Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Mening

26-03-2015

vrouwen die zichzelf wilden verbeteren

vrouwen die zichzelf wilden verbeteren

/ / /

26-03-2015

De staantafels waren netjes bekleed met donkerrode tafelkleden. Op elke tafel stond een glaasje met nootjes en een klein kaarsje. Het was maximaal gezellig gemaakt, maar eigenlijk was er geen kruid opgewassen tegen de typische kantoorbedomptheid die in deze ruimte heerste. Het paste wel uitstekend bij de situatie- een netwerkmoment na de korte workshop ‘effectief communiceren’ die de deelnemers voor een kleine vijfhonderd euro hadden gevolgd.

Een vrouw van begin dertig stond aan een tafeltje. Ze zag er succesvol uit, dat wil zeggen: tamelijk aantrekkelijk en een beetje onaardig. Een man in pak kwam bij haar staan. Hij had een volle bos krullen op zijn hoofd en een zelfvoldane glimlach op zijn gezicht. Voor hem waren dit soort workshops een gelegenheid om nieuwe vrouwen op te duikelen. Vrouwen met ambitie, vrouwen die zichzelf wilden verbeteren. Daar hield hij wel van. De diamantjes zaten in de workshops over communiceren. Veel over niks.

‘Waar werk jij?’ vroeg de vrouw aan hem.

Hij wachtte even met antwoorden. Zo leek hij interessanter, dat had hij jaren geleden ergens gelezen en het leek echt echt te werken.

‘Ik? Nou, het is een beetje geheim eigenlijk.’ Hij probeerde zijn intense blik op haar uit. Het leek maar weinig effect te hebben, want ze zei: ‘Ach, je hoeft het niet te zeggen hoor.’ Ze namen allebei een slok, zij van haar witte wijn, hij van zijn biertje.

Ze zuchtte. Zou hij nog gaan vragen wat zij voor werk deed? Dat was de hele reden van haar vraag. Zodat ze kon vertellen over haar werk, haar successen, haar slimmigheidjes, haar logo, haar website, de opstartfase, het onverwachtse succes (voor de buitenwereld dan, zijzelf geloofde vanaf de eerste minuut in haar product. Uiteraard.)

Hij keek om zich heen. Wat was dit nou voor rare toestand? Hij wilde juist dat ze zou aandringen, dat ze per se wilde weten wat voor belangrijke baan hij wel niet had. Niet dat ze het zo snel zou laten gaan.

Er kwam nog een vrouw aangelopen. In haar ene hand een glas rode wijn, in haar andere hand een hapje dat net was uitgedeeld. Iets met bladerdeeg, mayonaise en garnaal. Maar vooral iets van ongemakkelijk formaat. Het kon niet in stukjes worden gesneden of afgebeten, want dan viel het uitelkaar. Het paste wel in één keer in je mond, maar dan werd het meer een kwestie van de boel binnenboord houden in plaats van rustig de smaken proeven of enigzins charmant een hapje eten.

‘Wat een onhandig hapje,’ zei ze terwijl ze haar grote handtas op de grond neerzette. De andere vrouw glimlachte zonder begrip uit te drukken. De man zag zijn kans schoon en zei:

‘Dat is nou precies mijn vak!’

‘Te grote hapjes maken? Ben je cateraar?’ Vroeg de succesvolle vrouw met een opgeheven wenkbrauw.

De andere vrouw zei niks, ze was druk met een servetje voor haar mond het hapje binnenboord te houden. Nu maar hopen dat het decoratieve plukje dille niet tussen haar tanden was terechtgekomen.

‘Cateraar? Ik? Ha! Nee!’ zei de man. ‘Nee, maar ze zei nog iets,’ hij gebaarde naar de vrouw van het hapje dat ze het moest herhalen, ‘wat zei je nou over het hapje?’

De vrouw keek hem onzeker aan, ‘ehm, dat ze onhandig zijn?’

‘Precies! Je gaf een waardeoordeel, oftewel een mening. En dat is waar ik in doe. Meningen.’

‘Meningen?’

‘Ja, toch een vitale en drijvende kracht achter alles.’

De vrouw van het hapje probeerde subtiel met haar tong haar tanden af te gaan, op zoek naar dat stukje dille. Het zou de eerste keer niet zijn.

De succesvolle vrouw wilde over haar werk vertellen en vroeg zich af hoe ze hier nou subtiel over kon beginnen. Maar de man leek niet van plan zijn verhaal te laten kapen.

‘…dus dan komen ze bij mij. Je vraagt je misschien af wie?’

Niemand vroeg zich af wie, maar dat kon de man niet deren.

‘….nou, dat is dus heel breed. Van CEO’s tot politici, tot BN’ners en columnisten natuurlijk. Je vraagt je nu vast af: met wat voor vragen komen ze dan bij mij?’

Niemand vroeg zich dat af, maar dat kon de man niet deren.

‘Je bent wat je vindt, dat is mijn adagium! En het is waar- door het één te verkiezen boven het ander, zeg je eigenlijk: dit ben ik. Daar gaat het uiteindelijk om.’ Hij nam een slok bier.

‘Maarre, is het niet zo dat mensen zelf bedenken wat ze vinden?’ vroeg de vrouw van het hapje voorzichtig.

De man gooide zijn hoofd in zijn nek en liet een bulderende onoprechte lach klinken. ‘Ha nee, natuurlijk niet. Denk je nou echt dat al die politieke partijen echt zoveel meningen hebben? Welnee, ze zijn allang blij dat er een of andere halve zool naar ze wil kijken of luisteren. Als ze dan ook nog na moeten denken waarover ze een mening hebben, nou dan zouden ze helemaal geen tijd meer hebben.’

‘Goh,’ zei de vrouw die nu zeker was dat er geen dille tussen haar tanden zat, maar zich wel afvroeg of ze geen blauwe tanden had van de wijn. Wat een hekel had ze toch aan dit soort dingen.

‘Wat een reuze interessant verhaal,’ zei de andere vrouw die geen idee had van wat hij zojuist had verteld omdat ze met haar telefoon bezig was geweest. Hoe dan ook, hier was haar kapstokje om haar eigen verhaal aan op te hangen. ‘Nou, mijn bedrijf is toevallig ook echt ontstaan vanuit een behoefte die ik al zag- in tegenstelling tot vele anderen. Ik ben gespecialiseerd in…’

‘WACHT!’ riep de man nu ineens.

‘Wat is er?’ Vroeg de succesvolle vrouw geïrriteerd.

‘Ik voel een mening opkomen…’ Hij sloot zijn ogen en wreef stevig over zijn buik.

‘Het leven is te kort! Laten we het vieren en niet meer over werk praten. Leven moeten we, leven! Dat is mijn nieuwste mening!’

‘Goh,’ zei de ene vrouw weer.

‘Nou, om nog heel even terug te komen op mijn bedrijf…’ begon de succesvolle vrouw opnieuw.

‘Ik vind het niet leuk meer hier,’ zei de ene vrouw nu plompverloren. Ze pakte haar tas van de grond.

‘Een dijk van een mening noem ik dat!’ riep de man vol enthousiasme. ‘Een dijk van een mening!’

De succesvolle vrouw wenkte het meisje van de bediening. Ze nam twee hapjes van het dienblad. Voor elke wang een. Het was bijzonder oncomfortabel.

‘Had ik al gezegd dat je hele mooie ogen hebt?’ zei de man die nu pas weer haar kant opkeek.

Een brede glimlach gemaakt van gekauwde garnalen, dille en bladerdeeg viel hem ten deel. Gelukkig wist hij precies wat hij daarvan vond.

mentor

18-10-2016

Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin.

Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin.

/

18-10-2016

‘Ik zal me even voorstellen,’ zegt de dame in het roze mantelpakje tegenover me. Ze heeft een leeftijdsloos gezicht en lange bruine haren die ze in een grote knot op haar hoofd draagt. Aan haar voeten goudkleurige pumps met een grote strik erop. Het lijkt of ik in een theaterstuk beland ben, een stuk zonder publiek en zonder script voor mij. De situatie doet me denken aan mijn leven.

Ik kijk naar de leegte om ons heen. We zitten in een loods aan de rand van de stad, op het dak horen we de regen tikken als ongekookte rijst op de bodem van een pan. Onze stemmen klinken hol in de ruimte die slechts gevuld is met vier stoelen, een tafel, een koffiezetapparaat op een krukje en een kamerplant waarvan de bladeren deels bruin verkleurd zijn.

Een week geleden ontving ik de uitnodiging per post. In sierlijke letters op zwaar papier werd me gevraagd naar deze afspraak te komen, nadere informatie zou volgen op de dag zelf, vandaag dus. Ik ben zenuwachtig voor wat komen gaat, ik was zelfs twintig minuten te vroeg. Minuten die ik dolend over het industrieterrein heb doorgebracht.

‘Mijn naam is onbelangrijk,’ zegt de vrouw, ‘mijn functie daarentegen is erg belangrijk.’ Ik knik, niet omdat ik het begrijp, maar om te laten zien dat ik haar woorden heb gehoord. Ze vervolgt: ‘Ik maak deel uit van een taskforce die mentoren naar de mensen sturen. Nu moet ik dat even nader definiëren, de mentoren zijn er niet voor alle mensen. Ze zijn er voor de behoeftigen. Op deze manier zijn we bij u terecht gekomen.’

‘De behoeftigen?’ vraag ik, ‘ik denk niet dat ik daarbij hoor, het gaat best goed met me, eigenlijk.’ De vrouw glimlacht. ‘Dat zeggen ze allemaal. Maar u moet niet onderschatten hoe ons selectieproces werkt. Wij doen aan observeren, noteren en concentreren voordat wij concluderen. Ons onderzoek is grondig en uitputtend. Wij zijn overal. Dus wanneer u een mentor wordt aangeboden, is het zeker dat u er een nodig heeft.’

‘Maar, maar waarom dan precies?’ ‘Om diverse redenen,’ zegt ze, terwijl ze een grote oranje dossiermap uit de lade van de tafel pakt. ‘Wat we hier zien: sociale onhandigheid, postverlies, administratiegroei boven de 25 centimeter, beschimmeling van voedsel in Tupperware bakjes, eeuwig verschuivende to do-lijstjes, terugkerende voornemens voor het slapen gaan, nieuwe sportkleding die nooit verslijt, escalerend borrelgedrag, fietslampproblematiek… en zo kan ik nog wel even doorgaan. Komt dit u bekend voor?’

Ik knik bedremmeld.

‘Goed, dan stel ik voor dat we van start gaan.’ Ze bekijkt me van top tot teen. ‘Bent u ervan op de hoogte dat er een gaatje in uw onderhemd zit, aan de linkerzijde bij de zoom?’

Ik bloos. ‘Ik dacht, ik dacht dat niemand dat kon zien, ik draag er toch een trui overheen, dacht ik vanmorgen…’

‘Het klopt, het is eigenlijk niet zichtbaar,’ zegt de vrouw. ‘Maar dat is niet van belang. Waar het hier om gaat, is uw geestelijke instelling. Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin. Ook als niemand het ziet.’

Ik knik weer. Langzaam wordt het me duidelijk hoe erg ik een mentor nodig heb, hoe ongeschikt ik eigenlijk ben om alles maar alleen te doen.

‘Ik verwacht dat dit traject tussen de twee en de negentien maanden zal duren met een tweewekelijkse bijeenkomst hier op dit kantoor.

‘Heel graag,’ zeg ik, ‘eerst was ik niet zeker of ik hierheen zou gaan, maar ik ben heel blij dat ik de stap genomen heb.’

De vrouw knikt en noteert iets in de oranje map.

Dan wordt er op de deur van de loods geklopt. Een drijfnat meisje staat in de deuropening.

‘Dag,’ zegt ze, ‘ik heb een afspraak om twee uur, maar ik was verdwaald.’

De vrouw in het mantelpak kijkt wat ongerust naar mij, naar het meisje en weer naar mij.

‘Mag ik jullie uitnodigingen even zien?’ vraagt ze.

We leggen de enveloppen op tafel neer en kijken hoe de vrouw het papier zorgvuldig inspecteert. Na minuten van ernstig zwijgen zegt ze: ‘Er is hier helaas sprake van een zeer ernstige administratieve fout.’ Dan wendt ze zich tot mij en zegt ze: ‘U bent niet geselecteerd voor het programma, de brief was niet voor u.’

‘Maar, maar, alles leek over mij te gaan,’ stamel ik, ‘en ik, ik kan het niet alleen, ik was juist zo blij dat…’

‘Helaas,’ zegt de vrouw. ‘U heeft ons niet nodig. De brief was niet voor u. Wees niet teleurgesteld, zo gaan die dingen nu eenmaal.’ Dan pakt ze mijn jas. ‘Doet u deze maar snel aan, het regent pijpenstelen.’

Ik knik.

Het drijfnatte meisje heeft haar jas zojuist uitgetrokken en gaat op mijn plek zitten.

Buiten hoor ik mijn fiets omvallen door de wind. Ik wil kijken hoelaat het is, maar mijn telefoon is leeg. Ik rits mijn jas dicht tot onder mijn kin. Kennelijk heb ik alles onder controle.

Mode

24-01-2013

Ze zag er niet langer ongedisciplineerd uit.

Ze zag er niet langer ongedisciplineerd uit.

/

24-01-2013

‘Zo, kom eens even wat dichterbij’ zei de modeontwerper. Het meisje keek hem aan met grote ogen. Ze was jong, nog geen achttien. Haar hoofd leek te zwaar voor het fragiele lichaam, haar bewegingen waren langzaam, lijzig. Met trillende vingers vouwde ze een lokje haar achter haar oor. Haar huid was lichtpaars doorschijnend en bedekt met zacht dons, op haar armen waren de aders goed zichtbaar, als rietjes onder een dun vlies. Ze had het koud, trilde op haar benen. Het zou niet lang meer duren en ze zou knakken.  

