Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Sportschool

06-11-2014

Onder haar hoofd een lichaam.

Onder haar hoofd een lichaam.

/ /

06-11-2014

Mieke werkte nu sinds twee jaar in het hoge kantoor achter het station. Ze deed administratief werk, saai maar wel goedbetaald. Ze bouwde pensioen op en had ook een sportschoolabonnement van de zaak. Daar zou ze gebruik van kunnen maken, maar in praktijk rende ze liever door het park, dan dat ze ook nog tijdens het sporten met collega’s te maken had. Samen een lesje volgen, in de kleedkamer staan, laat staan de sauna… Sommige dingen hield Mieke liever gescheiden. De andere vrouwen op de afdeling gingen wel elke dinsdag en donderdag naar de sportschool. Ze volgden lessen met namen als BBB, Bodytone of Abmazing.

Steeds vaker gingen de gesprekken de volgende dag over de sportles van de avond daarvoor. En steeds vaker gingen de gesprekken tijdens de lunch over de les van die avond. Zo kwam het dat er op dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag over de sportschool gesproken werd, over de spierpijn, over de mensen die ze nu weer gezien hadden in de sportschool. Langzaam maar zeker was Mieke een buitenstaander geworden die geen idee had van de wereld van haar vrouwelijke collega’s.

‘Kom toch een keertje mee,’ had Sonja tijdens de lunch geopperd, nadat ze met de anderen ruim twintig minuten uitgebreid hadden gelachen om de blunder van Jeffrey op de sportschool. Hij was één van de instructeurs, wist Mieke inmiddels, haar collega’s kenden de namen van iedere instructeur. Ze hadden precies de namen die je zou verwachten bij het beroep van sportschoolinstructeur. Net zoals zij de naam droeg van een administratief medewerkster, bedacht Mieke somber.

‘Nee dankje, ik ga niet mee, het is niks voor mij, zo’n bedompte ruimte met apparaten enzo..’
‘Maar we doen ook een lesje,’ begon Sonja, ‘het is echt heel leuk en gezellig.’
‘En je kunt het ook wel gebruiken,’ viel Karin haar bij, ‘niet lullig bedoeld ofzo.’
‘Hoe bedoel je, ik kan het wel gebruiken?’
‘Nou, gewoon zoals iedereen van onze leeftijd… Een kleine lifting van je billen, iets meer gevormde armen, strakker buikje. Je kunt het wel gebruiken.’

‘Waar kan ik dat dan precies voor gebruiken?’

‘Je gaat lekkerder in je vel zitten, dat is wat Karin wil zeggen,’ probeerde Sonja de boel te sussen. Maar Karin liet zich niet graag sussen.
‘Nee, hoor ik bedoelde alleen te zeggen dat ze nu nog kan ingrijpen, maar straks is het te laat. Een zacht buikje wordt een buik, een zakkend kontje wordt twee lege kussenslopen en een ongetrainde arm een stuk stof aan een bot, weetjewel, zo’n flieber die beweegt wanneer je zwaait. Verder was het niet lullig bedoeld ofzo.’
Karin nam een slokje cola light. Sonja at hoofdschuddend de laatste happen van haar salade. Mieke staarde voor zich uit en sprak toen heel rustig tot Karin: ‘Wel fijn dat je het niet lullig bedoelde. En ook wel fijn dat je dat er voor de zekerheid nog even bij zei. Ik ga maar weer eens aan de slag.’

Na twee uur werken stond Mieke op om naar de wc te gaan. Ze droeg een strakke broek en een bloesje, kleding waar ze nooit lang over na dacht. Maar nu, nu voelde ze zich als een vervallen gebouw. Mooi in de jaren ’80 en ’90, nu wat gedateerd en spoedig een ware ruïne. Nog nooit eerder had ze op zo’n manier nagedacht over haar kont, haar buik, haar armen. En dit had Karin alleen nog maar gezegd op basis van Mieke’s uiterlijk op kantoor. Wat zou ze wel niet denken wanneer ze Mieke in de kleedkamer zou zien?

In de spiegel bij de toiletten bekeek Mieke zichzelf nog eens goed. Ze had mooi haar, een paar rimpels in haar gezicht, maar niks ernstigs. Beetje wallen onder haar ogen, maar goed, wie heeft dat niet als je Netflix hebt. En onder haar hoofd een lichaam. Gewoon een lichaam, het kon rennen door een park, fietsen en zwemmen. Het was best gezond. Alle gewrichten, banden en botten waren nog origineel.

Bij de koffiemachine stond haar collega Henk, hij werkte al twintig jaar bij het bedrijf. Hij was in gesprek met Tinus, een andere oudgediende. Tinus had een grote ronde buik die hij in bedwang hield met een overhemd en een riem. Tevreden klopte hij op zijn buik. ‘Ja, Henk, goed gereedschap moet je onder een afdakje hangen.’
De mannen lachten tevreden en spraken verder over een of andere voetbalwedstrijd waar Mieke alleen iets van had meegekregen door de ME busjes die de stad hadden belegerd gisteravond.

‘Ha Mieke, cappuccinootje voor jou doen?’
‘Doe maar zwarte koffie vandaag,’ zei Mieke.
‘Zwarte koffie? Wat is er aan de hand? Je bent toch niet aan de lijn hoop ik?’
‘Nee hoor, soms wil ik zwarte koffie. Maar even een vraagje, ga jij wel eens naar de sportschool?’
‘Waarom zou ik dat nou doen, haha de sportschool. Heb je soms te lang met dames lopen babbelen?’
‘Nou, ze vroegen of ik niet toch mee wilde…’
‘Dat heb jij toch helemaal niet nodig?’
‘Nou, als ik nu niet in actie kom, dan ben ik over een paar jaar misschien wel…’
‘Ben benieuwd wat er nou komme gaat,’ zei Tinus met een lach op zijn gezicht.
‘..helemaal uitgezakt en vadsig.’
Tinus en Henk keken elkaar aan en barstten in lachen uit. ‘Uitgezakt en vadsig!’ Hikte Tinus. ‘Dus dan wil je eigenlijk het beste van mij en van hem hebben!’
‘Haha, jij wilt zeker met die andere meiden een beetje gaan puffen voor de spiegel. Je hele week erop inrichten, alleen maar daarover lullen, je bent niet goed, hahaha!’

Mieke liep terug naar haar bureau. Halverwege stopte ze bij de werkplek van Karin. ‘Hoi, ik heb er net even over nagedacht en ik ga niet mee vanavond. Of morgenavond of wanneer dan ook. Het is niet lullig bedoeld ofzo, maar ik heb het niet nodig.’

Poster

22-10-2014

het gaat natuurlijk allemaal om de awareness

het gaat natuurlijk allemaal om de awareness

/ / /

22-10-2014

‘Mogen wij onze poster hier ophangen?’ De hese meisjesstem klinkt luid in de uitgestorven boekhandel waar ik werk. Of werk, de boekhandel waar ik zit, dat is een betere beschrijving van de situatie. De eerste maanden was het wel mijn werkplek, maar nu is de winkel eerder een wachtplek geworden. De schroeven van de kasten zijn allemaal aangedraaid, de planken afgestoft, het tapijt is vervangen, de kassa is nog van vroeger, maar zo schoon als die nu is, is hij nooit geweest. Alle boeken staan netjes gesorteerd op categorie en op alfabet. Zelfs het magazijn is netjes. De boeken en ik, we zijn er klaar voor en daarom zitten we nu te wachten. Wachten op de mens die niet online winkelt. Zo iemand die liever door de regen loopt en dan ook nog twee euro meer betaalt, gewoon omdat hij of zij denkt dat boekenwinkels moeten bestaan.

‘Sorry, wie is daar?’ Vraag ik, terwijl ik een geeuw probeer te onderdrukken. Het is half 12 ‘s morgens. We gaan om tien uur open, ik begin altijd met het lezen van alle kranten, en ik ben nu halverwege. Ik zit in de keuken, want daar heb ik een radio tegen de stilte. Zometeen ga ik een tosti maken, want het is woensdag. Op woensdag eet ik een tosti. Op donderdag soep. De andere dagen heb ik vrijgelaten om spontaan te kunnen zijn.

Met een zucht begeef ik me richting de deur van de winkel. Er staat een meisje bij de kassa, naast haar een jongen. Ze zijn midden twintig, dragen strakke spijkerbroeken, felgekleurde gympen en wijde t-shirts. Ze glimlachen naar me. Ze hebben goedzittend haar.

Geen kapsel, maar mensenhaar dat nonchalant goed zit.

‘Ik zal het even uitleggen,’ begint het meisje, ‘we hebben een mensenrechtenfestival georganiseerd. Nouja, niet wij alleen, maar wij hebben een stichting: Human Rights Now! En in samenwerking met een aantal andere platforms zoals Give a Fuck Now! en Do Drugs For Justice en een aantal denktanks organiseren we een driedaags festival. Dat is volgende maand, en nu hangen we dus posters op.’

‘Om de buzz een beetje te voeden.’ Vult de jongen haar aan.

‘Goh,’ zeg ik, terwijl ik me probeer te herinneren wat ze nou allemaal gezegd heeft, ‘drie dagen lang een mensenrechtenfestival. Wat gaan jullie doen dan?’

‘Nou, het gaat natuurlijk allemaal om de awareness,’ zegt het meisje, ‘want wat weten we nou helemaal van de situatie van anderen?’

‘Nou, ehm..’

‘Precies,’ haakt de jongen nu ook in, ‘we weten te weinig. Daarom dit festival, want onze generatie is niet zoals die van onze ouders. Wij hebben niet zoveel met demonstreren. Maar tegelijkertijd zien we wel zoveel meer beelden. Weetje, de wereld wordt steeds kleiner. Maar onze generatie wil daar ook iets mee. Wij laten onze stem dus horen, via Twitter bijvoorbeeld.’

‘Of met een festival met een hele positeve vibe, weetjewel,’ zegt het meisje nu. ‘Dus mogen we hier een poster op het raam hangen?’

‘Okee.’

De jongen neemt zijn rugtas af en pakt er een rol posters uit. Op de toonank rolt hij er eentje uit.

‘Mag ik hem eens zien?’ Vraag ik.

‘Tuurlijk, hij is echt vet,’ zegt de jongen of het meisje tevreden.

Een hoogglanzende kleurenfoto kijkt me aan. Twee naakte vrouwen die goud geverfd zijn zitten op een roze olifant. De achterste vrouw houdt de borsten van de voorste vrouw vast. Op de grond, naast de voet van de olifant zitten twee naakte mannen, eentje speelt een dwarsfluit. De ander heeft een banaan aan zijn oor alsof het een telefoon is. Links in beeld staat een brandende struik, de blaadjes zijn gemaakt van bankbiljetten. Rechtsachterin staat een kotsend skelet.

‘Mensenrechten, zei je toch?’

‘Ja, mensenrechten.’

‘Deze poster is niet echt ehm..’

‘Kijk, het festival gaat over mensenrechten. Maar dat kan natuurlijk niet op een poster. Dat verkoopt niet. Wij hebben met onze targetgroup gezeten en dit is het resultaat.’

‘Misschien ben ik dan niet jullie doelgroep,’ zeg ik voorzichtig, ‘ik geloof dat ik het niet zo tof vind.’

‘Heb je niet zoveel met mensenrechten?’ Vraagt het meisje ongelovig,‘Echt niet?’

‘Nou, ik heb niet zoveel met wat er op deze poster allemaal te zien is. Ik geloof eigenlijk niet dat het over mensenrechten gaat. Maar dat hebben jullie vast wel vaker gehoord?’

‘Er is wel wat ophef geweest, hier en daar’ zegt de jongen tevreden, ‘Maar ik denk altijd maar zo: zolang er over je geluld wordt, is het goed.’

‘Het is toch allemaal free publicity,’ zegt het meisje.

‘Daarbij vrijheid van meningsuiting is ook een mensenrecht,’ vult de jongen haar aan, terwijl hij stukjes plakband op de achterkant van de poster plakt. ‘Is op de deur goed?’

‘Nou, eigenlijk…’

‘Superbedankt dat je wilt meewerken, echt heel tof,’ valt het meisje me in de rede met een beeldschone glimlach op haar gezicht.

‘Misschien kom ik ook wel naar jullie festival,’ stamel ik onnozel, ‘mensenrechten zijn toch…’

Maar ze zijn al weg voordat mijn zin af is.

Hoopje

01-10-2014

Nee, dankjewel.

Nee, dankjewel.

/

01-10-2014

‘Heeft u alles kunnen vinden?’ Vraagt het meisje van de drogist aan me. Ik kijk naar de boodschappen in mijn mandje: een doosje paracetamol, wattenschijfjes en tandpasta.

‘Ja, dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn portemonnee pak.
‘Bent u bekend met het gebruik van dit geneesmiddel?’
‘Ja, dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn pinpas in het pinapparaat steek.
‘Heeft u misschien interesse in ons gezondheidsmagazine voor 1 euro?’
‘Nee, dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn pincode intoets.
‘Wilt u er een tasje omheen?’
‘Nee, dankjewel’ zeg ik terwijl ik mijn pinpas weer in mijn portemonnee steek. ‘Wilt u de bon?’
‘Nee dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn portemonnee en de spullen in mijn tas stop.
‘Tot ziens’ zegt het meisje van de drogist terwijl ze het mandje van de volgende klant aanneemt.
‘Dag.’

Ik wandel naar buiten en zet de tas naast me neer. Er lopen allerlei mensen voorbij. Grote, kleine, dikke, dunne, snelle, langzame, oude, jonge, mooie en lelijke. Mensen met haast, mensen die bellen, mensen met jengelende kinderen, mensen met kromgetrokken honden. De hemel is wollig grijs en er waait een licht briesje. Er rijden auto’s voorbij en ook fietsers, scooters en brommers. Een vrachtwagen zo nu en dan. Nooit een tank.

