Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Feedback

30-01-2015

Heerlijk al die vrijheid en denktijd

Heerlijk al die vrijheid en denktijd

/ / /

30-01-2015

V: Ik denk dat je wel ver bent gevorderd maar…
M: dat ik er nog niet helemaal ben. Dat weet ik.
V: Laten we beginnen bij je eerste stelling- die is heel interessant- maar kan niet bestaan zonder een wat meer uitgebreide uiteenzetting van het werk van Kant.
M: Okee.
V: Als je daar nou meer induikt en de juiste verbindingen weet te leggen, dan zul je zien dat ook het kwantificatieproces eenvoudiger zal zijn
M: Ja.
V: Mits je je ook weet te verhouden tot de vroege werken van Baynard
M: Hmm
V: Er is geen manier om dit onderwerp te behandelen zonder Baynard.
M: …
V: En Voslin. Het verbaast me nogal dat je die zo summier opvoert- dat terwijl die theorie zo goed inhaakt op je tweede stelling
M: Hoe dan?
V: Nou, de paradigma’s zijn natuurlijk gelijkwaardig te noemen- maar dat is slechts een deel van het antwoord. Voor het tweede deel van het antwoord verwijs ik je graag naar Abbot.
M: Abbot?
V: De grondlegger van dit alles
M: Okee.
V: Onthoud je alles wat ik zeg?
M: Ehm [Grabbelt in tas naar pen en papier]
V: Oh, vergeet ik haast mijn koffie op te drinken. [neemt slok]
M: [heeft pen en papier voor zich liggen]
V: Eens even kijken, waar waren we….
M: Eh
V: Wat ik je in elk geval wil meegeven: structuur. Alles valt of staat bij structuur.
M: Ja.
V: Je zegt nu wel ‘ja’, maar ik wil die structuur vooral terug kunnen vinden in je tekst.
M: Ja.
V: Goed. Dan is er nog je derde stelling…
M: Tsja, daarover ben ik nog niet helemaal…
V: Zeker?
M: Nee.
V: Waarom stuur je het dan naar me op? Denk je dat ik om werk verlegen zit?
M: Nee, natuurlijk niet, maar ik dacht…
[korte stilte]
V: Ik vond de derde stelling juist het sterkste van het geheel.
M: Echt?
V: Ja, die paradox is heel boeiend. Zeker in het licht van de vroege geschiedenis. Het is wat embryonaal natuurlijk- maar dat is met het hele werk het geval
M: Embryonaal?
V: Een vroeg ontwikkelingsstadium
M: Oh.
V: Ja, maar met een jaartje of twee moet het wel goed komen hoor. Geen paniek.
M: [in paniek] Een jaartje of twee?
V: Anderhalf, als je flink opschiet.
M: [legt zijn hoofd op tafel]
V: [Negeert het gedrag van M en kijkt op haar horloge] Heb je nog vragen?
M: [Komt weer overeind en wrijft met zijn handen over zijn gezicht] Hoe heette die grondlegger ook alweer?
V: Abbot. En ik zal maar doen alsof ik deze vraag niet gehoord heb. Verder nog iets?
M: [schudt zijn hoofd]
V: Goed, nou dan zien we elkaar over een week of vijf, zes?
M: Okee.
V: Schikt 17 mei, om half twee?
M: Ik heb mijn agenda niet hier…
V: Zonder tegenbericht zie ik je dan.
M: Okee.
V: Verder alles goed met je?
M: Hoezo?
V: Nou, je lijkt me wat somber.
M: Ach.
V: Je moet er wel plezier in houden hoor. Ik weet het nog goed- ik vond het heerlijk, dat onderzoek doen en schrijven. Ge-wel-di-ge tijd. Die vrijheid! Die denktijd! Soms droom ik er nog weleens over. Zo fijn was die tijd, zo fijn.
M: Goh.
V: [Staat op] Nou, ik moet weer gaan.
M: Ja.
V: Dan zien we elkaar in mei.
M. Ja.
V: Fijne dag nog!
M: [legt zijn hoofd weer op tafel]

Schoon

22-01-2015

Het was niet eenvoudig om jong te zijn in deze tijd.

Het was niet eenvoudig om jong te zijn in deze tijd.

/ /

22-01-2015

Er waren alleen maar knappe mensen in de koffiebar. Jonge mannen met baarden, jonge vrouwen met lange dunne benen en lange haren die in rommelige knotjes op hun hoofd zaten. Ze droegen kleding die er een beetje afgeragd uitzag, maar wel duur was geweest. Ze zaten verspreid over de koffietent met hun laptops voor zich. Ze waren aan het flexwerken of facebooken terwijl ze een fortuin uitgaven aan koffies met lange moeilijke namen, extra shotjes en vooral zonder koeienmelk. Van de koffie namen ze foto’s die ze een extra sfeervolle laag gaven door er een oranje gloed overheen te doen. Ook namen ze foto’s van zichzelf met daarachter een hashtag, zo konden ze laten zien dat ze #welbewust #postmodern #narcistisch konden zijn en dat kwam mooi uit want #yolo.

Het was hoe dan ook niet eenvoudig om jong te zijn in deze tijd, hoewel het begrip jong ook aan inflatie onderhevig leek te zijn of in elk geval niet meer met levensjaren te maken had.

Wie niet jong was, was de vrouw die ook het café ingelopen was. Ze was een opvallende verschijning met haar kromme rug en felgekleurde kleding. Op haar korte grijze haar droeg ze een gek mutsje met een soort voelsprieten bovenop. Haar rode broek was net iets te kort waardoor haar gestreepte sokken ook zichtbaar waren. Het capuchonvestje boven de broek had ze vast bij zo’n hippiekraampje ergens op een markt gekocht of ergens op straat gevonden. Ze nam plaats aan een van de tafeltjes aan het raam en zette haar paarse tas op de grond naast zich. Toen liep ze naar de bar

(er kan veel worden gezegd over mooie hippe mensen maar bedienen is niet iets waar ze goed in zijn)

en bestelde een kopje thee. Het barmeisje opende de theedoos, maar de vrouw hoefde geen theezakje. Dat hoefde ze niet te zeggen tegen het barmeisje, want zij was net bezig met het omhelzen van een bekende.

Voorzichtig schuifelde de vrouw terug naar het tafeltje. Eerst deed ze haar vestje uit. Onder het vest droeg ze een oranje t-shirtje. Haar armen waren dun en bekleed met loszittend vel. Toen boog ze voorover en maakte ze haar blauwe schoenen los. Daarna deed ze haar sokken uit. Haar teennagels waren van een indrukwekkende lengte. Ze ging weer rechtop zitten en nam de paarse tas op schoot. Na even rommelen vond ze wat ze nodig had: een bruin washandje.

Voorzichtig doopte ze het washandje in het kopje met heet water. Daarna waste ze met veel aandacht haar rechtervoet en daarna haar linkervoet. Ze kneep het washandje uit boven het vaasje met bloemen dat bij haar op tafel stond.

Mevrouw, mag ik wat vragen?’ Een baard met een streepjestrui en een strakke spijkerbroek stond naast haar tafeltje.

De vrouw zei niks, en de baard ging verder. ‘Kunt u even op mijn laptop letten, ik moet even naar wc.’

Hij wees naar het tafeltje naast haar, waar inderdaad een laptop stond.

De vrouw knikte en de jongen ging liep weg terwijl hij naar zijn telefoon keek.

Het wassen ging verder, eerst nog haar armen en hals, daarna haar gezicht en toen eventjes onder haar t-shirt, oksels, buik en borsten.

De jongen kwam weer terug, ‘dankje’ zei hij, zonder haar aan te kijken.

Ze deed haar sokken weer aan en ook haar schoenen en haar vest. Het restje theewater gooide ze in de bak van de olijfboom die binnen stond. Langzaam schuifelde ze weer naar buiten.

Niemand had haar gezien.

Bang

14-01-2015

Ik was er wel en ik zei niks.

Ik was er wel en ik zei niks.

/

14-01-2015

Het gebeurde bij een kruispunt midden in de stad. Ineens klonk er een harde knal over het verkeersplein. In een schok stond ik stil met mijn fiets. Verdwaasd keek ik om me heen. Mijn voorband was geklapt.

Gelukkig was ik op weg naar een rood stoplicht en stond ik dus ineens stil op een plek waar iedereen stil stond. Ik was geschrokken, nog nooit eerder had ik een klapband gehad, daarbij was ik zo diep in gedachten geweest dat het was alsof ik door een grijparm zo uit een speelmachine in de wereld was neergezet. Ik keek om me heen, naast me stond een jongen met een grote koptelefoon op zijn hoofd. Hij had niks gemerkt, keek vluchtig naar het verkeer en besloot toen door rood te fietsen.

Naast me stond een oudere vrouw in een beige regenjas.

‘Kind, wat laat je me schrikken,’ zei ze, terwijl ze liet zien hoe haar handen beefden.

‘Nou, inderdaad!’ Klonk het nu van achter me, waar een jonge vrouw met haar fiets stond.

Ik verplaatste me naar de stoep, en bekeek mijn voorband. Ik bedacht me welke fietsenmaker het dichtste in de buurt zou zijn. De oudere vrouw legde haar hand op mijn stuur en keek onrustig om zich heen. Ze leunde naar mij toe en zei:

‘Bent u ook zo bang?’

‘Bang? Ach, ik schrok wel een beetje, maar ik heb geluk dat ik toch net bij het stoplicht was.’

‘Nee, ik heb het niet over je fiets.’

‘Waar heeft u het dan over?’

‘Nou, toen ik die klap hoorde… Ik wist het gelijk: ze zijn hier.’

‘Wie bedoelt u?’

Ze keek schichtig om zich heen voordat ze weer sprak.

‘Nou, de terroristen natuurlijk.’

De jonge vrouw viel haar nu bij.

‘Het is slechts een kwestie van tijd eigenlijk.’

‘Ze zijn overal.’

Het meisje wees naar een paar mensen aan de overkant van de straat die op de tram aan het wachten waren. ‘Zie je dat?’
Ik volgde haar blik en zag mensen. Allerlei mensen uit deze stad. Mensen met verschillende buitenkanten, meningen, sofinummers en plannen. Mensen die met de tram wilden reizen.

‘Daarom neem ik geen openbaar vervoer meer,’ zei de jonge vrouw, ‘je weet nooit wie er naast je zit, of instapt.’

‘Precies. Ik bestel al mijn boodschappen op het internet,’ zei de oude vrouw.

‘Verstandig,’zei de jonge vrouw.

Ik probeerde te doen alsof ik er niet was. Maar ik was er wel en ik zei niks. Later zou ik mezelf haten om mijn zwijgen. Dat wist ik nu nog niet. Nu zweeg ik enkel terwijl ik naar mijn fiets keek. Ik had een fietsenmaker nodig.

‘Weet u misschien een fietsenmaker in de buurt?’

‘Ja, achter de markt zit er wel eentje. Maar ja,’ zei de vrouw, ‘dan moet je wel die buurt in…’

‘Wat is er met die buurt?’

‘Gewaden,’ zei de jonge vrouw, ‘ze dragen daar allemaal gewaden.’

‘En de kinderen spelen tot tien uur ‘s avonds buiten,’ vulde de oude vrouw aan.

‘Ik denk dat ik het risico maar neem,’ zei ik, ‘dankjewel’.

‘Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb,’ zei de oude vrouw.

Terwijl ik naar de fietsenmaker wandelde passeerde ik een paar winkels. In de weerspiegeling van de etalageruiten zag ik waar ik het bangste voor was.

Je suis Charlie

07-01-2015

07-01-2015

Het is nog middag maar buiten is het al donker
Ik denk aan de drie schutters van deze dag
En ik vraag me af: wat zouden ze aan het doen zijn

Nu de nabestaanden versplinterd zijn van verdriet
Ouders hun kinderen moeten begraven
En kinderen hun ouders

Een gewone woensdag in januari
Met cornflakes in de ochtend
Zij die wisten wat deze dag zou brengen
Gaven hun geliefde nadrukkelijk een kus
Zij die van niks wisten
Haastten zich naar hun einde

Ik denk aan de drie schutters
Geven ze elkaar een voorzichtige high five
Rijden ze volgens de regels van het verkeer
in een camionette ergens aan de grens

Zijn ze trots
Hebben hun vrienden smsjes gestuurd
Heffen ze het glas
Maar dan met thee erin
Geschonken door een gesluierde vrouw
Of toch een blikje cola
Voor de smaak.

Visite

05-01-2015

Het eerste stukje gaat altijd makkelijk.

Het eerste stukje gaat altijd makkelijk.