 Hij had het avondjurkje nog wat aangepast sinds de vorige doorpas, en nu was ze hier om te kijken of de pasvorm nu goed was. De modeontwerper stond bekend om zijn perfectionisme, wat hem de bijnaam ‘Perfecte Paulo’ had opgeleverd. Zijn partner David noemde hem Peepee. Het meisje dat hier tegenover hem stond, zei meneer Peepee. Ze was het achternichtje David en wilde een succes worden in de modewereld. Ze was niet onaardig, in elk geval lang genoeg, haar gezicht was onopvallend genoeg om iets moois op te schilderen met make-up en ze had mooi haar. Daarnaast was ze vastberaden en eerbiedig. Paulo vond het geen probleem haar even onder zijn hoede te nemen, de gedachte dat hij zo’n leuk jong ding kon maken of breken gaf hem een gevoel van controle. Controle die hij in het grote maakproces van de kledingstukken vaak leek te verliezen. Als dat gebeurde, liet hij alle werknemers op het atelier nablijven. ‘Nabespreking’ noemde hij dat. Maar het was niet de bedoeling dat zijn werknemers zouden spreken, het was een donderpreek van een uur, waarbij hij het zoveel mogelijk op de man speelde. Meestal ontaardde deze preek in een hoop gehuil, maar de laatste keer dat hij zich daar iets van had aangetrokken kon hij zich al niet meer heugen. Het was gelekt naar de pers, door een stagiair waarschijnlijk, maar stoppen was niet mogelijk. De nabesprekingen waren een verslaving geworden, gaven hem rust, werkten beter dan yoga en waren nog goedkoper ook.

 Hij keek nog eens naar het meisje, het speet hem dat de carrière waar ze zo van droomde nooit zou gebeuren. Niet omdat ze ongeschikt was, maar omdat haar oom David het verpest had, een paar maanden geleden. Het was koud geweest buiten, het was donker. Normaal gesproken was de donderdagavond van Paulo gereserveerd voor een uitgebreide massage, maar de masseur had een ongeval in de familie. Paulo werkte nog wat door in het atelier en besloot toen naar huis te lopen. Het was een lange dag geweest en de frisse lucht zou hem goed doen. Het rook al naar herfst en de wandeling was inderdaad louterend, zo zou hij de kleine straatjes doorkruisen en David verassen met zijn vroege thuiskomst. Misschien konden ze nog een glaasje drinken en samen in bad. Paulo kroop wat dieper in zijn kraag, de wind was guur. In de cafés die hij passeerde brandde donkeroranje licht. Als de deur openging vulde de straat zich kort met een warme stroom van geroezemoes die met een doffe klap werd afgesloten.

 Op de hoek zat café Mijn Liefde, een klein donker hok waar zolang Paulo zich kon herinneren dezelfde man achter de toog stond. Hij keek naar binnen, een paar stamgasten dronken jenever en in een hoekje zat een koppeltje te flikflooien. Het meisje had lange donkere haren en een rechte pony. De man die tegenover haar zat streelde door het haar en fluisterde dingen in haar oor die het meisje deden blozen. Paulo zag de man van achter, en was gecharmeerd van de brede schouders en het vaalgroene overhemd dat om zijn armen spande. Het deed hem denken aan… Paulo schrok en keek nog eens, een steek in zijn buik. Het was David, zijn David. Hij zag zijn geliefde naar voren leunen, hij kuste het meisje. Zoals hij ook Paulo had gekust. Zoals hij Paulo zou kussen, straks thuis, in dat mooie huis.

 Verslagen was Paulo doorgelopen. Onderweg gaf hij twee keer over. Groene bonensalade en bietensoep van de biologische traiteur. Dertig euro aan kleurrijke prut op de stoep. Thuis had hij een lange douche genomen en een schone pyjama aangetrokken. David was twee uur later thuisgekomen. Hij rook naar bloemetjesparfum. Paulo kroop extra dicht tegen hem aan. Hij snoof de geur op. Zo zoet als het verraad rook, zo zoet zou zijn wraak zijn. Twee dagen later hadden ze gesproken over het nichtje van David, over haar vooruitgang, over haar carrière. David was trots op haar. Het voelt alsof ze mijn dochter is, zei hij. Dat had hij niet moeten zeggen, dacht Paulo. Wat is er erger voor een ouder dan zijn kind te verliezen. Niks is er erger voor een ouder. David zou kapot gaan van verdriet, maar Paulo zou er voor hem zijn. De snikkende nachten, de plotselinge veranderingen in humeur, de hartverscheurende begrafenis, de herinneringen die zo dierbaar zijn en leken te vervagen. Hij zou er niet alleen doorheen hoeven gaan. Het zou een storm zijn waar hij en Paulo samen doorheen zouden gaan, ze zouden er sterker uit komen. Maar eerst dat verlies. Ze moest het zichzelf aandoen. Met een beetje hulp, een beetje hulp kan nooit kwaad.

 Nadie was steeds vaker naar het atelier gekomen. Elke week dronken ze wat thee en paste ze de laatste ontwerpen. Paulo gaf haar tips. Geen suiker meer. Geen alcohol. Geen brood. Geen frisdrank. Geen pasta. Geen aardappels. Geen rijst. Geen vlees. Ze werd steeds slanker. Toch bleven de ontwerpen haar moeilijk passen. Ze zou de showstopper worden, de belangrijkste van de show. Maar die jurk, die moest wel goed passen. Elke week, voordat de masseur kwam vermaakte Paulo de jurk. Hij nam de naden in, een heel klein beetje, elke keer opnieuw. Op de opleiding werd hij al geroemd om zijn nauwkeurige steek. Niemand die het zag, niemand die het hoefde te weten. Het meisje was gewoon een beetje ongedisciplineerd, dat zagen ze wel vaker bij van die jonge modellen.

 Vandaag zag ze er niet ongedisciplineerd uit. Ze was zelfs nauwelijks zichtbaar. De jurk was weer smaller gemaakt, maar deze keer paste hij goed. De botten bij haar heupen staken door de jurk heen, de halslijn hing als aan een kledinghaak over haar holle borstkas. De jurk paste. ‘Dit is de mooiste dag uit mijn leven’ fluisterde het meisje met tranen in haar ogen. Ze probeerde te glimlachen maar ze was er te zwak voor. Voorzichtig omhelsde Paulo haar. ‘Je bent mijn ster, hoor je me? Mijn ster.’ Het meisje beefde op haar benen. Paulo hielp haar uit de jurk en drapeerde hem voorzichtig over de stoel die in de hoek stond. ‘Kleed je maar aan, dan gaan we het vieren in de stad’ zei hij. Ze gaf geen antwoord. Een zachte plof klonk. Op de grond een karkas.

 Met gillende sirenes was de ambulance vertrokken. Ze waren er snel. Op de terugweg waren de zwaailichten uit en was het stil. Het lichaam opgeraapt, meegenomen, ingesnoerd, lag af te koelen in de wagen.

Moeten

17-11-2013

Wat is het verschil nu helemaal.

Wat is het verschil nu helemaal.

/ /

17-11-2013

De toeristen begrepen maar weinig van het verkeer en versperden het wegdek van de hele brug. De fietsers zochten hun weg tussen de fotograferende figuren door, sommigen lieten hun irritatie duidelijk merken, anderen gingen blijmoedig voorwaarts. Nu kwamen er ook fietsers van de andere zijde. Twee dames botsten bijna op elkaar. Een oudere dame met een brilletje met kogelronde glazen en een jongere vrouw van begin de dertig, met een warrig kapsel en parels in haar oren. 

‘U moet rechts fietsen!’ Riep de dame in bekakt Nederlands. 

‘Ik had het graag gedaan, maar er liepen allemaal mensen’ zei de andere dame terwijl ze gebaarde naar de voetgangers om hen heen.

‘Dan moet u bellen!’

‘Bellen?’

De vrouw demonstreerde het op haar eigen fietsbel. Driftig belde ze een paar keer achterelkaar. ‘Dat moet u doen.’

‘Nou, dat heb ik dus niet gedaan.’

‘Dat blijkt.’

 

De andere vrouw zweeg. Hierop stapten ze op hun fiets en begonnen ze elk in hun eigen richting weg te rijden, deze grap had al teveel tijd gekost. De jonge vrouw was haast aan het einde van de brug toen ze zich bedacht.

 

Ze keerde om en fietste ze snel ze kon achter de dame met het brilletje aan. ‘Mevrouw, mevrouw!’  riep ze. De dame met de bril keek om en stopte toen ze zag dat het de vrouw van zojuist was. ‘Komt u uw excuses maken?’ De jonge vrouw schudde haar hoofd, ‘nee natuurlijk niet’. ‘Nou, dat zou anders wel gepast zijn’ zei de dame met het brilletje, ‘maar dat zou ik u helemaal niet moeten vertellen, dat zou u moeten begrijpen.’  Ze verplaatsten zich naar de stoep.

 

‘Ik wilde u nog even zeggen dat ik helemaal niks moet. Of eigenlijk, ik moet al genoeg. En ik ken u nu misschien vier minuten en ik moet al zoveel. Ik moet rechts fietsen, bellen, mijn excuses aanbieden..’

 

‘Zo is het leven nu eenmaal- veel moeten en zo nu en dan een borrel’

 

‘Is dat hoe u ermee omgaat?’

 

‘Dat is hoe iedereen ermee omgaat.’

 

‘Ik ben al dat moeten een beetje beu.’

 

‘Nou, dan doet u het niet en dan kunt u intrek nemen onder de brug waar u mij zojuist bijna ondersteboven heeft gereden. Dan moet u helemaal niks, behalve ontlasten in de gracht.’

 

De jongere vrouw dacht even na. ‘Maar u wílt toch ook wel dingen, of is alles moeten?’

 

De dame glimlachte weemoedig. ‘Ach, kind, wat is het verschil nu helemaal. Vanaf het moment waarop een mens tamelijk comfortabel leeft, met een woning, voldoende voedsel en kledij- alles vanaf dat moment, kent het geen wezenlijk verschil tussen moeten en willen. We doen het onszelf allemaal aan, zoveel is zeker.’

 

De jongere vrouw dacht hard na over waarom ze ook alweer achter de dame was aangekomen, wat ze had willen zeggen, wat het probleem was geweest. De dame vatte het zwijgen als een aanmoediging op en ging door met praten.

 

‘Is het vrijheid om iets te willen? Wat voor gevoel geeft verlangen aan u? Is verlangen niet net zo dwingend als het gevoel iets te moeten?’

 

De vrouw knikte bedremmeld.

 

‘Goed’ zei de dame, ‘ik was op weg naar mijn vaste café, doet u er eentje mee? Maar voelt u zich vooral niet verplicht.’

 

Muiltjes

17-02-2015

Zijn tijd is niet nu.

Zijn tijd is niet nu.

/ / /

17-02-2015

Het is druk in de tram, er moet een of ander studentenfeest zijn afgelopen, want het staat vol met jonge jongens in iets te ruime pakken en meisjes in goedkope galajurken met daarover hun normale winterjassen. Buiten regent het steeds harder, in de tram klinkt het drukke gekwetter van de studenten. Bij het treinstation stappen de meeste uit.

Niet het meisje in de lange auberginekleurige jurk die ze draagt met een korte zwarte trenchcoat en zilverkleurige schoenen met hoge hakken en heel veel bandjes. Ze heeft een elfachtig gezicht en is in het gezelschap van een lange bleke jongen met wilde bruine krullen en felblauwe ogen.

‘Wil je even zitten?’ Vraagt hij.

‘Heel graag!’ Ze lopen naar het einde van de tram en gaan daar op het achterste bankje zitten.

‘Mijn god, wat doen mijn voeten pijn.’ Driftig wrijft het meisje over de bovenkant van haar voeten.

Tegenover haar zit een oudere man in een lange donkerblauwe jas. Hij heeft een een hoge hoed op en zijn rechterhand rust op een wandelstok. De man lijkt uit een andere tijd te zijn gekomen, alsof hij is geteleporteerd en zo in deze tram is beland. In zijn tijd, want die tijd is niet nu, droegen de dames geen praktische jassen over hun jurken. Ze noemden jurken vast ook geen jurken, maar japon of avondtoilet of zoiets.

‘Hoeveel haltes is het nog?’ Vraagt het meisje aan de jongen terwijl ze haar benen over zijn schoot uitstrekt.

‘Nog wel veel, Osdorp is ver en we zitten nu nog in het centrum.’

‘Fijn, dan doe ik ze even uit.’ Snel maakt ze de schoentjes los, de afdruk van de bandjes staat diep in haar voet. Haar kleine tenen zijn ook in de verdrukking gekomen deze avond, als puntige radijsjes zitten ze tegen de rest van de tenen aangedrukt. Met een zucht van verlichting begint ze haar voeten te masseren.

‘Vrouwen,’ zegt de jongen hoofdschuddend terwijl hij op zijn mobieltje kijkt.

De man met de hoed kijkt geamuseerd naar het schouwspel. Het meisje glimlacht naar hem, waarop hij zegt: ‘Was het een fijne avond?’

‘Jawel, alleen denken mijn voeten daar anders over.’

De tram staat ongewoon lang stil op een kruispunt, vier politiewagens en een ambulance razen voorbij met loeiende sirenes. Langzaam komt de tram weer in beweging.

‘Mag ik u wat vragen?’ Zegt de man dan, terwijl hij zijn voorhoofd dept met een katoenen zakdoek die hij uit zijn binnenzak heeft gehaald.

‘Ja hoor.’

‘Hoeveel wilt u voor die schoenen hebben?’

‘Die schoenen? U bedoelt mijn schoenen? Ik moet nog naar huis, ik doe ze zo weer aan. Helaas.’

De man rommelt in zijn jaszak en haalt een stapeltje bankbiljetten tevoorschijn.

‘Is zoiets voldoende?’

‘Ik moet zo nog naar huis,’ begint het meisje, maar nu valt de jongen haar in de rede. ‘Jezus Kyra, doe niet zo stom. Desnoods nemen we een taxi, moet je zien wat een geld.’

De oudere heer glimlacht en zegt: ‘De volgende halte moet ik eruit.’

‘Je moet me dan wel naar huis dragen hoor,’ sist het meisje naar de jongen.

‘Prima,’ zegt hij schouderophalend.

De tram stopt en de man staat op. Hij drukt het meisje de bankbiljetten in haar hand en neemt de schoenen aan. Tevreden wandelt hij de straat met statige herenhuizen in.