Adem in, adem uit. En nog eens en nog eens. Tot je ermee ophoudt. Adem in, adem uit.

‘Gaat het wel?’ Naast me staat nu een oudere heer met een hoed op. Echt een heer, zo weggelopen uit een foto van vroeger tijden. Er moet een moment zijn geweest waarop de andere heren van vroeger besloten om korte jassen te gaan dragen, hun hoeden weg te smijten en hun wandelstokken te vergeten in de kroeg. Niet deze heer. Hij houdt vol.

‘Het gaat wel,’ zeg ik.

‘U staat hier al een kwartier, wacht u ergens op?’

‘Dat vraag ik mij nou ook af. Maar ik begin te denken van niet.’

‘Van niet?’

‘Nee, dat er nergens op te wachten valt. Dit is het gewoon hè?’

Ik gebaar naar de straat, naar de ruimte om me heen, naar mijn tas waar de wattenschijfjes uitsteken en zucht dan diep. De heer kijkt fronsend mee.

‘Ja mevrouw, dit is het.’

‘En wat denkt u daar nou van?’

‘Ach mevrouw, wat maakt het uit. Noem het wat u wilt, maak het zo groot als u wilt, maar voor mijn part is het allemaal één grote vergissing, een misverstand, een droom, een gedachte, een hoopje geitenpoep, zo je wilt.’

‘Niet meer dan dat? Een mogelijke vergissing zelfs?’

De heer knikt weemoedig. En dan gaan we huiswaarts.

Test

20-09-2014

Ik wilde even testen hoe zelfredzaam je bent.

Ik wilde even testen hoe zelfredzaam je bent.

/ /

20-09-2014

Speurend liep Marie door haar straat. Een keurige straat in een keurige wijk. Alle huizen hadden een eigen oprit, een voortuintje, twee identieke planten in de vensterbank en iets decoratiefs op de voordeur hangen. Een krans, een lint met daaraan een houten hartje, een stukje wrakhout met daarop een spreuk in het Engels, een slinger van schelpjes of een een beest van stro en kippengaas. De stoep was extra breed zodat de bewoners hun fietsen in de nieuwe fietsenrekken konden parkeren. Veel fietsen hadden grote kratten aan het stuur en daarmee was het stallen een onhandig gedoe van geduw en getrek met fietsen geworden. Marie parkeerde haar fiets daarom meestal aan de zijkant van het huis. Op slot, maar nergens aan vast.

‘Je kunt niemand vertrouwen’ zei haar vriend Egon, ‘dus zet hem nu gewoon ergens aan vast. Als jouw fiets gestolen wordt, is het door je eigen luiheid. Je bent gewoon te lui om even moeite te doen.’

Vandaag kreeg Egon gelijk, haar fiets was weg. Marie opende de voordeur weer en kwam de woonkamer in. Daar zat Egon een krant te lezen op de bank. ‘Ik geloof dat mijn fiets gejat is.’ ‘Hmm’ zei Egon.

‘Ik doe wel online aangifte, dat kan vast, denk je niet?’ Egon bleef verscholen achter de krant.

Marie pakte haar laptop en zette hem aan op tafel. Het was een oud beestje, dat erg veel geluid produceerde en zeker tien minuten starttijd nodig had. ‘Koffie?’ vroeg ze nu aan Egon.

‘Lekker.’

Ze liep naar de keuken, en pakte twee kopjes uit de kast. Ze zette ze onder het apparaat. Terug in de woonkamer legde Egon de krant opzij.

Met een zucht zei hij: ‘Je hebt niet gekeken hè?’

‘Ik weet zeker dat ik hem bij het huis had neergezet. Zo gek, wie komt hier nou?’

‘Nee, dat bedoel ik niet. Ik heb het over de kopjes. Je hebt niet gekeken.’

‘Het zijn kopjes uit de kast, wat bedoel je precies?’

‘Je hebt niet ín de kopjes gekeken.’

‘Nee, maar ze waren leeg, en stonden in de kast. Wat is er nou?’

Egon lachte met een scheef mondje. ‘Het was een test. Ik had expres twee kopjes met koffieaanslag voorin de kast gezet. Ik wilde weten of jij wel checkt of alles schoon is voordat je het aan iemand voorzet. Nee dus.’

‘Jezus, dat slaat toch nergens op?’

‘Nou, kennelijk val je direct door de mand, dus ik sta er nog wel achter. Je ziet maar weer- zo lui als jij bent, dat is nergens goed voor.’

‘Ik kan er toch wel vanuit gaan dat een kopje uit de kast schoon is?’

‘Niet als jij de vaatwasser hebt uitgeruimd,’ zei Egon tevreden terwijl hij de krant weer opende.

Met een zucht ging Marie aan haar laptop zitten. Hoe kwam ze toch zo gemakzuchtig? Of was het misschien niet zo erg, kopjes met koffierestjes erin? Ze liet het maar gaan. Als je dingen niet kon laten gaan, wat voor leven had je dan?

Er was geen internetverbinding. Dat gebeurde normaal nooit. ‘Liefje, ik heb geen internet,’ zei Marie na een kwartier alle mogelijke instellingen te hebben doorlopen. Met een zucht legde Egon de krant weer naast zich neer. Met ferme pas liep hij naar de gangkast.

‘Zo,’ zei hij bij binnenkomst, ‘even de stekker in de modem en het gaat al een stuk beter.’

‘Was de stekker eruit? Waarom dan?’

‘Ik wilde even testen hoe zelfredzaam je bent. Niet zo, dus.’

Marie voelde een kleur op haar wangen verschijnen en balde haar vuisten. ‘Testen, testen, hoezo loop je mij te testen? Mijn fiets is net gejat en jij loopt mij te testen?’

‘We hebben het vaak genoeg gehad over die fiets. Als je zo’n mooie fiets niet goed vastzet, dan ben je hem kwijt. Het verbaast me eerlijk gezegd nogal dat het jou zo raakt, als je er zo mee omgesprongen bent.’

Marie was te kwaad om te spreken. Ze griste haar handtas van het aanrecht en liep de tuin in. Ze hadden een grote tuin waar een echte tuinarchitect een plan voor had bedacht. Het plan was dat er grind lag, en allerlei soorten rotsen en cactussen langs de kanten. ‘Lekker strak en geen onkruid’ had Egon gezegd. Marie had ook geen groene vingers, zij wilde alleen maar een hangmat hebben, maar dat paste niet in het ontwerp.

‘Het is hier geen Ibiza’ had de tuinarchitect gezegd. Hij had gelijk, het was hier geen Ibiza.

Marie ging zitten op een van de keitjes, en schudde met haar handtas. Ergens moest nog een pakje peuken zitten. Eigenlijk rookte ze niet, of in elk geval niet thuis. Daar hield Egon niet van. Maar ook al was hij nu thuis, hij zou het niet merken. Waarschijnlijk zat hij weer verzonken in de krant, hij was niet het type man dat je achterna zou komen lopen.

Marie vond het pakje, erin zat ook nog een aansteker met een witte kat erop. Geleend en nooit teruggegeven. Zo gingen die dingen toch? Of was ze weer te lui geweest? Een dievegge? Soms wist ze niet meer wat normaal gedrag was.

Ze rookte een sigaret en kalmeerde. Ze keek om zich heen, liep voor de verandering het tuinpad af. Dat deden ze nooit. Ze hadden geïnvesteerd in de tuin, dat zeiden ze tenminste op borrels. Maar waar het in praktijk op neer kwam, was dat ze hadden geïnvesteerd in een achtergrond van de woonkamer. Een soort decor waar ze nooit verder in liepen dan de eerste drie meter.

Achterin stond nog een deel van de vorige schutting. De tuinarchitect wilde het meenemen, maar Egon dacht dat ze er nog wel wat mee konden verdienen op Marktplaats. Tot dusver was dat niet gelukt, maar dat kwam volgens hem door de foto’s. Marie had beloofd een betere camera te lenen van een collega, maar was het tot nu toe steeds vergeten.

Misschien wilde ze het ook niet echt. Stomme schutting, stomme tuinarchitect. Het leek wel Bedrock hier. Marie bekeek de oude schuttingdelen nog eens goed, ze leken een beetje verschoven te zijn. Links zag ze iets gekleurds uitsteken. Haart hart maakte een sprongetje. Haar fietsbel! Een gestreepte fietsbel, gekregen van haar zus. Haar fiets was gewoon hier, niks gejat, niks geen aangifte. Een test, natuurlijk was het weer een test.

Met veel moeite verplaatste ze de schuttingdelen en bevrijdde haar fiets. Hij was nog helemaal in orde. Ze nam plaats op het zadel en fietste zo het grindpad af, terug richting het huis. Ze versnelde en versnelde en reed toen zo hard ze kon de woonkamer in. Helaas was de schuifdeur nog dicht.

‘Wat is er gebeurd?’ Vroeg de Eerste Hulparts terwijl hij Marie’s neus recht zette. ‘Het was een test’ zeiden Egon en Marie tegelijk.

Geweldig

17-08-2014

Heeft u wel eens stress?

Heeft u wel eens stress?

/ /

17-08-2014

‘Bent u ook zo geweldig?’ vraagt de vrouw op het bankje bij de bushalte aan de man naast haar. Het is zaterdag, half 9 in de ochtend. De straat is nog verlaten, straks openen alle koffiewinkels hun deuren en kruipen de stedelingen hun huizen uit. Maar voor nu is het stil, de laatste dronkenlappen zijn een halfuurtje eerder naar huis gegaan.

De vrouw ziet eruit als een ballerina van een jaar of vijftig. Ze is een beetje hoekig gebouwd, draagt haar haren in een hoge knot op haar hoofd, en heeft verder een strakke zwarte broek met een zwarte coltrui aan. Ook haar schoenen zijn zwart. Om al dit zwart te compenseren, draagt ze om haar schouders een felgekleurde sjaal. De man, een jaar of veertig misschien, ziet er vele malen onopvallender uit in zijn spijkerbroek met lichtblauw overhemd. Verstrooid kijkt hij opzij. Hij heeft geen idee wat ze heeft gezegd, er zat in elk geval weer die nare –g klank in, die hij op verre reizen wel eerder hoorde, maar in zijn eigen taal niet voorkomt. Hij zal de vrouw verontschuldigend antwoorden dat hij geen Nederlands spreekt, ze zal zich dan vast tot iemand anders wenden, hoewel er nu niemand anders is. Misschien heeft ze wel een telefoon bij zich, dan kan ze iemand bellen met die vraag met die klank. Maar voordat de man ook maar tot zijn antwoord komt, is de vrouw alweer verder aan het praten.

‘Want weet u, meneer. Iedereen in dit buurtje, is tegenwoordig maar zo geweldig. Ze kleden zich mooi aan, eten dingen die niet alleen gezond zijn, maar zelfs super en ze doen allemaal wat ze leuk vinden. Daar hebben ze dan hun baan van gemaakt. Van wat ze leuk vinden, hoort u mij- wat ze leuk vinden. Hun baan gemaakt. En dan lopen ze al bellend door de straten, met hun tasjes bungelend aan de andere arm- dat zijn de vrouwen tussen de 9 en de 50, en die horen dan bij van die kerels zich kleden alsof ze nog steeds 7 jaar oud zijn. Plat gympje, losse broek, vrolijk t-shirt erbij. U begrijpt waar ik naartoe wil denk ik? Het is allemaal zo geweldig, geweldig, geweldig. Ze kunnen ook alles. Ze kunnen alles- en ze kennen elkaar allemaal. Ge-wel-dig. Werkelijk formidabel. Maar wat ik steeds vaker denk, weet u wat ik steeds vaker denk?’

 

De vrouw kijkt de man vragend aan.

 

‘Sorry, I don’t speak Dutch’ zegt hij gegeneerd.

 

Even lijkt ze naar lucht te happen,
maar al snel herpakt ze zich.

 

‘Joh, it doesn’t matter- I speak Dutch so you can learn really easy from practice. Okay?’

 

Ze wacht niet op zijn antwoord en vervolgt haar uiteenzetting. ‘Maar wat ik nou denk als ik die ge-wel-dige mensen zo zie, waarom kijken ze nou zo serieus, zo gestresst? Zie jij ze lol hebben? En dan bedoel ik zonder drank of een pilletje in hun mik. Gewoon lol hebben, ik zie ze het niet doen. Alleen maar haast zie ik ze hebben, de hele dag door. Begrijp jij dat? Wat voor haast kunnen zij nou hebben? Ze hebben toch alles voor elkaar, ze hebben toch alles? Wat voor stress zouden zij in godsnaam hebben?’

 

Haar stem begint een beetje over te slaan, de man schuift nog een stukje meer van haar vandaan. Ze lijkt het niet te merken.

 

‘Heeft u wel eens stress? Stomme, vraag. Natuurlijk heeft u wel eens stress. U ziet er uit als een man die een baan heeft, een baan die niet is wat u leuk vindt, maar gewoon een baan. Am I right?’

 

‘Sorry?’ zegt de man voorzichtig.

 

‘Nou, weet je als ik zo naar jou kijk, dan denk ik: saaie vent misschien, maar daar hebben we nou wel iets aan. Jij lijkt me het type, hmm, stille held, degelijke huisvader, goede werknemer. Geen rottigheid en en vooral: geen ge-wel-dig-heid. Ik word doodziek van wat er van deze buurt geworden is. Met hun ruimteschip-kinderwagens en rosé op het terras. Bakje olijven, vier euro vijftig. Van de ratten besnuffeld zijn ze, allemaal!’

 

De bus komt de hoek om. De man laat haar voor gaan.

 

‘En ook nog eens een heer. Thank you,’ zegt ze tegen hem. Ze gaat bij de chauffeur zitten, de man kiest een plekje helemaal achterin. Hij kijkt naar buiten, en ziet de stille straten voorbij glijden. ‘Wat een provinciestad,’ denkt hij, ‘en wat een verschrikkelijke taal.’

