn verkeert. Een vlek verschijnt op zijn spijkerbroek. Donderrood, dan lichtbruin. De stof raakt verzadigd en laat alles door. Op het muurtje, op zijn rug, op de grond, overal ligt het.

 

Daar is de trein dan eindelijk, de stank is werkelijk niet te harden. Tsja, wereldsteden, die zijn nu eenmaal hard. Nu maar hopen dat we geen vertraging hebben zometeen.

 

De man stuiptrekt in de smurrie.

 

Het waarschuwingssignaal klinkt. Het past maar net, wat reizen er toch veel mensen met de metro. We houden onze handtassen goed tegen ons aangedrukt, je weet maar nooit.

 

De man is opgehouden met bewegen.

Passend

27-08-2013

Nergens vond hij wat hij zocht.

Nergens vond hij wat hij zocht.

/ / /

27-08-2013

Buiten regende het en binnen stikte het van de mensen die met hun skinny soja latte macchiato’s in hun hand een plekje zochten tussen de laptops. Alle meisjes waren mooi en de juiste muziek klonk op de achtergrond.

Links aan de tafel zat een oude man met een krant. Sinds zijn stamcafé niet langer bestond, was hij wat ontheemd geraakt en dronk hij overal waar het maar kon een kop koffie om de sfeer te proeven. Nergens vond hij wat hij zocht. Tegenover hem zat een jongen met laptop en een koptelefoon op. Daarnaast een jongen met een muts op, hij keek samen met zijn vriendinnetje naar iets op zijn telefoon. Het vriendinnetje had een grote bruine bril op die niet alleen haar ogen maar ook een deel van haar wangen omlijstte. Zo’n bril die men vroeger nu eenmaal moest nemen bij gebrek aan beter, zo’n bril die nu werd verkocht bij gebrek aan slechter.

Het was de oude man al eerder opgevallen, de jonge vrouwen van nu droegen de kledingstukken en accessoires die hij kende van zijn zussen, zijn tantes, van zijn overleden moeder. Dat pakte over het algemeen voorspelbaar uit: mooie meisjes bleven mooie meisjes. Ze werden dan mooie meisjes in omakleding. Lelijke meisjes- deze gedachte maakte hij niet af, want hij was de krant aan het lezen en had geen zin om verder na te denken over de decoratie om hem heen. 

Hij was zojuist begonnen aan een artikel over de afschaffing van het woord allochtoon toen hij een meisjesstem hoorde. ‘Sorry, mag ik hier zitten?’ Voor hem stond nu een meisje in een donkerblauwe trui met een beige broek. Ze was buitengewoon gewoontjes voor deze plek. In haar rechterhand hield ze een theeglas met zwarte thee. ‘Duidelijk niet van hier’, dacht de man terwijl hij met een armgebaar duidelijk maakte dat ze mocht gaan zitten. 

Het artikel was zoals het elke keer was.

De man stelde zich een grabbelton voor die op de redactie stond van een krant. In de ton vijfendertig onderwerpen die altijd even opgevist konden worden. Stagiair erop zetten, bewindspersonen, opiniemakers, of een of andere halve zool met een grote waffel bellen en klaar. Hij wilde geen cynicus zijn- maar de maatschappij liet hem weinig keuze.  

Hij was juist bij het volgende katern aangekomen toen het meisje vroeg: ‘Mag ik dat stukje krant?’ Met tegenzin gaf hij het stuk krant aan. Het liefste had hij de uitgelezen stukken nog zo lang mogelijk bij zich liggen, niet dat hij ooit terug zou bladeren, maar het gevoel dat de mogelijkheid er was, daar ging het hem om. Vluchtig bekeek hij de voorpagina van het economisch katern dat hij nu in handen had. Zou het al tijd zijn voor een jenevertje? Hij legde de krant weg. Nu had hij niks meer te lezen, een situatie van niks, allemaal dankzij het meisje in de blauwe trui.

 

Hij besloot haar indringend aan te kijken, dan zou ze vast snel ophouden met lezen. Wat moest zo’n wicht nu helemaal met een krant. De andere kinderen hier lazen toch ook niet de krant? Had ze geen beeldscherm bij zich of zoiets? Hij schoof iets dichterbij.

 

Het meisje merkte niks, geconcentreerd keek ze in de krant. Welk artikel zou ze aan het lezen zijn? Hijzelf had werkelijk niks opzienbarends gelezen en zij lag zowat in de krant. Hij volgde haar blik.

