Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Je suis Charlie

07-01-2015

07-01-2015

Het is nog middag maar buiten is het al donker
Ik denk aan de drie schutters van deze dag
En ik vraag me af: wat zouden ze aan het doen zijn

Nu de nabestaanden versplinterd zijn van verdriet
Ouders hun kinderen moeten begraven
En kinderen hun ouders

Een gewone woensdag in januari
Met cornflakes in de ochtend
Zij die wisten wat deze dag zou brengen
Gaven hun geliefde nadrukkelijk een kus
Zij die van niks wisten
Haastten zich naar hun einde

Ik denk aan de drie schutters
Geven ze elkaar een voorzichtige high five
Rijden ze volgens de regels van het verkeer
in een camionette ergens aan de grens

Zijn ze trots
Hebben hun vrienden smsjes gestuurd
Heffen ze het glas
Maar dan met thee erin
Geschonken door een gesluierde vrouw
Of toch een blikje cola
Voor de smaak.

Kapper

14-03-2013

Ik wilde niet vallen met kniebeschermers. Ik wilde bloeden.

Ik wilde niet vallen met kniebeschermers. Ik wilde bloeden.

/ /

14-03-2013

‘Wat voor werk doe je?’ 

Normaal gesproken kwam het nooit tot dit punt bij de kapper omdat ik altijd deed alsof ik doofstom was. Helaas werd ik ditmaal gebeld tijdens het wachten op mijn beurt, wat me erg stoorde omdat ik het ‘real life verhaal’ over een doodnormaal meisje dat ‘s nachts sm-meesteres was, nog niet uit had. Aan de telefoon een dame die wilde weten wat ik van het proefabonnement had gevonden. Ik dacht aan de stapel opiniebladen die nog in het plastic naast mijn bed lag en begreep dat dat was waar de vrouw op doelde. Het was geen bijzonder lang gesprek en ik denk dat het voor beide partijen weinig bevredigend was. Gelukkig kon ik ophangen met de woorden ‘sorry, mijn kapper staat voor me, ik moet nu gaan.’ Nadeel was dus de situatie van een gesprek met de kapster.

Ze was een mooie vrouw, mijn kapster. Lekker bruin, een romig figuur, lang geblondeerd haar met krullen. Ze was helemaal in het zwart gekleed, dat moest van de baas hier. Onderzoekend keek ze me aan via de spiegel. ‘Wat voor werk doe je?’

Ik glimlachte weemoedig naar mijn spiegelbeeld. Wat deed ik nu eigenlijk? Niks om al teveel woorden aan vuil te willen maken. Beetje koffie inschenken, beetje kinderen in het gareel houden, beetje administratief. Ik keek naar mijn gezicht, hoe kon het nou dat ik wallen onder mijn ogen had? Met dat leventje van mij? Wat voor werk deed ik? Het antwoord was nog saaier dan de vraag.

In principe.

‘Callgirl.’ Mijn gezicht werd rood. Waar was ik mee bezig? Van alle levens die ik kon verzinnen, was dit het geworden? Ik sloot mijn ogen en vervloekte mezelf. Gelukkig hoefde ik alleen maar mijn puntjes te laten knippen, binnen een halfuur zou ik weer buiten staan.  ‘Oh, in een callcenter?’ reageerde de kapster. Zo zie je maar weer. Er was een ontsnapping mogelijk, het leven was mild voor me vandaag. Ik kon nu terugkrabbelen, gewoon bevestigen dat ik in een callcenter werkte, geen centje pijn.  Maar ik wilde niet vallen met kniebeschermers. Ik wilde bloeden. ‘Nee, niet in een callcenter. Callgírl’ zei ik. ‘Weetjewel, die met mannen naar bed gaat voor geld.’

De kapster keek op. Ze fronste haar wenkbrauwen een beetje, dacht even na en zei toen: ‘Dus je bent zzp’er?’ Ik dacht even na. ‘Ja’ zei ik, ‘dat klopt, zzp’er.’ De kapster keek ernstig terwijl ze rustig doorknipte. ‘Denk je dan wel aan je aangiftes enzo?’ Dat moet per kwartaal, zo’n gedoe. Ik weet ervan, want mijn vriend heeft een eigen zaak, en hij is er echt druk mee hoor, al die administratie enzo.’ Ze knikte alsof ze het erg eens was met zichzelf en vroeg toen: ‘Onder welk btw-tarief val je eigenlijk?’ ‘Nou,’ zei ik. ‘Dat ehm, verschilt nogal eens, ik geloof het gewone tarief.’ ‘Maar zulke dingen moet je precies weten hoor’ zei ze. ‘Heb je bijvoorbeeld een eigen ruimte waar je bed op een podium kan staan, hoppa, zes procent. Podiumkunsten.’ 

Ik glimlachte treurig. Mijn puntjes waren geknipt. ‘Ik zal het eens allemaal navragen, dank voor je advies in elk geval.’ Ze lachte. ‘Geen probleem joh, en dat haarmasker krijg je van mij. Omdat de zzp’ers al hard genoeg gepakt worden tegenwoordig.’

Ze had gewonnen. Met een serene glimlach liep ze naar haar volgende klant. Ik rekende af bij een andere kapster. ‘Meid, je ziet er weer lekker opgefrist uit’ zei die. 

Kat

25-07-2015

Mensen met huisdieren zijn gelukkiger.

Mensen met huisdieren zijn gelukkiger.

/ /

25-07-2015

‘Ik voel me zo miserabel,’ zei Maja tegen de grote zwarte kat van haar beste vriend. Ze zaten samen op de bank in het huis van de kat en de beste vriend. De kat keek ernstig terug naar Maja, maar op het kattengezicht was geen spoortje medeleven te zien. Toen gaapte het beest uitgebreid, alsof hij wilde tonen hoe scherp die kleine tandjes waren, hoe goed hij zichzelf verdedigen kon, hoe genadeloos hij zou zijn in de buurt van een muis of een mager bang vogeltje dat uit zijn nest gevallen was.

De beste vriend van Maja had de kat zes jaar geleden gekregen van zijn broertje die dacht dat een kitten de perfecte toevoeging zou zijn aan het nogal ranzige studentenhuis waar hij met vier andere jongens woonde. De huisbaas dacht daar anders over, en zo kwam het dier hier terecht. Het was Satan gedoopt in het studentenhuis, maar die naam werd in de nieuwe woning veranderd in Zlatan.

Zlatan hield er niet van om alleen te zijn, en daarom was Maja hier. Over een week zou het baasje weer terugkeren van zijn zakenreis. Dat had ze vaak tegen de kat gezegd, maar wat weten katten nu van weken, dagen, uren, terugkomen en weggaan? De eerste twee dagen was Zlatan woest geweest en had hij zijn tijdelijke huisgenote straal genegeerd. Toen eenmaal duidelijk werd dat zij de brokjes in het kommetje gooide en de verse drollen uit de kattenbak schepte, begon het beest toenadering te zoeken. In de derde nacht sprong hij tegen de deurklink van de slaapkamerdeur om op het tweede hoofdkussen te gaan liggen. Toen Maja ‘s morgens wakker werd, waren de twee starende gele ogen van de zwarte kat het eerste dat ze zag.

Mensen met huisdieren zijn gelukkiger, daar was onderzoek naar gedaan. Misschien waren ze wel gelukkiger omdat ze tijdens het onderzoek niet bij die dieren waren, dacht Maja terwijl ze Zlatan achter zijn oren kriebelde. Het zijn egocentrische dieren, katten. Hun agenda bevat maar één doel, en dat doel verandert geen moment. Het gaat allemaal om het eigen welzijn, het eigen genot. Het veroveren van het beste plekje om te liggen, het lekkerste hapje om te eten, uitgebreid geaaid worden, veel slapen. Zo nu en dan een sadistisch spelletje met een smakelijk tussendoortje uit de natuur.

‘Was ik maar meer zoals jij’, zei Maja hardop. Ze probeerde na te denken over haar doelen, haar drijfveren, haar tussendoortjes. Er was niets waar ze trots op was, er was niets waar ze voor wilde vechten. Elke ochtend opnieuw werd ze wakker om te constateren dat ze in leven was, dat de datum een getal verschoven was, dat er verder niks veranderd was.

Elke morgen stapte ze in een metro naar het grijze gebouw waar ze werk deed waar geen betere naam voor bestond dan ‘projectmanager’. Maja leefde van weekend naar weekend en van vakantie naar vakantie, maar steeds vond ze zichzelf weer in de situatie van vandaag. Niet uitgesproken blij, boos of bang, maar gewoon miserabel.

Zlatan gaapte nogmaals en stond op om vervolgens op dezelfde manier op Maja’s schoot te gaan zitten.

Ze zette de televisie aan en keek naar de programma’s die de muziekzender had gemaakt. De programma’s gingen over jonge mensen die druk waren met hun telefoons, vrienden, lichaam, seksleven en elkaar. Meestal droegen ze weinig kleding en kregen ze ruzie. Maar wat Maja het meeste fascineerde, was hoe serieus ze waren over zichzelf. Ze wisten precies waar ze mee bezig waren, wat er bij hun imago paste aan uitspraken, doelen en ideeën. Of misschien hadden andere mensen dat voor hen bedacht. Hoe dan ook, Maja voelde zich nogal saai zo op de bank met die kat. Het volume van de reclamespotjes op deze zender was niet te verdragen, dus zette ze het geluid uit zodra nodig. Dat was elke zeven minuten tegenwoordig.

‘Het is tijd’ zei ze ineens hardop. Het klonk raar en hol in de lege kamer, daarom herhaalde ze de zin nog maar eens. ‘Het is tijd.’ Zlatan keek verstoord op. Maja rechtte haar rug en zei tegen de kat: ‘Sorry, maar het is tijd,’ ze zette hem op de grond. Nu stond ze voor de bank, met in haar rechterhand de afstandsbediening. ‘Het is tijd!’ herhaalde ze nog maar eens, ditmaal met haar armen gestrekt naar het plafond.

Ze voelde een grote vreugde opkomen. 

Vanaf nu zou ze een vrouw met een doel worden, met een missie. Het kon een hobby zijn, het begin van een nieuwe carriere, een verhuizing naar een ander land, het maakte niet uit. Maar een vrouw met een doel, dat was de nieuwe Maja. “Het is tijd, het is tijd,’ mompelde ze terwijl ze de waterkoker vulde. Want nieuw leven of niet, het was ook tijd voor een kopje nachtrustthee, zoveel was zeker.

Na de thee nam ze een douche. Het voelde alsof ze voor het eerst echt gewassen werd. Haar leven was opnieuw begonnen en wel vandaag, op deze avond. Toen ze zich afdroogde, veegde ze de damp van de spiegel en keek ze zichzelf recht aan. ‘Het is tijd, het is tijd,’ prevelde ze.

Die nacht sliep ze onrustig. Dat was ongewoon voor Maja, maar misschien was deze onrustige slaap wel iets van haar nieuwe leven, van de nieuwe Maja. Toen ze haar ogen opende, lag Zlatan nog te slapen op het andere hoofdkussen.

Maja rekte zich uit en probeerde terug te halen wat er gisteravond was gebeurd, wat ze nu precies had besloten. Ze voelde zich nog vrolijk, alsof ze haar schoen had gezet en nu naar beneden mocht om te gaan kijken wat erin zat. Er was iets nieuws in haar leven gekomen. Het was iets met tijd geweest, en een doel. Maar wat was het nou toch?

‘Weet jij het nog?’ vroeg ze de kat terwijl ze haar badjas aan deed. Zlatan opende zijn ogen en rekte zich uit. Toen sprong hij van het bed en liep hij de keuken in. Maja gaf hem brokjes en zette de waterkoker aan. Ze spoelde de theepot om en bleef maar denken welk doel ze nou gekozen had.

Het lag op het puntje van haar tong, maar toen kwam Zlatan de keuken in gelopen en begon hij zonder omhaal te braken. Een nat papje van ongekauwde brokken in slijm lag op de keukenvloer. Maja ruimde de boel al kokhalzend op, waste haar handen en kleedde zich om. In de metro naar haar werk probeerde ze te bedenken wat het nou was geweest, maar ze kwam er niet meer op.

En ze leefde nog lang.

Klantenservice

24-01-2013

Nu komt het ware kruipen.

Nu komt het ware kruipen.

/ /

24-01-2013

Mijn naam is Katinka en dat is geen grapje. Het zou ook geen bijzonder goede grap zijn, maar wel beter dan daadwerkelijk Katinka heten.

Ik heet Katinka.

Op dit moment zit ik in de kantoorruimte van de kozijnenhandel waar ik werk. Mijn taak is de telefoon aannemen en de offertes verwerken. Dat klinkt als een nuttige bezigheid: offertes verwerken. Ik zeg het op borrels en bij familiefeestjes. Niemand maakt zich zorgen over iemand die offertes kan verwerken. Probeer eens ‘ik ben autonoom kunstenaar’ en het wordt ongemakkelijk. Maar dat heb ik dus nooit, want ik verwerk offertes.