/ /

05-01-2015

Het was al een tijd geleden dat Lida haar zoon en schoondochter op bezoek had gehad. Van schoondochters mocht je niks vinden, hield ze zichzelf voor. Zelf was ze weinig welkom geheten, dertig jaar geleden. Haar schoonmoeder refereerde de eerste twee jaar naar haar als ‘dat meisje’ om daarna in een stilzwijgend afkeuren te vervallen. Met de komst van de kinderen was de boel iets verbeterd, met de verhuizing 300 kilometer naar het zuiden nog meer. Maar de relatie bleef verziekt tot het bittere einde.

Dat soort taferelen zou Lida nooit hebben, nam ze zich toen voor. Ze had twee zonen en een dochter. De dochter reisde als reisleidster de wereld rond en stuurde wekelijks kaartjes. Af en toe spraken ze via Skype, maar over een vaste geliefde had ze nooit gesproken. De jongste zoon bleek homo te zijn, hij woonde inmiddels drie jaar samen met een knappe oudere architect. Vandaag was het dus de oudste die kwam eten met zijn vriendin, vrouw inmiddels. Lida kon slecht wennen aan die nieuwe status, de twee waren stiekem getrouwd ergens in het Caribisch gebied, zonder gasten, met twee voorbijgangers als getuigen.

Het was geen slecht mens, of iets dergelijks, haar schoondochter. Ze was niet onknap, en had een redelijk stel hersenen. Ze was niet te dik en ze had geen sterk accent. Zo nu en dan maakte ze een grapje en als ze op bezoek kwamen nam ze bloemen mee of een doosje chocolade. Ze had een redelijk goede baan en kwam uit een normale familie. Er was niks mis mee, maar hoe Hugo daar nou zo verliefd op had kunnen worden, dat bleef Lida een raadsel.

Subtiel probeerde ze de mening van haar man te peilen. Maar hij was weinig gevoelig voor subtiele zaken (en ook weinig gevoelig voor minder subtiele zaken, nu ze erover nadacht). Daarom had ze hem een na het derde bezoek van Hugo en Ilse gewoon maar gevraagd wat hij ervan vond. ‘Ik vind haar niet zo lekker als ik had gehoopt,’ klonk het vanachter het Financiële Dagblad. ‘En verder?’ De krant kwam naar beneden. ‘Verder? Ach, wat valt er nou te vinden. Als die jongen maar gelukkig is.’ In de keuken schonk Lida zich nog een glas port in.

Gelukkige kinderen,
dat is wat elke ouder wil.

Vandaag kwamen ze dan eten en Lida had zich uitgesloofd in de keuken. De drank had ze overgelaten aan haar echtgenoot, die sowieso vaak en graag in de slijterij te vinden was. De deurbel klonk. Sinds wanneer ging het eigenlijk zo? Wanneer had hij zijn sleutels ingeleverd? Van haar had het niet gehoeven, er waren sleutels genoeg, de buren hadden er een, haar zus, en de buurt was veilig genoeg om de achterdeur overdag open te laten. De bel ging weer, vlug deed Lida haar schort af en gooide hem in een hoek op het aanrecht. ‘Steek jij de kaarsjes aan?’ Vroeg ze aan haar man terwijl ze met nerveuze passen richting de voordeur liep. ‘Huugje,’ mompelde ze, want dertig of niet, nog steeds was hij haar eigen kleine mannetje. En potverdorie- moest je haar nu zien, in haar eigen huis, lopend met nerveuze passen. Misschien is het de overgang, dacht ze bij zichzelf.

Het eerste stukje van een bezoek gaat altijd makkelijk. Koude snelle zoenen, jassen uit, bloemen aannemen, dicht op elkaar staan in een kleine ruimte, schoenen uitdoen of toch aanlaten, even de sjaal nog ophangen, best wel afgekoeld buiten, maar gister was het beter, morgen wordt het slechter, tenminste, zoiets zeiden ze op de radio, maar ze zeggen zoveel, en dan de woonkamer in.

‘Wat ruikt het lekker,’ zei de schoondochter.
‘Je moeder is al de hele middag in de keuken bezig’ zei de echtgenoot.
‘Ik zet de bloemen even in een vaas, schenk jij ze even wat in’ zei Lida.
‘Voor mij niet teveel, ik moet nog rijden’ zei de zoon.

Ze gingen op de bank zitten. Op de achtergrond de golden oldies cd die Hugo een paar jaar geleden cadeau had gedaan. Niksige muziek vond Lida, maar perfect voor deze gelegenheid. De drie waren in gesprek over de huizenmarkt en Lida stond op om naar de keuken te gaan. Daar schonk ze de venkelsoep in dunne glazen kopjes. Erbovenop een zelfgemaakte soepstengel. Ze zette de glaasjes op het zilveren dienblaadje dat van haar moeder was geweest. Naast de glaasjes zette ze de amuselepels neer. Vanmorgen had ze kleine torentjes van makreelmousse gemaakt, bovenop de torentjes een spiraaltje van citroenschil. Het was veel werk geweest, maar het resultaat mocht er zijn, vond ze.

Met het blad in haar armen liep ze richting de bank.
‘Kijk eens, hier alvast wat kleins,’ zei ze.
De anderen zeiden de dingen die mensen zeggen in zulke situaties. Toen aten ze het zwijgend op.
‘Lekker,’ zei de echtgenoot.
‘Ja,’ zei haar zoon.
‘Ja,’ zei de schoondochter, ‘hoewel het voor mij wel een beetje meer gekruid had gemogen. Dat is geen kritiek hoor.’
‘Ja, maar jij kan ook heel goed koken,’ viel de zoon zijn vrouw bij.
‘En ik niet?’ Vroeg Lida nijdig.
‘Jawel,’ haastte de zoon zich nu te zeggen, ‘maar jij kookt gewoon, zeg maar, gewoon. Lekker, niet teveel poespas.’
‘Nou, dit zette ik jullie vroeger niet voor hoor.’ Lida verzamelde de glaasjes en lepels en zette ze op het dienblad.
‘We gaan zo aan tafel, ga maar vast zitten. Lieverd, schenk jij nog even bij?’
De echtgenoot knikte.

Lida keek in de pan met boeuf bourguignon. Niet echt verfijnd misschien, maar wel heel lekker, toch? In de oven lagen de parten geroosterde pompoen, de knolselderijpuree was ook al klaar. Met tegenzin liep ze de woonkamer in met de schalen. Ze schepten op. Het zag er mooi uit, al die kleuren bijelkaar.

‘Mag ik ook eens wat witte wijn?’ Vroeg de schoondochter.
‘Je drinkt toch liever rood?’ Vroeg Lida.
‘Ik denk dat ik de witte wat lekkerder vind. Deze is een beetje vlak.’
‘Vlak?’ Zei Lida.
‘Ilse weet heel veel over wijnen. Ze kan ook heel goed proeven,’ zei de zoon, ‘dankzij haar heb ik ook veel beter leren proeven.’
Lida sloeg haar wijn in één teug achterover. De echtgenoot merkte niks.

Tijdens het eten werd er wat gepraat over tv-series en mensen van vroeger. Toen stond Lida op om het dessert te halen: zelfgemaakte chocolademousse.

‘Dat hoef ik niet,’ zei de schoondochter toen Lida de schaal op tafel zette.
‘Ik ben niet zo’n zoetekauw.’
‘Meestal eten we kaas toe,’ vulde de zoon haar aan, ‘heerlijk, met een goed glas port.’
‘Port hebben we,’ zei de echtgenoot opgeruimd, ‘ik ga het wel even pakken.’
Nijdig schepte Lida drie kommetjes chocolademousse op.
‘Niet te veel hoor mam, dat moet ik er allemaal weer af sporten,’ zei de zoon.
‘Hij is al drie kilo kwijt,’ zei de schoondochter, ‘en echt veel gespierder’.
‘Is dat zo?’
De zoon knikte. ‘Ik ben echt veel gezonder sinds wij samen zijn.’

‘Gezondheid is het belangrijkste van alles,’ zei de echtgenoot terwijl hij een glas port hief.
Iedereen zei proost.

Daarna verzamelde Lida het servies en ging ze koffie zetten. De schoondochter wilde helpen met afruimen, maar dat hoefde niet. Terwijl de koffie liep, masseerde Lida haar slapen. Het zat er bijna op. De keuken was een groot slagveld, en voor wat eigenlijk? Ze zette kopjes en chocolaatjes op een dienblad en bracht het naar de eettafel. Toen ging ze de koffiekan halen.

‘Filterkoffie, wat lekker puur,’ zei de schoondochter.

Lida probeerde te glimlachen en nam een grote slok koffie die veel te heet was voor grote slokken. Proestend ging ze naar de keuken om haar mond te spoelen. Toen ze weer de kamer inkwam stonden de zoon en schoondochter met hun jassen aan in de kamer.

‘Volgende keer bij ons,’ zeiden ze.

Thuis

10-12-2014

Alsof de wereld niet in brand staat.

Alsof de wereld niet in brand staat.

/ / /

10-12-2014

‘Wat ben je aan het lezen?’ Vroeg de man aan zijn vrouw. Het was een donderdagavond en ze waren allebei thuis. Het was wel vaker donderdagavond, maar dat ze allebei thuis waren, was een zeldzaamheid. Vooral zij leidde een druk sociaal leven waardoor de avonden voor de man vaak alleen waren, tot zijn opluchting.

Maar vandaag was het anders. Ze zaten samen op de grote donkergrijze bank die ze twee jaar geleden voor een hoop geld hadden gekocht. Het was een showmodel, maar nog steeds was het verreweg het duurste bezit dat ze ooit hadden aangeschaft. Hij bekeek het tafereel van een afstandje. Daar zat hij dan. Hij was de helft van een stel. Een stel op een bank. Donderdagavond. Buiten donker en koud. Binnen licht en warm. Samen.

De man gleed met zijn tong langs zijn tanden. Een tic van vroeger, nu al een stuk minder, maar nog even slecht tegen te onderdrukken wanneer hij zijn geduld begon te verliezen. Dat was nu. Hij zou het nooit toegeven, maar eigenlijk voelde hij zich vooral goed wanneer hij alleen was. Niet dat zijn vrouw zo lastig was- ze sprak weinig en rook lekker. Ze kookte goed en klaagde zelden. Toch verkoos hij de stilte boven alles. Vanavond was een vreemde avond, want nu moest niet zij, maar hij zometeen nog weg. Naar een kerstborrel, een vervelender sociaal construct kon hij zich niet voorstellen. Maar hij moest, want zonder netwerken was er überhaupt geen werken, had zijn zakenpartner gezegd. Waarschijnlijk was het waar. Wie huurde er nog een makelaar in tegenwoordig? Er waren zelfs borden te koop waarop stond: ‘ik verkoop mijn huis zelf’. Als de man zo’n bord op een raam geplakt zag, moest hij zich inhouden geen baksteen door de ruit te gooien. Alsof het geen vak was. Het was wel degelijk een vak. Zijn vak bovendien. Zijn vak.

De man keek naar zijn vrouw. Hoe dichterbij de kerstborrel kwam, hoe groter de afkeer van zijn vrouw werd. Zoals ze daar zat, zo op de bank, met haar boek. Alsof ze vakantie heeft, dacht hij. Alsof de wereld niet in brand staat. Alsof ik niet besta, alsof zij elke avond thuis is. Zo zit ze daar, kopje thee erbij, zometeen schenkt ze zich nog een glaasje wijn in. Een haarlok gleed vanachter haar oor voor haar gezicht. Al lezend veegde ze de lok weer achter haar oor. Het gebaar maakte hem woedend.

‘Wat lees je?’ Herhaalde hij. ‘Hmm?’ ‘WAT BEN JE AAN HET LEZEN?’ Zijn vrouw keek nu op vanuit haar boek. Haar wenkbrauwen had ze verbaasd opgetrokken. ‘Wat is er met jou aan de hand?’ ‘Ik vraag je wat,’ zei de man nu. ‘Dagboekfragmenten van grote vrouwen uit de geschiedenis,’ zei ze, ‘Wil je wat horen? Het is heel mooi.’ ‘Nee dankje.’ Ze las weer verder terwijl de man begon te mompelen: ‘Grote vrouwen uit de geschiedenis. Grote vrouwen. Geschiedenis. Pff, zeker een heel dun boekje.’
‘Wat zeg je?’
‘Niks hoor.’
Zonder op te kijken zei ze: ‘Moet jij niet zo gaan?’

‘Ik moet helemaal niks’ zei de man met zoveel mogelijk waardigheid, wat niet eenvoudig was bij deze uitspraak. Zijn vrouw keek niet op van haar boek.

‘Jullie hebben toch die kerstborrel?’
‘Jeeminee, mens! Kun je niet gewoon daar zitten en je boek lezen? Je hoeft je toch niet overal mee te bemoeien?’

Zijn vrouw kende hem ruim vijftien jaar. De eerste jaren raakte ze van streek door zijn buien. De jaren daarna probeerde ze hem te veranderen, door hem mee te slepen naar deskundigen die allemaal boosheid uit de kindertijd noemden, maar die allemaal onvoldoende overtuigingskracht bleken te bezitten om haar man te temmen. Nu was het zover gekomen dat ze geen krimp meer gaf bij deze buien.