Het meisje staart naar de bankbiljetten in haar hand.

‘Hoe chill,’ zegt de jongen waarna hij uitgebreid gaapt.

Het meisje knikt terwijl de tram weer in beweging komt. Zwijgend kijkt ze naar de regen in het schijnsel van de straatlantaarns. Nog maar zes haltes te gaan.

Museum

26-06-2015

Het was fijn, maar ook eenzaam.

Het was fijn, maar ook eenzaam.

/ /

26-06-2015

‘Kom je hier wel vaker?’ Mina zuchtte. Ze was in een museum, wie versiert er nou iemand in een museum? Langzaam wendde ze haar gezicht af van het schilderij dat ze aan het bekijken was en keek ze opzij.

Een knappe man stond naast haar. Op zijn hoofd een woeste bos zwart haar, zijn gezicht had Aziatische trekken. Hij was lang en droeg een spijkerbroek die er zo nieuw uitzag dat het Mina niet zou verbazen als de stof een krakend geluid zou maken tijdens het lopen. Zijn overhemd was hagelwit en om zijn linkerpols droeg hij een paar leren armbandjes. Het was kortom, helemaal zo slecht nog niet, een gesprek te beginnen met dit figuur.

Een paar maanden eerder was ze door een kleine magere suppoost gevolgd in alle ruimtes in het grootste museum van de stad. Toen ze eindelijk aan het einde van de expositie was gekomen, had hij haar telefoonnummer gevraagd. Ze had acuut een verloofde verzonnen en toen de suppoost opmerkte dat ze geen ring droeg, verzon ze er een lang en onhandig verhaal bij van een middag klussen in haar nieuwe woning, waarbij de ring beschadigd raakte en zodoende bij de juwelier was beland. De suppoost had haar meewarig aangekeken en toen zijn nummer op een briefje geschreven en aan haar meegegeven. Vanaf de garderobe had ze nog een keer omgekeken naar de suppoost, bang dat hij haar ook naar buiten zou volgen. Dat bleek niet het geval, ze keek op zijn rug waar zijn vlassige staartje tussen zijn schouderbladen rustte.

Uitzonderlijk, had ze besloten. Dat iemand je zomaar aanspreekt in een museum- dat is uitzonderlijk. Maar vandaag was er dan een nieuwe ronde, een nieuwe kans. In het gesprek met deze man zou ze niet liegen, geen verloofde, woonhuis of spannende baan verzinnen.

‘Kom je hier wel vaker?’ herhaalde de knappe man de vraag.

‘Sorry, ik was even in gedachten. Ja, ik kom hier wel vaker, elke twee maanden ofzo. En jij?’

‘Ben hier vandaag voor het eerst. Woon je hier?’ vroeg de man. Hij sprak keurig Nederlands, op een precieze, bijna onwennige manier. Alsof hij de woorden pas voor het eerst had uitgepakt. Spiksplinternieuw, net als zijn kleding.

‘Ja, ik woon op tien minuutjes fietsen ongeveer, en jij?’

‘Ik woon al een jaar of negen niet meer in Nederland, maar ben nu voor zaken hier. Zullen we anders even koffie drinken?’

Mina deed of ze erover moest nadenken.

Op weg naar het museumcafé wisselden ze elkaars namen uit: Cheng en Mina. Mina en Cheng. Ze moest oppassen haar fantasie niet teveel op hol te laten slaan. Hij vertelde over zijn Nederlandse moeder en Chinese vader. Over opgroeien in verschillende landen, over internationale scholen en zijn huidige leven als expat in Dubai. Het was fijn, maar ook eenzaam zei hij. De luxe, het personeel, het mooie weer… wat is het allemaal waard in je eentje?

Mina knikte begripvol en zag zichzelf intussen diepgebruind op een ligbedje aan het zwembad liggen met een stapel vrouwenbladen naast zich. Ze zou wel een nieuwe bikini moeten kopen, ze had er nu maar twee waarvan eentje echt best versleten was.

Ze begon net over haar leventje te vertellen, hoe het was om junior communicatiemedewerker te zijn bij een energiebedrijf, over het appartement dat ze deelde met een oud-studiegenoot en over haar familie die nog altijd in de buurt van Zwolle woonde. Ze wilde net vertellen over de tweeling van haar oudere zus, toen ze twee handen voor haar ogen voelde.

‘Mina!’ Ze herkende de stem. Het was een oud-collega waarmee ze samen in een koffiebar had gewerkt tijdens haar studententijd. Hoe heette ze nou toch? Kim, Sanne, Lisa…. Zoiets.

‘Dit is Chung…’ stelde Mina de man voor, en dit is….

‘Ik heet geen Chung…’

‘Oh sorry, dit is Ching… en dit is…..Lisa..’

‘Ik heet geen Lisa- ik heet Emma!’

‘Sorry, sorry. Emma, dit is Chong. Chong, dit is Emma.’

De knappe man keek Mina aan met een koud gezicht. ‘Dit is precies waarom ik weg ben gegaan uit Nederland,’ zei hij toen.

‘Wat bedoel je?’

‘Het racisme. Verschrikkelijk.’

‘Ik had je naam alleen even fout, sorry-’

‘Nee, je hebt het nog steeds niet goed. Maar voor mensen zoals jij is het allemaal eender. Ching, Cheng, Chung, Chong. ‘ Hij begon zich nu echt kwaad te maken. Met een hoog stemmetje boog hij nu voorover en zei hij: ‘Witte lijst met sambal bij? Of vragen of mijn ouders een restaurant hebben, het is niet te geloven. Wat een achterlijk land!’

Mina stond haastig op en zei: ‘Nou, ik stap maar weer eens op, ga nog wat koffie drinken met, met….mensen zoals ik.’

De oud-collega was inmiddels aan het tafeltje gaan zitten bij de man. Ze leken bovengemiddeld geïnteresseerd in elkaar, hun ogen lieten elkaar niet meer los. 

‘Doei Lisa,’ zei ze tegen de oud-collega. 

‘Ik heet geen Lisa.’ 

Onherroepelijk

16-08-2013

Je hebt geluk, ze zijn helemaal verwelkt.

Je hebt geluk, ze zijn helemaal verwelkt.

/

16-08-2013

Tine voelde zich die ochtend opgewekt zoals altijd, en ze schonk juist melk over haar cornflakes toen haar man haar aan het schrikken maakte.

‘Tine, wat doe je nou?’ Zei hij met een bezorgd gezicht.

 

Ze draaide zich om en keek hem aan. Wat bedoel je?

 

‘Weet je dan niet wat voor dag het is?’ Zei hij zachtjes terwijl hij schichtig om zich heen keek.

 

‘Woensdag?’

 

‘Nee- nee dat bedoel ik niet. Je moet trouwens ook fluisteren.’ Fluisterde hij.

 

‘Okee.’ Fluisterde Tine terug.

 

‘En op je hurken zitten.’

 

Ze ging gehurkt naast haar man zitten die ernstig keek.

 

‘Het is vandaag de dag van de stilte.’  

 

Voordat Tine iets terug kon zeggen, legde hij zijn hand over haar mond. ‘Ssst- schrijf het op een briefje.’ Hij gaf haar een pen en een notitieblokje.

 

Tine pakte de pen en schreef:

 

WAT IS DAT NOU VOOR ONZIN?

 

Haar man pakte de pen en schreef:

 

HET MOET. ZE KOMEN VANDAAG EN ALS ZE ONS HOREN ZULLEN WE ONHEROEPELIJK GEPAKT WORDEN.

 

Tine pakte de  pen en schreef:

 

WIE ZIJN ZE? EN ONHEROEPPELIJK IS VERKEERD GESPELD.

 

Haar man pakte de pen en schreef:

 

JE BEGRIJPT DAT IK DAAR GEEN UITSPRAKEN OVER KAN DOEN. MAAR ZE KOMEN ANDERS ONHERROEPPELIJK.

 

Tine pakte de pen en schreef:

 

IK BEGRIJP ER NIKS VAN EN ONHEROEPPELIJK IS VERKEERD GESPELD.

 

Haar man pakte de pen en schreef:

JE HOEFT HET NIET TE BEGRIJPEN. JE MOET JE GEWOON DEZE DAG STIL HOUDEN. ANDERS GAAT HET ONHERROEPELLIJK MIS.

 

Tine pakte de pen en schreef:

 

ZIJN ER MEER MENSEN OP DE HOOGTE? EN ONHERROEPELIJK IS VERKEERD GESPELD.

 

Haar man schudde zijn hoofd en schreef:

 

VERTROUW ME NU MAAR. ZE KOMEN ANDERS ONHEROEPPELIJK.

 

Tine zuchtte diep en schreef:

 

MAG IK DAN NU GAAN ONTBIJTEN? EN ONHERROEPELIJK IS VERKEERD GESPELD.

 

Haar man pakte de pen en schreef:

 

NIET MET CORNFLAKES. DAN GAAT HET NOG ONHERREOPELIJK MIS.

 

Tine pakte de pen en schreef:

IK WEET NIET WAAR JE MEE BEZIG BENT MAAR IK DOE ER NIET MEER AAN MEE. IK GA NU ONTBIJTEN MET CORNFLAKES. EN ONHERROEPELIJK IS VERKEERD GESPELD.

 

Driftig stond ze op, haar man zat hoofdschuddend op de keukenvloer.

 

Ze pakte het kommetje cornflakes van het aanrecht en zei hardop tegen haar man: ‘Nou je hebt geluk hoor, ze zijn helemaal verwelkt.’ 

 

Haar man zat nog steeds op de grond en gebaarde druk dat ze haar mond moest houden. Hoofdschuddend ging ze aan tafel zitten eten. Ze pakte de krant en was juist bij een artikel over thuisonderwijs aanbeland toen de deurbel ging.

 

‘Nog iemand die er niet aan meedoet’ mompelde ze.

 

Voor de deur stond een man met een wit geschminkt gezicht. Hij droeg een lichtblauw linnen pak en een wit t-shirt. In zijn linkerhand droeg hij een rode koffer van glimmend metaal. ONHERROEPEIJK FACILITY SERVICES stond er op de zijkant geschreven.

 

Kan ik u helpen? Vroeg ze.

 

‘We komen uw stem op stil zetten’ fluisterde de man.

Snel probeerde ze langs hem te glippen, naar buiten toe. Maar ook in de voortuin  stond een man in een lichtblauw pak, die haar tegen wist te houden.

De eerste man liet haar een briefje lezen.

 

ONHEROEPPELIJK ZETTEN WIJ UW STEM NU UIT. GAARNE HIERVOOR UW BEGRIP.

 

‘Je hebt onherroepelijk verkeerd gespeld’ stamelde Tine terwijl de mannen een bus roze poeder over haar heen strooiden. Langzaam ebde de angst weg, samen met haar stem die ze nu onherroepelijk was verloren. 

Ontslag

23-05-2013

Ontslag nemen is geen optie.

Ontslag nemen is geen optie.

/ / /

23-05-2013

Geachte maatschappij,

 

Bij deze wil ik u graag informeren dat ik ontslag neem.

 

Met vriendelijke groet,

 

Revka Bijl.

 

 

Geachte mevrouw Bijl,
 
Helaas moeten wij u mede delen dat ontslag geen optie is. Wel zouden wij u willen vragen bijgaande enquête in te vullen.
 
Met vriendelijke groet,
 
De maatschappij

 

 

BIJLAGE
Deze bijlage maakt deel uit van een onderzoek naar het groeiend aantal verzoeken tot ontslag van de maatschappij. Maatschappijverlating is een illegale praktijk welke op geen enkele manier zal worden ondersteund door de maatschappij. Mocht u nog eventuele vragen hebben, dan wensen wij u veel sterkte.
De vragenlijst neemt slechts enkele minuten in beslag en zal zeer waardevol zijn voor de maatschappij.
 
De volgende vragen kunt u met Ja (J) of Nee (N) beantwoorden.
 
  1. Heeft u gestudeerd? (In geval van Ja, ga naar 2, anders ga naar 5)
  2. Heeft u uw hart gevolgd inzake studiekeuze?
  3. Heeft u meerdere studies afgerond?
  4. Heeft u een studielening afgesloten?
  5. Heeft u een passende baan?
  6. Heeft u zicht op een passende baan?
  7. Heeft u een vaste woning?
  8. Heeft u zicht op een vaste woning?
 
Hieronder staan vijf stellingen. Vul in: waar, niet waar of weet niet/geen mening.
 
  1. De maatschappij dat ben jij.
  2. Denk vooruit.
  3. Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker. 
  4. De dag die je wist dat zou komen, is nu hier.
  5. Veiligheid heb je zelf in de hand.

 

 

 

 

Geachte maatschappij,

 

Dank voor uw snelle reactie. Helaas zal ik de enquête niet invullen.

 

Met vriendelijke groet,

 

Revka Bijl.

 

 

 

Geachte mevrouw Bijl,
 
De enquête niet invullen is geen optie.
 
Met vriendelijke groet,
 
De maatschappij

 

 

Geachte maatschappij,

 

Hier mijn antwoorden:

  

  1. Heeft u gestudeerd? (In geval van Ja, ga naar 2, anders ga naar 5)     J         
  2. Heeft u uw hart gevolgd inzake studiekeuze?                                       J
  3. Heeft u meerdere studies afgerond?                                                       J
  4. Heeft u een studielening afgesloten?                                                      J
  5. Heeft u een passende baan?                                                                    N
  6. Heeft u zicht op een passende baan?                                                     N
  7. Heeft u een vaste woning?                                                                       N
  8. Heeft u zicht op een vaste woning?                                                        N

  

  1. De maatschappij dat ben jij. weet niet/geen mening
  2. Denk vooruit. weet niet/geen mening
  3. Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.  weet niet/geen mening
  4. De dag die je wist dat zou komen, is nu hier. weet niet/geen mening
  5. Veiligheid heb je zelf in de hand. weet niet/geen mening

 

Ook zou ik graag bezwaar willen maken omtrent mijn verzoek tot ontslag.

 

Met vriendelijke groet,

 

Revka Bijl.