 Het verwerken is makkelijk, ik krijg de offertes van Henk of John binnen, zij zijn de verkopers, en ik maak ze netjes op de computer. Ik zorg ervoor dat we papier gebruiken met het bedrijfslogo en dat het adres van de klant op de enveloppe wordt geprint. Dan weeg ik de post en frankeer ik het.

We verkopen kozijnen van kunststof. Kunststof rot niet en is goed schoon te houden. Het is ook beter voor je ruiten, zeggen ze. Ik heb ze zelf ook, kunststof kozijnen. Dat vertel ik meestal niet aan andere mensen, hoewel het wel klanten zou kunnen overtuigen. Maar dat is niet mijn werk, de klanten overtuigen. Als ze bellen naar het bedrijf dan neem ik op, dat wel. Maar ze bellen nooit om overtuigd te worden, ze bellen om te klagen.

 Meestal klagen ze over de levertijd of over dat de monteur te laat is. Als meneer Dinse, hij is de baas, er is, dan zeg ik dat het inderdaad heel vervelend is. Dan zet ik ook mijn medelevende stem op. Dan zeg ik dat ik ‘erachteraan ga bellen’. Dat is niet gelogen, ik ga ophangen en dan bellen, maar niet met de monteurs, meestal bel ik met Sofie. Zij zit op opgesloten in net zo’n soort baan. Met Sofie spreek ik als Dinse weg is. Als Dinse weg is, neemt hij mijn klantvriendelijkheid met zich mee.

Dan praat ik extra langzaam en plat. Dan gaat het zo:

 ‘Dinse kozijnen en installatietechniek, met Moniek.’

 ‘Ja, met mevrouw Piespaard spreekt u’

 Okee. Ze heten niet echt Piespaard, maar voor ik verder ga, moet ik wat zeggen over onze clientèle, meestal zijn ze sjiek. Ze heten ze Pissard of Van Huischen-tot-Sloten Overlangs Onderdeur, zoiets. Maar in mijn hoofd heten de aardappelpraters allemaal Piespaard. En ze beginnen het gesprek allemaal met ‘ja’. Dan weet ik dat ze er al mee bezig waren voordat ik ze aan de lijn had. Dat ze al opgewarmd zijn, zeg maar.

 Ik houd het meeste van de kakmadam vanaf een jaar of vijftig. Ik bouw het rustig op tot het punt waarop haar stem overslaat. Dat schelle stemgeluid, die ontzetting, dat geeft me energie, het maakt dat ik morgen weer terugkom om de telefoon op te nemen.

 ‘Ik bel omdat er een half uur geleden een kozijn zou worden vervangen, maar nu is er nog niemand, en heb vrij genomen, speciaal hiervoor, kunt u mij zeggen of hij onderweg is?’

 ‘Ik heb geen idee’ zeg ik dan.

 ‘Hoe bedoelt u?’

 ‘Ze zijn de weg op hè, de jongens, ik neem aan dat ze zo komen.’

 ‘U neemt het aan, of weet u het zeker?’

 ‘Ik kan niks beloven, ik zit op het kantoor. Tsja, ik kan maar op één plek tegelijk zijn. U toch ook? Het zou wat zijn als het anders was.’

 ‘Ik heb speciaal vrij genomen en u heeft gezegd dat u vandaag om drie..’

 ‘Ho ho, IK heb helemaal niks gezegd, ik heb alleen gezegd dat ik geen idee heb.’

 ‘Maar het staat in de overeenkomst..’

 ‘Nou, maakt u van uw probleem alstublieft niet mijn probleem. Ik denk dat ze wel komen hoor, als u dat heeft afgesproken’

 ‘Wat koop ik daar nu voor? Zijn ze onderweg of niet?’

 Nu slaat de paniek in haar stem toe, en ik word steeds kalmer.

 ‘Beste mevrouw Pitriet’

 ‘Pissard’

 ‘Juist, excuseert u mij, mevrouw Pizza’

 ‘Pissard’

 ‘Pinnaar, excuus’

 ‘Werkelijk dit is ongehoord, kunt u mij zeggen of ze onderweg zijn?’

 ‘Sorry met wie heb ik het genoegen?’

 ‘Mevrouw Pissard’

 ‘En wat is het probleem als ik vragen mag?’

 ‘Wat het probleem is? Wat het probleem is? Pardon? Wij hebben elkaar toch al een tijdje aan de lijn, weet u nu nog niet waar dit allemaal over gaat?’

 Nu slaat de stem meestal over. Dan vragen ze naar mijn baas, de supervisor of ‘degene die mij betaalt.’ De laatste vind ik het leukste, lekker simpel.

 Dan leg ik de telefoon neer en loop ik de keuken in. Meestal eet ik dan even een koekje ofzoiets en dan kom ik terug. Dan pak ik de telefoon en zeg ik zo deftig mogelijk:

 ‘Dinse kozijnen, met Katinka, hoe kan ik u van dienst zijn?’

 ‘Bent u de baas hier?’

 ‘Jazeker, wat is het probleem?’

 ‘Uw werkneemster die ik zojuist aan de lijn had, het is werkelijk ongehoord. Ze was ronduit onbeschoft en nog steeds weet ik niet wanneer mijn kozijnen zullen komen.’

 ‘Het spijt me dat te moeten horen mevrouw Pissard, ik zal onmiddellijk kijken wanneer ze komen.’

 Ik kijk in de digitale agenda en kan dan op een kwartier nauwkeurig zeggen wanneer ze er zullen zijn. Dat zeg ik dan eerst. Nu komt het ware kruipen.

 ‘Mevrouw Pissard, uiteraard bent u meer dan vrij een klacht in te dienen tegen onze Moniek, maar ik zou toch willen vragen hier vanaf te zien.’

 ‘En waarom dan wel? Ze was meer dan inadequaat, en ronduit onbeschoft.’

 ‘Het spijt me ontzettend dat te moeten horen. Weet u, Moniek is een speciaal geval. We noemen haar ook wel ‘ons projectje’. Ze werkt bij ons omdat we vinden dat iedereen een kans verdient. Ook mensen die een beetje, hoe kan ik het zeggen, anders zijn. Onze Moniek is een beetje anders. Ze bedoelt het niet kwaad, dat heeft ze niet in zich. Dat hebben die mensen nu eenmaal niet in zich. Maar ze kan wat onhandig uit de hoek komen. Daar proberen we haar ook op te trainen, maar ja, u weet hoe het gaat het met die bijzondere mensen, hè.’

 Nu kies ik voor een momentje stilte. De mevrouw groet beleefd, we hangen op. Ik ga maar weer eens koffie zetten.

Kleed

29-04-2013

Ik glimlachte, maar mijn mondhoeken gingen de verkeerde kant op.

Ik glimlachte, maar mijn mondhoeken gingen de verkeerde kant op.

/ /

29-04-2013

Ik legde het kleed op het gras en ging er in het midden op zitten. De zon scheen eindelijk en in het park was het stil. Stil, zodat ik na kon denken over waar het in godsnaam heen zou moeten met mij. Lang dacht ik dat het vanzelf wel goed zou komen, allemaal. Het was nu iets later en het vertrouwen dat dingen vanzelf gingen had ik verloren, behalve dan als het ging om zaken die met verval te maken hadden. Verval ging vanzelf. 

De zon scheen fel en ik sloot mijn ogen. Nadenken met mijn ogen dicht, dat kon alleen maar uitlopen op slapen. Ik opende mijn ogen en keek om me heen.

Schuin voor me kwamen twee meisjes zitten, ze droegen een boodschappentas vol spullen met zich mee. Ze hadden schorre stemmen en droegen kleding die in de mode was. Ze roken naar succes en spraken net te hard zodat ik alles verstond. 

‘Nou moet je horen- ik was dus bij het het feestje van Eggie- niet zo boeiend verder hoor- maar weet je wie daar binnenkomt?’

Voordat ik kon horen wie er  daar binnenkwam plofte er iemand naast me neer. ‘Een autist’, dacht ik. Dat moest haast wel- want wie gaat er nu zo dicht op iemand anders zitten als er nog een hoop ruimte over is. 

 

‘Ben je lekker aan het genieten?’ Zei de autist die er eigenlijk als een normale man uitzag.

 

Ik knikte. Knikken was niet teveel, niet te weinig. Het was precies beleefd genoeg- maar ook afschrikwekkend door de stilte. 

 

Het afschrikken was weinig succesvol.  

 

‘Of ben je je leven aan het overdenken?’

 

Misschien was hij toch geen autist, maar een helderziende, of misschien zei hij maar wat.

 

Ik knikte. Nu moest het toch wel duidelijk zijn dat ik op dat kleed zat om alleen te zijn. 

 

Het afschrikken was weinig succesvol.

 

‘Weet je wat het probleem is met deze tijd?’ vroeg de man.

 

Ik had geen idee en schudde mijn hoofd. Ik ging niet in een gesprek verzeild raken, ik ging mijn leven overdenken. Of anders horen wie er op het feestje van Eggie binnen was komen lopen.

 

Het schudden van mijn hoofd werkte ook niet afschrikwekkend.

 

‘Mensen voelen teveel.’

 

‘Teveel?’ Ik sloeg mijn hand voor mijn mond. Nu had ik toch nog gepraat. Het gesprek was geboren- nu moest ik er zorg voor dragen ook.

 

‘Ja’ zei de man, geestdriftig ditmaal. ‘Jullie generatie is er slecht aan toe- met al dat gemekker over gevoelens, maar ik zie het eigenlijk overal gebeuren. De één voelt zich zus, de ander voelt zich zo- en dan is het beter, daarna weer minder, maar misschien morgen weer anders-‘

 

Ik glimlachte. Misschien hoef je niet voor alle gesprekken goed te zorgen, bedacht ik me.

 

‘Maar zal ik je eens wat vertellen?’ De man wachtte het antwoord niet af.

 

‘Ik heb mezelf daarvan los weten te maken. Ik doe er niet meer aan mee. Hoe ik me voel? Ik hou het constant in de gaten- maar- en nu moet je goed opletten: ik doe er niks mee.’

 

Ik knikte en sloeg een mier van mijn linkervoet af.

 

‘De vraag die je jezelf moet stellen is: wat is mijn doel? Als je die vraag echt kunt beantwoorden, hoef je alleen maar daarnaar te leven.’

 

Ik glimlachte, maar mijn mondhoeken gingen de verkeerde kant op. 

 

De man merkte niks en vervolgde: ‘Toen ik drie jaar geleden mijn bedrijven verkocht, in Hamburg, Berlijn, en New York, dacht men: hij gaat er nu mee stoppen- werken hoeft niet meer. Maar zo zit ik niet in elkaar. Nee, zo zit ik niet in elkaar. Dat zei ik ook tegen de mensen. Je moet ze scherp houden, de mensen. En je niet laten meevoeren door je emoties. Dat nooit. Dus kocht ik wat andere bedrijven, gewoon om een beetje mee te spelen- ik rook kansen. Dat kun jij ook.

 

‘Hmm,’ zei ik. 

 

‘Ik constateer alleen maar- dat is het geheim.’

 

Ik knikte.

 

De man stond op en klopte zijn beige broek schoon. ‘Ik constateer alleen maar. Alleen dat besef is al een hele constatering. Neem dat maar van mij aan.’ 

 

Ik knikte, ditmaal was het afschrikwekkend genoeg. 

Klinkers

20-07-2016

Het leek wel of ze het expres deden.

Het leek wel of ze het expres deden.

/ /

20-07-2016

Hoewel niemand haar had gevraagd dit te doen, wist ze zeker dat ze belangrijk werk deed. Werk waar de wereld een beetje beter van werd, werk waar kinderen en volwassenen slimmer door werden, volksverheffend werk.

Ze werd niet betaald voor haar activiteiten, maar dat was meer groten der aarde overkomen. Op een dag zou er erkenning komen, dat moest wel. Ze was er meer dan fulltime mee bezig. In haar hoofd zag ze voor zich hoe de koning haar een lintje op zou spelden. En hoe er een straat naar haar vernoemd zou worden. En hoe ze in brons gegoten op het plein in haar geboortedorp zou staan. Maar dat kwam allemaal nog. Voor nu moest ze vooral doorzetten.

Vandaag was het donderdag en dat betekende dat het een drukke dag zou worden. Op donderdag ging ze namelijk naar alle nieuwe winkels en cafés in de stad. En omdat ze in een grote stad woonde, was er altijd wel iets nieuws geopend. Maar de nieuwe plekken lagen natuurlijk niet allemaal bij elkaar in de buurt. Soms fietste ze wel veertig kilometer op een dag om overal te komen.