‘Vergeet je je fietslampjes niet?’

Met een woeste beweging stond hij op. ‘Nee hoor moeder, die vergeet ik niet!’

Stampvoetend liep hij richting de badkamer, waar hij in de spiegel keek. ‘Potverdomme, ik zie er toch nog goed uit’ mompelde hij. Hij poetste zijn tanden, waste zijn handen en kamde zijn haar. ‘Niet slecht,’ mompelde hij, ‘helemaal niet slecht.’

Hij liep weer de woonkamer in. De bank was leeg. Zijn vrouw stond in de keuken, ze schonk zichzelf een glas rode wijn in. Op een klein bordje legde ze wat stukjes kaas en een handjevol nootjes. ‘Zie je wel,’ dacht de man, ‘ze gedraagt zich als een diva. Met die glimlach op haar gezicht, dat warme vest, die stomme pantoffels aan haar voeten. En ik, wat ga ik vanavond doen? Werken. Kerstborrel. Netwerken.’

Hij liep naar de hal, kribbig trok hij zijn jas aan. Zijn vrouw was alweer in haar boek verzonken op de bank. ‘Ik ga!’ ‘Kusje?’ Met een zucht liep hij naar haar toe en plantte hij een kus als een pets op haar wang. ‘Tot vanavond,’ zei ze zonder op te kijken.

Buiten bij zijn fiets kon de man zijn sleutels niet vinden. Hij voelde in zijn jaszakken, zijn broekzakken, zelfs in zijn colbert. ‘Godverdomme,’ zei hij terwijl hij weer naar de voordeur liep. De huissleutel had hij nog wel.

‘Ben je daar weer?’ Zei zijn vrouw toen hij binnenkwam.
‘Fietssleutel kwijt,’ zei hij kortaf.
Met grote passen liep hij door de kamer. Hij trok alle mogelijke lades open, keek in de keukenkastjes en werd bij elke poging chagrijniger.
‘Ik zal je even helpen’ zei zijn vrouw toen. ‘Welke jas had je vanmorgen aan?’
‘Deze.’
‘Nee, je ging naar de bouwmarkt, weet je nog? Dat doe je nooit in deze jas.’
Het was waar. Hij ging die ochtend naar de bouwmarkt en dat zou hij nooit doen in deze jas. Maar waar bemoeide zij zich eigenlijk mee? Waarom hield ze bij wanneer hij welke activiteit ondernam in welke jas?

Zijn vrouw stond bij de kapstok, in haar hand zijn fietssleutel. De groene jas had hij die ochtend gedragen. Natuurlijk.

‘Veel plezier lieverd,’ zei ze.

De man zei niks en liep met gebogen rug naar zijn fiets. Het waaide hard en hij had de hele weg wind tegen. De borrel was saai en duurde lang.

Thuis zat zijn vrouw een brief te schrijven aan haar minnaar.

Lijntjes

28-11-2014

U kunt die lijnen toch zien?

U kunt die lijnen toch zien?

/

28-11-2014

Het is een gure dag, de hemel is grijs en zo nu en dan miezert het een beetje. Ik heb net 25 minuten tegen de wind in gefietst en ben eindelijk aangekomen bij de bibliotheek.

Het plein voor de bibliotheek is leeg, met zulk weer kun je hier niet zitten, laat staan een sigaret opsteken. Alleen een handjevol mannen in fluorescerende gele pakken staat voor het gebouw, ze zien eruit als eenzame astronauten in de wind. Ze zullen het wel koud hebben. Een van de mannen roept iets naar me, maar ik kan hem niet verstaan. Hij gebaart druk naar de fietsen die achter hem zijn opgesteld. Ik begin het te begrijpen, deze man heeft te maken met de fietsen. Ik zet mijn fiets bij de rest neer en ga de bibliotheek in.

Binnen is het warm en rustig, alleen het gezoem van de roltrappen klinkt door het gebouw. Het gebouw voelt nu al gedateerd aan, terwijl het zo fris en nieuw was een paar jaar geleden. Zonde, maar misschien werkt het met alles op die manier.

Ik lever mijn boeken in, zoek het boek voor mijn leesclub en ga dan weer terug naar buiten.

Mijn fiets is weg.

Ik wandel wat rond, ik heb vaker meegemaakt dat ik mijn fiets ergens anders had geparkeerd dan ik had onthouden. Ik speur alle barrels af, hij zou toch niet gejat zijn? Dan zie ik op het grasveldje verderop allemaal losse fietsen op hun zij liggen. De mijne ligt er ook tussen.

Fietsen worden gejat, gesloopt, ze vallen om, ze worden opzij geschoven… Maar ze wandelen niet spontaan een grasveldje in, om daar op hun zij te gaan liggen. Een van de astronauten staat met zijn rug naar me toe, hij kijkt uit over de grijze omgeving. Ik lees wat er op de achterkant van zijn hesje staat: ‘Fietscoach’.

Ik help mijn fiets overeind en loop met de fiets aan de hand naar de fietscoach. ‘Mag ik wat vragen?’
Hij knikt.
‘Weet u misschien hoe het komt dat mijn fiets verderop in het gras terechtgekomen is?’
De man kijkt met een blik vol chagrijn naar mijn fiets.
‘Die hebben wij daar gegooid.’

‘Mag ik vragen waarom u met fietsen gooit?’

Geïrriteerd loopt hij naar de plek waar de fietsen staan. Hij wijst op de grond.
‘U kunt die lijnen toch zien?’
‘Ja.’
‘Nou, daarbuiten mag u niet parkeren.’
‘Maar er is geen plek binnen de lijntjes omdat er heel veel fietsen zijn omgevallen…’ begin ik.
‘Dat komt door de wind,’ zegt de man.
‘Dat begrijp ik, maar moet u ze als fietscoach dan niet oprapen?’
‘Nee, wij hebben één taak en dat is te zorgen dat fietsen correct worden geparkeerd.’

Een andere fietser komt bij ons staan. Het is een oudere man met een grote grijze snor, op zijn hoofd draagt hij een klein donkerblauw mutsje. Een soort kapitein zonder schip.

‘Wat is er hier aan de hand?’
‘Nou,’ zeg ik, ‘als je je fiets buiten de lijntjes zet, gooien deze fietscoaches je fiets in het grasveld. Als je hem binnen de lijnen zet en de hele boel valt om, doen ze niks.’
De fietser fronst.
‘Deze mevrouw wil niet meewerken aan het parkeerbeleid,’ zegt de fietscoach.

De man met het mutsje kijkt naar de coach en naar mij en dan nog eens. ‘Godskolere nog aan toe,’ zegt hij dan. Hoofdschuddend fietst hij weg.

‘Ik wil best meewerken,’ zeg ik, ‘ik ben dol op meewerken. Maar wat vind u er zelf eigenlijk van?’
‘Fietsen moeten juist geparkeerd worden. Dat is waarom ik hier aan het werk ben’ zegt de man.
‘Maar wat vindt u er zelf van?’
‘Het is goed om fietsen juist te parkeren.’

En daar viel natuurlijk geen speld tussen te krijgen.

Vraagje

12-11-2014

Genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden.

Genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden.

/ /

12-11-2014

‘Hoe was je dag?’ Ze vraag het zo opgewekt mogelijk, ook al staat zijn gezicht op onweer.

‘Gaan we dit gesprek voeren? Je weet toch dat ik niet aan middelmatigheid doe. Wat moet ik met zo’n vraag?’

Hij schenkt zichzelf een whisky in.

‘Ik ga koken.’

‘Prima.’

Ze verwarmt de borden voor, legt het damasten tafelkleed op de tafel. De zilveren kandelaar van haar oma gaat ook op tafel, net als de kristallen wijnglazen. Ze kookt met de grootst mogelijke aandacht. Eerst een eitje met truffel, dan een velouté met aspergepunten, kreeft als hoofdgerecht en als afsluiter is er nog kaas. Hans houdt niet van zoet. Zij houdt wel van zoet, maar om nog eens in haar eentje, onder zijn afkeurende blik een huigemaakte apple crumble naar binnen te werken, ze heeft er geen zin meer in.

Aan niks ontbreekt het hen hier, in het grote huis. Kookeiland, regendouche, in elke ruimte een haard, deuren met glas-in-lood, marmeren schouwen, oude plafondlijsten, ligbaden op pootjes en nog meer dingen waar ze zo verliefd op werd toen ze verliefd werd op haar echtgenoot. Of was het andersom gegaan? Ze wist het niet meer en eigenlijk maakte het ook niet meer uit. Ze was hier in dit huis, een mevrouw geworden.

Alles van vroeger was voorbij, zelfs haar naam werd niet meer gebruikt. Van Maggie naar Magalie. Haar familie kwam alleen als hij er niet was, dat gebeurde tamelijk vaak, haar echtgenoot was een man van de wereld. Zij was geen vrouw van de wereld, zij was van dit domein, en elke keer wanneer ze elkaar zagen voelde ze zijn ogen prikken, zijn verveling. Ze was in topconditie, het huis was prachtig, het eten perfect. Maar genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden. ‘Tevredenheid is middelmaat en middelmaat is het einde van alles’ zei haar man.

Hij ging aan tafel zitten, en zij tegenover hem. Het haardvuur knapperde achter hen. Ze haalden synchroon hun servetten uit hun zilveren servetringen met hun initialen erin, en legden het servet op schoot. Zwijgend aten ze de eerste twee gangen. Ze wilde graag een gesprek met hem voeren, maar was tegelijkertijd bang dat ze weer zou laten blijken dat ze toch meer Maggie was dan Magalie, toch minder extra, toch meer ordinair. Een interessante vraag had ze tijdens het koken bedacht en nu, bij de kaas, had ze de moed om hem te stellen. Ze haalde diep adem en vroeg haar echtgenoot:

‘Ben je weleens eenzaam?’

Haar man leek niet verbaasd te zijn over deze vraag, hij leek de vraag te verwachten of ten minste vele malen eerder te hebben beantwoord. Hij depte zijn mondhoeken met zijn servet en begon toen:

‘Eenzaam? Natuurlijk. Iedereen is eenzaam. Wat denk jij nou? Alleen worden we geboren en alleen gaan we dood. Alles ertussenin proberen we te vullen met zoveel mogelijk dingen, om de tijd te doden, zo comfortabel mogelijk, het liefst.’ Haar man gebaarde om zich heen. ‘Comfort, daar draait het om in deze wachtkamer van de dood. Daar zitten wij nu in. Maar wel met een degelijke vloerverwarming tijdens het wachten. Wist je dat je, als je goed luistert, de tijd kunt horen wegglippen?’

Hij sloot zijn ogen. ‘Hoor je wel?’

Ze hoorde niks.

‘Liefste, ik wilde alleen maar weten of je wel eens eenzaam bent geweest…’

Met een zucht opende hij zijn ogen weer.

‘Eenzaamheid zei je? Eenzaam zijn we allemaal. Wie weet nu werkelijk wat de ander denkt? Wie weet nu werkelijk wat hij zelf denkt? Jij niet hoor, ik evenmin. Om terug te komen op je vraag: Ja, ik ben eenzaam. En jij ook. Dat zijn we elke dag. Daarmee is jouw vraag die je me net stelde, in essentie gelijk aan de vraag hoe mijn dag was. En je weet wat ik daarvan vind.’

‘Ik weet wat je daarvan vindt,’ zei ze gedwee.

‘Dan ga ik nu even naar de voorkamer, breng je me zo een espresso?’

Ze knikte en hij stond op.

Sportschool

06-11-2014

Onder haar hoofd een lichaam.

Onder haar hoofd een lichaam.

/ /

06-11-2014

Mieke werkte nu sinds twee jaar in het hoge kantoor achter het station. Ze deed administratief werk, saai maar wel goedbetaald. Ze bouwde pensioen op en had ook een sportschoolabonnement van de zaak. Daar zou ze gebruik van kunnen maken, maar in praktijk rende ze liever door het park, dan dat ze ook nog tijdens het sporten met collega’s te maken had. Samen een lesje volgen, in de kleedkamer staan, laat staan de sauna… Sommige dingen hield Mieke liever gescheiden. De andere vrouwen op de afdeling gingen wel elke dinsdag en donderdag naar de sportschool. Ze volgden lessen met namen als BBB, Bodytone of Abmazing.

Steeds vaker gingen de gesprekken de volgende dag over de sportles van de avond daarvoor. En steeds vaker gingen de gesprekken tijdens de lunch over de les van die avond. Zo kwam het dat er op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag over de sportschool gesproken werd, over de spierpijn, over de mensen die ze nu weer gezien hadden in de sportschool. Langzaam maar zeker was Mieke een buitenstaander geworden die geen idee had van de wereld van haar vrouwelijke collega’s.