 

 

 
Geachte mevrouw Bijl,
 
Ontslag nemen is geen optie. Over de uitslag kan niet worden gecorrespondeerd.
 
Hoogachtend,
 
De maatschappij.

 

 

 

Motherfuckers.

 

Met vriendelijke groet,

 

Revka Bijl.

 

 

 

 

Geachte mevrouw Bijl,
 
Het zij zo.
 
Hoogachtend,
 
De maatschappij.

 

Oorbellen

22-02-2013

Misschien ging er nog wel een tweede kassa open.

Misschien ging er nog wel een tweede kassa open.

/ / /

22-02-2013

De hitte was niet te harden in het warenhuis, de rij voor de paskamers liep tot achterin de zaak en de rij voor de kassa groeide alleen maar. Jengelende kinderen hingen aan hun moeders, meisjes met grote leren handtassen drukten driftig op hun mobieltjes, terwijl verschillende caissières werden opgeroepen naar de kassa te komen om artikelen te ruilen.

Ook ik stond in deze rij, denkend aan spreuken over mindfulness, over acceptatie en over geduld. Ik wilde niet mindful zijn, wilde juist ontsnappen aan het hier en nu. Ergens in mijn telefoon moest een lijstje bestaan met de beste uitspraken van de Dalai Lama maar het bereik was slecht en de pagina was nu al tien minuten aan het laden. Ik stopte de telefoon weg en keek om me heen. Nog maar drie mensen voor me.

Achter mij een kinderwagen, dat wist ik al zonder om te kijken, de afgelopen minuten waren mijn enkels het doelwit geweest van kleine duwtjes. Voor mij  stond een Amsterdamse schone, met geblondeerde haren, een strakke zwarte trenchcoat aan en met leren laarzen aan haar voeten. Er hing een stevige rooklucht om haar heen.

Uit het niets kwam een vrouwtje aangelopen, rode konen, haar pluizige krullen in een soort van vogelnest op haar hoofd. Ze liep naar de Amsterdamse dame toe. ‘Sorry, mevrouw, mag ik wat vragen?’ De dame kantelde haar hoofd naar achteren, dat betekende ja. De vrouw met het pluishaar liet zich niet van haar stuk brengen en vroeg: ‘Zou ik alstublieft voor u mogen? Ik heb alleen maar deze oorbelletjes, en ik moet mijn dochtertje van zwemles halen, anders kom ik te laat.’

De Amsterdamse bekeek haar van top tot teen en begon toen te praten. ‘Luistert eens meissie- ik vind het goed, van mij mag het, maar voor hun-’ Ze wees op de rij achter haar, ‘ken ik het natuurlijk niet bepalen. Dus as je nou effe aan iedereen vraagt of het goed is, dan is het geen probleem.’ Vertwijfeld keek de vrouw naar de Amsterdamse dame. ‘Snap je me soms niet?’ Zei die. ‘Jawel, ik snap wat u zegt. Maar moet ik nu werkelijk al die mensen afgaan?’ De Amsterdamse zuchtte diep. ‘Je mot helemaal niks, maar als je voor mij in de rij wilt, moet je het wel zeker weten dat iedereen dat goed vindt, dat ken ik toch niet bepalen.’

De vrouw keek vertwijfeld om zich heen. ‘Van mij mag het hoor,’ zei ik met een bemoedigend knikje. Maar ook ik kon niet spreken voor de mensen achter mij. De vrouw met het pluishaar had nu een nog roder hoofd gekregen en keek nerveus om zich heen. Misschien ging er nog wel een tweede kassa open. Dat gebeurde niet.

Ze herpakte zichzelf en vroeg met bevende stem aan de vrouw met de kinderwagen of ze voor mocht. De vrouw zuchtte, maar ging akkoord. Haar kind was net in slaap gevallen met een stuk aangevreten liga nog in haar handje. Achter de wandelwagen twee pubermeisjes. Ze keken de vrouw aan met opgetrokken wenkbrauwen. Ze zeiden ‘Whatever.’ Opgelucht ging de vrouw naar de laatste van de rij, een stelletje Italiaanse toeristen. Hun ogen rooddoorlopen, op hun hoofden Noorse mutsen met het woord ‘Amsterdam’ erop. De vrouw sprak weinig Engels en geen Italiaans. ‘I go stand there, is that okee?’ De Italianen keken haar meewarig aan. Gekke stad, dit. De vrouw gaf niet op. ‘I go stand there, is that okee?’ Ze knikten. Opgelucht begaf ze zich weer naar voren, de Amsterdamse was zojuist aan de beurt. Beleefd ging de vrouw voor mij in de rij staan. Wat een overwinning. Toen de oorbellen gescand waren, realiseerde ze zich dat haar portemonnee nog thuis lag.

Opnieuw

16-04-2015

Ik durfde niet te rennen.

Ik durfde niet te rennen.

/ /

16-04-2015

Ik keek naar het paspoort en het vliegticket in mijn hand. Eindelijk was het zover: ik ging een nieuw leven beginnen. Een drastisch besluit misschien, maar het voelde alsof alles en iedereen in mijn leven intensief had bijgedragen aan dit besluit.

Mijn baas meneer Russel bijvoorbeeld, hij had me de afgelopen maanden als secretaresse het leven zo zuur gemaakt dat ik niet anders kon dan ontslag nemen. Hij haalde zijn schouders op toen ik met klamme handen in zijn kantoortje het nieuws kwam brengen. ‘De vacature stond toch al open,’ zei hij, om te vervolgen met: ‘en ja graag, ik lust nog wel een koffie’. De weken tot mijn laatste werkdag moest ik mijn opvolger inwerken, een meisje van net negentien. Ze had lang blond haar, een egale huid en veel ruimte tussen haar ogen. Daardoor leek ze een beetje op een buitenaards wezen, ware het niet dat ze onder haar bijzondere hoofd een echt aards vrouwenlichaam had. Zware borsten, brede heupen en sterke benen. Een lichaam dat vanaf nu elke dag verder naar de grond zou zakken, want zo gaat het nu eenmaal met zwaartekracht.

Wat het precies was van meneer Russel dat mijn leven zo vergalde, kon ik me nu niet meer zo goed voor de geest halen. Er was natuurlijk het feit dat hij me nooit bij mijn naam noemde, maar alleen het woord ‘meiske’ gebruikte. De derde week had ik de moed verzameld om te zeggen dat ik met mijn tweeëndertig lentes geen meiske meer was. Toen was het de rest van de week ‘wicht’, en heb ik het erbij laten zitten.

Het administratieve werk was draaglijk geweest, maar meneer Russel liet geen moment voorbij gaan om me ook nog naar de stomerij te sturen, koffie te laten zetten, zijn kinderen van school naar hockey te rijden en het kantoor te stofzuigen. Dieptepunt was de dag waarop ik zijn zieke hond bij de dierenarts moest laten inslapen, en het nieuws vervolgens aan de kinderen moest vertellen. Mevrouw Russel was net een weekje naar Monaco en de au pair sprak geen Nederlands, waardoor het logisch leek dat deze taak op mijn schouders lag. Maar goed, dat was nu voorbij, echt voorbij.

Ik keek naar mijn naam op het ticket, alsof ik wilde controleren dat het echt van mij was. Het was echt van mij. Bestemming: Rio de Janeiro. Camiel moest me eens zien hier. Snel dook ik een taxfree winkel in om afleiding te zoeken. In mijn nieuwe leven zou ik namelijk nooit meer aan Camiel denken, terwijl hij verscheurd van verdriet de rest van zijn leven spijt zou hebben dat hij mij had weggedaan wegens burgerlijkheid. Het was nu twee uur ‘s middags, hij zou net uit bed zijn opgestaan, gister hadden ze een optreden met de band- de excuusnaam voor de groep dronkelappen met baarden die hij tijdens zijn studietijd had opgericht. Al gauw bleek dat je voor tentamens moest studeren en dat je als zanger van een bandje na elk optreden een andere vrouw mee naar huis kon nemen en Camiel liet zijn keuze vallen op het tweede soort bestaan. Toch begon de onrust hem ook naar de keel te grijpen en was hij dolgelukkig met mij. Twee jaar, drie maanden, een week en vier dagen lang om precies te zijn. Uiteindelijk bleek dat ik te saai was voor hem. Te normaal. Hij zou me eens moeten zien hier op het vliegveld, klaar voor een nieuw leven. Op een dag zou hij mijn naam in de krant zien staan. Het Hollandse fenomeen, beroemd in heel Brazilië. Waarmee ik precies zo succesvol zou worden, dat wist ik nog niet, maar dat was ook voor later zorg. Eerst maar even naar de wc.

De hokjes op vliegvelden zijn altijd ruim genoeg om je koffer mee naar binnen te nemen, handig voor mensen die alleen reizen.

Vanaf vandaag deed ik alles alleen.

Eigenlijk moest ik helemaal niet plassen, maar ik vond vliegtuigwc’s zo akelig. Terwijl ik naar de teksten op de deur staarde, dwaalden mijn gedachten weer af naar Camiel. Zou hij nu met die Maria samenwonen? Wat was dat trouwens voor naam? Ik probeerde heel hard zoveel mogelijk gemene dingen over haar te bedenken, maar slaagde er niet in. Ze was de belichaming van allerlei goede eigenschappen en van maatschappelijk en zakelijk succes. En muzikaal en mooi. Ik haatte haar.

Ik stond op en liep het hokje uit. Ik keek in de spiegel, misschien kon ik in Brazilië een nieuwe neus kopen, dat was daar veel gewoner dan hier. Een nieuwe naam zou ook wel passen bij mijn nieuwe leven. Consuela bijvoorbeeld, of was dat meer voor oude dames?

Het was bijna tijd om te boarden en ik keek op mijn ticket voor mijn gatenummer. Raar, het was slechts een letter met een getal, maar het leek werkelijk onmogelijk om dit te onthouden. Ik kwam in beweging, maar realiseerde me ineens dat ik mijn koffer niet meer had.

Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken, mijn knieën verslappen, mijn hart in mijn keel kloppen. Ik keek om me heen. Hij was nergens te bekennen, hij moest nog wel in de wc zijn. Snel wandelde ik terug naar de wc’s. Ik durfde niet te rennen, want voor je het weet denken ze dat je een terrorist bent of zoiets en word je preventief doodgeschoten en wordt er uiteindelijk een motie aangenomen met de naam van een of andere parlementariër die veel baat heeft bij de aandacht die deze zaak heeft opgeleverd. Dan ben je gestorven voor de bestuurlijke carrière van een ander.

Het hokje waar ik had gezeten, zat op slot. Ik hurkte om te zien of mijn koffer er nog stond, maar er stond nog een koffer in het hokje, precies voor de plek waar de mijne nog zou moeten staan. Verder zag ik twee opgezwollen voeten in roze crocs. Ik besloot te wachten. Alle andere deuren gingen open en dicht, er ontstond een rij achter me, die ik elke keer opnieuw in drie talen uitlegde dat ik niet hoefde. Het duurde lang, heel lang. Op mijn horloge zag ik dat ik vier minuten geleden bij de gate had moeten zijn. Ik bonkte op de deur. Er werd in het Chinees of iets wat daarop lijkt en wat ik ook niet spreek, teruggeroepen. Ik begon te zweten, ik kon niet zonder die koffer. Mijn camera, laptop, lenzenvloeistof, kleding, van alles zat erin. Essentiële dingen voor mijn nieuwe leven. 

Ik bonkte nog eens en nog eens. Vanuit het hokje klonk weer geschreeuw. De andere dames in de toiletten keken weg, sommigen durfden hun handen niet meer te wassen en liepen met snelle pasjes uit de ruimte. Ik bonkte nogmaals. Een ferme hand op mijn schouder deed me schrikken. Het was de hand van een grote man in een commandopak.

‘Wat zijn wij aan het doen?’

‘Mijn koffer,’ stamelde ik, ‘hij is daar en ik moet zo boarden, ze zit al zeker een halfuur in dat klotehokje…’

De man leek geen Nederlands te verstaan, want het enige wat hij zei was:

‘Komt u maar even met ons mee.’

Ik keek naar hem en naar zijn collega die schuin achter hem stond. Verder waren er geen mensen meer bij de wasbakken. Ik zei: ‘Ik heb een vlucht te halen en mijn koffer is daarbinnen, dus doe me een plezier en breek die deur open.’

Links en rechts werd ik nu vastgehouden en naar een raar stil gebied van het vliegveld gebracht. Ik zei niks meer, mijn vlucht was al weg. Mijn koffer was ook weg. Het verhoor ging in cirkeltjes, waarin de mannen op zoek waren naar aanwijzingen van grootse kwade plannen en ik alleen maar vertelde over die verdomde koffer en mijn vlucht naar Rio. 

Toen kwam er een derde man binnen, hij had een prachtige snor met vier kleuren blond. Hij fluisterde tegen de andere mannen. Ze knikten en stonden op zonder iets te zeggen. Ik legde mijn hoofd op de koele tafel. Ik kon wel een borrel gebruiken.

Er werd op de deur geklopt. In de deuropening stond een grote man met rode buitenwangen en een groene jas met heel veel zakken waarin je zakmessen en andere praktische dingen kon stoppen. Deze man was mijn broer, die ik al jaren niet had gezien. Hij was appelteler in Zeeland en erg gelovig sinds zijn ontmoeting met zijn vrouw Hester. Hij was negentien toen. Ik was zestien en fanatiek ongelovig. We maakten geen ruzie, maar verdwenen uit elkaars leven. Hij stond zwijgend naar me te kijken. Hoe langer hij tussen de bomen werkte, hoe meer hij er op eentje begon te lijken.

‘Kom je mee?’ 

‘Ik ging een nieuw leven beginnen, maar mijn koffer is kwijt,’ zei ik zo normaal mogelijk.

‘Uw koffer is terecht,’ zei de man met de snor.

‘Ik heb mijn vlucht gemist,’ zei ik tegen mijn broer.

Mijn broer zei niks. Ook niet toen we naar het parkeerterrein liepen, ook niet toen hij vijftien euro parkeergeld moest betalen en ook niet toen hij reed.