Er was nog een regel voor de donderdag: ze moest per se haar rode jurk aan. Dat was omdat je nooit een tweede kans krijgt om een eerste indruk te maken. Ook had ze gelezen dat mensen in rode kleding vaker gelijk krijgen. Nu was er natuurlijk geen enkele reden haar tegen te spreken, maar alle beetjes hielpen.

De eerste plek van de dag was het nieuwe café op loopafstand van haar huis. Vanuit de verte zag ze de krijtborden al op de stoep staan.

Bij krijtborden was het bijna altijd raak, het leek wel of ze het expres deden.

Capucino, sju, joghurt met musli, een crossant… geen fout was haar vreemd. Ze schreef alle fouten op een speciaal formuliertje dat ze altijd bij zich droeg. Deze fouten vielen in de eerste categorie, de woordenboekcategorie. Dan was er nog de categorie die ze taalvervuiling noemde: tomatensoep als soep van pomodori noemen, worteltaart als carrotcake en een bosbessenmuffin verkopen als blueberry muffin. ‘luister,’ zei ze dan tegen de verbouwereerde eigenaars, ‘dit zijn allemaal zaken waarvoor we gewoon woorden hebben in onze eigen taal, dus ik zie geen reden ineens van taal te wisselen.’ Vaak leverde dit wat discussie op en werden er geen veranderingen doorgevoerd, tot haar frustratie.

Maar dan was er nog de derde categorie: de categorie prietpraat. Zo kwam ze eens een menukaart tegen waarop limonade als een wandeling in een Thaise rozentuin werd omschreven, een broodje kaas als een authentieke energieboost en een tosti als een knapperige smaaksensatie. Wanneer ze de café-eigenaars op zulke uitdrukkingen aansprak, was de sfeer in korte tijd volledig om zeep. Feitelijk had ze zich op deze manier ongeliefd gemaakt bij een hoop mensen.

Het krijtbord van dit café bevatte geen fouten. Er stond alleen: ‘Wees welkom bij de HSKMR! Voor koffie, fris en meer!’ Eigenlijk hield ze niet van uitroeptekens, maar daarvoor had ze geen categorie op haar formulieren. Ze ging naar binnen en nam plaats aan een tafeltje bij het raam. Ze bestelde een zwarte koffie, godzijdank begreep de serveerster wat ze bedoelde. Soms zeiden serveersters namelijk: ‘U bedoelt zeker een americano?’

Daarna nam ze het formulier uit haar handtas en bestudeerde ze de menukaart. Bovenaan stond in blokletters: MNKRT. Daaronder stond DRNKN en aan de andere kant stond het eten ingedeeld onder kopjes met de naam: BRDJS, SLDS, LNCH, DNR, BRRL. De gerechten stonden netjes uitgeschreven op de kaart. Ze vond geen enkele fout. Maar de kopjes, die verdomde tussenkopjes deden haar halsslagader kloppen. Wat was er mis met klinkers?

De serveerster kwam terug met haar koffie. ‘Alstublieft,’ zei ze. ‘Mag ik wat vragen?’ vroeg de vrouw met het formulier voor zich. ‘Natuurlijk,’ zei de serveerster. ‘Hebben jullie iets tegen klinkers?’ ‘Pardon?’ Nou, op de menukaart, al die kopjes.’ Ze wees op de kaart. De serveerster keek aandachtig mee. ‘Goh, is me nooit opgevallen,’ zei ze. ‘Ik weet niet. Maar daar komt mijn baas, u kunt het hem vragen.’ ‘Graag,’ zei de vrouw.

Een grote man met een baard en een dikke buik kwam nu naar haar tafeltje. ‘Dag mevrouw, ik hoorde dat u een vraag heeft?’ ‘Jazeker,’ zei ze, ‘ik vroeg mij af…wat is het probleem met klinkers?’ De man fronste. Hij keek onrustig om zich heen, op zoek naar een reden weg te lopen van deze gast. Dit was niet wat hij zich had voorgesteld toen hij hier een eigen café opende. Hij had leuke gesprekken voor zich gezien, gezelligheid, stamgasten. En nu was het leeg, op een gek vrouwtje in een rode jurk na. ‘Ik begrijp uw vraag niet, ben ik bang.’ Driftig wees ze op de woorden van de menukaart. ‘LNCH? Wat is dat in godsnaam?’’

‘Lunch,’ zei de man. ‘Dat betekent lunch.’

‘Waarom staat er dan geen lunch?’

De man haalde zijn schouders op. ‘Zo is onze huisstijl nu eenmaal.’

De vrouw keek hem strak aan en zei toen: ‘Wat een belachelijk verhaal.’

‘Het spijt me, maar meer kan ik er niet van maken,’ zei de man.

‘Meer kunt u er niet van maken? Het is toch uw café?’

Hij knikte. ‘Ja, dat klopt.’

‘Nou, dan kunt u er toch ALLES van maken?’ De vrouw begon nu kwaad te worden. Maar de eigenaar van het café had er geen zin meer in.

‘Luister dame, als u hier alleen een beetje komt zemelen over letters, dan zou ik u willen aanraden lekker naar de boekenwinkel hier tegenover te gaan. Letters genoeg.’

Driftig deed de vrouw haar spullen in haar handtas. ‘Het is een schande,’ zei ze. ‘Een schande! Klinkers zijn prachtletters! Ze verdienen het niet zo behandeld te worden! Een schande is het!’ Ze stommelde naar de uitgang.

De man liep hoofdschuddend naar de bar. Daar zei hij tegen de serveerster: ‘Kun jij vandaag alle klinkers van de menukaart halen?’ Hij gaf een hoofdknikje in de richting van de deur die de vrouw net achter zich had dichtgesmeten. ‘Ik wil daar echt niet mee geassocieerd worden.’

Koekenpan

17-11-2015

De basis is daar, maar alles kan beter.

De basis is daar, maar alles kan beter.

/

17-11-2015

Ze is eraan toe om een nieuwe koekenpan kopen. Ze wil het al weken, maanden zelfs, maar ze vond steeds redenen om het niet te doen. Afgelopen drie weekends kocht ze wel andere dingen, zoals twee grijs gestreepte badlakens, een zeeppompje van porselein, beige pantoffels, een wijnrek en een nieuwe knoflookpers. Maar die pan, die pan blijft maar spoken door haar hoofd.

Waarom het nu zo moeilijk is om een pan aan te schaffen, kan ze zelf ook niet begrijpen. Ze werkt hard voor weinig geld, maar ook weer niet zo weinig dat ze zich geen nieuwe pan zou kunnen veroorloven. Het is ook geen gebrek aan tijd. Als ze wil, kan ze zo in haar lunchpauze de winkel inlopen, de pan pakken, afrekenen en nog genoeg tijd over hebben om haar lunch op te eten. Toch komt het er maar niet van.

Er is iets wat haar tegen lijkt te houden. Het voelt alsof de pan een begin zal zijn van een nieuw leven, van een nieuwe Judith, van een nieuwe beweging waarvan ze niet weet of ze er wel klaar voor is. Achter haar bureau sluit ze haar ogen en denkt ze aan het glimmende witte binnenwerk van de pan, haar pan. Hoe ze hem op het vuur zou zetten, hoe de boter langzaam zou smelten, de olie zou spatten, een ei zou stollen…

Wanneer er een collega voorbij loopt, kijkt ze betrapt om zich heen. Maar niemand die het in de gaten heeft. Ze praat niet over wat er aan het gebeuren is in haar hoofd. Als iemand anders haar zou vertellen over een dergelijke obsessie, zou ze het ook niet begrijpen.

De laatste week is de situatie steeds lastiger geworden, tijdens alle gesprekken dwalen haar gedachten af naar de filmpjes die ze heeft gezien in de winkel. Daar staan de pannen in een apart schap, met erbovenop een televisie waar een Duitse kok in een filmpje van 3 minuten laat zien waarom deze pannen zo bijzonder zijn, wat je er allemaal in zou kunnen koken, hoe eenvoudig de pan kan worden schoongemaakt, met een speciaal doekje. Ze zal dat speciale doekje ook kopen, anders heeft het natuurlijk geen zin.

Thuis maakt ze ruimte in haar keukenkastje. Ze treft allerlei dingen aan waarvan ze niet wist dat ze ze bezat. Een ananassnijder bijvoorbeeld, een vergiet in de vorm van een aardbei en een set plastic bewaardozen zonder deksel. Ze schrobt de binnenkant van het kastje met schuurmiddel en een sponsje.

De hele keuken ruikt naar citroen

Dan zet ze de televisie aan om haar vaste serie te kijken. Hoewel ze zich ook ernstig afvraagt wie de vader is van het kind van Donna, haar favoriete personage, kan ze de rust niet vinden. Ze staat op en loopt naar de slaapkamer, en bekijkt zichzelf in de spiegel van haar kledingkast. Een grijze joggingbroek, een donkerblauwe capuchontrui, sloffen, haar haren in een staart.

Ze ziet een vrouw zonder decorum. Een niet onknappe vrouw, maar wel duidelijk de ‘voor’ van een metamorfoseshow. De basis is daar, maar alles kan beter, mooier, uitgebreider, verzorgder ook.

Ze denkt weer aan de pan en probeert haar kamer te bekijken met de ogen van een vreemde. Misschien is het tijd om de slaapkamer eens flink onder handen te nemen. Nieuw bed, fris kleurtje op de muur, nieuwe gordijnen. En als ze dan toch bezig is, kan ze net zo goed die hal eens aanpakken. Zolang ze hier woont, wil ze al een mooie schoenenkast en betere verlichting. Het was er nooit van gekomen, maar nu lijkt het moment er dan te zijn gekomen.

Ze kruipt achter haar laptop en bestelt drie zijden pyjama’s. Het is niet goedkoop, maar zo kan ze er niet bij lopen, dat beseft ze zich ineens sterker dan ooit. Ook maakt ze een afspraak met een schoonheidsspecialist en een tandenbleeksalon.

Tevreden gaat ze naar bed, bij het inslapen stelt ze zich een tafel vol met vrienden voor, waar ze eerst blini’s voor bakt in haar nieuwe pan, en daarna steak. Als dessert warm rood fruit, alles gebakken in de pan. Aan tafel zit ook haar knappe, lange Zweedse vriend, hij is galant en en grappig en zegt af en toe dingen als: ‘Dat doe ik wel liefste, blijf jij maar lekker zitten.’

Na het eten gaan ze nog de kroeg in en de hele tijd houdt haar vriend zijn gespierde arm om haar middel. ‘s Morgens wordt ze gewekt door de geur van roereieren en verse croissants die ze op bed krijgt. Haar ogen vallen dicht.

De volgende dag staat ze weer in de Blokker. Haar vingers glijden over de bodem van de pan, voelen aan de steel, de rand en onderkant. Ze is er bijna klaar voor, ze voelt het.

Koekje

09-09-2016

Ze zag allerlei gedachten en meningen.

Ze zag allerlei gedachten en meningen.

/ / /

09-09-2016

‘Zo,’ zei de grootvader toen ze eenmaal een plekje hadden gevonden in één van de drukke cafeetjes in de stad. De serveerster zette twee koppen koffie op het wankele tafeltje tussen hen in.

‘Zo,’ zei de kleindochter.

Ze dacht aan vroeger toen ze bij vriendinnetjes thuis kwam spelen en hun grootouders ontmoette. Van die grootouders die altijd lekkere dingen meenamen, rapportgeld en allerlei prullen. Precies zoals de hare. Die grootouders hadden witte haren en roken naar zeep. Precies zoals de hare. Ze hadden eigenlijk gekke lange namen, maar die werden afgekort tot namen als Annie en Theo. Precies zoals bij de hare.

Toch waren ze anders dan de hare. Want met hun aanwezigheid brachten ze ook iets anders mee. Iets anders, iets wat haar eigen grootouders niet konden kopen, niet konden meebrengen, iets onzichtbaars. Maar wat dat dan precies was, daar kon ze haar vinger niet opleggen. Vroeger niet, maar ook vandaag was het niet veel beter.

Ze namen een slok koffie.

‘Heb je al een vast contract?’ vroeg de grootvader.

Ze schudde haar hoofd.

‘Nee, maar dat is ook niet echt hoe het bedrijf werkt. Het is zeg maar, een plek waar ze alleen met freelancers werken.’

‘Dus voor korte tijd?’

‘Nou, sommigen werken er wel al zes jaar ofzo, maar contracten enzo, dat is gewoon niet meer van deze tijd. En veel van ons doen ook allemaal projecten tegelijk, dus dan is het wel handig dat het heel flexibel is. Dat je even een paar maanden weg kan zijn, bijvoorbeeld.’

De grootvader knikte. Achter zijn ogen die de laatste jaren steeds wateriger waren geworden, als een uitgelopen aquarel, zag ze allerlei gedachten en meningen, maar er werd niks meer gezegd.

‘Hoe gaat het met jou en oma?’ vroeg de kleindochter.