 

Waarde

16-07-2014

Het was het niet waard.

Het was het niet waard.

/ /

16-07-2014

Anja keek naar de grond. In haar handen de krantjes die ze probeerde te verkopen, van elke twee euro die ze verdiende, mocht ze 90 cent zelf houden. Het was sinds vier maanden dat ze dit werk deed. De eerste maand was het ergste geweest, het staan, de gure wind, maar vooral de blikken. Gêne, de mensen voelden vooral veel gêne wanneer ze haar voorbij liepen. Ze keken haar niet aan, of alleen stiekem, heel vluchtig. Sommigen deden alsof ze aan het telefoneren waren, of op zoek naar iets, ergens heel diep in hun tassen. Kinderen staarden haar aan, pubers maakten grapjes.

Er waren ook mensen die een praatje met haar wilden maken, haar persoonlijk wilden leren kennen. Dat dacht ze eerst. Nu wist ze dat de naastenliefde van deze mensen voortkwam uit een onbedwingbare nieuwsgierigheid. Ze vertelde hen waar ze vandaan kwam, waar ze sliep, hoe het allemaal had kunnen gebeuren. Soms gaven de mensen haar dan een blikje cola. Lekker, maar wel slecht voor je tanden, dacht ze erbij. Haar tandarts deed alleen maar aan tandentrekken. Extractie, noemde hij dat.

Het levensverhaal dat ze met de mensen deelde was niet veel anders dan dat van haar vrienden van de straat. Maar voor de nieuwsgierige supermarktklanten was het buitengewoon exotisch, tragisch. Met een hart vol medeleven en een kar vol boodschappen liepen ze naar het parkeerterrein. Terwijl het verhaal voor Anja een andere vorm had gekregen. Het verhaal was geworden tot iets wat ze met zich meedroeg, maar niet van haarzelf was. Zijzelf was namelijk allang vertrokken. Die vrouw daar, bij de ingang van de supermarkt, die vrouw met dat pluizige haar, die vrouw in dat lila trainingsjackje, die vrouw was een restje. Anja was een restje geworden. Ze wisselde van standbeen. Nog zeven krantjes te gaan vandaag.

————————————————————————————————————————————————————————–
Maike deed haar sjaal om en bukte om de veters van haar dochter vast te maken. Vlinder was acht jaar, eigenlijk al een beetje te groot om haar veters te laten strikken. Maar ze was zo verdiept in het spelletje op haar Ipad, dat Maike besloot de strijd niet aan te gaan. Het was het niet waard.  Ze pakte de boodschappentassen, de lege flessen en dirigeerde haar dochter de voordeur uit. De ogen van het meisje bleven onafgebroken op het beeldscherm gericht. Maike liet haar in de auto stappen en leunde over haar heen om haar gordel om te doen.

‘Je zit voor mijn beeld, nu ben ik dood door jou’

Maike zweeg, het was het niet waard, ze moesten nog boodschappen doen. Ze startte de motor, langzaam reed de gezinswagen de woonwijk uit.

Er was zowaar plek vlakbij de ingang van de supermarkt. ‘Lieverd, doe je de Ipad nu even weg? We gaan boodschappen doen.’ Maike stiftte haar lippen in de spiegel van het zonneschermpje. Bij deze supermarkt kwam ze altijd bekenden tegen. ‘Ik blijf hier,’ kondigde Vlinder aan, ‘je hebt me net dood laten gaan, dus ik hoef niet meer mee.’ ‘Als je meegaat, mag je een toetje uitkiezen,’ zei Mayke nu, zich realiserend dat dat sowieso mocht, en dus niet genoeg zou zijn, ‘en een tijdschrift.’ Met een grote zucht legde Vlinder de Ipad naast zich neer. ‘Wat eten we vanavond?’ ‘Curry’ zei Mayke, ‘daar hou je toch zo van?’ ‘Ik heb meer zin in sushi’ zei Vlinder, terwijl ze naar de ingang huppelde.

Vlinder gedroeg zich boven verwachting, ze bracht de lege flessen weg, haalde nieuwe bananen en koos een toetje uit. Een familiebak Tiramisu, nogal veel voor hun gezin van drie, maar Maike liet het gaan, het was het niet waard. Een krijsend kind in de supermarkt, daar had ze nog veel minder zin in dan in het weggooien van een halve bak tiramisu.

Bij de tijdschriften kon Vlinder niet kiezen tussen de Donald Duck en iets voor meisjes die van paarden houden. ‘Maar papa vindt de Donald Duck ook heel leuk,’ zei ze, ‘Zullen we die voor papa kopen?’ Maike vond het lief dat haar dochter ook aan haar vader dacht en zei dat het goed was.

In de rij begon Vlinder zich te vervelen, ze hing aan de afscheidingshekjes en probeerde een koprol te maken. ‘Niet doen, straks bezeer je je nog’ zei een oudere dame tegen Vlinder. Die stak daarop haar tong uit. Maike deed alsof ze niks in de gaten had. Ze ging haar dag niet laten vergallen door één of ander bemoeizuchtig dametje.

Bijna buiten zag Maike de straatkrantverkoopster. ‘Zullen we een krantje kopen?’ zei ze tegen Vlinder. Die keek aandachtig naar de vrouw met de krantjes en zei toen beslist: ‘Nee.’ ‘Doe niet zo gek, we gaan nu gewoon een krantje kopen bij die mevrouw’ zei Maike, een beetje opgelaten, nu. ‘Ik vind haar haren niet mooi en haar kleren ook niet en het krantje is saai’ vulde haar dochter nu aan. De vrouw met de krantjes keek met lege ogen naar de grond. ‘Weetje wat mama doet? Mama geeft de mevrouw gewoon een beetje geld. Mama leest dat krantje eigenlijk ook nooit.’ Zenuwachtig opende Maike haar portemonne. Twintig cent aan kleingeld, een belediging zou dat zijn. Tien euro, twintig euro en vijftig euro in papier. Waar was dat vijfje nou gebleven? Waarschijnlijk aan Vlinder gegeven voor een ijsje, maar wisselgeld had ze niet gezien. Snel pakte ze het tientje uit haar portemonnee, ze probeerde het zo snel te geven dat Vlinder het niet zou zien. Maar ze zag het wel.

‘Ohoh! Mama! Je hebt die mevrouw tien euro gegeven!’ ‘Wees nou maar stil, we gaan naar de auto’ zei Maike. De straatkrantverkoopster stond nog even verloren bij de ingang. In haar ene hand het tientje, in de andere hand de stapel krantjes.

Eenmaal in de auto zei Vlinder: ‘Als zij tien mag, dan mag ik twintig.’ Ze pakte haar Ipad weer en speelde het spelletje met het geluid aan. Maike liet het maar gaan, het was het niet waard, vertelde ze zichzelf.

Toekomst

25-06-2014

Ze vragen niks, ze doen het gewoon.

Ze vragen niks, ze doen het gewoon.

/

25-06-2014

Jordi deed de deur open  van de slaapkamer van zijn zusje Lulu. Die zat daar op het tweepersoonsbed samen met haar beste vriendin Mimi. Het bed was bezaaid met tijdschriften en kleding. De televisie stond aan, maar de twee keken niet. Mimi was kleding aan het bekijken op haar Ipad en Lulu was een spelletje aan het spelen op haar telefoon.

 

‘Wat moet je?’  vroeg Lulu zonder op te kijken.

 

‘Mama vraagt welke pizza jullie willen.’

 

‘Tonno. Wij willen altijd tonno.’

 

‘Ja, wij willen altijd tonno,’ herhaalde Mimi zonder op te kijken.

 

Jordi haalde zijn schouders op en maakte aanstalten de kamer te verlaten. Toen draaide hij zich om en zei hij:

 

‘Weet je wat er gebeurt als je gewoon ergens een rij vormt met een groep mensen, zeg tien, vijftien man?’

 

‘Nou?’ Zei Lulu of Mimi.

 

‘Dan sluiten mensen gewoon aan. Ze vragen niks, ze doen het gewoon.’

 

‘Denk je?’  Zei Mimi.

 

‘Nee, dat is zo, ze hebben het wetenschappelijk onderzocht. Ze hebben het ergens in Amerika getest en er ontstond echt een rij.’

 

‘Bizar,’ zei Mimi. Nog steeds hield ze haar ogen strak op de Ipad gericht.

 

‘Ja.’

 

‘Jordi, doe je de deur achter je dicht?’ Zei Lulu nu met een vermoeide stem.

 

Hij deed de deur achter zich dicht en ging naar beneden. In de keuken vertelde hij zijn moeder dat de meisjes een pizza salami wilden. Altijd salami, voegde hij eraan toe.

 

Het vertrek van Jordi uit de kamer verlegde de aandacht van de meisjes naar de tv. Twee donkerbruin geverfde meisjes met neptieten vochten met elkaar in het bubbelbad van een villa waar ze met met tien anderen woonden in het kader van een sociaal experiment. Plukken haar vlogen alle kanten uit, maar het gaf niet, want het was toch nep.

 

‘Ik heb honger,’ zei Mimi terwijl ze geeuwde.

 

‘Ja, ik ook.’

 

‘Heb je eten in je kamer?’

 

‘Cornflakes.’

 

‘Heb je ook melk?’

 

‘Nee, alleen cornflakes.’

 

‘Okee.’

 

Ze aten cornflakes uit de doos. Op tv zat een gespierde jongen in een string op een olifant. Om hem heen de lokale bevolking van het tropisch oord waar hij naartoe was gegaan om zichzelf te vinden. De jongen zei later dat het een onvergetelijke ervaring was om bij een volk te zijn dat nog niet zo ver ontwikkeld was.

 

‘Kom, we maken een selfie,’ zei Lulu nu.

 

‘Niet teveel duckface he?’

 

‘Moet jij zeggen.’

 

‘Ik moet meer lippenstift,’ driftig graaide Mimi in haar grote leren tas.

 

‘Deze is beter.’

 

‘Okee, deze filter doen?’

 

‘Ja.’

De foto was nu een sfeervol plaatje in pasteltinten geworden.

Mimi pakte een potje nagellak uit haar tas. ‘Kijk, de nieuwe kleur van Chanel. Van mijn moeder gejat, merkt ze toch niet.’

‘Cool.’

‘Moet zondag weer mee naar mijn oma, mijn moeder appt me net,’ zei Mimi nu met een verveeld gezicht.

‘Weet je wat mijn oma altijd zegt? antwoordde Lulu, ‘Ze zegt: kinderen jullie zijn de toekomst. Wot de fak denk ik dan altijd- wat moet je daar nou mee?’

‘Ja, serieus wot de fak echt,’ zei Mimi nu ook terwijl ze haar nagels lakte.

 

Beneden klonk de deurbel.

 

‘Pizza’ zei Lulu.

‘Altijd tonno’ zei Mimi.

Tijdschrift

11-06-2014

Opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad.

Opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad.

/ / /

11-06-2014

Het gevoel van euforie over het feit dat ze een baan had gevonden, was groot geweest. Een baan, en dan ook nog bij één van de betere bladen. Ze waren het eerste met trends, baby’s van beroemdheden en allerlei soorten nieuws. Het blad was goed bevriend met een aantal luxe merken die zich uitsloofden met cadeautjes aan de redactieleden in ruil voor positieve stukken, de kasjmier trui die Mimi vandaag droeg als stille getuige. Ook mocht ze soms tripje maken naar verre oorden om iemand te interviewen of voor een fotoshoot. Een droombaan.

Vandaag deed ze weer een interview met twee jonge vrouwen voor de ‘upcoming and fabulous’ rubriek. Alle bijvoeglijk naamwoorden in het blad werden zoveel mogelijk in het Engels gebruikt. Ze hadden afgesproken in een klein koffiebarretje met mannen met baarden die filterkoffie inschonken met een ernst die het midden hield tussen lachwekkend en angstaanjagend.

Mimi dronk haar koffie en wachtte op de afspraak. Ze schreef de rubriek sinds vier maanden en nog nooit was de geïnterviewde op tijd geweest. Meestal kwamen ze tussen de 7 en 14 minuten te laat, een enkeling ruim een halfuur.

Twee meisjes kwamen nu binnen. De een klein en een beetje stevig, met een korte bloemetjesjurk en een grote bril. Naast haar een lange, model-achtige verschijning met een wit bloesje en een heel klein spijkerbroekje aan haar romp en wijde laarzen aan haar voeten. Ze dragen allebei felgekleurde dure designertassen die ze nonchalant aan hun linkerarm laten bungelen. In hun andere hand een mobiele telefoon of tablet, of iets anders plats en glimmends. Hoewel het maar een paar dagen zonnig is geweest, zijn ze allebei diep gebruind.

Mimi staat op en stelt zich aan de meisjes voor. Ze voelt zich klein en dik en onbelangrijk nu. De meisjes blijken de barjongen te kennen en nemen met hem rustig het weekend door. Ook bij hen zijn de bijvoeglijk naamwoorden voornamelijk in het Engels, met hier en daar een zelfbedacht woord of woorden die Mimi gewoon niet kent.

Ze gaan zitten. Het meisje in de bloemenjurk drinkt Duitse cola, het meisje in het spijkerbroekje drinkt tarwegrassap. Vers geslow-juiced, er gaan vijf volle handen gras in de machine.

‘Er staat gewoon heel superveel druk op de twintiger anno nu,’ zegt het meisje met de grote bril en bloemetjesjurk. ‘Klopt,’ zegt het meisje in het spijkerbroekje, ‘superveel druk’.

Met grote moeite glimlacht Mimi. ‘Toch is het jullie gelukt een modelabel, een magazine en een parfumlijn uit de grond te stampen?’

‘Ja, dat is heel gek eigenlijk, toen we begonnen hadden we echt niet het idee van: nu gaan we iets heel groots doen ofzo. Maar mensen vonden het tof wat wij deden, kennelijk.’