Eenmaal bij zijn boerderij aangekomen, zei hij: Hester en de kinderen zijn binnen, gedraag je een beetje’. Ik knikte en maakte mijn gordel los. Buiten haalde ik diep adem. De schone lucht, het kale landschap, de eindeloze hemel. Het voelde als opnieuw beginnen.

Parijs

05-01-2014

Misschien was het vroeger beter.

Misschien was het vroeger beter.

/ / /

05-01-2014

Metrostation Châtelet, zondagochtend 10 november, 11 uur.

Het waait over het perron, het ruikt zoals Parijse metrostations nu eenmaal ruiken. Muf, smerig, naar industrie, naar mens. Het is bij vlagen warm en koud. 

Langs de muur is een betonnen rand gemaakt, een plek waar zwervers gebruik van maken. Vandaag ligt er maar eentje, in zijn slaapzak. Aan de wanden hangen grote posters van films en evenementen in de stad, en afbeeldingen van verre paradijselijke bestemmingen. Allemaal zaken waar de man in de slaapzak geen geld voor zal hebben. Misschien vroeger. Misschien niet. Misschien was het vroeger beter voor hem. Slechter is moeilijk voor te stellen.

Alles aan hem is smerig, zijn spullen, in een berg plastic tasjes naast hem, zijn baard, zijn muts, zijn lange haren. Zijn gezicht is grauw en zijn vingers zijn haast zwart.

De metro komt over drie minuten en zal ons naar het Gare du Nord brengen. Daar hebben we nog tijd om koffie te drinken, wat tijdschriften te kopen, nog een croissant misschien. In de trein eten we dan eerst, om wat door de tijdschriften te bladeren, het lezen uit te stellen tot later en dan even de ogen te sluiten. Want het zijn toch altijd veel indrukken, op zo’n stedentrip. We kennen de stad steeds een beetje beter, maar ontdekken elke keer iets nieuws. We hebben onze carnets precies opgemaakt.

 

De man hoest. Hij rochelt. Hij kermt.

 

We praten over wat we volgend jaar echt moeten gaan doen. Soms staan de openingstijden verkeerd op de website van een instelling. Zul je altijd zien. Vroeg opgestaan, dichte deur.

 

De man begint te roepen.

 

We spreken erg weinig Frans, maar dit jaar leek het best goed te gaan. Maar twee keer werd er Engels terug gesproken.

Wat een geluk.

Alleen dat goedkope toeristenrestaurant, dat hadden we niet mogen doen. We weten beter dan dat. Nu echt.

 

De man huilt met uithalen.

 

Het leven is hier zo anders, hoe zou het zijn hier te werken, te wonen? Parijzenaars staan niet echt bekend om hun toegankelijkheid. Hoewel, bij internationale bedrijven ontstaat er toch vaak zo’n vriendenkring van expats?

 

Het lichaam van de man begint te schokken. Als een rups beweegt hij zich op de betonnen rand. Hij huilt niet meer.

 

Een vrouw met een tweelingwandelwagen komt voorbij. De babies zijn hetzelfde gekleed, in lichtroze skipakken met witte mutsjes. Wat een gedoe moet dat zijn, met een tweelingwagen door het Parijse metrostelsel. In Londen is dat beter geregeld. Daar hadden ze zoveel invalide oorlogsveteranen dat de stad werd aangepast. Dat zeggen ze.

 

De man hoest proppen bruin slijm op, hij veegt ze af met de mouw van zijn vale houthakkershemd.

 

Stel je voor dat je miljonair bent, dan kun je gewoon die jas kopen die we in de etalage zagen. Prachtig was die, maar 5600 euro, wie heeft dat nou over voor een jas? Misschien maakt de H&M wel een kopie binnenkort.

 

De man braakt op de grond. Het kletst in een grote plas naast hem, een deel spat omhoog op zijn slaapzak en gezicht.

 

De metro laat wel op zich wachten, zeg. Maar goed dat we er extra veel tijd voor hebben uitgetrokken. Je verkijkt je makkelijk op zulke dingen. We komen ook uit zo’n klein landje, we zijn echte afstanden niet gewend. Nog 1 minuut zegt het bord nu. Het perron is volgelopen met mensen.

 

De man ligt op zijn zij, hij ligt in foetushouding met zijn rug naar het spoor gekeerd. De slaapzak heeft hij uitgeschopt. Alleen zijn voeten zitten er nog in. Zijn spijkerbroek is net zo vuil als de rest van zijn kleding.

 

Het is echt een mooi boek dat je kocht in die museumwinkel. Misschien had ik het ook moeten doen. Hoewel ik natuurlijk al iets soortgelijks heb. Och, anders gewoon volgende keer. Zelfde tijd van het jaar?

 

De man krimpt ineen en schreeuwt kort, een rauwe kreet, alsof hij in barenspijn verkeert. Een vlek verschijnt op zijn spijkerbroek. Donderrood, dan lichtbruin. De stof raakt verzadigd en laat alles door. Op het muurtje, op zijn rug, op de grond, overal ligt het.

 

Daar is de trein dan eindelijk, de stank is werkelijk niet te harden. Tsja, wereldsteden, die zijn nu eenmaal hard. Nu maar hopen dat we geen vertraging hebben zometeen.

 

De man stuiptrekt in de smurrie.

 

Het waarschuwingssignaal klinkt. Het past maar net, wat reizen er toch veel mensen met de metro. We houden onze handtassen goed tegen ons aangedrukt, je weet maar nooit.

 

De man is opgehouden met bewegen.

Passend

27-08-2013

Nergens vond hij wat hij zocht.

Nergens vond hij wat hij zocht.

/ / /

27-08-2013

Buiten regende het en binnen stikte het van de mensen die met hun skinny soja latte macchiato’s in hun hand een plekje zochten tussen de laptops. Alle meisjes waren mooi en de juiste muziek klonk op de achtergrond.

Links aan de tafel zat een oude man met een krant. Sinds zijn stamcafé niet langer bestond, was hij wat ontheemd geraakt en dronk hij overal waar het maar kon een kop koffie om de sfeer te proeven. Nergens vond hij wat hij zocht. Tegenover hem zat een jongen met laptop en een koptelefoon op. Daarnaast een jongen met een muts op, hij keek samen met zijn vriendinnetje naar iets op zijn telefoon. Het vriendinnetje had een grote bruine bril op die niet alleen haar ogen maar ook een deel van haar wangen omlijstte. Zo’n bril die men vroeger nu eenmaal moest nemen bij gebrek aan beter, zo’n bril die nu werd verkocht bij gebrek aan slechter.

Het was de oude man al eerder opgevallen, de jonge vrouwen van nu droegen de kledingstukken en accessoires die hij kende van zijn zussen, zijn tantes, van zijn overleden moeder. Dat pakte over het algemeen voorspelbaar uit: mooie meisjes bleven mooie meisjes. Ze werden dan mooie meisjes in omakleding. Lelijke meisjes- deze gedachte maakte hij niet af, want hij was de krant aan het lezen en had geen zin om verder na te denken over de decoratie om hem heen. 

Hij was zojuist begonnen aan een artikel over de afschaffing van het woord allochtoon toen hij een meisjesstem hoorde. ‘Sorry, mag ik hier zitten?’ Voor hem stond nu een meisje in een donkerblauwe trui met een beige broek. Ze was buitengewoon gewoontjes voor deze plek. In haar rechterhand hield ze een theeglas met zwarte thee. ‘Duidelijk niet van hier’, dacht de man terwijl hij met een armgebaar duidelijk maakte dat ze mocht gaan zitten. 

Het artikel was zoals het elke keer was.

De man stelde zich een grabbelton voor die op de redactie stond van een krant. In de ton vijfendertig onderwerpen die altijd even opgevist konden worden. Stagiair erop zetten, bewindspersonen, opiniemakers, of een of andere halve zool met een grote waffel bellen en klaar. Hij wilde geen cynicus zijn- maar de maatschappij liet hem weinig keuze.  

Hij was juist bij het volgende katern aangekomen toen het meisje vroeg: ‘Mag ik dat stukje krant?’ Met tegenzin gaf hij het stuk krant aan. Het liefste had hij de uitgelezen stukken nog zo lang mogelijk bij zich liggen, niet dat hij ooit terug zou bladeren, maar het gevoel dat de mogelijkheid er was, daar ging het hem om. Vluchtig bekeek hij de voorpagina van het economisch katern dat hij nu in handen had. Zou het al tijd zijn voor een jenevertje? Hij legde de krant weg. Nu had hij niks meer te lezen, een situatie van niks, allemaal dankzij het meisje in de blauwe trui.

 

Hij besloot haar indringend aan te kijken, dan zou ze vast snel ophouden met lezen. Wat moest zo’n wicht nu helemaal met een krant. De andere kinderen hier lazen toch ook niet de krant? Had ze geen beeldscherm bij zich of zoiets? Hij schoof iets dichterbij.

 

Het meisje merkte niks, geconcentreerd keek ze in de krant. Welk artikel zou ze aan het lezen zijn? Hijzelf had werkelijk niks opzienbarends gelezen en zij lag zowat in de krant. Hij volgde haar blik.

 

De rouwadvertenties. Met een zucht leunde hij achterover. Weer zo’n kind met psychische klachten. ‘Sorry?’ zei het meisje terwijl ze opkeek.

 

‘Excuses- ik vroeg me af wat u aan het doen bent.’ Zei de man.

 

‘Ik ben op zoek naar vacatures,’ zei het meisje.

 

‘Dat zijn overlijdensadvertenties, waar u nu naar kijkt.’

 

‘Ja, dat weet ik wel, maar er gaan ook mensen dood die een baan hebben hè.’

 

De man knikte. Het was waar. Ook werkende mensen stierven.

 

Het meisje vervolgde:

 

‘En dan lijkt het mij wel een shock op zo’n werkvloer. Dus voor die vacature eruit is, zijn we wel even verder. Maar dan heb ik natuurlijk allang gesolliciteerd bij zo’n bedrijf.’ Tevreden keek ze hem aan. ‘Niet slecht bedacht hè?’

 

De man knikte. Het meisje vatte het op als een aanmoediging.

 

‘Wat het belangrijkste is- is welke krant je leest. Ik ben nu dus aan het uitzoeken in welke krant de meeste sterfgevallen mijn profiel hebben. Dus een beetje mijn leeftijd hebben, hoger opgeleid zijn, dat soort dingen. Nog best een gedoe, moet ik zeggen.’

 

De man knikte en stamelde: ‘nou, goed, veel succes ermee.’

 

Maar het meisje was alweer de advertenties verdiept en gaf slechts nog een klein knikje zijn richting in. 

Pauze

13-01-2018

Voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

Voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

/ / /

13-01-2018

De eerste keer dat het gebeurde, dacht ik dat ik het me verbeeldde. Ik stond in een boekenwinkel, een winkel met vaste klanten, een winkel met literatuur, met obscure vertalingen, een winkel waarvan mensen bang zijn dat ze binnenkort niet meer zullen bestaan. Een winkel die moet blijven bestaan, niet alleen omdat de eigenaar zijn vaste klanten kende, maar omdat status een steeds ingewikkelder concept geworden was. Dure woningen, merkkleding of eten in mooie restaurants… vechtsporters, hiphopartiesten en allerhande geteisem wist de weg naar deze ouderwetse statusmarkeringen te vinden. Deze boekhandel belichaamde het idee van elite, van veiligheid, van een oude wereld die misschien aan het krimpen was, maar zeker niet verdwenen.

Ik bladerde wat door een fotoboek waar ik geen geld voor had, bekeek de nieuwste aanwinsten, liep door richting de tafel met afgeprijsde boeken. Dat waren de boeken die voor mij bedoeld waren. Geen schande op deze plek, want voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

Vlak voor ik de armoetafel bereikte, viel het stil. Alsof ik ineens onder water liep, het verdwijnen van geluid als intense herrie. De zachte pianomuziek was weg, het gesprek van twee klanten was weg, het geluid van de verkoper die aan het bellen was, viel weg. Iedereen stond stil, als ware de winkel een wassenbeeldenmuseum. Alleen ik kon nog bewegen, kijken, bladeren. De situatie duurde een seconde of tien, vijftien hooguit. Daarna ging alles verder. Ik probeerde contact te maken met iemand, wilde vragen wat er gebeurde. Maar de wereld leek onaangedaan en ik een eenzame gekkin.

Omdat het verlies van mijn mentale gezondheid altijd op de loer lijkt te liggen, als een vieze kerel in een bar, wachtend op een laveloze vrouw, besloot ik het incident in de boekhandel te vergeten. Het was me bijna gelukt, totdat ik mijn haren liet knippen bij mijn vaste kapper.

Alles verliep volgens plan. 

We spraken over vakantieplannen, ik kreeg nekpijn van het haren wassen, ik kreeg een glas thee die te sterk werd doordat ik het zakje er niet op tijd uit kon halen. Op de cape en op de vloer om me heen, lagen natte punten haar die door een mokkende stagiaire werden weggeveegd. Toen pakte de kapper de föhn, om zo een kapsel te maken dat ik nooit meer zo zou hebben, nooit meer na de dag van het knippen. De warme wind waaide in mijn gezicht dat donkerroze aan het worden was van de hitte, en mijn kapper stelde me net een vraag die ik niet kon verstaan door de herrie.

Het geluid viel weg. De föhn was uit, de kranen liepen niet meer, het geklets was voorbij, de radio verdwenen. Ik keek om me heen. Iedereen stond stil, het was precies als in de boekhandel. ‘Hallo?’ zei ik vertwijfeld, te zacht, te bescheiden. Het moment waarop ik mijn telefoon wilde pakken om het te filmen, om aan anderen te laten zien wat ik had meegemaakt, werd alles weer normaal.

Wederom probeerde ik alles te vergeten, het was immers te vreemd om waar te kunnen zijn.

De derde keer dat het gebeurde, had ik er genoeg van. Ik stond bij een stoplicht te wachten om over te steken, en alles viel weer stil. De tram reed niet verder, de afslaande auto’s stonden stil. De meeuwen hielden op met hun geschreeuw. Toen de tien seconden voorbij waren, sprak ik de dame die naast me stond te wachten, aan.