‘Zijn gangetje, je grootmoeder was gevallen op haar pols, maar het was niet gebroken. De tuinman heeft de rozen gesnoeid.’

‘En hoe gaat met jou?’ vroeg de kleindochter.

‘Goed hoor, niks te klagen.’ Hij keek om zich heen.

De kleindochter pakte het verpakte koekje van het schoteltje. Ze maakte de glimmende paarse wikkel open. Er zat een dubbel wafeltje in, met witte crème ertussen. Van die koekjes die altijd oud smaakten. Precies wat ze niet lekker vond. Ze at het op.

‘Woon je nog steeds met huisgenoten? Vroeg de grootvader.

‘Ja, met Evi en Zilver.’

‘Zilver? Ik wist niet dat jullie ook huisdieren hadden.’

‘Hebben we niet, hij heet echt zo.’

‘Wat ze wel niet bedenken tegenwoordig.’

‘Zijn zusje heet Salomé. Zilver en Salomé, mooi wel.’

De grootvader dronk zijn kopje in één teug leeg.

‘En, hoe staat het in de liefde?’

De kleindochter haalde haar schouders op.

‘Geen nieuws. Maar het is prima hoor, ik vermaak me wel.’

‘Hoe oud ben je nu eigenlijk?’

‘Tweeëndertig.’

‘Toen je grootmoeder en ik 32 waren, hadden we je vader al. En je oom. En je tante was onderweg.’

‘Wat een andere tijd,’ zei de kleindochter.

‘Ja,’ zei de grootvader. Hij leek ver weg te zijn met zijn gedachten.

‘Eet je je koekje niet op?’ vroeg de kleindochter.

‘Dat mag ik niet meer van je oma.’

Ze maakte het koekje open. Het was hetzelfde soort als daarnet. Ze stak het in één keer in haar mond. Daarna dronk ze haar laatste slokje koffie. Het was koud en bitter geworden.

‘Zo, zullen we maar eens?’ zei de grootvader toen.

‘Ja,’ zei de kleindochter.

Ze liep naar de kassa. ‘Ik betaal deze wel.’

De grootvader knikte.

Toen ze buiten stonden, gaven ze elkaar drie zoenen op de wangen.

‘Was gezellig, opa,’ zei de kleindochter.

De grootvader knikte afwezig.

Toen ze wegliep, bleef hij haar lang nakijken. Maar dat wist ze niet.

Koffie

09-09-2017

Soms moet je nu eenmaal koffie drinken.

Soms moet je nu eenmaal koffie drinken.

/ /

09-09-2017

‘Het is tijd dat je volwassen wordt’, zei de zus vermoeid tegen haar broer, met een verveling in haar stem die verried dat ook zij moe geworden was het eeuwig herhalende gesprek. Ze sprak zonder op te kijken vanuit het vrouwenblad dat ze aan het lezen was. Een blad vol aanwijzingen hoe te leven, maar verstoken van waardevolle adviezen. Toen reikte ze naar de theekop die op het houten kistje naast de grijze hoekbank stond, waarmee haar interieur precies overeenkwam met de adviezen uit het blad.

De broer zat in de vensterbank en opende het raam nog wat verder om een sigaret op te steken. Voordat hij zou antwoorden, inhaleerde hij diep. Een gewoonte die hij zich jaren geleden eigen had gemaakt, toen elke conversatie met zijn zus uitliep op slaande ruzie.

‘Denk je niet dat het genoeg is, dat ik gewoon mijn eigen leven leef zoals ik wil? Ik doe er niemand kwaad mee ofzo.’ Hij keek naar zijn afgetrapte allstars, naar de versleten broek die eigenlijk te groot was, naar zijn eeltige handen en wachtte op het onvermijdelijke.

Met een zucht sloot ze het magazine en legde het naast zich neer op de bank. ‘Dat is toch wel heel minimaal, wat je daar zegt. Dat het maar goed is, zolang je er niemand kwaad mee doet? Hoe kom je daar eigenlijk bij?’ Hoofdschuddend liep ze naar de brandschone keuken terwijl ze vervolgde: ‘Hoe kun je nou zo leven? Je lijkt wel een student van veertig… je, jij hebt toch ook dromen? Wil je geen huis kopen, een auto, gewoon, de dingen voorelkaar hebben? En dan echt voor elkaar? Begrijp me niet verkeerd, het is heel knap hoor, die zandsculpturen enzo,..’ Nijdig gaf ze een asbak aan die ze uit een keukenkastje had opgevist.

‘Maar dat is toch geen baan.’

Het woord baan rekte ze dusdanig uit dat het begon te klinken als een soort hele lange gaap, of voorzichtige aanzet tot braken. ‘Waarom maakt het jou zoveel uit?’ vroeg de broer terwijl hij zijn sigaret uitdrukte in de asbak.

‘Waarom maakt het mij uit?’ herhaalde de zus, ‘Waarom maakt het jou niet uit? Heb je daar weleens over nagedacht?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik ben wel tevreden zoals het is,’ zei hij toen.

‘Dat is helemaal erg, wat je nu zegt,’ zei de zus die haar geduld steeds meer begon te verliezen. Ze kreeg rode konen, en haar lichtblauwe blouse leek met de seconde meer gekreukt te raken, iets waar ze een ontzettende hekel aan had. Haar grijze ogen vuur spuwden vuur. Toen zuchtte ze heel diep en zei ze: ‘Je bent gewoon heel erg verwend, dat is alles.’

‘Jij hebt dezelfde ouders als ik,’ sputterde de broer tegen. ‘Ja, maar ik ben de oudste en jij de jongste en dat maakt alles anders,’ zei ze op de autoritaire toon die oudste kinderen kunnen aanslaan, zelfs op hun vijftigste.

‘Ik begrijp niet waarom jij je nou zo druk maakt om mijn leven,’ zei de broer nu ook hard. ‘Je hebt toch zelf een leven, een baan, kinderen, gedoe, dingen te doen? Waarom schenk je me niet gewoon een kop koffie in zonder een preek? Daar zou ik pas gelukkig van worden. Jezus Mina.’

Het viel stil.

De broer pakte snel een nieuwe sigaret en rookte zwijgend. De zus was teruggelopen naar de keuken waar ze met een doekje het aanrecht afnam, voor de tachtigste keer die dag.

‘Sorry,’ zei de broer, want hij wist dat ze bij zo’n uitval niks zeggen zou, maar later huilend aan de lijn zou hangen met hun moeder. Die hem dan weer op zou bellen met een uitbrander. Weer zo’n voorbeeld dat volwassen worden en ouder worden niet per se met elkaar te maken hadden, dacht hij bij zichzelf.

‘Je wilde koffie?’ zei de zus met dunne stem. De broer schudde zijn hoofd van niet, maar zei ‘ja graag’ omdat je soms nu eenmaal koffie moet drinken om de vrede te bewaren.

‘Ik ga even mijn handen wassen,’ zei hij. De zus zette koffie terwijl ze in haar warme hoofd een kloppende pijn voelde opkomen. Ze wist niet waarom, maar iets in haar was zo dwingend, zo overtuigend, dat ze elke keer het gesprek hierheen moest sturen. Ze wist dat de sfeer er nooit beter van werd, ze wist dat het haar broer geen goed deed, dat het haarzelf geen goed deed.

Toch kon ze niet stoppen met het zien van wat hij allemaal had kunnen doen, kunnen kiezen, voor elkaar had kunnen krijgen. Zijn chaos, zijn opgewekte nonchalance, zijn belachelijke bezigheid, baan kon ze het niet noemen, als zandbeeldhouder… Elk besluit dat hij nam, voelde als een persoonlijke afwijzing. Elke keer dat hij op een donderdagmiddag nog in bed lag omdat hij te lang had doorgezakt, elke keer dat hij op haar bank kwam slapen omdat hij zijn huis verhuurde voor de hoognodige knaken…het maakte haar kwaad.

Kwaad, omdat zij wist dat er geen onttrekken aan de maatschappij is, dat het hard werken is, ploeteren, zwoegen, lijden soms. En als je geluk had, dan nog wat leuks, lieve vrienden, mooie avonden. Maar zoals hij leefde….hij speelde vals. Dat was het probleem.

De broer kwam terug uit de badkamer. Ze zette de koffie voor hem neer. ‘Dankje,’ zei hij. ‘Alsjeblieft,’ zei zij. En terwijl ze daar aan tafel zaten, scheen de zon het huis in, en voelde ze zich weer zoals op die dag, veertig jaar geleden toen ze met papa naar het ziekenhuis ging en haar broertje voor het eerst had gezien.

Koningsdag

28-04-2017

Minutenlang houden ze de stilte vast.

Minutenlang houden ze de stilte vast.

/ /

28-04-2017

Het is een nationale feestdag en ik ben op stap met mijn meest ernstige vriend. Het is iemand die achter elk nieuwsbericht de feiten kent, achter elk voordeel het nadeel, enkel schaduw ziet wanneer de zon aan het schijnen is. Vandaag liet hij zich overhalen met me mee te gaan, terwijl ik niet eens echt probeerde hem uit het huis te krijgen.

Maar nu we samen zijn, stemt zijn gezelschap me vrolijker dan ik had verwacht. Samen lopen we richting het stadspark waar kinderen op kleedjes geld bijeen sprokkelen, terwijl hun ouders op de achtergrond met elkaar flirten, rosé drinken en halfslachtig proberen te voorkomen dat hun kinderen met meer troep naar huis komen.

We lopen een tijdje in stilte, dan schraapt mijn vriend zijn keel en zegt hij: ‘Mensen zien zichzelf graag als rationele denkers. Want als je rationeel kunt denken, ben je geen dier. En als je geen dier bent, ben je waarschijnlijk zelfs beter, meer, dan een dier. Maar rationeel gezien zijn de overtuigende argumenten voor de monarchie zo schaars dat we ons eenmaal per jaar als een dier gedragen om er maar niet over na te hoeven denken.’ We kijken naar een volwassen man in een oranje leeuwenpak die tegen een boom aanplast terwijl hij bier uit een blikje drinkt.

We gaan het park in. We passeren middelmatig getalenteerde kinderen met allerhande instrumenten, kleine meisjes met zelfgemaakte limonade, een jongetje dat dvd’s verkoopt en een tweeling die met schorre stemmen hun afgedankte playmobil aanprijst. 

Alles gaat volgens de bedoeling.

Dan zien we een groep mensen rond een kleedje drommen. Een blonde vrouw van een jaar of veertig veegt met mouw haar wangen schoon, een man naast haar aait over haar rug. Een andere vrouw filmt met haar telefoon. Achter haar een man die met zijn armen overelkaar geslagen staat en een gezicht waarop zoiets staat als: ‘mij maak je niks wijs’.

Mijn ernstige vriend en ik kijken wat de aandacht van de mensen heeft getrokken. Op een kleedje zien we een jongetje van een jaar of negen op een krukje zitten. Een kind met een bloempotkapsel, donkerblond haar. Een kind met een capuchontrui en een spijkerbroek. Gewoon een kind. Naast hem staat een krijtbord waarop hij in kinderlijk handschrift heeft geschreven: ‘Ik voorspel uw toekomst voor €1,50.’

De vrouw met de natte wangen komt naar ons toegelopen en zegt: ‘Hij kan het echt, het is een wonderkind.’ ‘Hoe weet u nou of hij het echt kan?’ zegt mijn ernstige vriend. ‘Het kind voorspelt toch de toekomst? Die is toch nog niet hier?’ De vrouw negeert hem en pakt mijn handen vast. ‘Echt, je moet het eens proberen, het is ongelofelijk.’

‘Nou, ik weet niet…’ zeg ik. Maar dan staat het kind op van zijn krukje en loopt hij naar me toe. ‘Mevrouw,’ zeg hij zachtjes, ‘ik wil graag de toekomst van uw gezelschap voorspellen.’ ‘Van hem?’ zeg ik, terwijl ik naar mijn ernstige vriend kijk, die allang verdiept is in een of ander nieuwsverhaal op zijn telefoon.

‘Ik denk niet dat hij er echt zin in heeft…’ probeer ik voorzichtig, maar het jongetje staat al voor zijn neus. ‘Meneer, ik ga uw toekomst voorspellen. Kom maar mee.’ De combinatie van deze overrompelingstactiek en de vele blikken van omstanders maken dat weigeren onmogelijk is geworden. ‘Prima,’ zegt mijn ernstige vriend en intussen zoek ik naar kleingeld om dit kind straks te betalen. Mijn ernstige vriend houdt namelijk niet van muntgeld, het rammelt teveel, zegt ‘ie. 

Ze zitten tegenover elkaar op de houten krukjes. Het jongetje kijkt strak naar voren, mijn vriend kijkt terug. Minutenlang houden ze de stilte vast. Ook de omstanders zeggen niks. In de verte klinkt het gedreun van een optreden, maar hier, rond dit kind is de wereld stil.