‘Kom toch een keertje mee,’ had Sonja tijdens de lunch geopperd, nadat ze met de anderen ruim twintig minuten uitgebreid hadden gelachen om de blunder van Jeffrey op de sportschool. Hij was één van de instructeurs, wist Mieke inmiddels, haar collega’s kenden de namen van iedere instructeur. Ze hadden precies de namen die je zou verwachten bij het beroep van sportschoolinstructeur. Net zoals zij de naam droeg van een administratief medewerkster, bedacht Mieke somber.

‘Nee dankje, ik ga niet mee, het is niks voor mij, zo’n bedompte ruimte met apparaten enzo..’
‘Maar we doen ook een lesje,’ begon Sonja, ‘het is echt heel leuk en gezellig.’
‘En je kunt het ook wel gebruiken,’ viel Karin haar bij, ‘niet lullig bedoeld ofzo.’
‘Hoe bedoel je, ik kan het wel gebruiken?’
‘Nou, gewoon zoals iedereen van onze leeftijd… Een kleine lifting van je billen, iets meer gevormde armen, strakker buikje. Je kunt het wel gebruiken.’

‘Waar kan ik dat dan precies voor gebruiken?’

‘Je gaat lekkerder in je vel zitten, dat is wat Karin wil zeggen,’ probeerde Sonja de boel te sussen. Maar Karin liet zich niet graag sussen.
‘Nee, hoor ik bedoelde alleen te zeggen dat ze nu nog kan ingrijpen, maar straks is het te laat. Een zacht buikje wordt een buik, een zakkend kontje wordt twee lege kussenslopen en een ongetrainde arm een stuk stof aan een bot, weetjewel, zo’n flieber die beweegt wanneer je zwaait. Verder was het niet lullig bedoeld ofzo.’
Karin nam een slokje cola light. Sonja at hoofdschuddend de laatste happen van haar salade. Mieke staarde voor zich uit en sprak toen heel rustig tot Karin: ‘Wel fijn dat je het niet lullig bedoelde. En ook wel fijn dat je dat er voor de zekerheid nog even bij zei. Ik ga maar weer eens aan de slag.’

Na twee uur werken stond Mieke op om naar de wc te gaan. Ze droeg een strakke broek en een bloesje, kleding waar ze nooit lang over na dacht. Maar nu, nu voelde ze zich als een vervallen gebouw. Mooi in de jaren ’80 en ’90, nu wat gedateerd en spoedig een ware ruïne. Nog nooit eerder had ze op zo’n manier nagedacht over haar kont, haar buik, haar armen. En dit had Karin alleen nog maar gezegd op basis van Mieke’s uiterlijk op kantoor. Wat zou ze wel niet denken wanneer ze Mieke in de kleedkamer zou zien?

In de spiegel bij de toiletten bekeek Mieke zichzelf nog eens goed. Ze had mooi haar, een paar rimpels in haar gezicht, maar niks ernstigs. Beetje wallen onder haar ogen, maar goed, wie heeft dat niet als je Netflix hebt. En onder haar hoofd een lichaam. Gewoon een lichaam, het kon rennen door een park, fietsen en zwemmen. Het was best gezond. Alle gewrichten, banden en botten waren nog origineel.

Bij de koffiemachine stond haar collega Henk, hij werkte al twintig jaar bij het bedrijf. Hij was in gesprek met Tinus, een andere oudgediende. Tinus had een grote ronde buik die hij in bedwang hield met een overhemd en een riem. Tevreden klopte hij op zijn buik. ‘Ja, Henk, goed gereedschap moet je onder een afdakje hangen.’
De mannen lachten tevreden en spraken verder over een of andere voetbalwedstrijd waar Mieke alleen iets van had meegekregen door de ME busjes die de stad hadden belegerd gisteravond.

‘Ha Mieke, cappuccinootje voor jou doen?’
‘Doe maar zwarte koffie vandaag,’ zei Mieke.
‘Zwarte koffie? Wat is er aan de hand? Je bent toch niet aan de lijn hoop ik?’
‘Nee hoor, soms wil ik zwarte koffie. Maar even een vraagje, ga jij wel eens naar de sportschool?’
‘Waarom zou ik dat nou doen, haha de sportschool. Heb je soms te lang met dames lopen babbelen?’
‘Nou, ze vroegen of ik niet toch mee wilde…’
‘Dat heb jij toch helemaal niet nodig?’
‘Nou, als ik nu niet in actie kom, dan ben ik over een paar jaar misschien wel…’
‘Ben benieuwd wat er nou komme gaat,’ zei Tinus met een lach op zijn gezicht.
‘..helemaal uitgezakt en vadsig.’
Tinus en Henk keken elkaar aan en barstten in lachen uit. ‘Uitgezakt en vadsig!’ Hikte Tinus. ‘Dus dan wil je eigenlijk het beste van mij en van hem hebben!’
‘Haha, jij wilt zeker met die andere meiden een beetje gaan puffen voor de spiegel. Je hele week erop inrichten, alleen maar daarover lullen, je bent niet goed, hahaha!’

Mieke liep terug naar haar bureau. Halverwege stopte ze bij de werkplek van Karin. ‘Hoi, ik heb er net even over nagedacht en ik ga niet mee vanavond. Of morgenavond of wanneer dan ook. Het is niet lullig bedoeld ofzo, maar ik heb het niet nodig.’

Poster

22-10-2014

het gaat natuurlijk allemaal om de awareness

het gaat natuurlijk allemaal om de awareness

/ / /

22-10-2014

‘Mogen wij onze poster hier ophangen?’ De hese meisjesstem klinkt luid in de uitgestorven boekhandel waar ik werk. Of werk, de boekhandel waar ik zit, dat is een betere beschrijving van de situatie. De eerste maanden was het wel mijn werkplek, maar nu is de winkel eerder een wachtplek geworden. De schroeven van de kasten zijn allemaal aangedraaid, de planken afgestoft, het tapijt is vervangen, de kassa is nog van vroeger, maar zo schoon als die nu is, is hij nooit geweest. Alle boeken staan netjes gesorteerd op categorie en op alfabet. Zelfs het magazijn is netjes. De boeken en ik, we zijn er klaar voor en daarom zitten we nu te wachten. Wachten op de mens die niet online winkelt. Zo iemand die liever door de regen loopt en dan ook nog twee euro meer betaalt, gewoon omdat hij of zij denkt dat boekenwinkels moeten bestaan.

‘Sorry, wie is daar?’ Vraag ik, terwijl ik een geeuw probeer te onderdrukken. Het is half 12 ‘s morgens. We gaan om tien uur open, ik begin altijd met het lezen van alle kranten, en ik ben nu halverwege. Ik zit in de keuken, want daar heb ik een radio tegen de stilte. Zometeen ga ik een tosti maken, want het is woensdag. Op woensdag eet ik een tosti. Op donderdag soep. De andere dagen heb ik vrijgelaten om spontaan te kunnen zijn.

Met een zucht begeef ik me richting de deur van de winkel. Er staat een meisje bij de kassa, naast haar een jongen. Ze zijn midden twintig, dragen strakke spijkerbroeken, felgekleurde gympen en wijde t-shirts. Ze glimlachen naar me. Ze hebben goedzittend haar.

Geen kapsel, maar mensenhaar dat nonchalant goed zit.

‘Ik zal het even uitleggen,’ begint het meisje, ‘we hebben een mensenrechtenfestival georganiseerd. Nouja, niet wij alleen, maar wij hebben een stichting: Human Rights Now! En in samenwerking met een aantal andere platforms zoals Give a Fuck Now! en Do Drugs For Justice en een aantal denktanks organiseren we een driedaags festival. Dat is volgende maand, en nu hangen we dus posters op.’

‘Om de buzz een beetje te voeden.’ Vult de jongen haar aan.

‘Goh,’ zeg ik, terwijl ik me probeer te herinneren wat ze nou allemaal gezegd heeft, ‘drie dagen lang een mensenrechtenfestival. Wat gaan jullie doen dan?’

‘Nou, het gaat natuurlijk allemaal om de awareness,’ zegt het meisje, ‘want wat weten we nou helemaal van de situatie van anderen?’

‘Nou, ehm..’

‘Precies,’ haakt de jongen nu ook in, ‘we weten te weinig. Daarom dit festival, want onze generatie is niet zoals die van onze ouders. Wij hebben niet zoveel met demonstreren. Maar tegelijkertijd zien we wel zoveel meer beelden. Weetje, de wereld wordt steeds kleiner. Maar onze generatie wil daar ook iets mee. Wij laten onze stem dus horen, via Twitter bijvoorbeeld.’

‘Of met een festival met een hele positeve vibe, weetjewel,’ zegt het meisje nu. ‘Dus mogen we hier een poster op het raam hangen?’

‘Okee.’

De jongen neemt zijn rugtas af en pakt er een rol posters uit. Op de toonank rolt hij er eentje uit.

‘Mag ik hem eens zien?’ Vraag ik.

‘Tuurlijk, hij is echt vet,’ zegt de jongen of het meisje tevreden.

Een hoogglanzende kleurenfoto kijkt me aan. Twee naakte vrouwen die goud geverfd zijn zitten op een roze olifant. De achterste vrouw houdt de borsten van de voorste vrouw vast. Op de grond, naast de voet van de olifant zitten twee naakte mannen, eentje speelt een dwarsfluit. De ander heeft een banaan aan zijn oor alsof het een telefoon is. Links in beeld staat een brandende struik, de blaadjes zijn gemaakt van bankbiljetten. Rechtsachterin staat een kotsend skelet.

‘Mensenrechten, zei je toch?’

‘Ja, mensenrechten.’

‘Deze poster is niet echt ehm..’

‘Kijk, het festival gaat over mensenrechten. Maar dat kan natuurlijk niet op een poster. Dat verkoopt niet. Wij hebben met onze targetgroup gezeten en dit is het resultaat.’

‘Misschien ben ik dan niet jullie doelgroep,’ zeg ik voorzichtig, ‘ik geloof dat ik het niet zo tof vind.’

‘Heb je niet zoveel met mensenrechten?’ Vraagt het meisje ongelovig,‘Echt niet?’

‘Nou, ik heb niet zoveel met wat er op deze poster allemaal te zien is. Ik geloof eigenlijk niet dat het over mensenrechten gaat. Maar dat hebben jullie vast wel vaker gehoord?’

‘Er is wel wat ophef geweest, hier en daar’ zegt de jongen tevreden, ‘Maar ik denk altijd maar zo: zolang er over je geluld wordt, is het goed.’

‘Het is toch allemaal free publicity,’ zegt het meisje.

‘Daarbij vrijheid van meningsuiting is ook een mensenrecht,’ vult de jongen haar aan, terwijl hij stukjes plakband op de achterkant van de poster plakt. ‘Is op de deur goed?’

‘Nou, eigenlijk…’

‘Superbedankt dat je wilt meewerken, echt heel tof,’ valt het meisje me in de rede met een beeldschone glimlach op haar gezicht.

‘Misschien kom ik ook wel naar jullie festival,’ stamel ik onnozel, ‘mensenrechten zijn toch…’

Maar ze zijn al weg voordat mijn zin af is.

Hoopje

01-10-2014

Nee, dankjewel.

Nee, dankjewel.

/

01-10-2014

‘Heeft u alles kunnen vinden?’ Vraagt het meisje van de drogist aan me. Ik kijk naar de boodschappen in mijn mandje: een doosje paracetamol, wattenschijfjes en tandpasta.

‘Ja, dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn portemonnee pak.
‘Bent u bekend met het gebruik van dit geneesmiddel?’
‘Ja, dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn pinpas in het pinapparaat steek.
‘Heeft u misschien interesse in ons gezondheidsmagazine voor 1 euro?’
‘Nee, dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn pincode intoets.
‘Wilt u er een tasje omheen?’
‘Nee, dankjewel’ zeg ik terwijl ik mijn pinpas weer in mijn portemonnee steek. ‘Wilt u de bon?’
‘Nee dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn portemonnee en de spullen in mijn tas stop.
‘Tot ziens’ zegt het meisje van de drogist terwijl ze het mandje van de volgende klant aanneemt.
‘Dag.’

Ik wandel naar buiten en zet de tas naast me neer. Er lopen allerlei mensen voorbij. Grote, kleine, dikke, dunne, snelle, langzame, oude, jonge, mooie en lelijke. Mensen met haast, mensen die bellen, mensen met jengelende kinderen, mensen met kromgetrokken honden. De hemel is wollig grijs en er waait een licht briesje. Er rijden auto’s voorbij en ook fietsers, scooters en brommers. Een vrachtwagen zo nu en dan. Nooit een tank.

Adem in, adem uit. En nog eens en nog eens. Tot je ermee ophoudt. Adem in, adem uit.