‘Wat was dat nou, die gekke stilte, die pauze van alles?’ vroeg ik haar, verontwaardigd haast, omdat niemand sjoege gaf.

De dame fronste haar wenkbrauwen en zei: ‘Je bedoelt dat alles even stilstaat?’

‘Ja,’ zei ik, opgelucht dat ze wist waar ik het over had.

‘Dan doen we toch elke dag weleens?’ zei ze.

‘Elke dag? Ik heb het maar een paar keer gezien…’

‘Gezien? Je hebt het gezien? Nou, dat is zeldzaam. Dat hoort niet. Het is de bedoeling dat je eraan meedoet. Iedereen doet mee. Dat is de afspraak.’

‘Meedoen? Maar hoe weet je dat dan? Hoe weet je wanneer?’

‘Nouja, dat wéét je. Zoals je weet dat je water moet drinken wanneer je dorst hebt. Of niet te dicht bij vuur moet komen…Je weet het gewoon.’

‘Instinct?’ vroeg ik, haast radeloos nu.

‘Noem het wat je wilt,’ zei de dame verveeld.

Het stoplicht sprong op groen en zwijgend liepen we naar de overkant. Ik had nog wel duizend vragen, maar wist niet waar te beginnen, bij wie. Hierna maakte ik geen pauzes meer mee. Of misschien wel, deed mijn instinct eindelijk zijn werk.

Pont

10-02-2017

Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende.

Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende.

/ /

10-02-2017

Hij had haar al vanuit de verte gezien bij het pontje naar de overkant. Een vrouw met korte bruine haren en felgroene ogen. Het leek of ze had gehuild. Hij keek nog wat beter haar kant uit, maar ze wendde haar gezicht af, in de richting van de gure wind.

De dag was grijs, de bestemming nauwelijks zichtbaar, de mensen ingepakt in sjaals en mutsen, alleen hun ogen blootgesteld aan de kou. Niemand zei iets. Zelfs de scooterrijders hadden de motor uitgezet. Het was of iedereen in stilte aan het wachten was, wachten op het einde van deze dag. Maar dat kon ook verbeelding zijn.

Hij had altijd al een sterke verbeeldingskracht gehad. Hij had altijd andermans gedachten ingevuld, zei zijn vrouw. Je communiceert niet, zei ze. Jij gaat er altijd maar vanuit dat je weet wat de ander denkt, wil, bedoelt. Maar dat kun je helemaal niet weten. Dat kun je niet weten omdat je het niet vraagt. En al zou je het vragen, dan zou je het niet geloven. Zo eigenwijs ben je. En daarna maakte ze van haar mond een streepje vol misprijzen.

Hij had zich nooit al te druk gemaakt om dat soort dingen. Hij dacht dat ze ongelijk had. Dat dacht hij nog steeds. Maar intussen bleef de ene helft van zijn bed al maanden onbeslapen, kon hij elke week een half brood weggooien omdat hij het niet op tijd op kreeg, wist hij de radioprogrammering praktisch uit het hoofd en begon het huis te verslonzen. Ze was op reis gegaan, een enkele reis had ze gekocht. Zuid-Amerika, India, hij wist het niet precies. Het was iets spiritueels, zoveel was zeker.

De pont kwam dichterbij. Zwijgend kwamen de mensen van de overkant eraf. Zwijgend namen de wachtende mensen hun plekken weer in. Het was druk binnen. De man keek om zich heen, op zoek naar de vrouw met de groene ogen. Door de schuifdeuren zag hij hij haar op het voordek buiten.

Hij besloot naast haar te gaan staan. Hij wilde weten of die ogen glommen van tranen of schitterden van iets anders. Hij wilde leren kijken met haar blik, ook al had hij tot vijf minuten geleden nooit van haar bestaan geweten. Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende. Herkende als een ontbrekend onderdeel in zijn leven. Een onderdeel waarvan hij dacht dat het niet meer gemaakt werd. Zoiets was het.

Maar om dat te zeggen tegen een volslagen onbekende op een veerpont, een mooie vrouw ook nog. Hij zou een oude viespeuk lijken. En hij zou geen weerwoord hebben.

Met zijn hoofd vol met deze gedachten liep hij het buitendek op. Het was begonnen met regenen. Niet met vette druppels, maar met water als uit een verstuiver. Piepkleine beetjes water, nauwelijks zichtbaar, maar een drijfnat gezicht als resultaat.

De man ging naast haar staan. Heel kort keek ze opzij, recht in zijn gezicht. Nog steeds kon hij niet uitmaken of ze had gehuild. Als het zo was, wilde hij haar troosten. Maar wie laat zich nou troosten door een vreemde?

‘Vandaag duurt langer dan gister en morgen zal nog langer duren,’ opende ze het gesprek met een zachte heldere stem.

‘Heb je gehuild?’ vroeg hij zo zacht dat ze hem niet horen kon. Ze keek recht vooruit over het water. ‘Ben je eenzaam?’ vroeg hij zo zacht dat ze hem niet horen kon. ‘Kan ik je helpen?’ vroeg hij net zo zacht. Maar dit keer hoorde ze hem wel. Ze keek hem aan met en glimlachte vermoeid.

‘Niemand kan mij helpen. Maar het geeft niet. Niemand kan iemand helpen.’

‘Wat heb je nodig?’ probeerde hij te negeren wat ze zojuist had gezegd.

‘Nodig? Rust. Dat is alles.’

‘Wat voor rust? Kan ik het geven? Wat bedoel je precies? Hoeveel dan? Moet je er even tussenuit?’ De vragen bleven maar komen en intussen kwam de overkant steeds dichterbij.

‘Niemand kan mij helpen,’ zei ze nog eens. Met haar mouw veegde ze een traan van haar wang.

De sirene klonk, de klep van de pont zakte langzaam naar beneden. Het voordek stroomde vol met de zwijgende stoet die binnen had gestaan. Aan de kade stonden nieuwe mensen in zwarte kleren te wachten.

De vrouw liep langzaam van hem weg, mee in de stoet.

Zijn ogen begonnen te tranen van de wind die nu flink opstak. Verloren stond hij aan de kade. Hij had geen idee meer waar hij naartoe op weg was. Geen idee meer wie hij was. Hij miste zijn vrouw als nooit tevoren. Niemand kon hem helpen.

Poster

22-10-2014

het gaat natuurlijk allemaal om de awareness

het gaat natuurlijk allemaal om de awareness

/ / /

22-10-2014

‘Mogen wij onze poster hier ophangen?’ De hese meisjesstem klinkt luid in de uitgestorven boekhandel waar ik werk. Of werk, de boekhandel waar ik zit, dat is een betere beschrijving van de situatie. De eerste maanden was het wel mijn werkplek, maar nu is de winkel eerder een wachtplek geworden. De schroeven van de kasten zijn allemaal aangedraaid, de planken afgestoft, het tapijt is vervangen, de kassa is nog van vroeger, maar zo schoon als die nu is, is hij nooit geweest. Alle boeken staan netjes gesorteerd op categorie en op alfabet. Zelfs het magazijn is netjes. De boeken en ik, we zijn er klaar voor en daarom zitten we nu te wachten. Wachten op de mens die niet online winkelt. Zo iemand die liever door de regen loopt en dan ook nog twee euro meer betaalt, gewoon omdat hij of zij denkt dat boekenwinkels moeten bestaan.

‘Sorry, wie is daar?’ Vraag ik, terwijl ik een geeuw probeer te onderdrukken. Het is half 12 ‘s morgens. We gaan om tien uur open, ik begin altijd met het lezen van alle kranten, en ik ben nu halverwege. Ik zit in de keuken, want daar heb ik een radio tegen de stilte. Zometeen ga ik een tosti maken, want het is woensdag. Op woensdag eet ik een tosti. Op donderdag soep. De andere dagen heb ik vrijgelaten om spontaan te kunnen zijn.

Met een zucht begeef ik me richting de deur van de winkel. Er staat een meisje bij de kassa, naast haar een jongen. Ze zijn midden twintig, dragen strakke spijkerbroeken, felgekleurde gympen en wijde t-shirts. Ze glimlachen naar me. Ze hebben goedzittend haar.

Geen kapsel, maar mensenhaar dat nonchalant goed zit.

‘Ik zal het even uitleggen,’ begint het meisje, ‘we hebben een mensenrechtenfestival georganiseerd. Nouja, niet wij alleen, maar wij hebben een stichting: Human Rights Now! En in samenwerking met een aantal andere platforms zoals Give a Fuck Now! en Do Drugs For Justice en een aantal denktanks organiseren we een driedaags festival. Dat is volgende maand, en nu hangen we dus posters op.’

‘Om de buzz een beetje te voeden.’ Vult de jongen haar aan.

‘Goh,’ zeg ik, terwijl ik me probeer te herinneren wat ze nou allemaal gezegd heeft, ‘drie dagen lang een mensenrechtenfestival. Wat gaan jullie doen dan?’

‘Nou, het gaat natuurlijk allemaal om de awareness,’ zegt het meisje, ‘want wat weten we nou helemaal van de situatie van anderen?’

‘Nou, ehm..’

‘Precies,’ haakt de jongen nu ook in, ‘we weten te weinig. Daarom dit festival, want onze generatie is niet zoals die van onze ouders. Wij hebben niet zoveel met demonstreren. Maar tegelijkertijd zien we wel zoveel meer beelden. Weetje, de wereld wordt steeds kleiner. Maar onze generatie wil daar ook iets mee. Wij laten onze stem dus horen, via Twitter bijvoorbeeld.’

‘Of met een festival met een hele positeve vibe, weetjewel,’ zegt het meisje nu. ‘Dus mogen we hier een poster op het raam hangen?’

‘Okee.’

De jongen neemt zijn rugtas af en pakt er een rol posters uit. Op de toonank rolt hij er eentje uit.

‘Mag ik hem eens zien?’ Vraag ik.

‘Tuurlijk, hij is echt vet,’ zegt de jongen of het meisje tevreden.

Een hoogglanzende kleurenfoto kijkt me aan. Twee naakte vrouwen die goud geverfd zijn zitten op een roze olifant. De achterste vrouw houdt de borsten van de voorste vrouw vast. Op de grond, naast de voet van de olifant zitten twee naakte mannen, eentje speelt een dwarsfluit. De ander heeft een banaan aan zijn oor alsof het een telefoon is. Links in beeld staat een brandende struik, de blaadjes zijn gemaakt van bankbiljetten. Rechtsachterin staat een kotsend skelet.

‘Mensenrechten, zei je toch?’

‘Ja, mensenrechten.’

‘Deze poster is niet echt ehm..’

‘Kijk, het festival gaat over mensenrechten. Maar dat kan natuurlijk niet op een poster. Dat verkoopt niet. Wij hebben met onze targetgroup gezeten en dit is het resultaat.’

‘Misschien ben ik dan niet jullie doelgroep,’ zeg ik voorzichtig, ‘ik geloof dat ik het niet zo tof vind.’

‘Heb je niet zoveel met mensenrechten?’ Vraagt het meisje ongelovig,‘Echt niet?’

‘Nou, ik heb niet zoveel met wat er op deze poster allemaal te zien is. Ik geloof eigenlijk niet dat het over mensenrechten gaat. Maar dat hebben jullie vast wel vaker gehoord?’

‘Er is wel wat ophef geweest, hier en daar’ zegt de jongen tevreden, ‘Maar ik denk altijd maar zo: zolang er over je geluld wordt, is het goed.’

‘Het is toch allemaal free publicity,’ zegt het meisje.

‘Daarbij vrijheid van meningsuiting is ook een mensenrecht,’ vult de jongen haar aan, terwijl hij stukjes plakband op de achterkant van de poster plakt. ‘Is op de deur goed?’

‘Nou, eigenlijk…’

‘Superbedankt dat je wilt meewerken, echt heel tof,’ valt het meisje me in de rede met een beeldschone glimlach op haar gezicht.

‘Misschien kom ik ook wel naar jullie festival,’ stamel ik onnozel, ‘mensenrechten zijn toch…’

Maar ze zijn al weg voordat mijn zin af is.

Pretpark

28-04-2018

Een klantvriendelijke lach met dode ogen.

Een klantvriendelijke lach met dode ogen.

/

28-04-2018

Miki stond voor de spiegel in de hotelbadkamer haar haren te borstelen. Ze zag er somber uit, somber voor iemand die op vakantie was met haar lief. Hij lag op het bed en was een of ander spelletje op zijn telefoon te doen. Daar zou je iets van kunnen vinden, maar wie een man onder de veertig wil daten, kan beter kiezen voor glimlachend wegkijken.

Straks zouden ze een dagtripje gaan maken, een tripje naar een pretpark, om precies te zijn. Als kind huilde Miki altijd op de kermis, als puber kwam ze haast om van de stress van de achtbaanparken en als volwassene had ze de parken altijd weten te vermijden. Maar soms doe je iets voor een ander. Dat is wat mensen doen.

Laatst sprak ze erover met haar vriendin Grace, de meest besliste van haar vriendenkring. Het leek altijd of Grace een gebruiksaanwijzing, een uitleg van had gekregen van hoe de dingen gaan, hoe ze werken, hoe succesvol te zijn. Grace had net haar sigaret opgestoken op het terras waar ze als enigen waren neergestreken, onder de luifel, onder een warmtelampje. Het was een zondagmiddag en het miezerde. De tegenzin van de mensen om morgen weer op te moeten staan, werken, was voelbaar.

Grace had gezegd dat zij in haar leven alles zou doen voor de liefde. Het had Miki indrukwekkend in de oren geklonken, maar toen ze ging doorvragen, bleek er op het ‘alles’ van Grace nogal wat af te dingen. Het kwam neer op het volgende: Voor de liefde doe je alles. Alles, op de manier waarop volwassenen het bedoelen. Dus niet met bloedvergieten en akeligheden, maar ‘alles’ op de manier van zo nu en dan rekening houden met de ander, attent zijn, geduldig. Maar vooral op een manier die niet al teveel impact zou hebben op het eigen leven. Want je kunt pas houden van een ander wanneer je van jezelf houdt, volgens Oprah en allerhande thuisstudie-therapeuten. Dus wanneer iemand zegt: voor de liefde doe je alles, is dat meestal op de ketchup in plaats van mayo-manier. Dat klinkt misschien als inzetten op futiliteiten, maar is het dagelijks leven niet vooral zoiets?