Dan staat het kind op en fluistert hij iets in het oor van mijn ernstige vriend. Met ingehouden adem kijk ik naar zijn gezicht, op zoek naar een reactie, een lachje misschien. Maar er gebeurt niks.

Langzaam staat mijn ernstige vriend op. Hij schudt plechtig de hand van het kind en geeft hem een tientje. Dan komt hij naar me toegelopen, hij ziet er verslagen uit.

‘Wat zei hij?’ vraag ik onmiddellijk. Mijn ernstige vriend zwijgt nog twintig passen en zegt dan: ‘Dat kind weet dingen.’ ‘Maar wat voor dingen?’ vraag ik, ‘Was het angstaanjagend? Of grappig? Wist ‘ie de naam van je moeder?’ ‘Klopte het denk je?’ ‘Of is het een soort truukje?’ Door mijn nieuwsgierigheid zijn we sneller gaan lopen, maar dan staat mijn vriend ineens stil. ‘Ik snap je nieuwsgierigheid, maar ik kan je niet meer vertellen dan dit,’ zegt hij.

‘Waarom niet?’

‘Het heeft te maken met hoe je met de tijd omgaat.’

‘Hoe ik met de tijd omga?’

‘Niet jij specifiek, maar hoe men er in het algemeen mee omgaat.’

‘Hoe is dat dan?’

‘Lineair. Met beginnen en eindes. Maar hij herinnerde me eraan dat dat niet klopt.’

‘Hoe deed hij dat dan?’

‘Door me te herinneren aan dingen waarvan ik vergeten was dat ik ze al wist.’

‘Wat voor dingen?’

‘Dat kan ik niet zeggen, niet tegen jou. Maar je komt er nog wel achter.’

‘Okee,’ zeg ik, beteuterd en moe van al het vragen.

 

Dan gaan we naar mijn huis en eten we in stilte oranje tompoucen terwijl de buitenwereld steeds luidruchtiger wordt.

Kraambezoek

08-01-2014

Als ik jou was, zocht ik hulp.

Als ik jou was, zocht ik hulp.

/ / /

08-01-2014

‘Hij is prachtig.’ Doris keek vertwijfeld naar het donkerroze propje dat in haar handen was geduwd. Het was het kind van haar schoolvriendin Marie. Doris en Marie zagen elkaar een paar keer per jaar, het was een soort vriendschap gebaseerd op een gemeenschappelijk verleden. Nu dat verleden steeds langer geleden was en een kleiner deel uitmaakte van hun levens, werd het steeds lastiger vol te houden, maar er was onvoldoende reden de vriendschap actief te beeïndigen. En nu was Marie moeder geworden. Ze had het kind Marinus genoemd, vandaag was hij negen dagen oud.

 

Het kind maakte zachte knorgeluidjes, het zou Doris niks verbazen als het ook een krulstaartje zou hebben. Dat lag niet aan Marie, die mooi en elegant was, echt een verschijning vroeger. Het lag dus aan de vader van het kind, maar over zijn uiterlijk was weinig te zeggen. Ze hadden elkaar nooit ontmoet namelijk, hij en Doris niet, hij en Marie niet. Marie had vele liefdes gekend, maar uiteindelijk had ze elke man tot waanzin gedreven, weggejaagd. Nu ze 39 was geworden had ze een anonieme donor gezocht, en dit was het product van de onbekende hoogopgeleide blanke man van 1 meter 80 met donkerblond haar en grijze ogen.

 

Marie smeerde beschuit met muisjes en riep vanuit de keuken: ‘Ik moet je iets over Marinus vertellen’. Doris bereidde zich voor op een eindeloze uiteenzetting van de bevalling, ondersteund door foto –en filmmateriaal, een tweede relaas over de kraamhulp, de vroedvrouw en de huisarts, een derde relaas over het ritme van Marinus, de geluidjes, de poepjes, plasjes, krampjes, luchtjes, boertjes, snotjes, badjes, kleertjes en nog veel meer dingen die op –jes eindigden. Dan zou de tijd erop zitten en kon Doris vertrekken met zure melkvlekken op de schouder van haar zijden blouse.

 

Marie kwam terug met de bordjes, plofte neer op de bank en zei: ‘Hij is homo.’

 

‘Wie is er homo?’

 

‘Marinus.’

 

Doris keek naar de baby die in haar armen lag te slapen. ‘Ik heb er natuurlijk geen verstand van’ begon ze voorzichtig, ‘maar hij is nu negen dagen oud, is dat niet wat aan de vroege kant om homoseksualiteit vast te stellen?’

 

‘Sorry hoor- je bent er toch niet zo één he?’ Zei Marie op scherpe toon.

 

‘Hoe bedoel je, zo één?’

 

‘Nou, dat je denkt homoseksualiteit een keuze is, een soort hobby, een cultureel verschijnsel. Het is gewoon genetisch, dat wist je toch wel, hoop ik? Ik denk dat zijn vader homo is- en toen ik Marinus voor het eerst zag dacht ik meteen- ja hoor, precies zijn vader.’

‘Maar je hebt de vader toch nooit ontmoet?’

‘Nee, maar zoiets voelt een moeder aan, maar dat soort dingen, daar heb jij natuurlijk he-le-maal geen verstand van.’

Doris bekeek de baby nog eens goed. De baby sliep rustig door. ‘Marie, het kan heel goed dat hij homo is, maar denk je niet dat hij dat zelf aan de wereld moet vertellen?’

 

‘Jezus Doris, je weet ook echt geen bal van baby’s, hij kan nog lang niet praten!’

 

‘Dat snap ik, maar denk je niet dat het beter zou zijn als je hem de tijd gunt zich te ontwikkelen en dan tot een eventuele coming-out te komen?’

 

‘Nee,’ zei Marie terwijl ze de baby uit de armen van Doris pakte. ‘Nee. En weet je waarom niet? Ik wil dat mijn kind nergens ‘out’ hoeft te stappen. Hij is vanaf het begin gewoon ‘in’ en of dat homo is of niet, ‘outen’ is niet nodig.’

 

‘En als hij dan gaat aankondigen dat hij hetero is? Is dat dan een coming in?’

 

‘Nee, natuurlijk niet. Hij blijft altijd in.’

 

‘Okee- dat lijkt me goed, altijd in…Maar toch, is het niet..’

 

‘Jemig Doris, dat had ik echt niet van jou verwacht! Waarom wil je mijn kind zo graag  in een hokje plaatsen? Hij is negen dagen oud, moet hij nu al passen in een plaatje?’

 

‘Nee Marie, natuurlijk niet.’

 

Snel nam Doris een grote hap uit het beschuitje. En nog een en nog een.

 

‘Zo laat alweer?’ Doris keek op haar horloge. Terwijl ze dat deed, realiseerde ze zich dat ze al jaren geen horloge meer droeg, maar ze zette dapper door, pakte haar tas van de grond en gaf Marie snel een kus op de wang. ‘Nou, het was me een waar genoegen, tot snel maar weer.’

 

Marie keek Doris vuil aan en zei: ‘Als ik jou was, zocht ik hulp.’

 

‘Pardon?’

 

‘Nou, die homofobie van jou, dat kan echt niet meer in deze tijd.’ De baby werd nu wakker en keek naar zijn moeder. Hij leek werkelijk veel op een big. 

 

‘Okee, Marie, we hebben het er nog wel over. Misschien ben je nog een beetje in de war door de hormomen ofzo…’ Doris liep naar de gang.

 

‘Takkewijf! Je komt er niet meer in!’ riep Marie haar na.

 

Zingend zat Doris op de fiets naar huis. Het laatste duwtje was gegeven, Marie was uit haar leven. Ze mocht Marinus nu al, homo of niet.

Krentenbol

27-12-2018

Alles was volgens plan, volgens recept gegaan

Alles was volgens plan, volgens recept gegaan

/ /

27-12-2018

Het deeg was gekneed, alles was volgens plan, volgens recept gegaan. Maar sinds de bakker de prestigieuze prijs voor de beste krentenbol had gewonnen was niets meer hetzelfde.

De eerste dagen was hij van trots vervuld, nam hij met blozende wangen de prijs, de bloemen, de felicitaties in ontvangst. Hij kwam op de radio, werd door de lokale krant geïnterviewd en mocht gastjurylid zijn bij een kookprogramma. De etalageruit van zijn bakkerij kreeg een gouden plakkaat met daarop in sierlijke letters ‘Beste krentenbollen van het jaar’. Voor een bakker de grootste eer, voor een bakker viel er niets meer te wensen.

En misschien was precies dat het probleem geworden, nu prijsuitreiking weken geleden was, nu de aandacht weer naar het alledaagse ging. Vaste klanten begonnen er niet meer over, nieuwe klanten wisten er niet van. Er waren inmiddels zelfs weer onvriendelijke, gehaaste mensen in zijn zaak geweest. Deftige mensen met geld, haast en ongelofelijke behoefte aan zes verse ciabattabroden. Mensen die luid zuchtten wanneer ze het te lang vonden duren. Vroeger had hij zich er niets van aangetrokken, moest hij erom lachen, maar nu voelde het als een aantasting, als een kwade echo uit het verleden.

Zondags ontbeet de bakker altijd samen met zijn vrouw, het was de enige dag waarop hij kon uitslapen. Zijn vrouw perste sinaasappels uit en bakte eieren, die ze op geroosterd casinobrood aten. Ze waren vijfendertig jaar getrouwd en aten dit zondagse ontbijt al net zolang.

De eerste zondag na de prijsuitreiking kwam de bakker naar beneden, in zijn badjas, slippers aan zijn voeten. Normaal gesproken rook hij de geur van de gebakken eieren al halverwege de hal, maar deze dag was het een andere, zoetige lucht die hem tegemoet kwam. Verontrust beende hij de keuken in, waar zijn vrouw met een lach op haar gezicht op de tafel wees. Daar stond een schaal vol exotisch fruit dat in stukjes gesneden was, op het bord neergelegd in de vorm van een grote bloem. Verder was er yoghurt, en stond er een broodmandje met crackers op tafel. Op een glazen bordje had ze kaas en ham gelegd.

Met grote ogen keek de bakker naar het stilleven. ‘Ik dacht- vandaag is natuurlijk niet zomaar een zondag,’ stamelde ze, verlegen haast. Met moeite maakte de bakker een glimlach. ‘Dat is ook zo,’ zei hij, ‘maar volgende week doen we het gewoon weer als altijd.’

Daarna had hij met lange tanden gegeten van het ontbijtje, dat hem met elke hap meer en meer deed denken aan wat het niet was.

Met elke hap verlangde hij meer naar vroeger, naar twee weken geleden, naar alles voor de wedstrijd, voor het plakkaat, voor het gedoe van handenschudden, obligate praatjes, herkend worden in de supermarkt.

Geen enkele krentenbol was meer zo goed geworden als voor die tijd, geen deeg had de perfecte substantie. Maar niemand die het opmerkte, dag in dag uit bleven de klanten maar komen. Een bakkerij in een naburig dorp ging failliet, een deel van hun klandizie had de overstap al gemaakt, en nu stonden ze allemaal in zijn zaak. Hij wist dat hij dankbaar moest zijn, trots en vrolijk- dat deze kans een grote was, dat enige weg vanaf nu verder omhoog zou gaan, mits hij niet al te stomme dingen zou doen.

Op een dag zou er misschien wel zoveel succes zijn dat hij en zijn vrouw hun appartement boven de zaak zouden kunnen opknappen of misschien zelfs verruilen voor iets anders, nieuwers. Iets waarvan mensen dan zouden zeggen: met oog op de toekomst. En daarmee zouden ze dan op vriendelijke wijze laten zien dat ze meedachten, terwijl ze in werkelijkheid aan het fantaseren waren over de dag waarop de bakker en zijn vrouw niet meer fit genoeg waren om zelf een trap op te lopen, in een hoge badkuip te stappen, de tuin te onderhouden.

Het was alsof de wereld hem toefluisterde dat hij nu zijn hoogtepunt aan het beleven was, dat de tijd van klimmen voorbij was, dat hij nu met waardigheid een bakker mocht zijn en blijven- maar wel als publiek eigendom. Want een bakker is van iedereen, kan niemand weigeren, niet zomaar drop gaan verkopen of boekhouder worden. Een man van iedereen, stevig vastgespijkerd in het kooitje dat anderen voor hem hadden gemaakt en waar hij onnozel in was gelopen.

Na dagen van stil gesomber besloot hij zich voortaan te verbergen. Niet langer stond hij zelf in de zaak, niet langer kwam hij buiten voor anderen. Hij bleef thuis en verborgen achter de schermen, tussen de zakken meel en kneedmachines. Om de geluiden uit de winkel te dempen, speelde hij enkel opera’s die hij na verloop van tijd luidkeels meezong.