‘Gaat het wel?’ Naast me staat nu een oudere heer met een hoed op. Echt een heer, zo weggelopen uit een foto van vroeger tijden. Er moet een moment zijn geweest waarop de andere heren van vroeger besloten om korte jassen te gaan dragen, hun hoeden weg te smijten en hun wandelstokken te vergeten in de kroeg. Niet deze heer. Hij houdt vol.

‘Het gaat wel,’ zeg ik.

‘U staat hier al een kwartier, wacht u ergens op?’

‘Dat vraag ik mij nou ook af. Maar ik begin te denken van niet.’

‘Van niet?’

‘Nee, dat er nergens op te wachten valt. Dit is het gewoon hè?’

Ik gebaar naar de straat, naar de ruimte om me heen, naar mijn tas waar de wattenschijfjes uitsteken en zucht dan diep. De heer kijkt fronsend mee.

‘Ja mevrouw, dit is het.’

‘En wat denkt u daar nou van?’

‘Ach mevrouw, wat maakt het uit. Noem het wat u wilt, maak het zo groot als u wilt, maar voor mijn part is het allemaal één grote vergissing, een misverstand, een droom, een gedachte, een hoopje geitenpoep, zo je wilt.’

‘Niet meer dan dat? Een mogelijke vergissing zelfs?’

De heer knikt weemoedig. En dan gaan we huiswaarts.

Test

20-09-2014

Ik wilde even testen hoe zelfredzaam je bent.

Ik wilde even testen hoe zelfredzaam je bent.

/ /

20-09-2014

Speurend liep Marie door haar straat. Een keurige straat in een keurige wijk. Alle huizen hadden een eigen oprit, een voortuintje, twee identieke planten in de vensterbank en iets decoratiefs op de voordeur hangen. Een krans, een lint met daaraan een houten hartje, een stukje wrakhout met daarop een spreuk in het Engels, een slinger van schelpjes of een een beest van stro en kippengaas. De stoep was extra breed zodat de bewoners hun fietsen in de nieuwe fietsenrekken konden parkeren. Veel fietsen hadden grote kratten aan het stuur en daarmee was het stallen een onhandig gedoe van geduw en getrek met fietsen geworden. Marie parkeerde haar fiets daarom meestal aan de zijkant van het huis. Op slot, maar nergens aan vast.

‘Je kunt niemand vertrouwen’ zei haar vriend Egon, ‘dus zet hem nu gewoon ergens aan vast. Als jouw fiets gestolen wordt, is het door je eigen luiheid. Je bent gewoon te lui om even moeite te doen.’

Vandaag kreeg Egon gelijk, haar fiets was weg. Marie opende de voordeur weer en kwam de woonkamer in. Daar zat Egon een krant te lezen op de bank. ‘Ik geloof dat mijn fiets gejat is.’ ‘Hmm’ zei Egon.

‘Ik doe wel online aangifte, dat kan vast, denk je niet?’ Egon bleef verscholen achter de krant.

Marie pakte haar laptop en zette hem aan op tafel. Het was een oud beestje, dat erg veel geluid produceerde en zeker tien minuten starttijd nodig had. ‘Koffie?’ vroeg ze nu aan Egon.

‘Lekker.’

Ze liep naar de keuken, en pakte twee kopjes uit de kast. Ze zette ze onder het apparaat. Terug in de woonkamer legde Egon de krant opzij.

Met een zucht zei hij: ‘Je hebt niet gekeken hè?’

‘Ik weet zeker dat ik hem bij het huis had neergezet. Zo gek, wie komt hier nou?’

‘Nee, dat bedoel ik niet. Ik heb het over de kopjes. Je hebt niet gekeken.’

‘Het zijn kopjes uit de kast, wat bedoel je precies?’

‘Je hebt niet ín de kopjes gekeken.’

‘Nee, maar ze waren leeg, en stonden in de kast. Wat is er nou?’

Egon lachte met een scheef mondje. ‘Het was een test. Ik had expres twee kopjes met koffieaanslag voorin de kast gezet. Ik wilde weten of jij wel checkt of alles schoon is voordat je het aan iemand voorzet. Nee dus.’

‘Jezus, dat slaat toch nergens op?’

‘Nou, kennelijk val je direct door de mand, dus ik sta er nog wel achter. Je ziet maar weer- zo lui als jij bent, dat is nergens goed voor.’

‘Ik kan er toch wel vanuit gaan dat een kopje uit de kast schoon is?’

‘Niet als jij de vaatwasser hebt uitgeruimd,’ zei Egon tevreden terwijl hij de krant weer opende.

Met een zucht ging Marie aan haar laptop zitten. Hoe kwam ze toch zo gemakzuchtig? Of was het misschien niet zo erg, kopjes met koffierestjes erin? Ze liet het maar gaan. Als je dingen niet kon laten gaan, wat voor leven had je dan?

Er was geen internetverbinding. Dat gebeurde normaal nooit. ‘Liefje, ik heb geen internet,’ zei Marie na een kwartier alle mogelijke instellingen te hebben doorlopen. Met een zucht legde Egon de krant weer naast zich neer. Met ferme pas liep hij naar de gangkast.

‘Zo,’ zei hij bij binnenkomst, ‘even de stekker in de modem en het gaat al een stuk beter.’

‘Was de stekker eruit? Waarom dan?’

‘Ik wilde even testen hoe zelfredzaam je bent. Niet zo, dus.’

Marie voelde een kleur op haar wangen verschijnen en balde haar vuisten. ‘Testen, testen, hoezo loop je mij te testen? Mijn fiets is net gejat en jij loopt mij te testen?’

‘We hebben het vaak genoeg gehad over die fiets. Als je zo’n mooie fiets niet goed vastzet, dan ben je hem kwijt. Het verbaast me eerlijk gezegd nogal dat het jou zo raakt, als je er zo mee omgesprongen bent.’

Marie was te kwaad om te spreken. Ze griste haar handtas van het aanrecht en liep de tuin in. Ze hadden een grote tuin waar een echte tuinarchitect een plan voor had bedacht. Het plan was dat er grind lag, en allerlei soorten rotsen en cactussen langs de kanten. ‘Lekker strak en geen onkruid’ had Egon gezegd. Marie had ook geen groene vingers, zij wilde alleen maar een hangmat hebben, maar dat paste niet in het ontwerp.

‘Het is hier geen Ibiza’ had de tuinarchitect gezegd. Hij had gelijk, het was hier geen Ibiza.

Marie ging zitten op een van de keitjes, en schudde met haar handtas. Ergens moest nog een pakje peuken zitten. Eigenlijk rookte ze niet, of in elk geval niet thuis. Daar hield Egon niet van. Maar ook al was hij nu thuis, hij zou het niet merken. Waarschijnlijk zat hij weer verzonken in de krant, hij was niet het type man dat je achterna zou komen lopen.

Marie vond het pakje, erin zat ook nog een aansteker met een witte kat erop. Geleend en nooit teruggegeven. Zo gingen die dingen toch? Of was ze weer te lui geweest? Een dievegge? Soms wist ze niet meer wat normaal gedrag was.

Ze rookte een sigaret en kalmeerde. Ze keek om zich heen, liep voor de verandering het tuinpad af. Dat deden ze nooit. Ze hadden geïnvesteerd in de tuin, dat zeiden ze tenminste op borrels. Maar waar het in praktijk op neer kwam, was dat ze hadden geïnvesteerd in een achtergrond van de woonkamer. Een soort decor waar ze nooit verder in liepen dan de eerste drie meter.

Achterin stond nog een deel van de vorige schutting. De tuinarchitect wilde het meenemen, maar Egon dacht dat ze er nog wel wat mee konden verdienen op Marktplaats. Tot dusver was dat niet gelukt, maar dat kwam volgens hem door de foto’s. Marie had beloofd een betere camera te lenen van een collega, maar was het tot nu toe steeds vergeten.

Misschien wilde ze het ook niet echt. Stomme schutting, stomme tuinarchitect. Het leek wel Bedrock hier. Marie bekeek de oude schuttingdelen nog eens goed, ze leken een beetje verschoven te zijn. Links zag ze iets gekleurds uitsteken. Haart hart maakte een sprongetje. Haar fietsbel! Een gestreepte fietsbel, gekregen van haar zus. Haar fiets was gewoon hier, niks gejat, niks geen aangifte. Een test, natuurlijk was het weer een test.

Met veel moeite verplaatste ze de schuttingdelen en bevrijdde haar fiets. Hij was nog helemaal in orde. Ze nam plaats op het zadel en fietste zo het grindpad af, terug richting het huis. Ze versnelde en versnelde en reed toen zo hard ze kon de woonkamer in. Helaas was de schuifdeur nog dicht.

‘Wat is er gebeurd?’ Vroeg de Eerste Hulparts terwijl hij Marie’s neus recht zette. ‘Het was een test’ zeiden Egon en Marie tegelijk.

Geweldig

17-08-2014

Heeft u wel eens stress?

Heeft u wel eens stress?

/ /

17-08-2014

‘Bent u ook zo geweldig?’ vraagt de vrouw op het bankje bij de bushalte aan de man naast haar. Het is zaterdag, half 9 in de ochtend. De straat is nog verlaten, straks openen alle koffiewinkels hun deuren en kruipen de stedelingen hun huizen uit. Maar voor nu is het stil, de laatste dronkenlappen zijn een halfuurtje eerder naar huis gegaan.

De vrouw ziet eruit als een ballerina van een jaar of vijftig. Ze is een beetje hoekig gebouwd, draagt haar haren in een hoge knot op haar hoofd, en heeft verder een strakke zwarte broek met een zwarte coltrui aan. Ook haar schoenen zijn zwart. Om al dit zwart te compenseren, draagt ze om haar schouders een felgekleurde sjaal. De man, een jaar of veertig misschien, ziet er vele malen onopvallender uit in zijn spijkerbroek met lichtblauw overhemd. Verstrooid kijkt hij opzij. Hij heeft geen idee wat ze heeft gezegd, er zat in elk geval weer die nare –g klank in, die hij op verre reizen wel eerder hoorde, maar in zijn eigen taal niet voorkomt. Hij zal de vrouw verontschuldigend antwoorden dat hij geen Nederlands spreekt, ze zal zich dan vast tot iemand anders wenden, hoewel er nu niemand anders is. Misschien heeft ze wel een telefoon bij zich, dan kan ze iemand bellen met die vraag met die klank. Maar voordat de man ook maar tot zijn antwoord komt, is de vrouw alweer verder aan het praten.

‘Want weet u, meneer. Iedereen in dit buurtje, is tegenwoordig maar zo geweldig. Ze kleden zich mooi aan, eten dingen die niet alleen gezond zijn, maar zelfs super en ze doen allemaal wat ze leuk vinden. Daar hebben ze dan hun baan van gemaakt. Van wat ze leuk vinden, hoort u mij- wat ze leuk vinden. Hun baan gemaakt. En dan lopen ze al bellend door de straten, met hun tasjes bungelend aan de andere arm- dat zijn de vrouwen tussen de 9 en de 50, en die horen dan bij van die kerels zich kleden alsof ze nog steeds 7 jaar oud zijn. Plat gympje, losse broek, vrolijk t-shirt erbij. U begrijpt waar ik naartoe wil denk ik? Het is allemaal zo geweldig, geweldig, geweldig. Ze kunnen ook alles. Ze kunnen alles- en ze kennen elkaar allemaal. Ge-wel-dig. Werkelijk formidabel. Maar wat ik steeds vaker denk, weet u wat ik steeds vaker denk?’

 

De vrouw kijkt de man vragend aan.

 

‘Sorry, I don’t speak Dutch’ zegt hij gegeneerd.

 

Even lijkt ze naar lucht te happen,
maar al snel herpakt ze zich.

 

‘Joh, it doesn’t matter- I speak Dutch so you can learn really easy from practice. Okay?’

 

Ze wacht niet op zijn antwoord en vervolgt haar uiteenzetting. ‘Maar wat ik nou denk als ik die ge-wel-dige mensen zo zie, waarom kijken ze nou zo serieus, zo gestresst? Zie jij ze lol hebben? En dan bedoel ik zonder drank of een pilletje in hun mik. Gewoon lol hebben, ik zie ze het niet doen. Alleen maar haast zie ik ze hebben, de hele dag door. Begrijp jij dat? Wat voor haast kunnen zij nou hebben? Ze hebben toch alles voor elkaar, ze hebben toch alles? Wat voor stress zouden zij in godsnaam hebben?’

 

Haar stem begint een beetje over te slaan, de man schuift nog een stukje meer van haar vandaan. Ze lijkt het niet te merken.

 

‘Heeft u wel eens stress? Stomme, vraag. Natuurlijk heeft u wel eens stress. U ziet er uit als een man die een baan heeft, een baan die niet is wat u leuk vindt, maar gewoon een baan. Am I right?’

 

‘Sorry?’ zegt de man voorzichtig.