Daarna dronken ze nog een portje om het af te leren en twee dagen later vertrok Miki op reis.

‘Ben je klaar? De taxi is er.’ Miki legde haar borstel neer en liep de kamer in, waar haar lief al klaarstond met zijn rugtas op. Zwijgend gingen ze naar beneden. Het busje van het park was precies op tijd, alles was perfect geregeld. Zwijgend keek ze uit het raam, zag de stad voorbij glijden terwijl haar lief zijn hand op haar knie legde.

Ze waren vroeg, de wachttijd voor de ingang duurde kort. Er stonden gewone mensen in de rij. Gezinnen, vriendinnen, kinderen, pubers. Gewone mensen die net als zij, een gewoon stel waren, een stel dat gewoon een dagje uit ging. Want dat is wat mensen doen, ze gaan dagjes uit.

Het park zag eruit als een stad in een tekenfilm. De straten waren schoon, er waren bloembakken vol bloeiende bloemen, er waren perfect symmetrische bomen, er waren restaurants, winkeltjes, bootjes op een meer. En daartussenin waren de achtbanen, treintjes, attracties met wachtrijen tot 240 minuten.

Overal klonk opgewekte muziek en servicemededelingen in een taal die Miki niet verstond. De mensen die er buiten nog zo gewoon uit hadden gezien, waren inmiddels opgeleukt met allerhande accessoires die ze uit het niets tevoorschijn hadden getoverd.

Brillen, gekleurde t-shirts, gekke haarbanden, mutsen, tassen, popcornbekers die je om je nek kon hangen en pluche handschoenen in de vorm van berenklauwen waren onderdeel van het straatbeeld geworden.

Het personeel in het park liet continu zijn tanden zien in een klantvriendelijke lach met dode ogen. Zo leidden zij de boel in goede banen, vormden ze perfecte rijen van het gehoorzame publiek. Rijen voor attracties, rijen voor foto’s met mensen in pluche kostuums, rijen voor de popcornbekers in de vorm van een robot, rijen voor de toiletten.

In deze wereld was alles te koop voor de hoogste prijs, die mensen gedachteloos betaalden. Want wat was 25 euro voor een bak popcorn nou helemaal? Deze wereld hing aan elkaar van kleur, muziek en vrolijkheid. Een fanfareband trok door het park, met een zwerm van danseressen eromheen die ook een krampende lach toonden in hun blauwe glitterpakken.

Miki probeerde contact te maken met haar lief, met andere mensen in het park, met wie er ook maar zou bestaan voor een blik van verstandhouding. Maar iedereen leek te druk te zijn met genieten, met plezier maken, met selfies nemen, ijsjes eten.

Na een uur wachten in de brandende zon, gingen ze dan de eerste attractie in. Ze namen plaats in een soort kolenmijntreintje dat door een magische wereld reed, langs allerlei beelden, vogels, geluiden, een paar schrikelementen en een grote versnelling van het tempo aan het einde maakte de rit compleet.

Toen de stang van hun treinstel omhoog ging, knapte er iets in Miki’s hoofd. Ze begon te schreeuwen tegen haar lief, gooide haar tas uit het treintje en siste naar de kinderen die haar passeerden. Ze werd discreet aan de arm naar buiten gebracht door twee medewerkers die nog steeds bleven lachen.

Het gebeurde wel vaker, vertelde de manager. Dat mensen overweldigd waren door de schoonheid, door de grootsheid van het park. Het is even wennen om in een droomwereld te leven, voegde hij eraan toe. Ze knikte, deed alsof dat precies de lading dekte. Toen kreeg ze een blauw softijsje dat ze voor de helft opat.

‘Ik wist niet dat je het zo erg zou vinden,’ stamelde haar lief. ‘Ik ben gewoon niet geschikt voor zoveel leuks,’ antwoordde ze beteuterd.

De zon was inmiddels gestaakt met schijnen en Miki begon het koud te krijgen. ‘Koop anders even een trui ofzo, dan heb je wat te doen wanneer ik in de Magic Amazing Superride zit,’ zei haar lief, die ook alles voor de liefde deed, maar niet zou stoppen met genieten van deze dag, niet zou vertrekken voor sluit.

Ze knikte en liep verdwaasd door de winkeltjes, waar hele gezinnen in de schappen stonden te graaien, op zoek naar souvenirs om deze dag extra onvergetelijk te maken.

Het enige warme kledingstuk was een pluche vest met berenoren aan de capuchon en een bol staartje aan de achterkant. Ze kocht het vest en nam plaats op een bankje vlakbij de rozentuin waar acrobaten als stukjes elastiek rondschoten.

Anderhalf uur later kwam haar lief terug, zijn ogen schitterden. ‘De beste achtbaan ooit,’ zei hij. En waarschijnlijk had hij gelijk.

Quinoa

29-05-2014

Een goeie plek om in je eentje te eten.

Een goeie plek om in je eentje te eten.

29-05-2014

Het aantal uren in een dag is altijd gelijk, maar toch lijkt de tijd mij dagelijks in te halen. Ik zit in de stromende regen op de fiets en bedenk dat ik het nooit ga halen om thuis te koken voor de volgende afspraak. Mijn lichaam is een tempel, dat heb ik vandaag nog gelezen in een blad voor ‘de bezige stadsvrouw die wil leven in het nu’. Druipend van de regen stap ik de zaak binnen. Ik zeg ‘de zaak’ omdat het niet helemaal duidelijk is wat voor plek het eigenlijk is, op het raam staat in witte letters ‘Concept Store’. Het concept is dat alles heel duur is, Engelse namen heeft en er heel mooi uit ziet, maar niet te mooi: een beetje houtje-touwtje mooi. Dus met zogenaamd handgeschreven bordjes en houten kratten waar de producten in zitten. Je kunt hier repen chocolade kopen met gedroogde sprinkhaan erin, pakjes Japans vlees van koeien die alleen maar bier drinken en elke dag gemasseerd worden, sjaals van ecologisch katoen en mooie opschrijfboekjes. Ook is er een gedeelte interieurwinkel met grote metalen lampen, allerlei blikken trommels, en heel veel houten meubels waarvan de verf is afgebladderd. Dat hoort zo.

Daarachter zit het ‘work&eat’ gedeelte. Een goeie plek om in je eentje te eten, snel en gezond. Je betaalt wel 12 euro voor een kommetje linzen met spinazie, waarna je nog steeds hongerig bent, maar je bent in elk geval op een plek waar het gebeurt. Hier zitten de mensen die zich de creatieven noemen, hier zitten de mensen die niet meegaan in de maalstroom van de burgers. Geen vaste banen, werkplekken of suf geouwehoer bij het koffie-apparaat. Ik kijk om me heen, alle mensen zijn mooi, maar net als de meubels, opzettelijk een beetje lelijk. Gekke knotjes, grote brillen, woeste baarden, ouderwetse truien. Maar wel alleen maar mooie apparatuur, vet haar is één ding, maar een langzame computer is om gek van te worden.

Ik ga aan een wiebelig tafeltje in de hoek zitten. Het is rustig in de zaak, hier en daar zitten wat mensen achter hun laptops verscholen, uit de speakers klinkt Berlijnse fado-muziek. Het barmeisje is druk bezig met haar telefoon, maar na een kwartier komt ze mijn bestelling opnemen. Ik neem een verse gemberthee en de quinoasalade met halloumi. Dat wordt weer een week havermout aangelengd met water als ontbijt, reken ik in mijn hoofd uit.

Aan het tafeltje naast me is een Ken-achtige verschijning gaan zitten. Hij is lang, heeft brede kaken, een volle bos bruin haar, rechte witte tanden en een heel glad gezicht. Dat gladde gezicht is een zeldzaamheid hier, maar door de streepjestrui die hij draagt, weet iedereen: ook hij heeft het begrepen. Hij voelt mijn ogen, want ineens kijkt hij me aan en zegt hij: ‘Heb jij toevallig een Iphone oplader bij je?’ ‘Nee,’ zeg ik, ‘ik heb een Samsung, maar er is vast wel iemand met een Iphone hier.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Ach, laat maar, ook wel rustig zonder telefoon.’ Met een verveeld gebaar legt hij zijn telefoon op de hoek van zijn tafeltje en pakt hij de menukaart.

Het eten wordt voor me neergezet, de keuken werkt kennelijk sneller dan de bar, want mijn thee ‘komt er zo aan’. Ik begin aan de salade, mijn lichaam is een tempel, ik probeer te voelen wat het allemaal voor goeds doet in mijn lijf. Ook dat stond in het blad voor de bezige stadsvrouw die wil leven in het nu.

De jongen kijkt vol misprijzen naar mijn bord.

 

‘Weet je wel wat je nu aan het doen bent?’

 

Hij wacht niet op een antwoord. ‘De boeren in Zuid-Amerika die dat al vijfhonderd jaar verbouwen hebben nu geen geld meer om het te eten, omdat het te duur is geworden door mensen zoals jij.’

‘Nou, ik denk dat deze plek het wel fairtrade..’ begin ik, maar hij valt me in de rede. ‘Staat dat ergens, op het menu of op een bordje ergens? Als het nergens staat, kun je daar niet vanuit gaan. Lekker makkelijk om dat wel te doen.’

‘Sorry, vind je het heel erg om me gewoon te laten eten? Ik geef 12 euro uit aan kommetje salade en ik had niet gevraagd om een bijgerecht van bemoeizucht.’

Zuchtend pakt hij zijn telefoon van tafel en houdt hem tegen zijn oor. ‘Dag moppie, hoe gaat het met je?’ Hij is even stil. ‘Natuurlijk wil ik dat voor je doen, moppie, geen probleem moppie.’ Hij is weer even stil, doet of hij aan het luisteren is. Hij kijkt schalks mijn richting uit. ‘Ik moet gaan, zie je straks, jij lekker ding.’ Hij legt de telefoon weer op tafel. ‘Mijn vriendin,’ zegt hij, ‘ze is topmodel, daarom zien we elkaar maar weinig, maar als we elkaar zien is het echt vuurwerk, als je begrijpt wat ik bedoel.’

‘Je telefoon was toch leeg? Volgens mij zat je gewoon nep te bellen.’ Ik schraap de laatste restjes quinoa op mijn lepel en eet het op. ‘Geeft niet hoor, ik hou wel van een beetje theater,’ zeg ik. De thee wordt nu pas neergezet, na het eten, maar dat scheelt dan weer een koffie.

‘Je weet helemaal niks van mij’ zegt de jongen nu. ‘Weet je wel wat voor toffe dingen ik allemaal doe?’ Ik haal mijn schouders op. ‘Nee.’ ‘Nou, superveel toffe dingen en ik organiseer feesten waar jij niet eens binnen zou mogen komen. Feesten waarvan je niet eens weet dat ze bestaan.’ ‘Zeker met je vriendinnetje en de Zuid-Amerikaanse boeren?’

‘Doe die fair soja skinny cinnamon sugarfree chai maar to go,’ zegt hij tegen het meisje achter de bar.

Hij went zich nu tot mij. ‘Je begrijpt er echt niks van.’

‘Klopt.’ zegt ik.

Reünie

20-02-2013

Ja- het noodlot heeft toegeslagen.

Ja- het noodlot heeft toegeslagen.

/ / /

20-02-2013

Filmmaker? Tjonge, wat een beroep. Ik? Niks bijzonders, nee- ik ben webmaster bij de provincie.

– Goh, ook leuk.

Hoe heet je film?

– Tja, ik twijfel nog: het wordt of ‘De treurige dagen van Hanno Vink’ of ‘Mosterdzaad’.

Mosterdzaad?

– Ja, Mosterdzaad.

Hoezo Mosterdzaad?

– Nou, de hoofdpersoon, die Hanno, is heel erg verliefd op een meisje, Stella. Zij vindt hem ook leuk, en dan zie je die liefde dus groeien en dan is er hele mooie scène waarin ze samen gaan koken. Hij kan amper koken, maar zij blijkt een ware keukenprinses en ze vraagt hem het mosterdzaad aan te geven voor de marinade van de kip.

Is Stella niet meer een naam voor een vegetariër?

– Waar slaat dat nou weer op?

Naja, ik dacht…

– Goed, in elk geval- deze Stella is geen vegetariër, want ze bakt kip en Hanno durft niet te zeggen dat hij niet weet welk potje mosterdzaad is, want ze is zo’n vrouw die kruiden overdoet in van die losse potjes en het staat er dus niet op.

En dan vraagt hij het aan haar?

– Nee, nee, hij gaat naar de wc om het op zijn telefoon op te zoeken. Moet je je voorstellen: nerveuze knappe jongen, dicht op de huid gefilmd, met zijn mobiele telefoon in de badkamer-

Ik dacht op de wc?

– De wc zit in de badkamer.

Sorry, ga door.

– Nou, hij dus zoeken naar een afbeelding van mosterdzaad, ineens: BOEM!

Boem?

– Ja- het noodlot heeft toegeslagen. Een gasexplosie- in de keuken. Hanno rent terug de keuken in- moet je voorstellen:  handheldcamerawerk, veel rook, zware ademhaling- dat soort dingen.

En dan is Stella dood?

– Hoe weet je dat?

Het klinkt als zo’n film waarin de hoofdpersoon dan met z’n kraag omhoog door een grijze stad loopt, met van die zelfmoordmuziek op de achtergrond. Of ze overleeft het wel, en dan is ze invalide en zorgt hij eerst voor haar en dan gaat hij vreemd en dan is het allemaal op een hele menselijke manier gefilmd. Dan schrijven ze dat ook in de recensies. En er wordt veel geneukt in de film, met alle jonge middelmatige actrices die dit land kent. En dan kom jij met je kop op de voorpagina’s van die magazines van kranten, en flirt je openlijk op Twitter en word je tafelheer bij zo’n tv-programma en dan ga je in de jury van allerlei festivals, net zolang tot niemand zich meer iets van die creatie kan herinneren, maar dat geeft niet, want het was niet de film die je maakte, het was allemaal maar een aanloopje naar het nieuwe merk dat je zelf bent.