Zo werd zijn faam werkelijk groot- ‘De onzichtbare bakker met het beste brood’, kopte de meest gelezen krant van het land. Maar over dat soort dingen hoefde hij zich niet langer druk te maken, al knedend achterin zijn bakkerij.

Landelijk

26-05-2015

Tot wat zou hij wel niet in staat zijn?

Tot wat zou hij wel niet in staat zijn?

/ / /

26-05-2015

Het was een normale woensdag in het voorjaar. Jannes was wakker geworden naast Lize, zijn tamelijk mooie vriendin, in hun pas opgeknapte slaapkamer. ‘Een landelijke sfeer, lijkt je dat niet fijn?’ had ze gezegd en hij had geknikt en zijn pinpas aan haar meegegeven toen ze naar de bouwmarkt ging. Ze kocht vier potten verf in verschillende lijkkleuren. Ze liet een grote garderobekast met bijpassend bed en twee nachtkastjes bezorgen en in elkaar zetten door de bezorgers van de meubelzaak. Aan de muur hing ze een hart gemaakt van gevlochten takken. Over het bed gooide ze een plaid met kleine bloemetjes erop. Daarop lagen weer allerlei losse kussens in de juiste kleuren. Ook had ze bijna vijfhonderd euro uitgegeven aan een gammele kaptafel met afgebladderde verf. ‘Lekker brocante,’ had ze gezegd toen ze zijn blik door de kamer volgde. ‘Vind je het mooi?’ vroeg ze daarna. Jannes kon alleen maar denken aan manieren waarop hij zou kunnen sterven in deze kamer.

Hij voelde echter haar ogen prikken en zei daarom: ‘Liefste, het is veel mooier dan ik had durven dromen. Je hebt echt talent.’ Ze hadden gekust en het nieuwe bed ingewijd, uiteraard niet voordat de plaid en de kussens zorgvuldig van het bed waren gehaald, want anders zou de boel nog vies worden.

Deze woensdagochtend, het was tien voor vijf, lag Jannes klaarwakker in bed. Lize was in diepe slaap en draaide zich nog eens om. Hij was nog nooit zo wakker geweest als vandaag. Zijn lichaam voelde alsof het niet van hem was. Het voelde anders, het voelde sterk en ongedurig. Jannes zocht naar het weke gevoel dat hij al jaren in zijn lijf had, dat weke gevoel van kantoorbaan en autoritjes. Hij zocht naar de nekpijn die hem al jaren van therapeut naar therapeut bracht en hem tot de aanschaf van een duur Japans hoofdkussen had gedreven. Hij keek naar links en naar rechts, de pijn was werkelijk weg. Toch voelde Jannes geen opluchting.

Want die nekpijn, die verdomde pijn, het was wel zijn pijn geweest en nu werd het hem ineens afgenomen.

Hij dacht aan zijn werk, het waren onrustige tijden in het bedrijf. Niet voor hem, hij was verzekerd van werk. Het verbaasde hem hoe weinig empathie hij voelde bij de angst in de ogen van collega’s die hun positie minder zeker waren. Net als zij maakte hij lange dagen, hoewel hij het zelf niet zo ervoer. Lange dagen, lange dagen, dacht hij, wat was er nou lang aan? Slapen, eten, series kijken, werken. Op vrijdag een biertje, op zondag voetballen. Op zaterdag iets leuks met Lize. Zijn tijd zat keurig vol op deze manier, en dat was toch precies waar het om ging? De tijd volmaken, niet teveel stress, niet teveel schulden, gewoon de tijd volmaken en deelnemen aan allerhande rites de passage. Huwelijken, geboortes, begrafenissen en feestdagen. Af en toe een weekje naar de zon en met vrienden op wintersport.

Hij sloot zijn ogen. Hopelijk zou hij de slaap nog kunnen vatten, het was inmiddels vijf uur, maar nog steeds geen tijd om op te staan. Hij probeerde zijn lichaam te ontspannen, maar het voelde nog steeds alsof hij in de startblokken zat voor een wedstrijd hordenlopen. Tot wat zou hij wel niet in staat zijn met deze kracht, deze energie? Hij kon niks bedenken, had niks te dromen, geen fantasie, geen gekoesterde wens. Het was een belachelijk tijdstip en hij moest nog even slapen, besloot hij. Voorzichtig kroop hij dichter naar Lize, duwde zijn neus in haar hals. Langzaam gleed hij terug de nacht in.

Om zeven uur ging de wekker. Verdwaasd keek hij om zich heen. De nekpijn was er weer en zijn ledematen voelden zwak zoals hij gewend was. In de badkamer hoorde hij Lize onder de douche. Ze kwam de slaapkamer in met een handdoek om haar haren gewikkeld en een badjas aan. ‘Opstaan, slaapkop,’ zei ze opgewekt. Jannes keek naar haar, naar het beddengoed, naar de landelijke slaapkamer. Hij wilde haar vertellen over deze nacht, over hoe sterk hij was geweest en hoe de pijn in zijn nek verdwenen leek. Maar dat was niet hoe zijn woensdagochtenden verliepen. Daarom stond hij op, nam hij een douche en zette hij daarna een kopje koffie. Zijn cupjes zaten in het linker mandje met het woord ‘Home’ erop. Ook de keuken kreeg langzaamaan een landelijk karakter.

Nooit zou hij het gevoel van die nacht vergeten. Aan zijn kleinkinderen zou hij later vertellen dat die vroege woensdagochtend het enige moment uit zijn leven was waarop hij werkelijk had gevoeld hoe het was om krachtig te zijn. Dat hij van angst de slaap had opgezocht, vertelde hij er nooit bij.

Lapjeskat

01-04-2013

Ik vertrouw die blik in haar ogen niet.

Ik vertrouw die blik in haar ogen niet.

/ / /

01-04-2013

‘Leuk huis heb je, heel gezellig, en zo licht ook.’  Maartje liet zich wat verder in de kussens zakken op de bank van haar collega. Het was een beetje vreemd dat ze nu bij haar thuis was uitgenodigd, maar Elsa was nieuw in het bedrijf en misschien voelde ze dat soort dingen niet zo goed aan. En Maartje was op haar beurt weer te beleefd geweest om te weigeren. 

Elsa kwam met twee glazen thee de kamer weer in. ‘Ja, dankjewel. Maar waarvoor ik je eigenlijk hier heb uitgenodigd…’

Ze nam een slok en leek naar de juiste woorden te zoeken.

 

‘Ik heb dus een kat hè, dat vertelde ik je toch?’

 

‘Ja, hoezo?’

 

‘Nou ik wil graag dat je haar ontmoet, vind je dat okee? Het klinkt misschien een beetje raar, maar ik zou het echt erg waarderen als je even kennis zou maken met Minou.’

 

Maartje aarzelde, dit was wel een beetje typisch, dacht ze. Maar een beetje excentriciteit wilde ze niemand ontzeggen. ‘Nou, als je graag wilt dat ik haar ontmoet dan doe ik dat. Ik ben wel iets meer een hondenmens, maar eigenlijk hou ik wel van alle dieren.’

 

‘Momentje.’ Elsa stond op en liep de kamer uit, haar gezicht stond ernstig. 

 

Maartje bleef zitten op de bank, ze begon zich af te vragen of haar eeuwige beleefdheid zich dan nu tegen haar begon te keren. Bij het laatste functioneringsgesprek was dat haar enige verbeterpunt geweest, gebrek aan assertiviteit. Ze had in datzelfde gesprek eigenlijk willen aankaarten dat ze nu nog steeds minder verdiende dan haar collega in dezelfde functie, maar ze durfde niet. En hier zat ze dan, te wachten op de kennismaking met de kat van een nieuwe collega.

Elsa kwam weer binnen, in haar armen een lapjeskat. Een ordinaire lapjeskat was het. Niet uitzonderlijk groot, klein, dik of dun. 

 

Met een zwierig gebaar zette Elsa de kat op de grond.

 

‘Minou, Maartje, Maartje, Minou.’ Zei ze bij wijze van introductie.

 

Maartje voelde zich onmiddelijk verwant met de kat die niks zei, maar haar baasje kritisch aankeek om vervolgens rustig op het tapijt te gaan zitten. 

 

‘En wat denk je ervan?’

 

‘Waarvan?’

 

Elsa schoof wat dichterbij. ‘We moeten nu fluisteren- ik vertrouw die blik in haar ogen niet.’

 

Fluisterend vroeg ze nogmaals: ‘Wat denk je ervan?’

 

‘Waarvan?’ Maartje fluisterde nu ook.

 

De kat was zich aan het wassen.

 

‘Nou kijk goed, zie je die groene ogen? En die gevlekte vacht? En dat tongetje, dat gekke roze tongetje?’

 

Ze hielden hun blik op de kat gericht.

 

‘Ja, ze ziet eruit als een gewone lapjeskat.’ Fluisterde Maartje aarzelend.

 

‘Nee- nee, je kijkt niet goed. Kijk met je hart-  zet je chakra’s open- en zie wat ik zie.’

 

Maartje wist niet wat Elsa bedoelde maar probeerde met volle overgave haar chakra’s  te openen.

 

De kat was inmiddels op het kleed gaan slapen.

 

‘Sorry, maar ik voel niet wat je bedoelt’ zei Maartje, terwijl ze haar tas pakte.

 

‘Blijf nog even zitten- en luister wat ik je te zeggen heb.’ Elsa was niet langer aan het fluisteren. ‘Ik denk dat die kat  bezield is door een zwarte ziel uit het verleden. Zoals ze loopt, zoals ze kijkt, het kan niet anders dan…’

 

‘Dan wat?’

 

‘Dan dat ze behekst is’

 

‘Sorry?’

 

‘Denk er maar over na- dat uiterlijk, dat klopt toch niet? Alle kleuren vacht? We stemmen toch ook niet op alle partijen?’

 

‘Nee, dat klopt- maar ik weet niet of je deze vergelijk..’

 

‘JE STAAT AAN HAAR KANT!’ Elsa was opgesprongen en wees met haar kaneelstengel woedend naar Maartje en de kat.

 

‘Eruit- nu! Allebei!’

 

In de auto, met de mauwende kat naast zich op de bijrijdersstoel besloot Maartje dat ze nu echt eens op haar werk moest gaan praten over een assertiviteitstraining. Als ze durfde.

Leegte

05-06-2014

Het voelde alsof het allemaal niks met haar te maken had.

Het voelde alsof het allemaal niks met haar te maken had.

05-06-2014

Vertwijfeld keek Didi naar haar reflectie in de etalageruit van de dierenwinkel. Vroeger was ze mooi geweest, nu was ze redelijk knap. Ze was voorzichtig modieus gekleed, ze had een normaal postuur en tamelijk goed haar. Ze woonde in een middelgrote stad en was al zes jaar samen met haar vriend, een fijne man, die er goed uitzag. Gewoon goed. Ze woonden in een leuk jaren ’20 huisje met een erkertje en een tuin. De houten vloer en glas-in-lood schuifdeuren hadden haar hart sneller doen kloppen tijdens de bezichtiging.

Hij werkte fulltime op kantoor, zij vier dagen. Ze waren tamelijk jong en gezond. Er was aan niks een tekort. Er was aan niks een teveel. Soms was er even iets loos. Dan bleek de aannemer zijn werk niet netjes te hebben afgerond, dan bleek haar collega overspannen te zijn, dan bleek de belastingaanslag hoger dan verwacht.

Het voelde alleen alsof het allemaal niks met haar te maken had. Die vrouw daar in de etalageruit, de fijne lijntjes rond haar ogen, haar mond, de trenchcoat uit de uitverkoop van het dure warenhuis. De nagels die ongeduldig geknipt waren in plaats van gevijld. Een vrouw met potentie, maar hoelang blijft potentie bestaan, vroeg ze zich nu af. Hoelang voordat ze een vrouw met niet waargemaakte potentie zou zijn, misschien zelfs een vrouw zonder pretenties zou zijn? Lekker pretentieloos, zulk soort dingen zou men dan over haar zeggen. Als ze al over haar zouden spreken.

Ze had dorst, veel dorst. Of honger, dat kon ook, ze had alleen ontbeten, maar verder niks. Ze had plek bewaard voor slagroomtaart en knakworsten, haar nichtje werd namelijk zeven vandaag. Het kind van Didi’s broer, ze heette Marlotte. Dat van die naam was treurig, maar niks aan te doen. Ze had een hamster gekregen, in plaats van een broertje of zusje, wat ze eigenlijk had gevraagd. Ook dat was treurig, maar ook daar was niks aan te doen.

Didi zou een hamsterklimrek kopen of een bal waarin je de hamster kon stoppen zodat het beestje in totale paniek omringd door roze transparant plastic de hele kamer door kon rennen. Of een spiegeltje voor in de kooi zodat de hamster zou denken dat ze niet alleen was.