 

De rouwadvertenties. Met een zucht leunde hij achterover. Weer zo’n kind met psychische klachten. ‘Sorry?’ zei het meisje terwijl ze opkeek.

 

‘Excuses- ik vroeg me af wat u aan het doen bent.’ Zei de man.

 

‘Ik ben op zoek naar vacatures,’ zei het meisje.

 

‘Dat zijn overlijdensadvertenties, waar u nu naar kijkt.’

 

‘Ja, dat weet ik wel, maar er gaan ook mensen dood die een baan hebben hè.’

 

De man knikte. Het was waar. Ook werkende mensen stierven.

 

Het meisje vervolgde:

 

‘En dan lijkt het mij wel een shock op zo’n werkvloer. Dus voor die vacature eruit is, zijn we wel even verder. Maar dan heb ik natuurlijk allang gesolliciteerd bij zo’n bedrijf.’ Tevreden keek ze hem aan. ‘Niet slecht bedacht hè?’

 

De man knikte. Het meisje vatte het op als een aanmoediging.

 

‘Wat het belangrijkste is- is welke krant je leest. Ik ben nu dus aan het uitzoeken in welke krant de meeste sterfgevallen mijn profiel hebben. Dus een beetje mijn leeftijd hebben, hoger opgeleid zijn, dat soort dingen. Nog best een gedoe, moet ik zeggen.’

 

De man knikte en stamelde: ‘nou, goed, veel succes ermee.’

 

Maar het meisje was alweer de advertenties verdiept en gaf slechts nog een klein knikje zijn richting in. 

Pauze

13-01-2018

Voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

Voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

/ / /

13-01-2018

De eerste keer dat het gebeurde, dacht ik dat ik het me verbeeldde. Ik stond in een boekenwinkel, een winkel met vaste klanten, een winkel met literatuur, met obscure vertalingen, een winkel waarvan mensen bang zijn dat ze binnenkort niet meer zullen bestaan. Een winkel die moet blijven bestaan, niet alleen omdat de eigenaar zijn vaste klanten kende, maar omdat status een steeds ingewikkelder concept geworden was. Dure woningen, merkkleding of eten in mooie restaurants… vechtsporters, hiphopartiesten en allerhande geteisem wist de weg naar deze ouderwetse statusmarkeringen te vinden. Deze boekhandel belichaamde het idee van elite, van veiligheid, van een oude wereld die misschien aan het krimpen was, maar zeker niet verdwenen.

Ik bladerde wat door een fotoboek waar ik geen geld voor had, bekeek de nieuwste aanwinsten, liep door richting de tafel met afgeprijsde boeken. Dat waren de boeken die voor mij bedoeld waren. Geen schande op deze plek, want voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

Vlak voor ik de armoetafel bereikte, viel het stil. Alsof ik ineens onder water liep, het verdwijnen van geluid als intense herrie. De zachte pianomuziek was weg, het gesprek van twee klanten was weg, het geluid van de verkoper die aan het bellen was, viel weg. Iedereen stond stil, als ware de winkel een wassenbeeldenmuseum. Alleen ik kon nog bewegen, kijken, bladeren. De situatie duurde een seconde of tien, vijftien hooguit. Daarna ging alles verder. Ik probeerde contact te maken met iemand, wilde vragen wat er gebeurde. Maar de wereld leek onaangedaan en ik een eenzame gekkin.

Omdat het verlies van mijn mentale gezondheid altijd op de loer lijkt te liggen, als een vieze kerel in een bar, wachtend op een laveloze vrouw, besloot ik het incident in de boekhandel te vergeten. Het was me bijna gelukt, totdat ik mijn haren liet knippen bij mijn vaste kapper.

Alles verliep volgens plan. 

We spraken over vakantieplannen, ik kreeg nekpijn van het haren wassen, ik kreeg een glas thee die te sterk werd doordat ik het zakje er niet op tijd uit kon halen. Op de cape en op de vloer om me heen, lagen natte punten haar die door een mokkende stagiaire werden weggeveegd. Toen pakte de kapper de föhn, om zo een kapsel te maken dat ik nooit meer zo zou hebben, nooit meer na de dag van het knippen. De warme wind waaide in mijn gezicht dat donkerroze aan het worden was van de hitte, en mijn kapper stelde me net een vraag die ik niet kon verstaan door de herrie.