Mimi kijkt naar de meisjes, vrouwen eigenlijk, maar opgroeien is niet eenvoudig in de grote stad. Ook niet voor bijna-dertigers. Ze kijkt naar haar vragenlijstje. ‘Wat zijn de grootste opstakels die jullie hebben overwonnen?’

Deze vraag doet ze goed.

Met grote overgave geven ze een onvoorstelbaar saai en gedetailleerd verslag van de overtuigingskracht die ze nodig hadden bij hun eerste grote investeerder (de peetoom van de kleine) en hoe het verder ging met harde keuzes maken, tussen beige en gebroken wit, taupe en licht grijs. De kleuren van het nieuwe seizoen lagen in hun handen. Het was een superstressvol proces. En dat is het nog steeds, eigenlijk. Maar soms zien ze een meisje ergens op straat of in een club ofzo, en dan denken ze: die ziet er goed uit. Zul je altijd zien: zo’n meisje draagt dan één van hun creaties. Dat maakt het allemaal waard.

Ze praten nog zeker een kwartier door, maar Mimi denkt aan haar fiets die bij de fietsenmaker staat, tot hoelaat zou ze die nog kunnen halen? Ze denkt aan de pan die in de koelkast staat, met restjes curry van gisteravond. Die kan ze vanavond nog opeten. Geen boodschappen doen, fijn. Ze zucht, ze heeft eigenlijk helemaal geen zin in curry.

Het gepraat is opgehouden. Gelukkig heeft Mimi alles opgenomen met de ouderwetse dictafoon die op tafel ligt. Ze probeert zo neutraal mogelijk te kijken en stelt dan de laatste vraag van haar lijstje.

‘Wat zijn jullie tips voor de lezeressen die ook een bedrijfje willen beginnen?’

‘Doe wat je leuk vindt.’

Het meisje met het tarwegrassap knikt. Ze drinkt de bodem zorgvuldig leeg met haar rietje, prrrprrrr, klinkt het.

‘Veel dank voor jullie tijd,’ Mimi staat op en geeft ze een hand.

‘Kunnen we zelf de foto’s bij het artikel kiezen? Want dat zou ik wel fijn vinden.’ Zegt het dunne meisje nu.

‘De fotoredactie bepaalt welke foto’s erbij komen.’

‘Als ik het niet zelf kan bepalen, dan gaat het niet door,’ zegt het meisje met een hoog stemmetje. Er verschijnt een mierzoete glimlach op haar mond. ‘Snap je?’

‘Ik zal kijken wat ik kan doen.’ Mimi denkt aan de haaibaai van een fotoredacteur. Die gaat nooit akkoord met inspraak van derden. Mimi besluit het verzoek maar te vergeten. Iedereen vergeet wel eens wat en dit is wat ze vandaag vergeten is.

‘Superchill- nou, doei doei!’ Roepen de twee terwijl ze samen op de witte Vespa van hun bedrijf stappen, de kleine voor, de lange achter. Mimi pakt haar dictafoon en tas en wil naar buiten lopen, maar de barman roept haar terug. Of ze nog even de drankjes kan betalen- en de salades en broodjes die ze to go hebben meegenomen. ‘Ze zijn zeker vergeten af te rekenen’ zegt de baardman.

Iedereen vergeet wel eens wat, denkt Mimi. Zo zie je maar.

Leegte

05-06-2014

Het voelde alsof het allemaal niks met haar te maken had.

Het voelde alsof het allemaal niks met haar te maken had.

05-06-2014

Vertwijfeld keek Didi naar haar reflectie in de etalageruit van de dierenwinkel. Vroeger was ze mooi geweest, nu was ze redelijk knap. Ze was voorzichtig modieus gekleed, ze had een normaal postuur en tamelijk goed haar. Ze woonde in een middelgrote stad en was al zes jaar samen met haar vriend, een fijne man, die er goed uitzag. Gewoon goed. Ze woonden in een leuk jaren ’20 huisje met een erkertje en een tuin. De houten vloer en glas-in-lood schuifdeuren hadden haar hart sneller doen kloppen tijdens de bezichtiging.

Hij werkte fulltime op kantoor, zij vier dagen. Ze waren tamelijk jong en gezond. Er was aan niks een tekort. Er was aan niks een teveel. Soms was er even iets loos. Dan bleek de aannemer zijn werk niet netjes te hebben afgerond, dan bleek haar collega overspannen te zijn, dan bleek de belastingaanslag hoger dan verwacht.

Het voelde alleen alsof het allemaal niks met haar te maken had. Die vrouw daar in de etalageruit, de fijne lijntjes rond haar ogen, haar mond, de trenchcoat uit de uitverkoop van het dure warenhuis. De nagels die ongeduldig geknipt waren in plaats van gevijld. Een vrouw met potentie, maar hoelang blijft potentie bestaan, vroeg ze zich nu af. Hoelang voordat ze een vrouw met niet waargemaakte potentie zou zijn, misschien zelfs een vrouw zonder pretenties zou zijn? Lekker pretentieloos, zulk soort dingen zou men dan over haar zeggen. Als ze al over haar zouden spreken.

Ze had dorst, veel dorst. Of honger, dat kon ook, ze had alleen ontbeten, maar verder niks. Ze had plek bewaard voor slagroomtaart en knakworsten, haar nichtje werd namelijk zeven vandaag. Het kind van Didi’s broer, ze heette Marlotte. Dat van die naam was treurig, maar niks aan te doen. Ze had een hamster gekregen, in plaats van een broertje of zusje, wat ze eigenlijk had gevraagd. Ook dat was treurig, maar ook daar was niks aan te doen.

Didi zou een hamsterklimrek kopen of een bal waarin je de hamster kon stoppen zodat het beestje in totale paniek omringd door roze transparant plastic de hele kamer door kon rennen. Of een spiegeltje voor in de kooi zodat de hamster zou denken dat ze niet alleen was.

Vermoeid liep Didi de winkel in. Haar benen leken van lood, haar nek was stijf en in haar buik voelde ze een knoop.

Ze verkochten meer hamsteraccessoires dan ze verwachtte.

Holle boomstammen, wiebelbruggen, kasteeltjes, iglo’s, hemelbedjes, driewielers en een kookeiland behoorden tot de mogelijkheden. Na lang twijfelen kocht ze de funhouse: een plastic huisje met twee verdiepingen, drie kamers, een wit tuinhekje ervoor en ‘home sweet home’ boven de deurpost geschreven.

De jongen van de dierenwinkel was opgewekt, hij had net vier dozijn bevroren piepkuikens verkocht, zo vertelde hij. Didi knikte begripvol, rekende €18,95 af en vertrok. De dierenwinkel was niet ver van haar huis, onderweg kocht ze een krant.

Thuis zette ze thee, at ze een stuk ontbijtkoek en las ze de krant. Ze las over vrouwen die vermoord werden door mannen, door hun familie, door geestelijken, door wie er maar zin in had.
In het krantencommentaar las Didi dat de internationale verontwaardiging vrouwenrechten op de kaart zette. In de krant las ze dat vier ranzig uitziende radiomakers zich in een glazen gebouwtje op lieten sluiten tegen seksueel geweld. In de krant las ze nog meer over milieu, privacy, ministers en andere dingen die belangrijk waren en waar het slecht mee ging.

Ze legde de krant in de papierbak en stiftte haar lippen felrood. Ze pakte de autosleutels en vertrok naar de verjaardag van haar nichtje. Er zat niks anders op.

Quinoa

29-05-2014

Een goeie plek om in je eentje te eten.

Een goeie plek om in je eentje te eten.

29-05-2014

Het aantal uren in een dag is altijd gelijk, maar toch lijkt de tijd mij dagelijks in te halen. Ik zit in de stromende regen op de fiets en bedenk dat ik het nooit ga halen om thuis te koken voor de volgende afspraak. Mijn lichaam is een tempel, dat heb ik vandaag nog gelezen in een blad voor ‘de bezige stadsvrouw die wil leven in het nu’. Druipend van de regen stap ik de zaak binnen. Ik zeg ‘de zaak’ omdat het niet helemaal duidelijk is wat voor plek het eigenlijk is, op het raam staat in witte letters ‘Concept Store’. Het concept is dat alles heel duur is, Engelse namen heeft en er heel mooi uit ziet, maar niet te mooi: een beetje houtje-touwtje mooi. Dus met zogenaamd handgeschreven bordjes en houten kratten waar de producten in zitten. Je kunt hier repen chocolade kopen met gedroogde sprinkhaan erin, pakjes Japans vlees van koeien die alleen maar bier drinken en elke dag gemasseerd worden, sjaals van ecologisch katoen en mooie opschrijfboekjes. Ook is er een gedeelte interieurwinkel met grote metalen lampen, allerlei blikken trommels, en heel veel houten meubels waarvan de verf is afgebladderd. Dat hoort zo.

Daarachter zit het ‘work&eat’ gedeelte. Een goeie plek om in je eentje te eten, snel en gezond. Je betaalt wel 12 euro voor een kommetje linzen met spinazie, waarna je nog steeds hongerig bent, maar je bent in elk geval op een plek waar het gebeurt. Hier zitten de mensen die zich de creatieven noemen, hier zitten de mensen die niet meegaan in de maalstroom van de burgers. Geen vaste banen, werkplekken of suf geouwehoer bij het koffie-apparaat. Ik kijk om me heen, alle mensen zijn mooi, maar net als de meubels, opzettelijk een beetje lelijk. Gekke knotjes, grote brillen, woeste baarden, ouderwetse truien. Maar wel alleen maar mooie apparatuur, vet haar is één ding, maar een langzame computer is om gek van te worden.

Ik ga aan een wiebelig tafeltje in de hoek zitten. Het is rustig in de zaak, hier en daar zitten wat mensen achter hun laptops verscholen, uit de speakers klinkt Berlijnse fado-muziek. Het barmeisje is druk bezig met haar telefoon, maar na een kwartier komt ze mijn bestelling opnemen. Ik neem een verse gemberthee en de quinoasalade met halloumi. Dat wordt weer een week havermout aangelengd met water als ontbijt, reken ik in mijn hoofd uit.

Aan het tafeltje naast me is een Ken-achtige verschijning gaan zitten. Hij is lang, heeft brede kaken, een volle bos bruin haar, rechte witte tanden en een heel glad gezicht. Dat gladde gezicht is een zeldzaamheid hier, maar door de streepjestrui die hij draagt, weet iedereen: ook hij heeft het begrepen. Hij voelt mijn ogen, want ineens kijkt hij me aan en zegt hij: ‘Heb jij toevallig een Iphone oplader bij je?’ ‘Nee,’ zeg ik, ‘ik heb een Samsung, maar er is vast wel iemand met een Iphone hier.’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Ach, laat maar, ook wel rustig zonder telefoon.’ Met een verveeld gebaar legt hij zijn telefoon op de hoek van zijn tafeltje en pakt hij de menukaart.

Het eten wordt voor me neergezet, de keuken werkt kennelijk sneller dan de bar, want mijn thee ‘komt er zo aan’. Ik begin aan de salade, mijn lichaam is een tempel, ik probeer te voelen wat het allemaal voor goeds doet in mijn lijf. Ook dat stond in het blad voor de bezige stadsvrouw die wil leven in het nu.

De jongen kijkt vol misprijzen naar mijn bord.

 

‘Weet je wel wat je nu aan het doen bent?’

 

Hij wacht niet op een antwoord. ‘De boeren in Zuid-Amerika die dat al vijfhonderd jaar verbouwen hebben nu geen geld meer om het te eten, omdat het te duur is geworden door mensen zoals jij.’

‘Nou, ik denk dat deze plek het wel fairtrade..’ begin ik, maar hij valt me in de rede. ‘Staat dat ergens, op het menu of op een bordje ergens? Als het nergens staat, kun je daar niet vanuit gaan. Lekker makkelijk om dat wel te doen.’

‘Sorry, vind je het heel erg om me gewoon te laten eten? Ik geef 12 euro uit aan kommetje salade en ik had niet gevraagd om een bijgerecht van bemoeizucht.’

Zuchtend pakt hij zijn telefoon van tafel en houdt hem tegen zijn oor. ‘Dag moppie, hoe gaat het met je?’ Hij is even stil. ‘Natuurlijk wil ik dat voor je doen, moppie, geen probleem moppie.’ Hij is weer even stil, doet of hij aan het luisteren is. Hij kijkt schalks mijn richting uit. ‘Ik moet gaan, zie je straks, jij lekker ding.’ Hij legt de telefoon weer op tafel. ‘Mijn vriendin,’ zegt hij, ‘ze is topmodel, daarom zien we elkaar maar weinig, maar als we elkaar zien is het echt vuurwerk, als je begrijpt wat ik bedoel.’

‘Je telefoon was toch leeg? Volgens mij zat je gewoon nep te bellen.’ Ik schraap de laatste restjes quinoa op mijn lepel en eet het op. ‘Geeft niet hoor, ik hou wel van een beetje theater,’ zeg ik. De thee wordt nu pas neergezet, na het eten, maar dat scheelt dan weer een koffie.

‘Je weet helemaal niks van mij’ zegt de jongen nu. ‘Weet je wel wat voor toffe dingen ik allemaal doe?’ Ik haal mijn schouders op. ‘Nee.’ ‘Nou, superveel toffe dingen en ik organiseer feesten waar jij niet eens binnen zou mogen komen. Feesten waarvan je niet eens weet dat ze bestaan.’ ‘Zeker met je vriendinnetje en de Zuid-Amerikaanse boeren?’

‘Doe die fair soja skinny cinnamon sugarfree chai maar to go,’ zegt hij tegen het meisje achter de bar.

Hij went zich nu tot mij. ‘Je begrijpt er echt niks van.’

‘Klopt.’ zegt ik.

Baas

22-05-2014

Zijn empatisch vermogen roerde hem soms zelf tot tranen.