Vermoeid liep Didi de winkel in. Haar benen leken van lood, haar nek was stijf en in haar buik voelde ze een knoop.

Ze verkochten meer hamsteraccessoires dan ze verwachtte.

Holle boomstammen, wiebelbruggen, kasteeltjes, iglo’s, hemelbedjes, driewielers en een kookeiland behoorden tot de mogelijkheden. Na lang twijfelen kocht ze de funhouse: een plastic huisje met twee verdiepingen, drie kamers, een wit tuinhekje ervoor en ‘home sweet home’ boven de deurpost geschreven.

De jongen van de dierenwinkel was opgewekt, hij had net vier dozijn bevroren piepkuikens verkocht, zo vertelde hij. Didi knikte begripvol, rekende €18,95 af en vertrok. De dierenwinkel was niet ver van haar huis, onderweg kocht ze een krant.

Thuis zette ze thee, at ze een stuk ontbijtkoek en las ze de krant. Ze las over vrouwen die vermoord werden door mannen, door hun familie, door geestelijken, door wie er maar zin in had.
In het krantencommentaar las Didi dat de internationale verontwaardiging vrouwenrechten op de kaart zette. In de krant las ze dat vier ranzig uitziende radiomakers zich in een glazen gebouwtje op lieten sluiten tegen seksueel geweld. In de krant las ze nog meer over milieu, privacy, ministers en andere dingen die belangrijk waren en waar het slecht mee ging.

Ze legde de krant in de papierbak en stiftte haar lippen felrood. Ze pakte de autosleutels en vertrok naar de verjaardag van haar nichtje. Er zat niks anders op.

Lift

03-08-2013

Ik voelde me verheugd- ik maakte iets mee.

Ik voelde me verheugd- ik maakte iets mee.

/ /

03-08-2013

De lift maakte een zoemend geluid en hield er toen mee op. In de lift een dame van een jaar of zestig en ikzelf. We zwegen tegelijk.

Ik was naar de bibliotheek gekomen om reisgidsen te halen over Noord-Frankrijk, daar ging ik een week naartoe. Toen ik nog studeerde reisde ik naar verre oorden en kocht ik reisgidsen in mooie reisboekhandels. Toen ik nog studeerde had ik me laten vertellen dat je gewoon iets kon kiezen wat je leuk vond, dat de arbeidsmarkt ‘goed’ was en dat een studielening zo zou worden terug verdiend. Nu zat ik vast in de lift op een donderdagmiddag en maakte het me niet eens uit of we snel bevrijd zouden worden.  

De dame hield een stapeltje boeken in haar armen, een paar over de Tweede Wereldoorlog en een roman van Isabel Allende. Ze zag eruit als een deftige dame, in een mooie rok, met net gekapt haar en felroze gestifte lippen. Ik was haar net aan het bekijken toen de lift kuren begon te krijgen, alle lichtjes begonnen te flikkeren, daarna kraakte hij een beetje en toen hield hij er helemaal mee op. Zo kwam het dat we vast zaten tussen de vierde en vijfde etage. In de verte hoorden we de bibliotheekgeluiden zoals gewoonlijk. Jengelende kinderen, aankondigingen van het bibliotheektheater en lage stemmen van puberjongens gevolgd door hoog gegiechel van pubermeisjes.

 

Ik voelde me verheugd- ik maakte iets mee. Ik drukte op het knopje waar een plaatje van een bel op stond. Er gebeurde niks maar ik stelde me een alarmcentrale vol knappe brandweermannen voor die ons nu kwamen redden.

 

‘Zul je altijd zien’ zei de dame. ‘Zul je altijd zien’ dacht ik. Voor mij was het de eerste keer dat ik vast kwam te zitten in de lift, maar kennelijk had ik hier te maken met een expert. ‘Is het u vaker overkomen?’ vroeg ik. ‘God, nee gelukkig niet’ zei de dame.

‘Oh, omdat u zei- zul je altijd zien.’

‘Bij wijze van spreken bedoelde ik. Trouwens heb je nu al op die alarmknop gedrukt?’

 

‘Ja, maar ik zal het nog eens doen.’ Ik deed het nog eens en fantaseerde over een langdurige intense en ook nog eens onwaarschijnlijke vriendschap die zou ontstaan in deze lift. Dat zij kunstenares was en ik haar onverwachtse muze die aan haar sterfbed zou zitten en in één adem genoemd zou worden met haar. De werkelijkheid haalde me hardhandig terug de lift in toen ze zei: ‘ik hou het niet meer.’

 

‘Ze komen zo, het komt wel goed’ zei ik.

 

‘Nee, ik hou het niet meer’ zei de dame terwijl ze met haar benen begon te wiebelen.

 

‘De leeftijd’ zei ze verontschuldigend.

 

Ik keek in mijn tas, maar trof daar geen toilet aan. Wel een appel, portemonnee, telefoon met de oplader er nog aan, en een half flesje water.

 

‘Moet u veel?’

 

‘Kind, wel tien keer per dag.’

 

‘Nee, ik bedoel per keer.’

 

‘Per keer?’

 

‘De hoeveelheid, is het veel?’

 

‘Was het maar veel, het zijn altijd beetjes’ zuchtte de dame. Ze was rood aangelopen en zag er erg ongelukkig uit.

 

‘U mag wel in mijn waterflesje als u wilt.’

 

‘Dat lukt me nooit- zo’n klein flesje, moet ik die zeker onder mijn rok duwen?’

 

‘Ik zal niet kijken’ beloofde ik.

 

Ze nam het flesje aan in ruil voor haar boeken en ik ging met mijn gezicht naar de deur staan, zo dicht mogelijk zodat ze de ruimte zou hebben.

 

Ik hoorde haar zuchten, steunen, het geluid van ritselende kleding. Ik hoorde niet het geluid van een waterflesje dat volliep.

 

‘Sorry’ klonk het achter me. ‘Dat gepruts met zo’n klein flesje is niks voor mij.’

 

‘Mag ik me omdraaien?’

 

‘Ja.’

 

In de hoek van de lift stond de dame, ze stond midden in haar plas. In haar linkerhand hield ze haar onderbroek, in haar rechter mijn waterflesje dat ze aanreikte. Ze mocht het houden.

 

‘Wat een opluchting’ zei ze terwijl ze haar slipje nauwkeurig opvouwde en in haar tas stopte.

 

Ik knikte en keek naar de plas, die zich langzaam als olie verplaatste. Met een schok kwam de lift ineens in beweging. De plas verplaaste zich nu snel als water en eenmaal aangekomen op de vijfde etage stond ook ik met beide voeten in de nattigheid.

 

‘Veel plezier nog in Frankrijk’ zei de dame terwijl ze haar boeken weer terug nam uit mijn armen.

‘U ook met de Tweede Wereldoorlog’ zei ik. 

Lijntjes

28-11-2014

U kunt die lijnen toch zien?

U kunt die lijnen toch zien?

/

28-11-2014

Het is een gure dag, de hemel is grijs en zo nu en dan miezert het een beetje. Ik heb net 25 minuten tegen de wind in gefietst en ben eindelijk aangekomen bij de bibliotheek.

Het plein voor de bibliotheek is leeg, met zulk weer kun je hier niet zitten, laat staan een sigaret opsteken. Alleen een handjevol mannen in fluorescerende gele pakken staat voor het gebouw, ze zien eruit als eenzame astronauten in de wind. Ze zullen het wel koud hebben. Een van de mannen roept iets naar me, maar ik kan hem niet verstaan. Hij gebaart druk naar de fietsen die achter hem zijn opgesteld. Ik begin het te begrijpen, deze man heeft te maken met de fietsen. Ik zet mijn fiets bij de rest neer en ga de bibliotheek in.

Binnen is het warm en rustig, alleen het gezoem van de roltrappen klinkt door het gebouw. Het gebouw voelt nu al gedateerd aan, terwijl het zo fris en nieuw was een paar jaar geleden. Zonde, maar misschien werkt het met alles op die manier.

Ik lever mijn boeken in, zoek het boek voor mijn leesclub en ga dan weer terug naar buiten.

Mijn fiets is weg.

Ik wandel wat rond, ik heb vaker meegemaakt dat ik mijn fiets ergens anders had geparkeerd dan ik had onthouden. Ik speur alle barrels af, hij zou toch niet gejat zijn? Dan zie ik op het grasveldje verderop allemaal losse fietsen op hun zij liggen. De mijne ligt er ook tussen.

Fietsen worden gejat, gesloopt, ze vallen om, ze worden opzij geschoven… Maar ze wandelen niet spontaan een grasveldje in, om daar op hun zij te gaan liggen. Een van de astronauten staat met zijn rug naar me toe, hij kijkt uit over de grijze omgeving. Ik lees wat er op de achterkant van zijn hesje staat: ‘Fietscoach’.

Ik help mijn fiets overeind en loop met de fiets aan de hand naar de fietscoach. ‘Mag ik wat vragen?’
Hij knikt.
‘Weet u misschien hoe het komt dat mijn fiets verderop in het gras terechtgekomen is?’
De man kijkt met een blik vol chagrijn naar mijn fiets.
‘Die hebben wij daar gegooid.’

‘Mag ik vragen waarom u met fietsen gooit?’

Geïrriteerd loopt hij naar de plek waar de fietsen staan. Hij wijst op de grond.
‘U kunt die lijnen toch zien?’
‘Ja.’
‘Nou, daarbuiten mag u niet parkeren.’
‘Maar er is geen plek binnen de lijntjes omdat er heel veel fietsen zijn omgevallen…’ begin ik.
‘Dat komt door de wind,’ zegt de man.
‘Dat begrijp ik, maar moet u ze als fietscoach dan niet oprapen?’
‘Nee, wij hebben één taak en dat is te zorgen dat fietsen correct worden geparkeerd.’

Een andere fietser komt bij ons staan. Het is een oudere man met een grote grijze snor, op zijn hoofd draagt hij een klein donkerblauw mutsje. Een soort kapitein zonder schip.

‘Wat is er hier aan de hand?’
‘Nou,’ zeg ik, ‘als je je fiets buiten de lijntjes zet, gooien deze fietscoaches je fiets in het grasveld. Als je hem binnen de lijnen zet en de hele boel valt om, doen ze niks.’
De fietser fronst.
‘Deze mevrouw wil niet meewerken aan het parkeerbeleid,’ zegt de fietscoach.

De man met het mutsje kijkt naar de coach en naar mij en dan nog eens. ‘Godskolere nog aan toe,’ zegt hij dan. Hoofdschuddend fietst hij weg.

‘Ik wil best meewerken,’ zeg ik, ‘ik ben dol op meewerken. Maar wat vind u er zelf eigenlijk van?’
‘Fietsen moeten juist geparkeerd worden. Dat is waarom ik hier aan het werk ben’ zegt de man.
‘Maar wat vindt u er zelf van?’
‘Het is goed om fietsen juist te parkeren.’

En daar viel natuurlijk geen speld tussen te krijgen.

Lunch

11-06-2015

Verlang niet naar meer.

Verlang niet naar meer.

/ /

11-06-2015

Vandaag was het een woensdag, en het was mooi weer. Vroeger had deze combinatie van omstandigheden een bepaald gevoel opgeleverd, iets van vreugde en belofte. Buiten spelen, ijsjes eten, watergevechten misschien. Nu zei Mette het alleen maar tegen zichzelf om de eindeloze stroom van gedachten te doen stoppen. Ze kende haar hoofd, wist waar het toe in staat was, maar nooit had ze de controle werkelijk verloren, waren de woorden niet te stoppen. Vandaag was het anders. De gedachtenstroom was onhoudbaar. Zachtjes begon ze de gedachten uit te spreken, want wanneer ze aan het praten was, kon ze er niet doorheen denken.

De lunchpauze was net begonnen en omdat haar twee favoriete collega’s een overleg hadden, liep ze in haar eentje tussen de grote gebouwen, op weg naar het kleine supermarktje. Iedereen droeg kleding in blauw, grijs, beige en zwart.

Ze liep met kleine pasjes, haar smalle rok en hoge hakken lieten haar geen andere mogelijkheid dan kittig te lopen.

In het supermarktje pakte ze de salade die ze altijd at, en een flesje rode vruchtensap. Normaal dronk ze water, maar dat was geen onderdeel van de combideal van de dag. Eten en drinken voor een mooi rond bedrag. Op kantoor zeiden ze soms: neem je een cd’tje voor me mee? Het was elke dag anders, maar na drie jaar werken op dezelfde plek was er geen combideal meer te bedenken die ze niet al eerder had gehad. Ze keek naar de boodschappen in haar hand. Honderden mensen zouden vandaag hetzelfde eten als zij.

Er werkten geen kassamedewerkers meer in de winkel. Ze scande haar boodschappen zelf en pinde zonder een code in te toetsen. Intussen bleef haar hoofd tollen van de zinnen, flarden van zinnen, ideeën, meningen, angsten, losse woorden, monologen, dialogen, gefluister en geschreeuw.