Het geluid viel weg. De föhn was uit, de kranen liepen niet meer, het geklets was voorbij, de radio verdwenen. Ik keek om me heen. Iedereen stond stil, het was precies als in de boekhandel. ‘Hallo?’ zei ik vertwijfeld, te zacht, te bescheiden. Het moment waarop ik mijn telefoon wilde pakken om het te filmen, om aan anderen te laten zien wat ik had meegemaakt, werd alles weer normaal.

Wederom probeerde ik alles te vergeten, het was immers te vreemd om waar te kunnen zijn.

De derde keer dat het gebeurde, had ik er genoeg van. Ik stond bij een stoplicht te wachten om over te steken, en alles viel weer stil. De tram reed niet verder, de afslaande auto’s stonden stil. De meeuwen hielden op met hun geschreeuw. Toen de tien seconden voorbij waren, sprak ik de dame die naast me stond te wachten, aan.

‘Wat was dat nou, die gekke stilte, die pauze van alles?’ vroeg ik haar, verontwaardigd haast, omdat niemand sjoege gaf.

De dame fronste haar wenkbrauwen en zei: ‘Je bedoelt dat alles even stilstaat?’

‘Ja,’ zei ik, opgelucht dat ze wist waar ik het over had.

‘Dan doen we toch elke dag weleens?’ zei ze.

‘Elke dag? Ik heb het maar een paar keer gezien…’

‘Gezien? Je hebt het gezien? Nou, dat is zeldzaam. Dat hoort niet. Het is de bedoeling dat je eraan meedoet. Iedereen doet mee. Dat is de afspraak.’

‘Meedoen? Maar hoe weet je dat dan? Hoe weet je wanneer?’

‘Nouja, dat wéét je. Zoals je weet dat je water moet drinken wanneer je dorst hebt. Of niet te dicht bij vuur moet komen…Je weet het gewoon.’

‘Instinct?’ vroeg ik, haast radeloos nu.

‘Noem het wat je wilt,’ zei de dame verveeld.

Het stoplicht sprong op groen en zwijgend liepen we naar de overkant. Ik had nog wel duizend vragen, maar wist niet waar te beginnen, bij wie. Hierna maakte ik geen pauzes meer mee. Of misschien wel, deed mijn instinct eindelijk zijn werk.

Pont

10-02-2017

Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende.

Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende.

/ /

10-02-2017

Hij had haar al vanuit de verte gezien bij het pontje naar de overkant. Een vrouw met korte bruine haren en felgroene ogen. Het leek of ze had gehuild. Hij keek nog wat beter haar kant uit, maar ze wendde haar gezicht af, in de richting van de gure wind.

De dag was grijs, de bestemming nauwelijks zichtbaar, de mensen ingepakt in sjaals en mutsen, alleen hun ogen blootgesteld aan de kou. Niemand zei iets. Zelfs de scooterrijders hadden de motor uitgezet. Het was of iedereen in stilte aan het wachten was, wachten op het einde van deze dag. Maar dat kon ook verbeelding zijn.

Hij had altijd al een sterke verbeeldingskracht gehad. Hij had altijd andermans gedachten ingevuld, zei zijn vrouw. Je communiceert niet, zei ze. Jij gaat er altijd maar vanuit dat je weet wat de ander denkt, wil, bedoelt. Maar dat kun je helemaal niet weten. Dat kun je niet weten omdat je het niet vraagt. En al zou je het vragen, dan zou je het niet geloven. Zo eigenwijs ben je. En daarna maakte ze van haar mond een streepje vol misprijzen.

Hij had zich nooit al te druk gemaakt om dat soort dingen. Hij dacht dat ze ongelijk had. Dat dacht hij nog steeds. Maar intussen bleef de ene helft van zijn bed al maanden onbeslapen, kon hij elke week een half brood weggooien omdat hij het niet op tijd op kreeg, wist hij de radioprogrammering praktisch uit het hoofd en begon het huis te verslonzen. Ze was op reis gegaan, een enkele reis had ze gekocht. Zuid-Amerika, India, hij wist het niet precies. Het was iets spiritueels, zoveel was zeker.

De pont kwam dichterbij. Zwijgend kwamen de mensen van de overkant eraf. Zwijgend namen de wachtende mensen hun plekken weer in. Het was druk binnen. De man keek om zich heen, op zoek naar de vrouw met de groene ogen. Door de schuifdeuren zag hij hij haar op het voordek buiten.