Zijn empatisch vermogen roerde hem soms zelf tot tranen.

/

22-05-2014

Maurits Rozenstruik wist niet veel van de wereld, maar dat hinderde maar weinigen, en op laatste plaats Maurits Rozenstruik zelf. Elke ochtend stond hij op in een uitstekend humeur, waarna hij als eerste zichzelf van top tot teen bewonderde in de spiegel bij de make-up tafel van zijn vrouw. Dat was geen overbodige luxe in haar geval, zo’n make-up tafel. Over zulk soort dingen zouden sommige mannen zich wat akelig voelen, een vrouw die veel opsmuk nodig heeft om toonbaar te worden, is immers niet bepaald statusverhogend. Maar Maurits zou Maurits niet zijn, als hij niet alleen maar aan zichzelf dacht en de buitenwereld slechts door een waas waarnam. Eigenlijk leefde hij in een continue staat van verblinding, veroorzaakt door zijn eigen schittering.

Maurits bekeek zichzelf van top tot teen, voor de spiegel hield hij altijd zijn buik in en spande hij zijn armspieren aan. Zijn witte huid was bezaaid met moedervlekken, wat hem in zijn jonge jaren de bijnaam dalmatiër had opgeleverd. Gelukkig was Maurits gezegend met een zeer gering geheugen en was het fenomeen van herinneringen die je achtervolgen hem compleet onbekend. Elke ochtend werd hij opnieuw geboren, begon hij met een schone lei. Dan pakte hij zijn potje haargel en bracht hij zijn haren in een model dat ongelofelijk hip was in het dorp waar hij was opgegroeid.

Inmiddels woonde hij in de stad en maakte hij carrière, met veel trots veranderde hij elke paar jaar de digitale handtekening onder zijn emails, inmiddels was hij manager facility services and hospitality. Onder zijn titel schreef  hij ook zijn werkdagen en zijn telefoonnummer. Van zijn vakantiegeld zou hij een tweede naam gaan kopen, dat zou de boel net wat extra cachet geven. Hij twijfelde nog tussen Napoleon en Julius.  Het moest eerst even besproken worden met zijn vrouw natuurlijk, als zij weer het vip-arrangement van Center Parcs zou bestellen, moest die naam een tijdje wachten. Misschien zou hij hem gewoon wel vast gaan gebruiken in zijn mails, wie zou daar nou achter komen?

Mijmerend over deze kwestie, kwam hij het kantoorgebouw binnen. Het pand was fonkelnieuw, het idee dat hij hier manager facility services and hospitality was, gaf hem soms kippenvel van plezier.

 

Het was de plek waar hij kon laten zien wie hij werkelijk was.

 

‘Maurits, goed dat je er bent’ zei de conciërge van het kantoorpand, ‘Kun je misschien straks even komen kijken naar de opstelling voor het symposium van morgen?’ Maurits knikte kort. Al die mensen die hij moest aansturen, waar zouden ze zijn zonder Maurits Rozenstruik? Hij las weleens artikelen in managementbladen, daarin stonden dan dingen als: ‘niemand is onmisbaar’, maar dan kenden ze hem nog niet.  ‘Ik kom zo bij je, ik heb eerst een boardmeeting te leiden,’ zei hij, zo nonchalant mogelijk. Dat hij deze zin nu kon uitspreken zonder overslaande stem, sterkte Maurits ongelofelijk in het gevoel dat hij bijzonder was. Een uitverkorene. Voordat hij wegliep draaide hij zich nog even om. ‘Trouwens, je stinkt naar zweet. Dat vind ik niet passend bij deze locatie.’

De presentatie die hij zou gaan geven was zijn grote trots. Nachtenlang had hij eraan gewerkt, maar met resultaat: nu hadden alle pagina’s in zijn powerpointpresentatie ook dezelfde achtergrond en kwamen de titels en punten er van alle kanten ingevlogen. Soms met een geluidseffectje erbij. Dit alles was uiteraard complementair aan de inhoud.

De zaal druppelde langzaam vol met de andere medewerkers van kantoor.

In hun ogen las hij ontzag, wat hij uiteraard goed kon begrijpen, zijn empatisch vermogen roerde hem soms zelf tot tranen. Maar daarvoor was er nu geen tijd.

‘Dames en heren,’ begon hij, ‘Vandaag is het begin van een nieuw tijdperk in dit bedrijf. Vergeet wat je dacht te weten over facility management of over hospitality. Vergeet wie je was, welke rol je speelde, wat er belangrijk was voor je. Vandaag toon ik de weg die we zijn ingeslagen en glorieuze toekomst die ons wacht.’

Hij nam een momentje stilte om alle aanwezigen één voor één indringend aan te kijken.

‘Zoals jullie weten, is er zonder wrijving geen glans mogelijk. En ik wil geen glanzende toekomst, maar een fonkelende toekomst!’ Een grote diamant kwam nu in beeld. ‘Ik zal maatregelen nemen die nodig zijn, ik ga niks uit de weg, botsingen zullen nodig zijn, maar deuken zal ik niet oplopen. Deze kruistocht is mijn lot, en ik zal het dragen als een man. Nee, niet als een man. Maar als de man die ik ben. Een zegen voor ons allemaal.’ Een glimlach verscheen nu op zijn gezicht. In de presentatie kwam nu het laatste plaatje tevoorschijn, onder begeleiding van het geluid van een raceauto. Het was de afbeelding van een snelweg. ‘My way or the highway!’ riep hij nu driemaal met zijn vuist gebald in de lucht.

De aanwezigen pinkten tranen weg van ontroering en klapten hun handen haast stuk in de staande ovatie die uren leek te duren. De secretaresse kwam zelfs zo enthousiast op hem afgerend dat ze pardoes de waterkaraf van tafel omstootte. Hij was drijfnat, maar het hinderde niet, niks hinderde hem op dit moment.

Plots voelde hij ruw geduw tegen zijn schouder, hij opende zijn ogen. Daar lag hij, thuis in bed, naast zijn vrouw. ‘Heb je nou alweer in bed gezeken?’ zei die.

Winnaar

07-05-2014

Ze kon hard rennen, fietsen, roeien, zwemmen, praten, lachen en drinken.

Ze kon hard rennen, fietsen, roeien, zwemmen, praten, lachen en drinken.

07-05-2014

Jacco was al een paar keer in het studentenhuis geweest, maar vandaag zat hij voor het eerst alleen aan de keukentafel. Zijn vriendin Marieke had college tot elf uur en hij was vrij. Omdat hij de slaap niet meer kon vatten, was hij toch maar opgestaan en zo zat hij nu in de keuken de krant te lezen. Hij was juist aan het sportkatern begonnen, toen een huisgenootje van Marieke binnenkwam.

Deze huisgenoot heette Elodie, een mooi elegante naam die al generaties in haar deftige familie werd doorgegeven. Helaas trouwde het frêle moedertje van Elodie een grofgebouwde bankier met erg dominante genen.  Zo kwam het dat Elodie ook wel de bulstronk werd genoemd, maar nooit in haar gezicht. In haar gezicht noemden ze haar ‘Elo’ en haar moeder zei ‘Dietje’.

Elo was een vrouw met status. Ze was president van haar studentenvereniging, voorzitter van een universiteitsgroep en huisoudste. Ze was groot, breedgeschouderd en tamelijk bierbuikig. Ze kon hard rennen, fietsen, roeien, zwemmen, praten, lachen en drinken. Ze had een schorre, lage stem en een grote bos krullen die haar ronde gezicht omlijstte.

‘Goedemorgen manneke!’

Zei ze terwijl ze neerplofte op de andere keukenstoel. Ze pakte het andere stuk van de krant en begon driftig te bladeren. Toen ze bij de kruiswoordpuzzel was aangekomen, pakte ze een pen uit de keukenla en begon ze te schrijven. Met een verbeten mond vulde ze de vakjes in razend tempo in. Zo nu en dan vloekte ze een beetje.

‘Wat ben je eigenlijk aan het doen?’ zei Jacco voorzichtig, hij was nog niet vergeten dat zij hem net manneke had genoemd, en hield rekening met ferme tik of een harde boer in zijn gezicht. Misschien was het wel een domme vraag, of zoiets.

 

‘Winnen. Ik ben eigenlijk altijd aan het winnen.’

 

‘Altijd?’

 

‘Ja, altijd. Anders zou ik toch niet zeggen: altijd.’

 

‘Dan bent je vast een heel gelukkig mens.’

 

‘Ja, dat klopt. Ik ben een heel gelukkig mens. Het gelukkigst van iedereen om precies te zijn. Het gelukkigst van alle mensen.’

 

‘Van alle mensen?’ vroeg Jacco ongeloving.

 

‘Ja, van alle mensen. Anders zou ik toch niet zeggen: van alle mensen.’ Ze legde de krant neer. ‘Of noem je mij nu een leugenaar?’

 

‘Nee,’ zei Jacco, ‘Dat zou ik nooit doen. Fijn dat je zo gelukkig bent. Fijn dat je altijd wint.’

 

‘Ik verlies ook weleens hoor,’ zei ze nu. ‘maar ik verlies dan zo goed, zó fucking goed, dat ik dan toch nog gewonnen heb.’

 

‘Je bent dus eigenlijk gewoon supergoed in alles?’

 

‘Nee, dat zeg ik niet. Ik win gewoon altijd.’

 

Jacco voelde zich nerveus worden. Straks wilde ze nog een of ander wedstrijdje doen ofzo. Hij was niet zo competitief ingesteld, of eigenlijk: helemaal niet. Hij voelde zich rot als hij van iemand verloor, maar ook als hij van iemand won. Hij raakte makkelijk in de war van mensen met scherpe tongen en had al op de basisschool geleerd wanneer de benen te nemen. Nu dus.

 

‘Okee, nou ik zie je wel weer he.’ De trilling in zijn stem deed Jacco blozen, maar de bulstronk leek het niet op te merken.

 

‘Niet als ik jou eerder zie,’ zei zij terwijl ze een ei in een pan gooide als een winnaar.

Wederhelft

02-05-2014

‘Een levende kat?’

‘Een levende kat?’

/ / /

02-05-2014

Een gewicht duwt op mijn borstkas. Ik lig in bed, het zal wel vroeg in de ochtend zijn. Ik weet dat ik wakker ben, maar probeer nog te doen alsof het niet zo is. Misschien kan ik dit vreemde gewicht wel in mijn droom plaatsen, zoals ik ook met de wekker kan. Soms is het vervelende gepiep een robot, soms een deurbel, soms een geluid waarvan de andere mensen in mijn droom zeggen dat ik het vooral moet negeren. Maar dit gewicht, dit zware gevoel op mijn borst, is nieuw voor me.  Er zit niks anders op: ik moet mijn ogen openen om te kijken wat er aan de hand is. Ik doe het heel langzaam, ik heb goedkope gordijnen, het felle licht zou me zo kunnen verblinden. Ik tel tot drie en open mijn ogen.

Twee gele ogen kijken terug.

Het zijn de ogen van een grote bruine gestreepte kat. Rustig kijkt het beest me aan, het maakt geen aanstalten mijn borst te verlaten, totdat ik rechtop ga zitten, met een klaaglijk mauwtje gaat het beest naast me in bed zitten. Ik hou wel van katten, maar ik heb er geen. Maar voordat ik verdere gedachten kan hebben over wie deze kat is en wie ik ben, heb ik koffie nodig. Ik trek mijn badjas aan en loop naar de keuken, de kat loopt mauwend mee.

Als mijn leven een film was, zou ik het beest een schoteltje melk geven, maar mijn leven is geen film en ik heb geen melk.

Dat is met een reden: een vriendin vertelde me dat melk alleen voor baby’s is en het lievelingsdrinken van kankercellen. Ik wist niet of het waar was, maar het klonk allemaal zo logisch dat ik stopte met het kopen van melk. Yoghurt en kaas koop ik nog wel, daar heeft ze niks over gezegd. Yoghurt en kaas lijkt me geen kattenvoer. En een vreemde kat in je huis is één ding, maar een vreemde kat met diarree is weer een heel nieuwe dimensie aan problemen waar ik nog niet klaar voor ben.

Als ik mijn koffie heb, bel ik mijn vriend. Bij alle problemen bel ik hem als eerste. Dat is soms wel vijf keer per dag, maar hij vindt het niet erg. Zo’n man is het. Hij heeft er waarschijnlijk al een halve dag op zitten, efficiënt ingedeeld met hardlopen, werken, koffie-afspraken en het maken van kapotte apparaten.

Soms introduceren mensen hun partner wel als hun betere helft. Bij mij is mijn wederhelft zoveel beter dat zelfs mijn vrienden hem als de betere helft zien. Als het uit zou gaan tussen ons, zitten al mijn vrienden in zijn team, denk ik. Behalve dan Maisy, maar zij heeft op Valentijnsdag haar huis in brand gestoken en zit nu op een gesloten afdeling. 

‘Dag lief, met mij.’

‘Jeetje, een telefoontje van jou en het is nog geen negen uur! Gaat het wel goed?’

‘Nou, het gaat wel goed,’ zeg ik, ‘maar er lag een kat in mijn bed vanmorgen.’

‘Een levende kat?’

‘Gelukkig wel ja. Maar ik vroeg me af, wat moet ik ermee doen? Ik denk dat’ie door het raam is binnengewandeld ofzo.’

‘Hoe ziet ie eruit?’

‘Bruin gestreept met gele ogen.’

‘Hmm, volgens mij is die van je overbuurvrouw.’

‘Heb ik een overbuurvrouw?’

‘Ja, laatst heb ik even met haar gesproken toen ik het oud papier weg deed. Weetjewel, die vrouw met die lange grijze haren. Ik zou hem gewoon naar haar toe brengen. Maar ik moet nu ophangen, ik ga zo boarden.’

‘Oh, shit- helemaal vergeten,’ zeg ik ‘Londen he?’

‘Frankfurt.’