 

‘Nou, weet je als ik zo naar jou kijk, dan denk ik: saaie vent misschien, maar daar hebben we nou wel iets aan. Jij lijkt me het type, hmm, stille held, degelijke huisvader, goede werknemer. Geen rottigheid en en vooral: geen ge-wel-dig-heid. Ik word doodziek van wat er van deze buurt geworden is. Met hun ruimteschip-kinderwagens en rosé op het terras. Bakje olijven, vier euro vijftig. Van de ratten besnuffeld zijn ze, allemaal!’

 

De bus komt de hoek om. De man laat haar voor gaan.

 

‘En ook nog eens een heer. Thank you,’ zegt ze tegen hem. Ze gaat bij de chauffeur zitten, de man kiest een plekje helemaal achterin. Hij kijkt naar buiten, en ziet de stille straten voorbij glijden. ‘Wat een provinciestad,’ denkt hij, ‘en wat een verschrikkelijke taal.’

 

Waarde

16-07-2014

Het was het niet waard.

Het was het niet waard.

/ /

16-07-2014

Anja keek naar de grond. In haar handen de krantjes die ze probeerde te verkopen, van elke twee euro die ze verdiende, mocht ze 90 cent zelf houden. Het was sinds vier maanden dat ze dit werk deed. De eerste maand was het ergste geweest, het staan, de gure wind, maar vooral de blikken. Gêne, de mensen voelden vooral veel gêne wanneer ze haar voorbij liepen. Ze keken haar niet aan, of alleen stiekem, heel vluchtig. Sommigen deden alsof ze aan het telefoneren waren, of op zoek naar iets, ergens heel diep in hun tassen. Kinderen staarden haar aan, pubers maakten grapjes.

Er waren ook mensen die een praatje met haar wilden maken, haar persoonlijk wilden leren kennen. Dat dacht ze eerst. Nu wist ze dat de naastenliefde van deze mensen voortkwam uit een onbedwingbare nieuwsgierigheid. Ze vertelde hen waar ze vandaan kwam, waar ze sliep, hoe het allemaal had kunnen gebeuren. Soms gaven de mensen haar dan een blikje cola. Lekker, maar wel slecht voor je tanden, dacht ze erbij. Haar tandarts deed alleen maar aan tandentrekken. Extractie, noemde hij dat.

Het levensverhaal dat ze met de mensen deelde was niet veel anders dan dat van haar vrienden van de straat. Maar voor de nieuwsgierige supermarktklanten was het buitengewoon exotisch, tragisch. Met een hart vol medeleven en een kar vol boodschappen liepen ze naar het parkeerterrein. Terwijl het verhaal voor Anja een andere vorm had gekregen. Het verhaal was geworden tot iets wat ze met zich meedroeg, maar niet van haarzelf was. Zijzelf was namelijk allang vertrokken. Die vrouw daar, bij de ingang van de supermarkt, die vrouw met dat pluizige haar, die vrouw in dat lila trainingsjackje, die vrouw was een restje. Anja was een restje geworden. Ze wisselde van standbeen. Nog zeven krantjes te gaan vandaag.

————————————————————————————————————————————————————————–
Maike deed haar sjaal om en bukte om de veters van haar dochter vast te maken. Vlinder was acht jaar, eigenlijk al een beetje te groot om haar veters te laten strikken. Maar ze was zo verdiept in het spelletje op haar Ipad, dat Maike besloot de strijd niet aan te gaan. Het was het niet waard.  Ze pakte de boodschappentassen, de lege flessen en dirigeerde haar dochter de voordeur uit. De ogen van het meisje bleven onafgebroken op het beeldscherm gericht. Maike liet haar in de auto stappen en leunde over haar heen om haar gordel om te doen.

‘Je zit voor mijn beeld, nu ben ik dood door jou’

Maike zweeg, het was het niet waard, ze moesten nog boodschappen doen. Ze startte de motor, langzaam reed de gezinswagen de woonwijk uit.

Er was zowaar plek vlakbij de ingang van de supermarkt. ‘Lieverd, doe je de Ipad nu even weg? We gaan boodschappen doen.’ Maike stiftte haar lippen in de spiegel van het zonneschermpje. Bij deze supermarkt kwam ze altijd bekenden tegen. ‘Ik blijf hier,’ kondigde Vlinder aan, ‘je hebt me net dood laten gaan, dus ik hoef niet meer mee.’ ‘Als je meegaat, mag je een toetje uitkiezen,’ zei Mayke nu, zich realiserend dat dat sowieso mocht, en dus niet genoeg zou zijn, ‘en een tijdschrift.’ Met een grote zucht legde Vlinder de Ipad naast zich neer. ‘Wat eten we vanavond?’ ‘Curry’ zei Mayke, ‘daar hou je toch zo van?’ ‘Ik heb meer zin in sushi’ zei Vlinder, terwijl ze naar de ingang huppelde.

Vlinder gedroeg zich boven verwachting, ze bracht de lege flessen weg, haalde nieuwe bananen en koos een toetje uit. Een familiebak Tiramisu, nogal veel voor hun gezin van drie, maar Maike liet het gaan, het was het niet waard. Een krijsend kind in de supermarkt, daar had ze nog veel minder zin in dan in het weggooien van een halve bak tiramisu.

Bij de tijdschriften kon Vlinder niet kiezen tussen de Donald Duck en iets voor meisjes die van paarden houden. ‘Maar papa vindt de Donald Duck ook heel leuk,’ zei ze, ‘Zullen we die voor papa kopen?’ Maike vond het lief dat haar dochter ook aan haar vader dacht en zei dat het goed was.

In de rij begon Vlinder zich te vervelen, ze hing aan de afscheidingshekjes en probeerde een koprol te maken. ‘Niet doen, straks bezeer je je nog’ zei een oudere dame tegen Vlinder. Die stak daarop haar tong uit. Maike deed alsof ze niks in de gaten had. Ze ging haar dag niet laten vergallen door één of ander bemoeizuchtig dametje.

Bijna buiten zag Maike de straatkrantverkoopster. ‘Zullen we een krantje kopen?’ zei ze tegen Vlinder. Die keek aandachtig naar de vrouw met de krantjes en zei toen beslist: ‘Nee.’ ‘Doe niet zo gek, we gaan nu gewoon een krantje kopen bij die mevrouw’ zei Maike, een beetje opgelaten, nu. ‘Ik vind haar haren niet mooi en haar kleren ook niet en het krantje is saai’ vulde haar dochter nu aan. De vrouw met de krantjes keek met lege ogen naar de grond. ‘Weetje wat mama doet? Mama geeft de mevrouw gewoon een beetje geld. Mama leest dat krantje eigenlijk ook nooit.’ Zenuwachtig opende Maike haar portemonne. Twintig cent aan kleingeld, een belediging zou dat zijn. Tien euro, twintig euro en vijftig euro in papier. Waar was dat vijfje nou gebleven? Waarschijnlijk aan Vlinder gegeven voor een ijsje, maar wisselgeld had ze niet gezien. Snel pakte ze het tientje uit haar portemonnee, ze probeerde het zo snel te geven dat Vlinder het niet zou zien. Maar ze zag het wel.

‘Ohoh! Mama! Je hebt die mevrouw tien euro gegeven!’ ‘Wees nou maar stil, we gaan naar de auto’ zei Maike. De straatkrantverkoopster stond nog even verloren bij de ingang. In haar ene hand het tientje, in de andere hand de stapel krantjes.

Eenmaal in de auto zei Vlinder: ‘Als zij tien mag, dan mag ik twintig.’ Ze pakte haar Ipad weer en speelde het spelletje met het geluid aan. Maike liet het maar gaan, het was het niet waard, vertelde ze zichzelf.

Toekomst

25-06-2014

Ze vragen niks, ze doen het gewoon.

Ze vragen niks, ze doen het gewoon.

/

25-06-2014

Jordi deed de deur open  van de slaapkamer van zijn zusje Lulu. Die zat daar op het tweepersoonsbed samen met haar beste vriendin Mimi. Het bed was bezaaid met tijdschriften en kleding. De televisie stond aan, maar de twee keken niet. Mimi was kleding aan het bekijken op haar Ipad en Lulu was een spelletje aan het spelen op haar telefoon.

 

‘Wat moet je?’  vroeg Lulu zonder op te kijken.

 

‘Mama vraagt welke pizza jullie willen.’

 

‘Tonno. Wij willen altijd tonno.’

 

‘Ja, wij willen altijd tonno,’ herhaalde Mimi zonder op te kijken.

 

Jordi haalde zijn schouders op en maakte aanstalten de kamer te verlaten. Toen draaide hij zich om en zei hij:

 

‘Weet je wat er gebeurt als je gewoon ergens een rij vormt met een groep mensen, zeg tien, vijftien man?’

 

‘Nou?’ Zei Lulu of Mimi.

 

‘Dan sluiten mensen gewoon aan. Ze vragen niks, ze doen het gewoon.’

 

‘Denk je?’  Zei Mimi.

 

‘Nee, dat is zo, ze hebben het wetenschappelijk onderzocht. Ze hebben het ergens in Amerika getest en er ontstond echt een rij.’

 

‘Bizar,’ zei Mimi. Nog steeds hield ze haar ogen strak op de Ipad gericht.

 

‘Ja.’

 

‘Jordi, doe je de deur achter je dicht?’ Zei Lulu nu met een vermoeide stem.

 

Hij deed de deur achter zich dicht en ging naar beneden. In de keuken vertelde hij zijn moeder dat de meisjes een pizza salami wilden. Altijd salami, voegde hij eraan toe.

 

Het vertrek van Jordi uit de kamer verlegde de aandacht van de meisjes naar de tv. Twee donkerbruin geverfde meisjes met neptieten vochten met elkaar in het bubbelbad van een villa waar ze met met tien anderen woonden in het kader van een sociaal experiment. Plukken haar vlogen alle kanten uit, maar het gaf niet, want het was toch nep.

 

‘Ik heb honger,’ zei Mimi terwijl ze geeuwde.

 

‘Ja, ik ook.’

 

‘Heb je eten in je kamer?’

 

‘Cornflakes.’

 

‘Heb je ook melk?’

 

‘Nee, alleen cornflakes.’

 

‘Okee.’

 

Ze aten cornflakes uit de doos. Op tv zat een gespierde jongen in een string op een olifant. Om hem heen de lokale bevolking van het tropisch oord waar hij naartoe was gegaan om zichzelf te vinden. De jongen zei later dat het een onvergetelijke ervaring was om bij een volk te zijn dat nog niet zo ver ontwikkeld was.

 

‘Kom, we maken een selfie,’ zei Lulu nu.

 

‘Niet teveel duckface he?’

 

‘Moet jij zeggen.’

 

‘Ik moet meer lippenstift,’ driftig graaide Mimi in haar grote leren tas.

 

‘Deze is beter.’

 

‘Okee, deze filter doen?’

 

‘Ja.’

De foto was nu een sfeervol plaatje in pasteltinten geworden.

Mimi pakte een potje nagellak uit haar tas. ‘Kijk, de nieuwe kleur van Chanel. Van mijn moeder gejat, merkt ze toch niet.’

‘Cool.’

‘Moet zondag weer mee naar mijn oma, mijn moeder appt me net,’ zei Mimi nu met een verveeld gezicht.

‘Weet je wat mijn oma altijd zegt? antwoordde Lulu, ‘Ze zegt: kinderen jullie zijn de toekomst. Wot de fak denk ik dan altijd- wat moet je daar nou mee?’

‘Ja, serieus wot de fak echt,’ zei Mimi nu ook terwijl ze haar nagels lakte.

 

Beneden klonk de deurbel.

 

‘Pizza’ zei Lulu.

‘Altijd tonno’ zei Mimi.

Tijdschrift

11-06-2014

Opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad.

Opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad.

/ / /

11-06-2014

Het gevoel van euforie over het feit dat ze een baan had gevonden, was groot geweest. Een baan, en dan ook nog bij één van de betere bladen. Ze waren het eerste met trends, baby’s van beroemdheden en allerlei soorten nieuws. Het blad was goed bevriend met een aantal luxe merken die zich uitsloofden met cadeautjes aan de redactieleden in ruil voor positieve stukken, de kasjmier trui die Mimi vandaag droeg als stille getuige. Ook mocht ze soms tripje maken naar verre oorden om iemand te interviewen of voor een fotoshoot. Een droombaan.

Vandaag deed ze weer een interview met twee jonge vrouwen voor de ‘upcoming and fabulous’ rubriek. Alle bijvoeglijk naamwoorden in het blad werden zoveel mogelijk in het Engels gebruikt. Ze hadden afgesproken in een klein koffiebarretje met mannen met baarden die filterkoffie inschonken met een ernst die het midden hield tussen lachwekkend en angstaanjagend.