Hij besloot naast haar te gaan staan. Hij wilde weten of die ogen glommen van tranen of schitterden van iets anders. Hij wilde leren kijken met haar blik, ook al had hij tot vijf minuten geleden nooit van haar bestaan geweten. Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende. Herkende als een ontbrekend onderdeel in zijn leven. Een onderdeel waarvan hij dacht dat het niet meer gemaakt werd. Zoiets was het.

Maar om dat te zeggen tegen een volslagen onbekende op een veerpont, een mooie vrouw ook nog. Hij zou een oude viespeuk lijken. En hij zou geen weerwoord hebben.

Met zijn hoofd vol met deze gedachten liep hij het buitendek op. Het was begonnen met regenen. Niet met vette druppels, maar met water als uit een verstuiver. Piepkleine beetjes water, nauwelijks zichtbaar, maar een drijfnat gezicht als resultaat.

De man ging naast haar staan. Heel kort keek ze opzij, recht in zijn gezicht. Nog steeds kon hij niet uitmaken of ze had gehuild. Als het zo was, wilde hij haar troosten. Maar wie laat zich nou troosten door een vreemde?

‘Vandaag duurt langer dan gister en morgen zal nog langer duren,’ opende ze het gesprek met een zachte heldere stem.

‘Heb je gehuild?’ vroeg hij zo zacht dat ze hem niet horen kon. Ze keek recht vooruit over het water. ‘Ben je eenzaam?’ vroeg hij zo zacht dat ze hem niet horen kon. ‘Kan ik je helpen?’ vroeg hij net zo zacht. Maar dit keer hoorde ze hem wel. Ze keek hem aan met en glimlachte vermoeid.

‘Niemand kan mij helpen. Maar het geeft niet. Niemand kan iemand helpen.’

‘Wat heb je nodig?’ probeerde hij te negeren wat ze zojuist had gezegd.

‘Nodig? Rust. Dat is alles.’

‘Wat voor rust? Kan ik het geven? Wat bedoel je precies? Hoeveel dan? Moet je er even tussenuit?’ De vragen bleven maar komen en intussen kwam de overkant steeds dichterbij.

‘Niemand kan mij helpen,’ zei ze nog eens. Met haar mouw veegde ze een traan van haar wang.

De sirene klonk, de klep van de pont zakte langzaam naar beneden. Het voordek stroomde vol met de zwijgende stoet die binnen had gestaan. Aan de kade stonden nieuwe mensen in zwarte kleren te wachten.

De vrouw liep langzaam van hem weg, mee in de stoet.

Zijn ogen begonnen te tranen van de wind die nu flink opstak. Verloren stond hij aan de kade. Hij had geen idee meer waar hij naartoe op weg was. Geen idee meer wie hij was. Hij miste zijn vrouw als nooit tevoren. Niemand kon hem helpen.

Poster

22-10-2014

het gaat natuurlijk allemaal om de awareness

het gaat natuurlijk allemaal om de awareness

/ / /

22-10-2014

‘Mogen wij onze poster hier ophangen?’ De hese meisjesstem klinkt luid in de uitgestorven boekhandel waar ik werk. Of werk, de boekhandel waar ik zit, dat is een betere beschrijving van de situatie. De eerste maanden was het wel mijn werkplek, maar nu is de winkel eerder een wachtplek geworden. De schroeven van de kasten zijn allemaal aangedraaid, de planken afgestoft, het tapijt is vervangen, de kassa is nog van vroeger, maar zo schoon als die nu is, is hij nooit geweest. Alle boeken staan netjes gesorteerd op categorie en op alfabet. Zelfs het magazijn is netjes. De boeken en ik, we zijn er klaar voor en daarom zitten we nu te wachten. Wachten op de mens die niet online winkelt. Zo iemand die liever door de regen loopt en dan ook nog twee euro meer betaalt, gewoon omdat hij of zij denkt dat boekenwinkels moeten bestaan.

‘Sorry, wie is daar?’ Vraag ik, terwijl ik een geeuw probeer te onderdrukken. Het is half 12 ‘s morgens. We gaan om tien uur open, ik begin altijd met het lezen van alle kranten, en ik ben nu halverwege. Ik zit in de keuken, want daar heb ik een radio tegen de stilte. Zometeen ga ik een tosti maken, want het is woensdag. Op woensdag eet ik een tosti. Op donderdag soep. De andere dagen heb ik vrijgelaten om spontaan te kunnen zijn.