‘Sorry, ik ben net wakker.’

‘Geeft niks, ik zie je morgen.’

We hangen op. Ik loop naar de kat en til het beest op. Het gaat zo makkelijk dat ik me afvraag of ik geen dierenarts had moeten worden, of kattenfluisteraar of zoiets.  Ik trek een paar slippers aan en doe de deur open. Plotseling spartelt de kat, met een klap valt de voordeur achter me dicht. Ik heb geen huissleutel, geen telefoon, geen geld. Alleen een kat die niet van mij is. Die ga ik eerst maar terugbrengen. Het huis van de overbuurvrouw blijkt een kattenluik te hebben, in een flits is het beest door het luik verdwenen.

Ik heb geen vrienden gemaakt in de buurt, geen buren met extra sleutels. Ik heb een vriend die in de lucht zit, hij heeft ook een sleutel. Op een kwartiertje lopen van mijn huis woont een vriendin van vroeger. In mijn badjas loop ik door de straten, er worden grapjes gemaakt door bouwvakkers, moeders houden hun kinderen angstvallig bij me vandaan. Morgen is hij er weer, mijn betere helft. 

Blind date

28-03-2014

Ik hou wel van vrouwen met humor.

Ik hou wel van vrouwen met humor.

/ / /

28-03-2014

Mooi opgemaakt zat Saskia in het café waar haar blind date zo zou komen. Het was een café waar ze heel vaak langs liep, maar nooit naar binnen zou gaan. Ze zou in elk geval geen bekenden tegenkomen. 

Ze was iets te vroeg en speelde daarom een spelletje op haar telefoon. 

‘Saskia?’

Ze keek op. Voor haar stond een kleine kale man met een donkerroze huid. Hij droeg een grote zwarte leren jas die zijn afhangende schouders accentueerde. Zijn bolle buik zat strak in zijn zwarte overhemd en de boel werd met moeite bijeen gehouden door de riem in zijn spijkerbroek.

Hoe hadden haar vrienden dit nu kunnen bedenken? Dit was toch niet haar marktwaarde? Of was het een grap? Dan wel een hele wrede, ook voor hem was het lullig.

 

‘Ik ben Johan’ begon de man.

 

Ze gaf hem een bemoedigend knikje.

 

Johan keek haar schaapachtig aan en zei toen: ‘Kom je hier wel vaker?’

 

‘Ja, ik heb hier wekelijks een blind date.’

 

‘Wekelijks?’

 

‘Ik maakte een grapje.’

 

‘Nou, dat is mooi, want ik hou wel van vrouwen met humor.’

 

‘Humor om om te lachen? Hou je daar wel van?’ Ze moest oppassen niet te sarcastisch te klinken.

 

‘Ja precies, ik zeg altijd maar zo: een dag niet gelachen is een dag niet geleefd.’

 

Ze wist het zeker, dit moest wel een grap zijn.

 

‘Wil je wat drinken?’

 

‘Doe mij maar een chocomel.’

 

Ze stond op en liep naar de bar. Daar pakte ze haar mobiel en smste ze haar vrienden die deze date hadden georganiseerd. ‘Grapje zeker?’

Al snel kwam er een antwoord. ‘Hij is de peetvader van onze kinderen, geef het nou een kans.’ Saskia bestelde de drankjes, weer kreeg ze een sms. ‘En daarbij, zoveel tijd heb je ook weer niet he?’ Ze smste terug. ‘De hele avond hoor.’ Weer piepte haar telefoon. ‘We bedoelen qua leeftijd. Je bent toch ook al 32, er is geen tijd meer om kritisch te zijn op uiterlijk.’ Met een klap zette de barman het glas wijn en de chocomel van Johan neer. In het glas van Johan zette hij een roze rietje. ‘Dat wordt dan 5,50, of zal ik even een bonnetje maken?’

 

‘Nee, alsjeblieft niet.’ Ze legde een tientje op de bar en liep terug naar het tafeltje.

 

Daar zat Johan  languit op zijn stoel terwijl hij zijn handen op zijn buik liet rusten.

 

‘Zo. Jij hebt ook niet achteraan gestaan toen de achterwerken werden uitgedeeld.’

 

‘Pardon?’

 

‘Grapje Mariska, humor is gewoon heel belangrijk voor me.’

 

‘Ik heet Saskia. Of was dat ook een grapje?’ Ze nam een grote slok wijn. 
  

 

‘Zo, drink je altijd in dat tempo?’

 

‘Nee.’

 

Johan trommelde met zijn linkerhand op de tafel. Met zijn rechterhand hield hij het glas vast. Hij dronk met veel geluid uit het rietje.

 

‘Drink je altijd chocomel?’

 

‘Meestal wel ja. Ik drink in elk geval nooit koffie of wijn. Heel soms een biertje. Met een borrel met collega’s ofzo. Ja, dan weleens een biertje. Meestal drink ik chocomel. Lekker in de zomer en in de winter. Warm en koud. Echt een heel goed drankje. Maar genoeg smalltalk, hoe kan zo’n mooie meid nou geen vent hebben?’

 

‘Ik ben de ware gewoon nog niet tegen gekomen, denk ik.’

 

‘Moet je nu niet het omgekeerde aan mij vragen?’

 

‘Het omgekeerde?’

 

‘Ja, hoe een man als ik nu nog vrijgezel kan zijn.’

 

‘Hoe kan een man als jij nog vrijgezel zijn?’

 

‘Ik ben te goed voor vrouwen. Ze worden altijd compleet afhankelijk van me. Ze koken voor me, doen mijn was, houden de tuin bij, en in bed… naja, alles doen ze. Ze klampen zich aan me vast, zijn bang dat ik ze verlaat. Je begrijpt: ik lig echt heel erg goed bij de vrouwtjes. Ik kan het ze niet kwalijk nemen, maar uiteindelijk heb ik toch ook mijn vrijheid nodig.’

 

Saskia knikte. Haar glas was bijna leeg.

 

Met een luide slurp dronk Johan zijn glas leeg. De belletjes chocomel die nog op de bodem van het glas lagen maakte hij kapot met met rietje. Hij legde drie losse euro’s op tafel.

 

‘Ik stap maar eens op.’

 

‘Ga je weg?’ Vroeg Saskia verbaasd. Was het niet aan haar geweest om snel op te stappen?

 

‘Ach Sas, je bent een lieve meid, maar ik voel gewoon geen klik. Ik zoek toch een vrouw die iets sensueler is. Je hebt ongetwijfeld andere kwaliteiten, zoals humor en andere dingen. Maar weetje, humor van een externe partij heb ik niet echt nodig in een relatie, ik ben zelf al grappig genoeg.’

Mager

07-03-2014

Zoiets zegt iets over je persoonlijkheid.

Zoiets zegt iets over je persoonlijkheid.

/ / /

07-03-2014

We keken naar de voorbijrennende kinderen die net een ijsje hadden gegeten. We keken naar de kinderen die hun ijsje lieten smelten tot over het hoorntje, tot over hun handen, tot over de mouwen van hun truitjes. We keken naar de oude dame die met muizenhapjes een bolletje perenijs aan het eten was. We keken naar de meisjes van de ijssalon die chagrijnig waren, maar daar geen tijd voor hadden.

Mijn vriendin Mara, of eigenlijk- mijn kennis Mara, mijn vriendin van vroeger, mijn oude klasgenoot, wist nu zeker wat voor man ze eigenlijk zocht en daarom zaten we hier, bij de ijssalon. Dit gesprek hadden we al vaker, veel vaker gevoerd. Mara was een ‘serial dater’ ofwel iemand die verslaafd was aan gekwetst worden. Alle aandacht die ze kon krijgen was welkom, ongeacht wie de persoon in kwestie was, ongeacht het soort aandacht. Vroeger stelde ze elke nieuwe man voor aan haar hele vriendenkring en aan haar ouders.

Dat was nu wel voorbij- die keer dat ze met een opgefokte bankier was verschenen was er één teveel geweest. Het probleem was niet dat hij alleen maar over geld sprak, commentaar gaf op het eten en coke snoof aan tafel. Dat soort dingen waren we wel gewend van Mara’s mannen. Het probleem was dat hij lingerie meenam van de vriendinnen van Mara. En niet alleen bij de vriendinnen, maar ook bij haar zussen en zelfs bij haar moeder bleek er ondergoed te missen. Het was ook haar moeder die het als eerste opmerkte. Zij was haar bh met extra kabels langs de voorkant kwijtgeraakt. Eeuwig zonde, ze voelde zich altijd zo lekker vrouwelijk met haar borsten als rollades ingepakt.

Sindsdien was Mara niet meer welkom met haar mannen. In tranen beloofde ze iedereen op zoek te gaan naar zichzelf, eerlijk te zijn over wat ze nu werkelijk zocht en nodig had, en nog meer van die dingen die ze in tijdschriften had gelezen. Dat was nu vier maanden geleden. Vandaag kwam ze met de uitslag van haar zelfonderzoek, had ze van tevoren aan de telefoon gezegd. 

Eerst kochten we ijs, ik bestelde twee bolletjes vanille in een bakje, waarop Mara me veelbetekenend aankeek. Zoiets zegt kennenlijk iets over je persoonlijkheid. Het zegt dat ik behoudend ben, een controlefreak, een perfectionist en mogelijk racistisch. Dat zei ze. Ik zei dat het betekende dat ik van vanille-ijs houd en niet van vieze handen en goedkope koekjes. Mara schudde haar hoofd en bestelde toen drie bolletjes ijs op een groot hoorntje. Ze nam chocolade, pistache en aardbei. Misschien had ze toch gelijk, dacht ik. Je moest wel gestoord zijn om zulke dingen op te eten. Maar ik zei niks. Met het eten van het ijs verbeterde de stemming weer een beetje, we gingen in de zon op een bankje zitten.

 

‘Okee, wat heb je ontdekt de afgelopen maanden?’

 

‘Nou, ik ben eruit wat ik nodig heb,’ zei Mara. ‘Wat ik zoek. De man die ik zoek is mager. Ja, ik zoek een magere man. Een hele magere, met van die jukbeenderen die uitsteken.’

 

‘Een magere man? Hoezo? Ik hou juist van mannen met een beetje vlees eraan. Niet dik ofzo, maar een stevige vent, een buikje vind ik niet erg. Dat kleedt ook af in bed, denk je niet?’

 

Ze nam nog een hapje. ‘Nou, dat kan misschien wel zijn, maar ik denk dat een hele magere het zal zijn voor mij.’

 

‘Het is wel lekker makkelijk zoeken naturlijk,’ zei ik. ‘Hup de kroeg door- op zoek naar een magere vent. Maar waarom per se heel mager? En is alleen op uiterlijk selecteren wel de beste manier? Niet dat ik er verstand van heb hoor. Maar heel mager?’

 

Nu zei ze een tijdje niks. Ik zei ook niks. 

 

 

‘Het klinkt een beetje gek misschien,’ begon ze, ‘maar het is om te wennen.’

 

‘Om te wennen?’

 

‘Ja, kijk- in het westen gaan de meeste mensen dood aan één of andere ziekte, of aan hun hart. Maar een magere man gaat niet dood aan zijn hart. Die gaat dood aan kanker.’

 

‘Nou, dat is niet gezegd toch- hij kan ook onder een auto komen, of een andere nare ziekte krijgen die alleen maar letters als naam heeft, of een domme hobby beginnen en van een berg vallen ofzo..’

 

‘Tuurlijk- maar dat is allemaal minder waarschijnlijk.’

 

Mara zuchtte heel diep.

 

‘Ik wil gewoon een man die er al een beetje uiziet alsof hij aan het einde is. Dan hoef ik er niet zo aan te wennen. Snap je?’

 

Ik keek naar de ouders van de kinderen met de ijsjes. Ze zagen er moe uit.

 

‘Snap je?’ Zei ze nog een keer.

 

‘Nee, natuurlijk niet.’

 

‘Jammer.’

 

‘Ja, jammer.’

Barista

20-02-2014

Zij moest dan glimlachen.

Zij moest dan glimlachen.

/ / /

20-02-2014

Het was de vijfendertigste dag dat het meisje in de koffiebar werkte. Haar baan heette vroeger koffiemeisje en tegenwoordig barista. Ze kon met schokkende bewegingen melk in een kopje doen zodat er een vormpje zichtbaar werd. Ze kon met cacao wolkjes in vormpjes uitstrooien en met een razend tempo alle mogelijk opties opratelen. Skinny, soja, extra hot, iced, met shot, double, mocca, caramel, creamed en nog dertien andere dingen.

Ze was goed in haar werk en nog mooi ook. Een combinatie die de vaste klanten beloonden met een fooi bij elke koffiebestelling die ze deden. Dat was dan twintig cent per bestelling, of iets dergelijks, maar dat weerhield de klanten in kwestie er niet van hun kleingeld met de nodige nadruk in het bakje te gooien. Met een veelbetekenend lachje keken ze haar dan aan, in hun pakken, in hun overhemden met patroontjes, met hun puntige schoenen. Sommigen droegen excentrieke brillen. Dat waren de motivators, personal coaches, trainers en b2b marketeers. Deze figuren lieten hun kaartjes achter als de stront van een toerist in India. 

Het was haar niet verteld de eerste dag dat ze hier kwam werken, maar er was een ongeschreven deal die bij dit werk hoorde. In ruil voor de paar euro fooi die ze dagelijks uit het oranje potje kon vissen, mochten de klanten in kwestie tegen haar praten, kletsen, ouwehoeren, de grootst mogelijke onzin uitkramen.