Mimi dronk haar koffie en wachtte op de afspraak. Ze schreef de rubriek sinds vier maanden en nog nooit was de geïnterviewde op tijd geweest. Meestal kwamen ze tussen de 7 en 14 minuten te laat, een enkeling ruim een halfuur.

Twee meisjes kwamen nu binnen. De een klein en een beetje stevig, met een korte bloemetjesjurk en een grote bril. Naast haar een lange, model-achtige verschijning met een wit bloesje en een heel klein spijkerbroekje aan haar romp en wijde laarzen aan haar voeten. Ze dragen allebei felgekleurde dure designertassen die ze nonchalant aan hun linkerarm laten bungelen. In hun andere hand een mobiele telefoon of tablet, of iets anders plats en glimmends. Hoewel het maar een paar dagen zonnig is geweest, zijn ze allebei diep gebruind.

Mimi staat op en stelt zich aan de meisjes voor. Ze voelt zich klein en dik en onbelangrijk nu. De meisjes blijken de barjongen te kennen en nemen met hem rustig het weekend door. Ook bij hen zijn de bijvoeglijk naamwoorden voornamelijk in het Engels, met hier en daar een zelfbedacht woord of woorden die Mimi gewoon niet kent.

Ze gaan zitten. Het meisje in de bloemenjurk drinkt Duitse cola, het meisje in het spijkerbroekje drinkt tarwegrassap. Vers geslow-juiced, er gaan vijf volle handen gras in de machine.

‘Er staat gewoon heel superveel druk op de twintiger anno nu,’ zegt het meisje met de grote bril en bloemetjesjurk. ‘Klopt,’ zegt het meisje in het spijkerbroekje, ‘superveel druk’.

Met grote moeite glimlacht Mimi. ‘Toch is het jullie gelukt een modelabel, een magazine en een parfumlijn uit de grond te stampen?’

‘Ja, dat is heel gek eigenlijk, toen we begonnen hadden we echt niet het idee van: nu gaan we iets heel groots doen ofzo. Maar mensen vonden het tof wat wij deden, kennelijk.’

Mimi kijkt naar de meisjes, vrouwen eigenlijk, maar opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad. Ook niet voor bijna-dertigers. Ze kijkt naar haar vragenlijstje. ‘Wat zijn de grootste opstakels die jullie hebben overwonnen?’

Deze vraag doet ze goed.

Met grote overgave geven ze een onvoorstelbaar saai en gedetailleerd verslag van de overtuigingskracht die ze nodig hadden bij hun eerste grote investeerder (de peetoom van de kleine) en hoe het verder ging met harde keuzes maken, tussen beige en gebroken wit, taupe en licht grijs. De kleuren van het nieuwe seizoen lagen in hun handen. Het was een superstressvol proces. En dat is het nog steeds, eigenlijk. Maar soms zien ze een meisje ergens op straat of in een club ofzo, en dan denken ze: die ziet er goed uit. Zul je altijd zien: zo’n meisje draagt dan één van hun creaties. Dat maakt het allemaal waard.

Ze praten nog zeker een kwartier door, maar Mimi denkt aan haar fiets die bij de fietsenmaker staat, tot hoelaat zou ze die nog kunnen halen? Ze denkt aan de pan die in de koelkast staat, met restjes curry van gisteravond. Die kan ze vanavond nog opeten. Geen boodschappen doen, fijn. Ze zucht, ze heeft eigenlijk helemaal geen zin in curry.

Het gepraat is opgehouden. Gelukkig heeft Mimi alles opgenomen met de ouderwetse dictafoon die op tafel ligt. Ze probeert zo neutraal mogelijk te kijken en stelt dan de laatste vraag van haar lijstje.

‘Wat zijn jullie tips voor de lezeressen die ook een bedrijfje willen beginnen?’

‘Doe wat je leuk vindt.’

Het meisje met het tarwegrassap knikt. Ze drinkt de bodem zorgvuldig leeg met haar rietje, prrrprrrr, klinkt het.

‘Veel dank voor jullie tijd,’ Mimi staat op en geeft ze een hand.

‘Kunnen we zelf de foto’s bij het artikel kiezen? Want dat zou ik wel fijn vinden.’ Zegt het dunne meisje nu.

‘De fotoredactie bepaalt welke foto’s erbij komen.’

‘Als ik het niet zelf kan bepalen, dan gaat het niet door,’ zegt het meisje met een hoog stemmetje. Er verschijnt een mierzoete glimlach op haar mond. ‘Snap je?’

‘Ik zal kijken wat ik kan doen.’ Mimi denkt aan de haaibaai van een fotoredacteur. Die gaat nooit akkoord met inspraak van derden. Mimi besluit het verzoek maar te vergeten. Iedereen vergeet wel eens wat en dit is wat ze vandaag vergeten is.

‘Superchill- nou, doei doei!’ Roepen de twee terwijl ze samen op de witte Vespa van hun bedrijf stappen, de kleine voor, de lange achter. Mimi pakt haar dictafoon en tas en wil naar buiten lopen, maar de barman roept haar terug. Of ze nog even de drankjes kan betalen- en de salades en broodjes die ze to go hebben meegenomen. ‘Ze zijn zeker vergeten af te rekenen’ zegt de baardman.

Iedereen vergeet wel eens wat, denkt Mimi. Zo zie je maar.

Leegte

05-06-2014

Het voelde alsof het allemaal niks met haar te maken had.

Het voelde alsof het allemaal niks met haar te maken had.

05-06-2014

Vertwijfeld keek Didi naar haar reflectie in de etalageruit van de dierenwinkel. Vroeger was ze mooi geweest, nu was ze redelijk knap. Ze was voorzichtig modieus gekleed, ze had een normaal postuur en tamelijk goed haar. Ze woonde in een middelgrote stad en was al zes jaar samen met haar vriend, een fijne man, die er goed uitzag. Gewoon goed. Ze woonden in een leuk jaren ’20 huisje met een erkertje en een tuin. De houten vloer en glas-in-lood schuifdeuren hadden haar hart sneller doen kloppen tijdens de bezichtiging.

Hij werkte fulltime op kantoor, zij vier dagen. Ze waren tamelijk jong en gezond. Er was aan niks een tekort. Er was aan niks een teveel. Soms was er even iets loos. Dan bleek de aannemer zijn werk niet netjes te hebben afgerond, dan bleek haar collega overspannen te zijn, dan bleek de belastingaanslag hoger dan verwacht.

Het voelde alleen alsof het allemaal niks met haar te maken had. Die vrouw daar in de etalageruit, de fijne lijntjes rond haar ogen, haar mond, de trenchcoat uit de uitverkoop van het dure warenhuis. De nagels die ongeduldig geknipt waren in plaats van gevijld. Een vrouw met potentie, maar hoelang blijft potentie bestaan, vroeg ze zich nu af. Hoelang voordat ze een vrouw met niet waargemaakte potentie zou zijn, misschien zelfs een vrouw zonder pretenties zou zijn? Lekker pretentieloos, zulk soort dingen zou men dan over haar zeggen. Als ze al over haar zouden spreken.

Ze had dorst, veel dorst. Of honger, dat kon ook, ze had alleen ontbeten, maar verder niks. Ze had plek bewaard voor slagroomtaart en knakworsten, haar nichtje werd namelijk zeven vandaag. Het kind van Didi’s broer, ze heette Marlotte. Dat van die naam was treurig, maar niks aan te doen. Ze had een hamster gekregen, in plaats van een broertje of zusje, wat ze eigenlijk had gevraagd. Ook dat was treurig, maar ook daar was niks aan te doen.

Didi zou een hamsterklimrek kopen of een bal waarin je de hamster kon stoppen zodat het beestje in totale paniek omringd door roze transparant plastic de hele kamer door kon rennen. Of een spiegeltje voor in de kooi zodat de hamster zou denken dat ze niet alleen was.

Vermoeid liep Didi de winkel in. Haar benen leken van lood, haar nek was stijf en in haar buik voelde ze een knoop.

Ze verkochten meer hamsteraccessoires dan ze verwachtte.

Holle boomstammen, wiebelbruggen, kasteeltjes, iglo’s, hemelbedjes, driewielers en een kookeiland behoorden tot de mogelijkheden. Na lang twijfelen kocht ze de funhouse: een plastic huisje met twee verdiepingen, drie kamers, een wit tuinhekje ervoor en ‘home sweet home’ boven de deurpost geschreven.

De jongen van de dierenwinkel was opgewekt, hij had net vier dozijn bevroren piepkuikens verkocht, zo vertelde hij. Didi knikte begripvol, rekende €18,95 af en vertrok. De dierenwinkel was niet ver van haar huis, onderweg kocht ze een krant.

Thuis zette ze thee, at ze een stuk ontbijtkoek en las ze de krant. Ze las over vrouwen die vermoord werden door mannen, door hun familie, door geestelijken, door wie er maar zin in had.
In het krantencommentaar las Didi dat de internationale verontwaardiging vrouwenrechten op de kaart zette. In de krant las ze dat vier ranzig uitziende radiomakers zich in een glazen gebouwtje op lieten sluiten tegen seksueel geweld. In de krant las ze nog meer over milieu, privacy, ministers en andere dingen die belangrijk waren en waar het slecht mee ging.

Ze legde de krant in de papierbak en stiftte haar lippen felrood. Ze pakte de autosleutels en vertrok naar de verjaardag van haar nichtje. Er zat niks anders op.

Quinoa

29-05-2014

Een goeie plek om in je eentje te eten.

Een goeie plek om in je eentje te eten.

29-05-2014

Het aantal uren in een dag is altijd gelijk, maar toch lijkt de tijd mij dagelijks in te halen. Ik zit in de stromende regen op de fiets en bedenk dat ik het nooit ga halen om thuis te koken voor de volgende afspraak. Mijn lichaam is een tempel, dat heb ik vandaag nog gelezen in een blad voor ‘de bezige stadsvrouw die wil leven in het nu’. Druipend van de regen stap ik de zaak binnen. Ik zeg ‘de zaak’ omdat het niet helemaal duidelijk is wat voor plek het eigenlijk is, op het raam staat in witte letters ‘Concept Store’. Het concept is dat alles heel duur is, Engelse namen heeft en er heel mooi uit ziet, maar niet te mooi: een beetje houtje-touwtje mooi. Dus met zogenaamd handgeschreven bordjes en houten kratten waar de producten in zitten. Je kunt hier repen chocolade kopen met gedroogde sprinkhaan erin, pakjes Japans vlees van koeien die alleen maar bier drinken en elke dag gemasseerd worden, sjaals van ecologisch katoen en mooie opschrijfboekjes. Ook is er een gedeelte interieurwinkel met grote metalen lampen, allerlei blikken trommels, en heel veel houten meubels waarvan de verf is afgebladderd. Dat hoort zo.

Daarachter zit het ‘work&eat’ gedeelte. Een goeie plek om in je eentje te eten, snel en gezond. Je betaalt wel 12 euro voor een kommetje linzen met spinazie, waarna je nog steeds hongerig bent, maar je bent in elk geval op een plek waar het gebeurt. Hier zitten de mensen die zich de creatieven noemen, hier zitten de mensen die niet meegaan in de maalstroom van de burgers. Geen vaste banen, werkplekken of suf geouwehoer bij het koffie-apparaat. Ik kijk om me heen, alle mensen zijn mooi, maar net als de meubels, opzettelijk een beetje lelijk. Gekke knotjes, grote brillen, woeste baarden, ouderwetse truien. Maar wel alleen maar mooie apparatuur, vet haar is één ding, maar een langzame computer is om gek van te worden.

Ik ga aan een wiebelig tafeltje in de hoek zitten. Het is rustig in de zaak, hier en daar zitten wat mensen achter hun laptops verscholen, uit de speakers klinkt Berlijnse fado-muziek. Het barmeisje is druk bezig met haar telefoon, maar na een kwartier komt ze mijn bestelling opnemen. Ik neem een verse gemberthee en de quinoasalade met halloumi. Dat wordt weer een week havermout aangelengd met water als ontbijt, reken ik in mijn hoofd uit.

Aan het tafeltje naast me is een Ken-achtige verschijning gaan zitten. Hij is lang, heeft brede kaken, een volle bos bruin haar, rechte witte tanden en een heel glad gezicht. Dat gladde gezicht is een zeldzaamheid hier, maar door de streepjestrui die hij draagt, weet iedereen: ook hij heeft het begrepen. Hij voelt mijn ogen, want ineens kijkt hij me aan en zegt hij: ‘Heb jij toevallig een Iphone oplader bij je?’ ‘Nee,’ zeg ik, ‘ik heb een Samsung, maar er is vast wel iemand met een Iphone hier.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Ach, laat maar, ook wel rustig zonder telefoon.’ Met een verveeld gebaar legt hij zijn telefoon op de hoek van zijn tafeltje en pakt hij de menukaart.