Met een zucht begeef ik me richting de deur van de winkel. Er staat een meisje bij de kassa, naast haar een jongen. Ze zijn midden twintig, dragen strakke spijkerbroeken, felgekleurde gympen en wijde t-shirts. Ze glimlachen naar me. Ze hebben goedzittend haar.

Geen kapsel, maar mensenhaar dat nonchalant goed zit.

‘Ik zal het even uitleggen,’ begint het meisje, ‘we hebben een mensenrechtenfestival georganiseerd. Nouja, niet wij alleen, maar wij hebben een stichting: Human Rights Now! En in samenwerking met een aantal andere platforms zoals Give a Fuck Now! en Do Drugs For Justice en een aantal denktanks organiseren we een driedaags festival. Dat is volgende maand, en nu hangen we dus posters op.’

‘Om de buzz een beetje te voeden.’ Vult de jongen haar aan.

‘Goh,’ zeg ik, terwijl ik me probeer te herinneren wat ze nou allemaal gezegd heeft, ‘drie dagen lang een mensenrechtenfestival. Wat gaan jullie doen dan?’

‘Nou, het gaat natuurlijk allemaal om de awareness,’ zegt het meisje, ‘want wat weten we nou helemaal van de situatie van anderen?’

‘Nou, ehm..’

‘Precies,’ haakt de jongen nu ook in, ‘we weten te weinig. Daarom dit festival, want onze generatie is niet zoals die van onze ouders. Wij hebben niet zoveel met demonstreren. Maar tegelijkertijd zien we wel zoveel meer beelden. Weetje, de wereld wordt steeds kleiner. Maar onze generatie wil daar ook iets mee. Wij laten onze stem dus horen, via Twitter bijvoorbeeld.’

‘Of met een festival met een hele positeve vibe, weetjewel,’ zegt het meisje nu. ‘Dus mogen we hier een poster op het raam hangen?’

‘Okee.’

De jongen neemt zijn rugtas af en pakt er een rol posters uit. Op de toonank rolt hij er eentje uit.

‘Mag ik hem eens zien?’ Vraag ik.

‘Tuurlijk, hij is echt vet,’ zegt de jongen of het meisje tevreden.

Een hoogglanzende kleurenfoto kijkt me aan. Twee naakte vrouwen die goud geverfd zijn zitten op een roze olifant. De achterste vrouw houdt de borsten van de voorste vrouw vast. Op de grond, naast de voet van de olifant zitten twee naakte mannen, eentje speelt een dwarsfluit. De ander heeft een banaan aan zijn oor alsof het een telefoon is. Links in beeld staat een brandende struik, de blaadjes zijn gemaakt van bankbiljetten. Rechtsachterin staat een kotsend skelet.

‘Mensenrechten, zei je toch?’

‘Ja, mensenrechten.’

‘Deze poster is niet echt ehm..’

‘Kijk, het festival gaat over mensenrechten. Maar dat kan natuurlijk niet op een poster. Dat verkoopt niet. Wij hebben met onze targetgroup gezeten en dit is het resultaat.’

‘Misschien ben ik dan niet jullie doelgroep,’ zeg ik voorzichtig, ‘ik geloof dat ik het niet zo tof vind.’

‘Heb je niet zoveel met mensenrechten?’ Vraagt het meisje ongelovig,‘Echt niet?’

‘Nou, ik heb niet zoveel met wat er op deze poster allemaal te zien is. Ik geloof eigenlijk niet dat het over mensenrechten gaat. Maar dat hebben jullie vast wel vaker gehoord?’

‘Er is wel wat ophef geweest, hier en daar’ zegt de jongen tevreden, ‘Maar ik denk altijd maar zo: zolang er over je geluld wordt, is het goed.’

‘Het is toch allemaal free publicity,’ zegt het meisje.

‘Daarbij vrijheid van meningsuiting is ook een mensenrecht,’ vult de jongen haar aan, terwijl hij stukjes plakband op de achterkant van de poster plakt. ‘Is op de deur goed?’

‘Nou, eigenlijk…’

‘Superbedankt dat je wilt meewerken, echt heel tof,’ valt het meisje me in de rede met een beeldschone glimlach op haar gezicht.

‘Misschien kom ik ook wel naar jullie festival,’ stamel ik onnozel, ‘mensenrechten zijn toch…’

Maar ze zijn al weg voordat mijn zin af is.