 ….

– Ehm, kerel- gaat het een beetje met je?

Ja hoor, ik ben een beetje moe geloof ik.

– Okee. Genoeg over mijn film. Ben je nog samen met Nienke?

Nee, niet meer. Ben alweer twee vrouwen verder, haha. Jij nog met dingetje?

– Isa? O nee, ook allang niet meer. Ik ben nu net een paar maanden happy single.

Goed zo, jongen, goed.

– Jij nog een biertje?

Nee, ik ben wel goed zo, dankje. Ik ga zo maar eens op huis aan. Morgen weer werken.

– Ja, jij hebt het web te masteren- dat lijkt me geen eenvoudige klus.

Dat is het ook niet. Succes met je film.

Romantiek

26-06-2013

Ze durfde best te leven.

Ze durfde best te leven.

/ / /

26-06-2013

David was er nog steeds niet. De glazen wijn die Lena twee uur eerder had ingeschonken waren in de gootsteen omgekeerd en het schaaltje olijfjes had ze afgedekt met folie en in de koelkast gezet. Hij zou wel een bekende zijn tegengekomen of zoiets, bedacht ze.

 

Ze masseerde haar slapen. Morgen had ze een functioneringsgesprek op haar werk, ze was nerveus hoewel ze wist dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Bovendien hadden ze net een workshop gehad op het werk, NLP,  Neurolinguistic Programming. Krijgen wat je wilt, door de juiste woorden. Zelf de baas zijn over je gesprekken. Bij David werkten de technieken niet.

 

De sleutel in  het slot. Daar zou je hem hebben.

 

‘Dag liefste’  Zei hij.

 

‘Wat was je aan het doen?’

 

‘Even lopen.’

 

‘Flink stuk zeker?’

 

‘Ja.’

 

Ze stond op. ‘Ik spring onder de douche, mijn schouders zitten weer helemaal vast. Zo aflevering Borgen kijken?’

 

‘Okee.’

 

Ze liep naar de badkamer. Waarom had hij geen excuses gemaakt? En had hij gevraagd hoe haar dag was? Had zij eigenlijk gevraagd hoe zijn dag was? Nee, maar dat was omdat dat de soort vragen waren die hij niet kon beantwoorden. Hij doolde maar wat rond, at een broodje, zette wat koffie, zoiets. Mensen reageerden altijd enthousiast als ze vertelde dat haar vriend kunstenaar was, maar van de donkerte had niemand een idee. Van de muziek die ‘s nachts aan stond, van een man die tot drie uur ’s middags in bed lag,  van een man die ontbeet met een biertje en die in de tuin wilde staan in de regen, evenmin. Zou ze zometeen haar gesprek oefenen met hem? Dat scheen de beste voorbereiding te zijn, oefenen met je partner. Maar dat hing dan wel van je partner af. Toen ze bij het bedrijf was aangenomen kon hij maar niet ophouden te vertellen hoe ongelofelijk hij het vond dat zij zich 36 uur per week in een kantoorgebouw liet opsluiten. ‘Durf te leven’ riep hij dan. Ze durfde best te leven. Morgen moest ze ook even nieuwe conditioner kopen. Bij welke aflevering waren ze ook alweer gebleven?

 

Met zijn badjas aan kwam ze de kamer weer binnen. Haar haren waren in een handdoek gewikkeld die ze op haar hoofd droeg.

 

‘Weet jij nog welke aflevering?’ Zei ze terwijl ze water in de waterkoker deed.

 

‘Nee.’ David masseerde zijn slapen. Bij welke aflevering waren ze gebleven? Bij welke aflevering? Hij verlangde naar dronken worden, in een kroeggevecht belanden, cocaïne snuiven van de buik van een Russisch hoertje.

 

‘Hoe was je dag?’ Ze zette de theepot op tafel. De mokken pasten erbij.

 

‘Wel goed, het wordt weer kouder. Die van jou?’

 

‘Gewoon.’

 

Ze waren bij aflevering acht, het was spannend. Ze keken ook naar negen.

 

‘Ik ga naar bed’ zei Lena toen, ‘morgen vroeg op.’

 

‘Ik kom zo.’ Zei David.

 

Het was half vier toen ze zijn armen om zich heen voelde. In de morgen stond ze zachtjes op. Vanmiddag zou ze naar zijn atelier komen. Ze had er speciaal de hele middag vrij voor genomen. Maar eerst het gesprek.

 

Het gesprek verliep zoals ze had gehoopt. Zaken gingen goed, ze functioneerde goed en mocht haar nieuwe competentie-speerpunten mailen. Het was een modern bedrijf waar ze werkte, een bedrijf met oog voor haar werknemers, dat stond ook in de vacaturetekst. Lena gaf net een hand ter afscheid toen de chef zei:

 

En thuis ook alles goed?

 

‘Jaja, zo zijn gangetje, had ze gezegd.

 

In de lift herhaalde ze de woorden. Thuis ook alles goed. Thuis ook alles goed.

 

 Haar hart bonsde in haar keel terwijl ze de woorden opnieuw proefde. 

 

Goed alles ook thuis. Ook alles thuis goed. Goed thuis alles ook. Thuis. Alles. Ook. Goed.

 

De woorden aten haar op. Ze had nergens verstand van. Alles goed. Ook thuis.

Het was half een. David werd wakker. Hij rekte zich uit en streelde over zijn buik. Zachter dan eerst. Samenwonen, daar werd je lijf zachter van. Maar je geest niet. Straks zou ze het werk gaan zien. Hij dronk koffie en fietste naar zijn atelier.

 

Het was koud in het atelier, maar voor David maakte dat niet uit. Het was zijn bunker, weg van de mensen, weg van wereld. De ruimte zat in een leegstaande loods en had geen ramen. De muren waren wit geschilderd en de vloer was van beton. Langs de wanden lagen stapels hout, kranten, gescheurde papieren, oude verfpaletten en allerlei gereedschap.

 

Eindelijk kwam ze kijken naar zijn laatste creatie, een installatie die hij had gemaakt in opdracht van de stichting ‘Week van de Romantiek.’  

 

De romantiek had een stichting gekregen en een week. Eerst had David er niet aan mee willen werken, maar spannende boeken en kanker hadden ook een eigen week, en romantiek had ook de nodige impact op mensenlevens, dus had hij toch maar besloten de opdracht aan te nemen. Het was ook een goedbetaalde klus,  daarmee kon hij Lena wat ontlasten. Zij had de afgelopen drie maanden de huur in haar eentje opgebracht. Morgen zou de stichting het werk komen ophalen. ‘Voel je vrij’ hadden ze gezegd. Dat had hij zoveel mogelijk willen uiten in het werk, het gevoel van vrijheid in de romantiek. Lena zou er waarschijnlijk weinig van begrijpen. Ze wist weinig van vrijheid en kon niet wachten tot hij een ring om haar vinger zou schuiven. Dat vond zij dan weer romantisch.

 

Ongeduldig liep hij heen en weer door de ruimte. De tl-buizen maakten een zoemend geluid en zijn voetstappen klonken hol. Toen klonk vanuit de verte achtereenvolgens het geluid van een auto, een dichtslaand portier en van hoge hakken. David snelde naar de deur om Lena binnen te laten. Ze droeg haar dure trenchcoat en haar haren waren opgestoken. ‘Nou’ zei ze, ‘ik ben benieuwd.’

 

‘Wacht’ zei hij. ‘Blijf staan, dan doe ik eerst het licht uit en dan weer aan. Dan is het meer een verassing, anders zie je het gelijk.’ Ze knikte. Toen het licht uit was, pakte David haar bij de hand en leidde hij haar naar het kunstwerk. ‘Ben je er klaar voor?’ Het licht ging weer aan.

 

In het midden van de kamer stond een lange houten tafel met daarop een naakte etalagepop. Het was een kale slanke vrouw met grote borsten, een smalle taille en onvoorstelbaar lange benen. Ze lag languit en keek naar het plafond. Aan het hoofd van de tafel stond een andere etalagepop. Een mannenpop, in speedo gehuld, met aan zijn voeten zwemflippers en op zijn hoofd een snorkel en duikbril. In zijn hand hield de mannenpop een grote kettingzaag die net boven de hals van de vrouwenpop rustte.

 

Tevreden keek David naar het stilleven. Lena zei niks. ‘Kom schatje’ zei David toen. ‘Je moet hem nog wel even aandoen.’ Hij begeleidde Lena naar het paaltje met de grote rode knop erbovenop. ‘Geef maar een tik op de knop.’ Met tegenzin duwde ze de knop in. Frank Sinatra’s Strangers in the Night galmde in de ruimte terwijl de armen van de etalagepop met de kettingzaag naar beneden zakten. De hals van de vrouwenpop werd geraakt, uit haar ogen, borsten en knieen spoten straaltjes rode verf. Lena ving het deels op met haar jas.

 

‘En wat vind je ervan?’ Zei David met glanzende ogen. ‘Ik ben er echt heel tevreden over.’

 

‘Kan de verf uit mijn jas?’ Zei Lena met bevende stem.

 

‘Ik denk het wel.  Maar wat vind je er nou van? Ik heb hier maanden aan gewerkt en dit is je reactie? Vlekjes in je jas?’

 

‘Je had me wel even mogen waarschuwen. En wat ik van dit werk vind? Wat denk je nou zelf, mijn vriend mag een werk maken voor de week van de romantiek, en dit is het?’

 

‘Ja, dit is het, ja.’

 

‘Ik vind het niet zo romantisch.’

 

‘Ik mocht alle vrijheid nemen die ik wilde, hadden ze gezegd. Dit is mijn persoonlijke interpretatie van romantiek.’

 

‘Maar ik ben toch je geliefde, waarom kom ik niet voor in je werk?’

 

‘Hoezo kom je er niet in voor? Dit werk gaat ook over jou, over ons. Het gaat over alle liefdes, over alle stellen.’

 

‘Ik zie een naakte vrouw die vermoord wordt’ Zei Lena. Haar stem trilde.  

 

David lachte.  ‘Schatje, je kijkt niet goed. De vrouw is niet vastgebonden ofzo, ze wil graag dat hij haar vermoordt. Hij ziet haar ook liever leven, maar doet dit uit liefde. Daarom is de muziek ook zo romantisch. ‘Lovers at first sight, in love forever. It turned out so right for strangers in the night’ Prachtig toch! Zoals bij ons!

 

‘Wij kenden elkaar al via Marijn, weet je nog? Wij waren nooit strangers in the night.’

 

Ze bedacht zich.

 

‘Of eigenlijk- we zijn altijd strangers gebleven.’ Ze keek naar haar voeten.

 

David bekeek de kettingzaag nauwkeurig en zei: ‘Sorry Lena, maar het gaat nu even niet over jou, het zou leuk zijn als je me kon steunen hier.’

 

Een traan rolde over haar wang. Langzaam liep ze naar de deur.

 

David keek haar na en drukte nogmaals op de rode knop.  

Rust

28-12-2015

Het rook naar huisparfum.

Het rook naar huisparfum.

/

28-12-2015

Het was onmogelijk de tijd terug te draaien, dat begreep hij ook wel. Hij had harde keuzes gemaakt, dat begreep hij ook wel.

Toch voelde alle verandering onrechtvaardig en dat begreep niemand.

Geen van zijn vrienden leek hem werkelijk te begrijpen, en zijn gezin was zelfs ronduit vijandig geworden. Als hij dit allemaal van tevoren had geweten, dan was hij er niet aan begonnen, zei hij tegen zichzelf. Als een mantra herhaalde hij deze zin. Soms wel een halfuur achterelkaar, wanneer hij in de auto zat. Het was de enige manier om met zichzelf te leven. Hij voelde zich als een slecht geïnformeerde politicus die met de gebakken peren was komen te zitten.

Zijn dochter stuurde hem een foto van haar opgestoken middelvinger, zijn zoon belde nooit terug. Zijn echtgenote sprak hij niet meer, wel wist hij dat zij achtereenvolgens een slotenmaker en een advocaat had gebeld.

De vrouw waar alles om te doen was geweest zat soms urenlang somber op de bank. Ze moest er nog een beetje aan wennen. Haar omgeving ook. Ze speelde een spelletje op haar telefoon, om niet na te hoeven denken, te voelen. Alles wat ze wilde had ze gekregen. Maar ze voelde zich niet euforisch, optimistisch of gelukkig.

Misschien was enkel het verlangen zo verslavend geweest, was hun band gebaseerd op spanning en lust. Maar daarvoor was het nu te laat, ze waren een koppel geworden. Zo kwam het dus dat ze samen door de tl-verlichte supermarkt liepen. Hij duwde een winkelwagen voor zich uit, wat niet meeviel omdat het linker voorwieltje niet meer kon zwenken. Hij concentreerde zich op de kar en zij bepaalde de route, ze liep een meter voor hem uit. Ze vergaten vuilniszakken te kopen en hingen maar weer een boodschappentas in de prullenbak.

Hij keek om zich heen in zijn nieuwe huis. Het rook naar huisparfum. Zoiets had de echtgenote onzin gevonden, maar het had wel iets, eigenlijk. Ach, dacht hij, het maakte al niet meer uit. Dit ging het zijn. Zalm uit de nieuwe stoomoven, goed onderhouden kozijnen, een serie kijken vanaf de hoekbank.

Zij was gaan hardlopen, hij zou nog wat werken aan de keukentafel. Het bureau werd pas over drie weken bezorgd. ‘Het nieuwe leven’, mompelde hij zachtjes. Het internet deed het niet. Hij stond op om de modem uit en aan te zetten.

Ze kwam de kamer weer in, bezweet en vermoeid. ‘Ik ga even douchen,’ zei ze. ‘Zet jij de oven alvast aan? Dan kunnen we na het eten nog even langs de Praxis voor plinten in de studeerkamer.’

Hij knikte afwezig en probeerde zich voor de geest te halen hoe de woorden vrijheid en verantwoordelijkheid zich ook alweer tot elkaar verhielden.