Het eten wordt voor me neergezet, de keuken werkt kennelijk sneller dan de bar, want mijn thee ‘komt er zo aan’. Ik begin aan de salade, mijn lichaam is een tempel, ik probeer te voelen wat het allemaal voor goeds doet in mijn lijf. Ook dat stond in het blad voor de bezige stadsvrouw die wil leven in het nu.

De jongen kijkt vol misprijzen naar mijn bord.

 

‘Weet je wel wat je nu aan het doen bent?’

 

Hij wacht niet op een antwoord. ‘De boeren in Zuid-Amerika die dat al vijfhonderd jaar verbouwen hebben nu geen geld meer om het te eten, omdat het te duur is geworden door mensen zoals jij.’

‘Nou, ik denk dat deze plek het wel fairtrade..’ begin ik, maar hij valt me in de rede. ‘Staat dat ergens, op het menu of op een bordje ergens? Als het nergens staat, kun je daar niet vanuit gaan. Lekker makkelijk om dat wel te doen.’

‘Sorry, vind je het heel erg om me gewoon te laten eten? Ik geef 12 euro uit aan kommetje salade en ik had niet gevraagd om een bijgerecht van bemoeizucht.’

Zuchtend pakt hij zijn telefoon van tafel en houdt hem tegen zijn oor. ‘Dag moppie, hoe gaat het met je?’ Hij is even stil. ‘Natuurlijk wil ik dat voor je doen, moppie, geen probleem moppie.’ Hij is weer even stil, doet of hij aan het luisteren is. Hij kijkt schalks mijn richting uit. ‘Ik moet gaan, zie je straks, jij lekker ding.’ Hij legt de telefoon weer op tafel. ‘Mijn vriendin,’ zegt hij, ‘ze is topmodel, daarom zien we elkaar maar weinig, maar als we elkaar zien is het echt vuurwerk, als je begrijpt wat ik bedoel.’

‘Je telefoon was toch leeg? Volgens mij zat je gewoon nep te bellen.’ Ik schraap de laatste restjes quinoa op mijn lepel en eet het op. ‘Geeft niet hoor, ik hou wel van een beetje theater,’ zeg ik. De thee wordt nu pas neergezet, na het eten, maar dat scheelt dan weer een koffie.

‘Je weet helemaal niks van mij’ zegt de jongen nu. ‘Weet je wel wat voor toffe dingen ik allemaal doe?’ Ik haal mijn schouders op. ‘Nee.’ ‘Nou, superveel toffe dingen en ik organiseer feesten waar jij niet eens binnen zou mogen komen. Feesten waarvan je niet eens weet dat ze bestaan.’ ‘Zeker met je vriendinnetje en de Zuid-Amerikaanse boeren?’

‘Doe die fair soja skinny cinnamon sugarfree chai maar to go,’ zegt hij tegen het meisje achter de bar.

Hij went zich nu tot mij. ‘Je begrijpt er echt niks van.’

‘Klopt.’ zegt ik.

Baas

22-05-2014

Zijn empatisch vermogen roerde hem soms zelf tot tranen.

Zijn empatisch vermogen roerde hem soms zelf tot tranen.

/

22-05-2014

Maurits Rozenstruik wist niet veel van de wereld, maar dat hinderde maar weinigen, en op laatste plaats Maurits Rozenstruik zelf. Elke ochtend stond hij op in een uitstekend humeur, waarna hij als eerste zichzelf van top tot teen bewonderde in de spiegel bij de make-up tafel van zijn vrouw. Dat was geen overbodige luxe in haar geval, zo’n make-up tafel. Over zulk soort dingen zouden sommige mannen zich wat akelig voelen, een vrouw die veel opsmuk nodig heeft om toonbaar te worden, is immers niet bepaald statusverhogend. Maar Maurits zou Maurits niet zijn, als hij niet alleen maar aan zichzelf dacht en de buitenwereld slechts door een waas waarnam. Eigenlijk leefde hij in een continue staat van verblinding, veroorzaakt door zijn eigen schittering.

Maurits bekeek zichzelf van top tot teen, voor de spiegel hield hij altijd zijn buik in en spande hij zijn armspieren aan. Zijn witte huid was bezaaid met moedervlekken, wat hem in zijn jonge jaren de bijnaam dalmatiër had opgeleverd. Gelukkig was Maurits gezegend met een zeer gering geheugen en was het fenomeen van herinneringen die je achtervolgen hem compleet onbekend. Elke ochtend werd hij opnieuw geboren, begon hij met een schone lei. Dan pakte hij zijn potje haargel en bracht hij zijn haren in een model dat ongelofelijk hip was in het dorp waar hij was opgegroeid.

Inmiddels woonde hij in de stad en maakte hij carrière, met veel trots veranderde hij elke paar jaar de digitale handtekening onder zijn emails, inmiddels was hij manager facility services and hospitality. Onder zijn titel schreef  hij ook zijn werkdagen en zijn telefoonnummer. Van zijn vakantiegeld zou hij een tweede naam gaan kopen, dat zou de boel net wat extra cachet geven. Hij twijfelde nog tussen Napoleon en Julius.  Het moest eerst even besproken worden met zijn vrouw natuurlijk, als zij weer het vip-arrangement van Center Parcs zou bestellen, moest die naam een tijdje wachten. Misschien zou hij hem gewoon wel vast gaan gebruiken in zijn mails, wie zou daar nou achter komen?

Mijmerend over deze kwestie, kwam hij het kantoorgebouw binnen. Het pand was fonkelnieuw, het idee dat hij hier manager facility services and hospitality was, gaf hem soms kippenvel van plezier.

 

Het was de plek waar hij kon laten zien wie hij werkelijk was.

 

‘Maurits, goed dat je er bent’ zei de conciërge van het kantoorpand, ‘Kun je misschien straks even komen kijken naar de opstelling voor het symposium van morgen?’ Maurits knikte kort. Al die mensen die hij moest aansturen, waar zouden ze zijn zonder Maurits Rozenstruik? Hij las weleens artikelen in managementbladen, daarin stonden dan dingen als: ‘niemand is onmisbaar’, maar dan kenden ze hem nog niet.  ‘Ik kom zo bij je, ik heb eerst een boardmeeting te leiden,’ zei hij, zo nonchalant mogelijk. Dat hij deze zin nu kon uitspreken zonder overslaande stem, sterkte Maurits ongelofelijk in het gevoel dat hij bijzonder was. Een uitverkorene. Voordat hij wegliep draaide hij zich nog even om. ‘Trouwens, je stinkt naar zweet. Dat vind ik niet passend bij deze locatie.’

De presentatie die hij zou gaan geven was zijn grote trots. Nachtenlang had hij eraan gewerkt, maar met resultaat: nu hadden alle pagina’s in zijn powerpointpresentatie ook dezelfde achtergrond en kwamen de titels en punten er van alle kanten ingevlogen. Soms met een geluidseffectje erbij. Dit alles was uiteraard complementair aan de inhoud.

De zaal druppelde langzaam vol met de andere medewerkers van kantoor.

In hun ogen las hij ontzag, wat hij uiteraard goed kon begrijpen, zijn empatisch vermogen roerde hem soms zelf tot tranen. Maar daarvoor was er nu geen tijd.

‘Dames en heren,’ begon hij, ‘Vandaag is het begin van een nieuw tijdperk in dit bedrijf. Vergeet wat je dacht te weten over facility management of over hospitality. Vergeet wie je was, welke rol je speelde, wat er belangrijk was voor je. Vandaag toon ik de weg die we zijn ingeslagen en glorieuze toekomst die ons wacht.’

Hij nam een momentje stilte om alle aanwezigen één voor één indringend aan te kijken.

‘Zoals jullie weten, is er zonder wrijving geen glans mogelijk. En ik wil geen glanzende toekomst, maar een fonkelende toekomst!’ Een grote diamant kwam nu in beeld. ‘Ik zal maatregelen nemen die nodig zijn, ik ga niks uit de weg, botsingen zullen nodig zijn, maar deuken zal ik niet oplopen. Deze kruistocht is mijn lot, en ik zal het dragen als een man. Nee, niet als een man. Maar als de man die ik ben. Een zegen voor ons allemaal.’ Een glimlach verscheen nu op zijn gezicht. In de presentatie kwam nu het laatste plaatje tevoorschijn, onder begeleiding van het geluid van een raceauto. Het was de afbeelding van een snelweg. ‘My way or the highway!’ riep hij nu driemaal met zijn vuist gebald in de lucht.

De aanwezigen pinkten tranen weg van ontroering en klapten hun handen haast stuk in de staande ovatie die uren leek te duren. De secretaresse kwam zelfs zo enthousiast op hem afgerend dat ze pardoes de waterkaraf van tafel omstootte. Hij was drijfnat, maar het hinderde niet, niks hinderde hem op dit moment.

Plots voelde hij ruw geduw tegen zijn schouder, hij opende zijn ogen. Daar lag hij, thuis in bed, naast zijn vrouw. ‘Heb je nou alweer in bed gezeken?’ zei die.

Winnaar

07-05-2014

Ze kon hard rennen, fietsen, roeien, zwemmen, praten, lachen en drinken.

Ze kon hard rennen, fietsen, roeien, zwemmen, praten, lachen en drinken.

07-05-2014

Jacco was al een paar keer in het studentenhuis geweest, maar vandaag zat hij voor het eerst alleen aan de keukentafel. Zijn vriendin Marieke had college tot elf uur en hij was vrij. Omdat hij de slaap niet meer kon vatten, was hij toch maar opgestaan en zo zat hij nu in de keuken de krant te lezen. Hij was juist aan het sportkatern begonnen, toen een huisgenootje van Marieke binnenkwam.

Deze huisgenoot heette Elodie, een mooi elegante naam die al generaties in haar deftige familie werd doorgegeven. Helaas trouwde het frêle moedertje van Elodie een grofgebouwde bankier met erg dominante genen.  Zo kwam het dat Elodie ook wel de bulstronk werd genoemd, maar nooit in haar gezicht. In haar gezicht noemden ze haar ‘Elo’ en haar moeder zei ‘Dietje’.

Elo was een vrouw met status. Ze was president van haar studentenvereniging, voorzitter van een universiteitsgroep en huisoudste. Ze was groot, breedgeschouderd en tamelijk bierbuikig. Ze kon hard rennen, fietsen, roeien, zwemmen, praten, lachen en drinken. Ze had een schorre, lage stem en een grote bos krullen die haar ronde gezicht omlijstte.

‘Goedemorgen manneke!’

Zei ze terwijl ze neerplofte op de andere keukenstoel. Ze pakte het andere stuk van de krant en begon driftig te bladeren. Toen ze bij de kruiswoordpuzzel was aangekomen, pakte ze een pen uit de keukenla en begon ze te schrijven. Met een verbeten mond vulde ze de vakjes in razend tempo in. Zo nu en dan vloekte ze een beetje.

‘Wat ben je eigenlijk aan het doen?’ zei Jacco voorzichtig, hij was nog niet vergeten dat zij hem net manneke had genoemd, en hield rekening met ferme tik of een harde boer in zijn gezicht. Misschien was het wel een domme vraag, of zoiets.

 

‘Winnen. Ik ben eigenlijk altijd aan het winnen.’

 

‘Altijd?’

 

‘Ja, altijd. Anders zou ik toch niet zeggen: altijd.’

 

‘Dan bent je vast een heel gelukkig mens.’

 

‘Ja, dat klopt. Ik ben een heel gelukkig mens. Het gelukkigst van iedereen om precies te zijn. Het gelukkigst van alle mensen.’

 

‘Van alle mensen?’ vroeg Jacco ongeloving.

 

‘Ja, van alle mensen. Anders zou ik toch niet zeggen: van alle mensen.’ Ze legde de krant neer. ‘Of noem je mij nu een leugenaar?’

 

‘Nee,’ zei Jacco, ‘Dat zou ik nooit doen. Fijn dat je zo gelukkig bent. Fijn dat je altijd wint.’

 

‘Ik verlies ook weleens hoor,’ zei ze nu. ‘maar ik verlies dan zo goed, zó fucking goed, dat ik dan toch nog gewonnen heb.’

 

‘Je bent dus eigenlijk gewoon supergoed in alles?’

 

‘Nee, dat zeg ik niet. Ik win gewoon altijd.’

 

Jacco voelde zich nerveus worden. Straks wilde ze nog een of ander wedstrijdje doen ofzo. Hij was niet zo competitief ingesteld, of eigenlijk: helemaal niet. Hij voelde zich rot als hij van iemand verloor, maar ook als hij van iemand won. Hij raakte makkelijk in de war van mensen met scherpe tongen en had al op de basisschool geleerd wanneer de benen te nemen. Nu dus.

 

‘Okee, nou ik zie je wel weer he.’ De trilling in zijn stem deed Jacco blozen, maar de bulstronk leek het niet op te merken.

 

‘Niet als ik jou eerder zie,’ zei zij terwijl ze een ei in een pan gooide als een winnaar.