Zo was ze al meerdere malen uitgenodigd voor een workshop van één van de brillen. Een workshop waar ze in haar kracht zou leren staan. Normaal gesproken zou deze middag een honderdvijftig euro hebben gekost, maar voor een weekje gratis Latte Macchiato’s zou ze mee mogen doen. De andere bril beloofde haar vijftig procent korting op de cursus personal branding. Maar dan moest ze wel koffie komen zetten op de cursusmiddag zelf. Deze categorie mensen was erg, maar omdat ze eigenlijk tamelijk ongelukkig uit hun ogen keken en er een vrij grote voorspelbaarheid uitging van hun gedrag (het begon bijvoorbeeld altijd met een: ‘Weet je wat jij zou moeten doen?’) was ze er langzaam aan gewend geraakt.

De lastigste fooismijtertjes waren de dikke baasjes die een of ander handeltje hadden opgezet en nu als trotse haantjes door de straten liepen. Er waren dan twee scenario’s denkbaar. De eerste mogelijkheid was dat ze luid bellend binnenkwamen. Dan riepen ze hun bestelling heel vlug terwijl ze bleven telefoneren. Het wisselgeld werd gedropt in het fooienpotje omdat dat makkelijker was dan het weer op te bergen.

De tweede groep kwam binnen, keek op en was verbaasd zodra zij opmerkten dat ze te maken hadden met een mooie en bekwame barista. Daarop besloten zij dan het wisselgeld in het bakje te smijten met een begeleidende opmerking. ‘Zo, moppie das voor jou.’ Of: ‘Heb je lekker geslapen schat?’ of: ‘Je ziet er moe uit, drukke nacht gehad?’

Zij moest dan glimlachen, een leuke opmerking terug maken, maar nooit onbeleefd te zijn. Dat waren de regels, zo waren haar dagen. Tot deze dag.

Ondanks het weigeren van alle cursussen en workshops voelde ze zich anders vandaag.


Ze voelde zich langer, mooier, slimmer, krachtiger. En ook bozer, maar daarvan was ze zich nog niet bewust toen ze om zeven uur ‘s morgens het rolluik omhoog deed.

Om half acht verschenen de eerste klanten.

‘Dag schoonheid, hoe gaat het met jou?’ Vroeg de eerste man terwijl hij driftig over zijn telefoon aaide. ‘Goed hoor,’ zei ze op de automatische piloot. En weg was hij. Het leek een dag als de andere te worden. Maar toch was er iets anders. Bij elke fooi werd ze een klein beetje kwader. Het was bij de negende klant dat de eerste barsten in haar dienstverlenende instelling zichtbaar werden.

‘Doe maar extra heet, daar weet jij wel raad mee’ had de man gezegd. ‘Jazeker,’ had ze geantwoord, ‘maar weet u daar ook raad mee? Of gaat u nu met uw obese lijf in de auto zitten op weg naar uw kantoortuin, uw systeemplafond, uw werktoren, uw collega’s, uw afdeling, uw mailboxen, uw besprekingen, uw lunchpauze- allemaal niet zo heet?’ Verward had hij haar aangekeken. Hoofdschuddend pakte hij zijn beker koffie en al mompelend verliet hij het pand.

Hierna was ze gekalmeerd, voor een klant of vijf, zes. Toen kwam Richard binnen. Richard deed alsof de koffietent van hem was, en omdat hij er al langer kwam dan dat zij er werkte, was er weinig tegen in te brengen geweest. ‘Dag moppie…’ begon hij zijn bestelling. ‘Rot op met je moppie, noem je eigen moppie maar moppie, noem je hond moppie, maar moppie mij niet,’ zei ze afgemeten. Verbaasd keek Richard op. ‘Met het verkeerde been uit bed gestapt?’

‘Ha! Met het verkeerde been! Ja, dat moet haast wel, als ik geen moppie genoemd wil worden door willekeurige mannen.’ 

‘Willekeurige mannen? Ik ben toch geen willekeurige man? Ik kom hier elke dag.’

 ‘Maar dat maakt mij nog niet je moppie. Wat denk je nou?’

Richard werd rood, hij keek haar kwaad aan. ‘Ik laat me niet zo behandelen in mijn eigen koffietent.’ ‘Nee,’ zei ze ‘IK laat me niet zo behandelen in mijn eigen koffietent.’

‘Ik geef je verdomme elke dag fooi’ zei Richard.

‘Weet je wat je kunt doen met die fooi?’ Ze pakte het bakje en smeet de inhoud in zijn gezicht. De muntjes rinkelden op de tegelvloer. Rustig zette ze het kommetje weer terug op de bar. 

‘Takkewijf, hier ga je spijt van krijgen’ siste Richard terwijl hij naar de deur liep.

‘Dat zou me ernstig verbazen’ schreeuwde ze hem achterna.

Toen de deur dichtviel draaide ze het bordje om. De tent was weer gesloten voor vandaag. Best leuk, dat in je eigen kracht staan.

 

 

 

 

Vliegveld

15-01-2014

Van netwerken zou het vandaag niet komen.

Van netwerken zou het vandaag niet komen.

/ / /

15-01-2014

‘Mag ik u even storen?’

Voordat Tammo iets kon zeggen, zat de vrouw al naast hem, met haar laptop op haar schoot. ‘Wij doen onderzoek naar wat de bezoekers aan onze stad de afgelopen dagen hebben gedaan, hoeveel geld ze uit hebben gegeven, welk vervoer ze hebben gebruikt, dat soort dingen. We doen dat per gate, en vandaag interviewen we passagiers bij gate 67.’

Tammo was een paar dagen in een middelgrote Duitse stad geweest. Hij zou daar een congres hebben bijgewoond, maar het was hem niet helemaal gelukt. Hij was vier dagen geleden ‘s avonds laat in het zakenhotel aangekomen, in zijn beste kostuum, drie schone hemden en witte shirts in zijn koffer. Hij was naar zijn kamer gegaan, had wat uit de minibar gedronken, een handvol pinda’s gegeten, slechte tv gekeken.

De volgende ochtend begaf hij zich naar de ontbijtzaal. Er zaten nog wat andere mannen die op hem leken, maar Tammo was niet anders gewend, overal waar hij kwam ontmoette hij andere mannen in pakken. Straks bij het congres, zou hij ze wel ontmoeten, netwerken was een van zijn voornaamste kwaliteiten.

Maar van netwerken zou het vandaag niet komen. Tammo pelde net zijn gekookte eitje toen een stem vroeg: ‘Coffee or tea?’ Hij keek op, aan zijn tafel stond een Duitse serveerster in uniform met in elke hand een thermoskan. ‘Coffee or tea?’ herhaalde ze de vraag, maar Tammo kon zich niet langer bezig houden met futiliteiten als drinken, eten, praten.

Haar gezicht leek te schijnen als een zacht maanlicht. Haar postuur kwam hem voor als te kwetsbaar om zulke kannen te dragen. Haar ogen waren doorzichtig, haar lichte haren in een eenvoudig staartje gebonden. Ze stond daar nauwelijks te bestaan, klaar om te verdwijnen, op te lossen.

Ze schonk hem thee in en liep de andere tafels af. Als verlamd zat Tammo in zijn stoel. Hij probeerde haar na te kijken, maar had geen kracht zijn hoofd mee te laten draaien met haar bewegingen. Toen ging ze door de klapdeur naar de keuken. Tammo kon niet anders dan staren. De deur waar ze doorheen was gelopen met stapels vuile borden leek nog bij te komen van haar voorbijgaan.

Tammo keek op zijn horloge, met een taxi zou hij precies op tijd bij het conferentiecentrum zijn. Met de lift ging hij naar boven, eenmaal in zijn kamer haalde hij diep adem.

Het bed was al opgemaakt door een kamermeisje.

Hij poetste zijn tanden, trok zijn jas aan en pakte zijn tas.

Toen hij de sleutel pakte en daarmee de lichten in zijn kamer uitdeed, werden zijn knieën week. Zijn handen trilden, zweet brak hem uit. Snel stak hij de sleutel terug, het licht sprong aan. In de badkamer liet hij de koude kraan stromen, eerst over zijn polsen, daarna dronk hij wat en plenste hij het in zijn gezicht. De mouwen van zijn jas werden nat. In de spiegel keek hij naar de man met het natte gezicht. Het zei hem allemaal niks. Hij trok zijn jas uit en ging op de wc-pot zitten.  Waar was hij mee bezig?  Wat moest hij in deze stilte?

Tammo liep terug de kamer in. Zijn jas lag nog op de vloer in de badkamer. Hij trok zijn schoenen en colbert uit, deed zijn das af en ging op het bed zitten. De stilte verpletterde hem. Hij sloot zijn ogen en gleed weg.

Toen hij wakker werd, was het buiten al donker, het was half acht ‘s avonds. Hij had honger en dorst en geen idee waar hij was. Toen hij zijn tas op de grond zag staan, kwam het langzaam terug. Duitsland. Het congres. Dat is wat hij kwam doen. Hij stond op en ging naar de wc. Alle geluiden waren ongewoon luid. Op zijn sokken verliet hij de kamer en nam hij de lift naar het restaurant.

Een nors meisje stond bij de ingang van het restaurant. Tammo noemde zijn kamernummer en mocht plaats nemen aan de tafel voor twee in het midden van het restaurant. Hij bestelde kip met aardappels en rode kool, een karaf huiswijn en een cola.  Na het eten ging hij terug naar zijn kamer, in de lift zag hij dat hij geen schoenen aan had.

Die nacht kon hij niet slapen. 

Hij stond vroeg op, nam een douche en begaf zich naar de ontbijtzaal. Het was leeg, het meisje was er niet.

Ruim op tijd zat hij in de taxi naar het conferentiecentrum. Hij luisterde naar de lezingen, netwerkte, at een broodje en dineerde met de andere mannen in pakken. Hij merkte iets vreemds: hij stond er, maar hij was er niet. 

Het was al laat toen hij terugkeerde in zijn kamer. Uitgeput viel hij in slaap. De volgende dag was precies hetzelfde. Ze was er weer niet. Hij ontbeet in stilte, vertrok, netwerkte en keerde terug. Maar weer merkte hij: hij was er niet. 

De dag daarna vertrok hij na het ontbijt. Ze was er weer niet. Misschien had hij het zich allemaal verbeeld. Misschien had hij een beetje te hard gewerkt, misschien bestond zij niet eens, misschien bestond hij niet eens. In de taxi naar het vliegveld staarde hij naar buiten, hij zag de stad die hij geen moment had bezocht aan zich voorbij trekken.

Betalen, uitstappen, inchecken, douanes, wachtrijen, koffie halen. Het was hem allemaal zo bekend, dat hij nauwelijks het gevoel had wakker te zijn. En nu dus die enquête. Hij beantwoordde alle vragen gedwee. ‘Gaat het wel?’ vroeg de vrouw nu onderzoekend. Hij knikte, niet omdat het wel ging, maar omdat dat nu eenmaal het enige was wat hij kon doen. Zijn vlucht ging haast vertrekken, hij stond op en sloot aan in de rij, waar hij uiteen viel in duizend stukjes.

Kraambezoek

08-01-2014

Als ik jou was, zocht ik hulp.

Als ik jou was, zocht ik hulp.

/ / /

08-01-2014

‘Hij is prachtig.’ Doris keek vertwijfeld naar het donkerroze propje dat in haar handen was geduwd. Het was het kind van haar schoolvriendin Marie. Doris en Marie zagen elkaar een paar keer per jaar, het was een soort vriendschap gebaseerd op een gemeenschappelijk verleden. Nu dat verleden steeds langer geleden was en een kleiner deel uitmaakte van hun levens, werd het steeds lastiger vol te houden, maar er was onvoldoende reden de vriendschap actief te beeïndigen. En nu was Marie moeder geworden. Ze had het kind Marinus genoemd, vandaag was hij negen dagen oud.

 

Het kind maakte zachte knorgeluidjes, het zou Doris niks verbazen als het ook een krulstaartje zou hebben. Dat lag niet aan Marie, die mooi en elegant was, echt een verschijning vroeger. Het lag dus aan de vader van het kind, maar over zijn uiterlijk was weinig te zeggen. Ze hadden elkaar nooit ontmoet namelijk, hij en Doris niet, hij en Marie niet. Marie had vele liefdes gekend, maar uiteindelijk had ze elke man tot waanzin gedreven, weggejaagd. Nu ze 39 was geworden had ze een anonieme donor gezocht, en dit was het product van de onbekende hoogopgeleide blanke man van 1 meter 80 met donkerblond haar en grijze ogen.

 

Marie smeerde beschuit met muisjes en riep vanuit de keuken: ‘Ik moet je iets over Marinus vertellen’. Doris bereidde zich voor op een eindeloze uiteenzetting van de bevalling, ondersteund door foto –en filmmateriaal, een tweede relaas over de kraamhulp, de vroedvrouw en de huisarts, een derde relaas over het ritme van Marinus, de geluidjes, de poepjes, plasjes, krampjes, luchtjes, boertjes, snotjes, badjes, kleertjes en nog veel meer dingen die op –jes eindigden. Dan zou de tijd erop zitten en kon Doris vertrekken met zure melkvlekken op de schouder van haar zijden blouse.

 

Marie kwam terug met de bordjes, plofte neer op de bank en zei: ‘Hij is homo.’

 

‘Wie is er homo?’

 

‘Marinus.’

 

Doris keek naar de baby die in haar armen lag te slapen. ‘Ik heb er natuurlijk geen verstand van’ begon ze voorzichtig, ‘maar hij is nu negen dagen oud, is dat niet wat aan de vroege kant om homoseksualiteit vast te stellen?’

 

‘Sorry hoor- je bent er toch niet zo één he?’ Zei Marie op scherpe toon.

 

‘Hoe bedoel je, zo één?’

 

‘Nou, dat je denkt homoseksualiteit een keuze is, een soort hobby, een cultureel verschijnsel. Het is gewoon genetisch, dat wist je toch wel, hoop ik? Ik denk dat zijn vader homo is- en toen ik Marinus voor het eerst zag dacht ik meteen- ja hoor, precies zijn vader.’

‘Maar je hebt de vader toch nooit ontmoet?’

‘Nee, maar zoiets voelt een moeder aan, maar dat soort dingen, daar heb jij natuurlijk he-le-maal geen verstand van.’

Doris bekeek de baby nog eens goed. De baby sliep rustig door. ‘Marie, het kan heel goed dat hij homo is, maar denk je niet dat hij dat zelf aan de wereld moet vertellen?’

 

‘Jezus Doris, je weet ook echt geen bal van baby’s, hij kan nog lang niet praten!’

 

‘Dat snap ik, maar denk je niet dat het beter zou zijn als je hem de tijd gunt zich te ontwikkelen en dan tot een eventuele coming-out te komen?’

 

‘Nee,’ zei Marie terwijl ze de baby uit de armen van Doris pakte. ‘Nee. En weet je waarom niet? Ik wil dat mijn kind nergens ‘out’ hoeft te stappen. Hij is vanaf het begin gewoon ‘in’ en of dat homo is of niet, ‘outen’ is niet nodig.’

 

‘En als hij dan gaat aankondigen dat hij hetero is? Is dat dan een coming in?’

 

‘Nee, natuurlijk niet. Hij blijft altijd in.’

 

‘Okee- dat lijkt me goed, altijd in…Maar toch, is het niet..’

 

‘Jemig Doris, dat had ik echt niet van jou verwacht! Waarom wil je mijn kind zo graag  in een hokje plaatsen? Hij is negen dagen oud, moet hij nu al passen in een plaatje?’

 

‘Nee Marie, natuurlijk niet.’

 

Snel nam Doris een grote hap uit het beschuitje. En nog een en nog een.

 

‘Zo laat alweer?’ Doris keek op haar horloge. Terwijl ze dat deed, realiseerde ze zich dat ze al jaren geen horloge meer droeg, maar ze zette dapper door, pakte haar tas van de grond en gaf Marie snel een kus op de wang. ‘Nou, het was me een waar genoegen, tot snel maar weer.’

 

Marie keek Doris vuil aan en zei: ‘Als ik jou was, zocht ik hulp.’

 

‘Pardon?’

 

‘Nou, die homofobie van jou, dat kan echt niet meer in deze tijd.’ De baby werd nu wakker en keek naar zijn moeder. Hij leek werkelijk veel op een big. 

 

‘Okee, Marie, we hebben het er nog wel over. Misschien ben je nog een beetje in de war door de hormomen ofzo…’ Doris liep naar de gang.

 

‘Takkewijf! Je komt er niet meer in!’ riep Marie haar na.

 

Zingend zat Doris op de fiets naar huis. Het laatste duwtje was gegeven, Marie was uit haar leven. Ze mocht Marinus nu al, homo of niet.

Parijs

05-01-2014

Misschien was het vroeger beter.

Misschien was het vroeger beter.

/ / /

05-01-2014

Metrostation Châtelet, zondagochtend 10 november, 11 uur.

Het waait over het perron, het ruikt zoals Parijse metrostations nu eenmaal ruiken. Muf, smerig, naar industrie, naar mens. Het is bij vlagen warm en koud. 

Langs de muur is een betonnen rand gemaakt, een plek waar zwervers gebruik van maken. Vandaag ligt er maar eentje, in zijn slaapzak. Aan de wanden hangen grote posters van films en evenementen in de stad, en afbeeldingen van verre paradijselijke bestemmingen. Allemaal zaken waar de man in de slaapzak geen geld voor zal hebben. Misschien vroeger. Misschien niet. Misschien was het vroeger beter voor hem. Slechter is moeilijk voor te stellen.

Alles aan hem is smerig, zijn spullen, in een berg plastic tasjes naast hem, zijn baard, zijn muts, zijn lange haren. Zijn gezicht is grauw en zijn vingers zijn haast zwart.

De metro komt over drie minuten en zal ons naar het Gare du Nord brengen. Daar hebben we nog tijd om koffie te drinken, wat tijdschriften te kopen, nog een croissant misschien. In de trein eten we dan eerst, om wat door de tijdschriften te bladeren, het lezen uit te stellen tot later en dan even de ogen te sluiten. Want het zijn toch altijd veel indrukken, op zo’n stedentrip. We kennen de stad steeds een beetje beter, maar ontdekken elke keer iets nieuws. We hebben onze carnets precies opgemaakt.

 

De man hoest. Hij rochelt. Hij kermt.

 

We praten over wat we volgend jaar echt moeten gaan doen. Soms staan de openingstijden verkeerd op de website van een instelling. Zul je altijd zien. Vroeg opgestaan, dichte deur.

 

De man begint te roepen.

 

We spreken erg weinig Frans, maar dit jaar leek het best goed te gaan. Maar twee keer werd er Engels terug gesproken.

Wat een geluk.

Alleen dat goedkope toeristenrestaurant, dat hadden we niet mogen doen. We weten beter dan dat. Nu echt.

 

De man huilt met uithalen.

 

Het leven is hier zo anders, hoe zou het zijn hier te werken, te wonen? Parijzenaars staan niet echt bekend om hun toegankelijkheid. Hoewel, bij internationale bedrijven ontstaat er toch vaak zo’n vriendenkring van expats?

 

Het lichaam van de man begint te schokken. Als een rups beweegt hij zich op de betonnen rand. Hij huilt niet meer.

 

Een vrouw met een tweelingwandelwagen komt voorbij. De babies zijn hetzelfde gekleed, in lichtroze skipakken met witte mutsjes. Wat een gedoe moet dat zijn, met een tweelingwagen door het Parijse metrostelsel. In Londen is dat beter geregeld. Daar hadden ze zoveel invalide oorlogsveteranen dat de stad werd aangepast. Dat zeggen ze.

 

De man hoest proppen bruin slijm op, hij veegt ze af met de mouw van zijn vale houthakkershemd.

 

Stel je voor dat je miljonair bent, dan kun je gewoon die jas kopen die we in de etalage zagen. Prachtig was die, maar 5600 euro, wie heeft dat nou over voor een jas? Misschien maakt de H&M wel een kopie binnenkort.

 

De man braakt op de grond. Het kletst in een grote plas naast hem, een deel spat omhoog op zijn slaapzak en gezicht.

 

De metro laat wel op zich wachten, zeg. Maar goed dat we er extra veel tijd voor hebben uitgetrokken. Je verkijkt je makkelijk op zulke dingen. We komen ook uit zo’n klein landje, we zijn echte afstanden niet gewend. Nog 1 minuut zegt het bord nu. Het perron is volgelopen met mensen.

 

De man ligt op zijn zij, hij ligt in foetushouding met zijn rug naar het spoor gekeerd. De slaapzak heeft hij uitgeschopt. Alleen zijn voeten zitten er nog in. Zijn spijkerbroek is net zo vuil als de rest van zijn kleding.

 

Het is echt een mooi boek dat je kocht in die museumwinkel. Misschien had ik het ook moeten doen. Hoewel ik natuurlijk al iets soortgelijks heb. Och, anders gewoon volgende keer. Zelfde tijd van het jaar?

 

De man krimpt ineen en schreeuwt kort, een rauwe kreet, alsof hij in barenspijn verkeert. Een vlek verschijnt op zijn spijkerbroek. Donderrood, dan lichtbruin. De stof raakt verzadigd en laat alles door. Op het muurtje, op zijn rug, op de grond, overal ligt het.

 

Daar is de trein dan eindelijk, de stank is werkelijk niet te harden. Tsja, wereldsteden, die zijn nu eenmaal hard. Nu maar hopen dat we geen vertraging hebben zometeen.

 

De man stuiptrekt in de smurrie.

 

Het waarschuwingssignaal klinkt. Het past maar net, wat reizen er toch veel mensen met de metro. We houden onze handtassen goed tegen ons aangedrukt, je weet maar nooit.

 

De man is opgehouden met bewegen.

Wiener Melange

02-01-2014

Ze had geen idee wat te doen.

Ze had geen idee wat te doen.

/ /

02-01-2014

‘Kun je zo even op mijn kantoor komen?’ had de directeur gevraagd. Annie had geknikt, terwijl haar collega Karin aan het bureau tegenover haar veelbetekenend met haar ogen had gerold. Dat met die ogen deed Karin wel vaker, en Annie’s ervaring was dat het slechts zelden werkelijk veel betekenend was. Het was eerder een gewoonte die Karin in haar pubertijd had aangenomen, misschien wel eerder nog, en waar ze nooit mee opgehouden was. Ze scheelden maar weinig, zij en Karin. In leeftijd, lengte en gewicht. Ze hadden ook dezelfde baan, tas en laarzen. Dat van die baan en tas was toeval geweest, dat van die laarzen niet. Ze waren beiden gezegend met een goed stel Hollandse kuiten, kuiten van vrouwen die hard konden fietsen, kinderen baarden op het land, koeien konden melken. Dat soort kuiten, hoewel die van hen eerder een combinatie waren van genetica en Netflix. Hoe dan ook, het is niet eenvoudig om laarzen te vinden voor zulke kuiten. En als ze dan gevonden waren, werd het gedeeld met andere grootkuitige vrouwen. 

Schoorvoetend stond Annie op, de directeur was meestal tamelijk vriendelijk, maar op de een of andere manier voelde ze zich vandaag toch wat geïntimideerd. De directeur heette Hans, maar niemand gebruikte zijn naam, ook zijn eigen vrouw niet. Iedereen noemde hem meneer Feenstra. Hij noemde mensen afwisselend bij hun voornaam en achternaam, in een soort continue spel van aai-poesje-aai-poesje-rotkat, dat hij speelde. Hij had een ruime kamer met een wand van boekenkasten die waren gevuld met boeken van de vorige huurder van het kantoor. Zelf verspilde meneer Feenstra geen tijd aan zulke fratsen.

Annie slofte over de gang.

Deze dag leek niet veel goeds te beloven.

Ze voelde ze zich als een kind op weg naar het hoofd van de school, hoewel dat geen ervaring uit eerste hand was. Snel streek ze haar spijkerrok nog recht. Ze klopte op de deur. Er kwam geen antwoord van de andere kant en Annie besloot nogmaals te kloppen. Het bleef stil. Ongeduldig klopte ze nog eens. Het was half 11 en normaal gesproken zou ze nu met Karin een Wiener Melange uit het koffie-apparaat halen, een paar websites en het weekend doornemen. Ze had een leuke roddel gehoord over een gemeenschappelijke kennis, en was geïrriteerd bij de gedachte dat haar koffiepauze nu door haar baas werd verpest. Met een zwiep gooide ze de deur open.

‘Ik moet nu ophangen, ik heb ineens iemand in mijn kantoor staan’ zei haar baas aan de telefoon terwijl hij haar strak aankeek. Met een klap hing hij op. Annie frummelde wat met haar handen. ‘Dag meneer Feenstra, u wilde mij spreken?’

 

‘Doe de deur maar even dicht en ga zitten.’

 

‘Weet je waarom ik even met je wil praten Annie?’

 

‘Nee.’

 

‘Ik zal dan maar meteen met de deur in huis vallen. Het gaat om je koffiegebruik.’

 

‘Mijn koffiegebruik?’

 

‘Ja.’

 

‘Ik begrijp niet zo goed wat u bedoelt meneer Feenstra,’ stamelde Annie.

 

‘Welke koffie drinkt u hier?’

 

‘Gewoon, die uit het apparaat op de gang.’

 

‘Nee, niet gewoon.’

 

‘Hoe bedoelt u, niet gewoon?’

 

De directeur zuchtte diep en stond op. ‘Kom, mevrouw De Vries, ik zal het probleem even duiden.’

 

Met bonzend hart liep ze achter hem aan. Ze had geen verstand van gesprekken met bazen, maar problemen waren nooit goed.

 

Ze hielden stil voor het koffie-apparaat.

 

‘Goed, mevrouw De Vries, toont u nu eens wat u zou doen als ik hier gestaan had.’

 

‘Hoe bedoelt u?’

 

‘Nou, hoe haalt u koffie uit dit apparaat?’

 

‘Ik druk op het knopje?’

 

‘U drukt op het knopje?’

 

‘Ja.’

 

‘Drukt u maar op het knopje dan.’

 

Met bevende vinger ging ze naar het knopje voor Wiener Melange en drukte het in.

 

‘HA! ZIE JE WEL! IK WIST HET!’ Schreeuwde haar baas terwijl het apparaat begon te pruttelen en te loeien.

 

‘Wat bedoelt u?’

 

‘Mevrouw De Vries, ik hoop dat u begrijpt dat het niet de bedoeling is dat u op deze manier te werk gaat?’

 

Met zijn hand pakte de directeur de wijsvinger van Annie en sleepte hem mee naar de knop waar ze zojuist op had gedrukt, en toen iets hoger.

 

‘Kun jij lezen, Annie?’

 

‘Ja, meneer.’

 

‘Wat staat daar dan?’

 

‘Luxe koffieproducten, meneer.’

 

‘Inderdaad, Annie. Luxe koffieproducten. En vind jij dat iets voor de doordeweekse ochtend, Annie?’

 

‘Nou, ik-‘

 

‘VINDEN WIJ DAT IETS VOOR DE DOORDEWEEKSE OCHTEND, ANNIE?’

 

‘Nee, meneer.’

 

Hij liet haar hand los. ‘Goed, zo. En kijk niet zo beteuterd. We zijn immers een respectabel bedrijf en wij drinken koffie. Gewone koffie, in drie sterktes, met of zonder suiker en melk. Kun jij uitrekenen hoeveel soorten koffie dat dan zijn?’

 

‘Nee, meneer.’

 

‘Ik ook niet, maar het is meer dan dat er dagen in een week zijn.’

 

‘Goed meneer.’

 

‘Fijn. Ik wist dat ik op je medewerking kon rekenen, Annie.’

 

Met grote passen liep de directeur terug naar zijn kamer. Onder het koffie-apparaat stond de Wiener Melange af te koelen. Sip keek Annie naar het bekertje. Ze had geen idee wat te doen.