Ze haatte haar baan.

Ze wist het, maar nooit zou ze het hardop uitspreken, ze durfde het haast niet te denken. Ze werd goed betaald, werkte voor een bekend bedrijf, was bevriend met een aantal collega’s. Ze had een huis gekocht, ging op vakantie, kocht mooie tassen. Maar niets hielp werkelijk, ze haatte haar baan.

‘Wees niet bang, niemand weet waar hij mee bezig is, ze denken er alleen niet over na,’ prevelde ze nu hardop. Het was een mantra dat ze had geschreven naar aanleiding van een artikel in een vrouwenblad. Het sturen van je eigen gedachten, zo stond er, was erg eenvoudig. Daarom besloeg het verhaal slechts anderhalve pagina met veel spirituele afbeeldingen eromheen. Ze had het in elk geval erg serieus genomen en uitgeknipt, gekopieerd, gelamineerd en op verschillende plekken in haar huis gelegd.

Ze ging op een bankje zitten en begon de salade te eten met de houten vork die ze erbij gepakt had. Elke dag een houten vork, elke dag een plastic bakje, elke dag een plastic flesje, elke dag twee servetjes. Ze zou vast naar de hel gaan.

Er liepen twee jonge vrouwen voorbij. Alles aan hen ademde ambitie en belofte.

‘Waar zie jij jezelf over vijf jaar?’ vroeg de linker aan de rechter. Het antwoord kon Mette niet verstaan, de twee liepen stevig door, hadden vast geen tijd voor pauzes.

Mette begon te prevelen. ‘Over vijf jaar? Ik weet niet eens wat ik vanavond ga eten- dus waar heeft iedereen het toch over? Het kan niet zijn dat dit het is- dat dit hier, deze onzin, dat dit het is.’

Een andere stem klonk ineens: ‘Waarom niet- waarom niet?’

Voordat ze kon antwoorden, kwam er een tweede stem bij: ‘Verlang niet naar meer- verlang naar dat wat je hebt.’

Mette schudde met haar hoofd. Ze kon niet gek worden, niet vandaag, er was geen tijd. Ze sloot haar ogen.

Een harde stem klonk dicht bij haar gezicht. ‘Hallo? Kun je mij horen?’

Er werd aan haar schouders getrokken, geschud.

Ze opende haar ogen. Boven haar hingen bezorgde gezichten met gekromde lichamen eraan.

‘Je bent flauwgevallen’

‘Weet je waar je bent?’

‘Kunnen we iemand voor je bellen?’

Ze sloot haar ogen weer.

Een collega van een andere afdeling liep voorbij en belde de secretaresse die haar naar huis bracht. De bedrijfsarts werd ingeschakeld. Er werden bloemen bezorgd. Het kwam veel voor, zeiden mensen uit haar omgeving. Ze had te hard gewerkt, was te ambitieus, dat soort dingen.

Mette staarde apathisch voor zich uit in een leunstoel in de tuin van haar ouders. De gedachten waren opgehouden, ze hoorde slechts nog een zacht gezoem. Zodra ze de juiste pillen en de juiste dosering hadden gevonden, zou ze weer aan het werk gaan. Ze dacht dat ze ernaar uit keek.

Mager

07-03-2014

Zoiets zegt iets over je persoonlijkheid.

Zoiets zegt iets over je persoonlijkheid.

/ / /

07-03-2014

We keken naar de voorbijrennende kinderen die net een ijsje hadden gegeten. We keken naar de kinderen die hun ijsje lieten smelten tot over het hoorntje, tot over hun handen, tot over de mouwen van hun truitjes. We keken naar de oude dame die met muizenhapjes een bolletje perenijs aan het eten was. We keken naar de meisjes van de ijssalon die chagrijnig waren, maar daar geen tijd voor hadden.

Mijn vriendin Mara, of eigenlijk- mijn kennis Mara, mijn vriendin van vroeger, mijn oude klasgenoot, wist nu zeker wat voor man ze eigenlijk zocht en daarom zaten we hier, bij de ijssalon. Dit gesprek hadden we al vaker, veel vaker gevoerd. Mara was een ‘serial dater’ ofwel iemand die verslaafd was aan gekwetst worden. Alle aandacht die ze kon krijgen was welkom, ongeacht wie de persoon in kwestie was, ongeacht het soort aandacht. Vroeger stelde ze elke nieuwe man voor aan haar hele vriendenkring en aan haar ouders.

Dat was nu wel voorbij- die keer dat ze met een opgefokte bankier was verschenen was er één teveel geweest. Het probleem was niet dat hij alleen maar over geld sprak, commentaar gaf op het eten en coke snoof aan tafel. Dat soort dingen waren we wel gewend van Mara’s mannen. Het probleem was dat hij lingerie meenam van de vriendinnen van Mara. En niet alleen bij de vriendinnen, maar ook bij haar zussen en zelfs bij haar moeder bleek er ondergoed te missen. Het was ook haar moeder die het als eerste opmerkte. Zij was haar bh met extra kabels langs de voorkant kwijtgeraakt. Eeuwig zonde, ze voelde zich altijd zo lekker vrouwelijk met haar borsten als rollades ingepakt.

Sindsdien was Mara niet meer welkom met haar mannen. In tranen beloofde ze iedereen op zoek te gaan naar zichzelf, eerlijk te zijn over wat ze nu werkelijk zocht en nodig had, en nog meer van die dingen die ze in tijdschriften had gelezen. Dat was nu vier maanden geleden. Vandaag kwam ze met de uitslag van haar zelfonderzoek, had ze van tevoren aan de telefoon gezegd. 

Eerst kochten we ijs, ik bestelde twee bolletjes vanille in een bakje, waarop Mara me veelbetekenend aankeek. Zoiets zegt kennenlijk iets over je persoonlijkheid. Het zegt dat ik behoudend ben, een controlefreak, een perfectionist en mogelijk racistisch. Dat zei ze. Ik zei dat het betekende dat ik van vanille-ijs houd en niet van vieze handen en goedkope koekjes. Mara schudde haar hoofd en bestelde toen drie bolletjes ijs op een groot hoorntje. Ze nam chocolade, pistache en aardbei. Misschien had ze toch gelijk, dacht ik. Je moest wel gestoord zijn om zulke dingen op te eten. Maar ik zei niks. Met het eten van het ijs verbeterde de stemming weer een beetje, we gingen in de zon op een bankje zitten.

 

‘Okee, wat heb je ontdekt de afgelopen maanden?’

 

‘Nou, ik ben eruit wat ik nodig heb,’ zei Mara. ‘Wat ik zoek. De man die ik zoek is mager. Ja, ik zoek een magere man. Een hele magere, met van die jukbeenderen die uitsteken.’

 

‘Een magere man? Hoezo? Ik hou juist van mannen met een beetje vlees eraan. Niet dik ofzo, maar een stevige vent, een buikje vind ik niet erg. Dat kleedt ook af in bed, denk je niet?’

 

Ze nam nog een hapje. ‘Nou, dat kan misschien wel zijn, maar ik denk dat een hele magere het zal zijn voor mij.’

 

‘Het is wel lekker makkelijk zoeken naturlijk,’ zei ik. ‘Hup de kroeg door- op zoek naar een magere vent. Maar waarom per se heel mager? En is alleen op uiterlijk selecteren wel de beste manier? Niet dat ik er verstand van heb hoor. Maar heel mager?’

 

Nu zei ze een tijdje niks. Ik zei ook niks. 

 

 

‘Het klinkt een beetje gek misschien,’ begon ze, ‘maar het is om te wennen.’

 

‘Om te wennen?’

 

‘Ja, kijk- in het westen gaan de meeste mensen dood aan één of andere ziekte, of aan hun hart. Maar een magere man gaat niet dood aan zijn hart. Die gaat dood aan kanker.’

 

‘Nou, dat is niet gezegd toch- hij kan ook onder een auto komen, of een andere nare ziekte krijgen die alleen maar letters als naam heeft, of een domme hobby beginnen en van een berg vallen ofzo..’

 

‘Tuurlijk- maar dat is allemaal minder waarschijnlijk.’

 

Mara zuchtte heel diep.

 

‘Ik wil gewoon een man die er al een beetje uiziet alsof hij aan het einde is. Dan hoef ik er niet zo aan te wennen. Snap je?’

 

Ik keek naar de ouders van de kinderen met de ijsjes. Ze zagen er moe uit.

 

‘Snap je?’ Zei ze nog een keer.

 

‘Nee, natuurlijk niet.’

 

‘Jammer.’

 

‘Ja, jammer.’

Mayonaise

29-10-2017

Ze leefde een leven zoals de bedoeling was.

Ze leefde een leven zoals de bedoeling was.

/ / /

29-10-2017

Didi was een gewone vrouw met een gewoon leven. Ze had een goede kantoorbaan, een prettige woning en een lieve vriend. Ze woonde in een net huisje niet ver van het centrum van een grote stad.

Op donderdagavond ging ze naar de sportschool, op maandag rende ze een rondje door het park. Op woensdagavond in de oneven weken sprak ze af met een clubje vriendinnen van haar studie. Dat werd nooit laat, want ook haar vriendinnen moesten de volgende dag weer op tijd op. Bovendien wilden ze allemaal acht uur slaap halen. Dan functioneerde je het beste, zo vonden ze.

Er waren meer dingen waar ze het over eens waren. Hoe een leuk ingericht huis eruit zag, bijvoorbeeld. Welke restaurants het bezoeken waard waren, welke boeken het lezen. Wat een leuke grap was, wat lekker gek was en wat ongepast. Soms vroegen mensen of Didi en haar vriendinnen zussen waren, of nichtjes ten minste. Die vraag amuseerde hen. Tegelijkertijd dachten ze allemaal hetzelfde: dat zijzelf dan wel de knapste zou zijn van het stel.

Didi droeg graag kleding van merken uit het middensegment, want dat bleef langer mooi. Ze dronk kruidenthee met een wijze spreuk op het theezakje en in het weekend een glaasje witte wijn. Soms las ze een boek, elke avond keek ze tv.

Soms waren er tegenslagen, soms meevallers. Soms kibbelde ze met haar vriend, meestal was het gezellig. Ze was attent naar vrienden en familie. Elke zes maanden ging ze naar de tandarts, elke zes weken naar de kapper. Afval werd gescheiden en ze stond op voor oude mensen in de bus. Didi leefde kortom, een leven zoals de bedoeling was.

Toch was er recentelijk een bepaalde onrust in haar leven gekomen, en wel in de gedaante van een man die ze nog nooit in het echt had ontmoet. De man was acteur, maar eigenlijk was hij vooral bekend als de mayoman uit een serie reclames voor mayonaise. Ze had de reclames tientallen keren gezien zonder in de war te raken, zelfs zonder de mayo te willen kopen.

Het was begonnen met een interview in een damesblad waarvan ze de inhoud niet meer zou kunnen herhalen en ook de foto’s was ze al praktisch vergeten. Toch was er iets gebeurd, want vanaf dat moment was hij overal waar zij was. Wanneer ze haar boodschappen op de band legde in de supermarkt, keek ze om zich heen om te zien of hij er toevallig ook was. Wanneer ze zich aankleedde, probeerde ze zich voor te stellen wat het mooiste zou passen terwijl ze naast hem zou staan. Wanneer ze in een van haar kookboeken bladerde stelde ze zich voor wat hij lekker zou vinden.

Want dat van die mayoreclame, dat was alleen voor het geld natuurlijk. Het was een man met klasse, een eindeloos diepe ziel, een poëtische geest, een man die geen banale dingen zou zeggen.

In haar hoofd zaten ze lange avonden aan het haardvuur in zijn huis, terwijl ze gesprekken voerden waaruit bleek dat ze zielsverwanten waren. In haar hoofd dronk ze rode wijn in plaats van witte, in haar hoofd was ze een vrouw die hoofden deed omdraaien op straat, een bijzondere verschijning.

De parallelle wereld breidde zich elke dag een beetje verder uit. In haar hoofd waren ze al naar Parijs verhuisd, teruggekomen, hadden ze een zoon gekregen en kwam er nu een geweldige kans in New York op hun pad.

Haar drukke innerlijk bestaan maakte dat ze zowel vrolijker als somberder werd.

Wanneer ze foto’s zag van zichzelf met haar vriend, op een huwelijk ergens op een middelmatige locatie, met eten dat te zout was, dan kon ze haar computer wel uit het raam gooien. Het kon niet zijn dat dit het was, dit leventje, dit gedoetje. Op andere momenten werd ze juist vrolijk wakker na een nacht vol dromen over de mayoman, en bekeek ze kleding voor haar toekomstige leven. Stiekem bereidde ze zich steeds meer voor op het bestaan met de mayoman, ook al wist ze dat het belachelijk was.

Ze durfde aan niemand te vertellen wat er gaande was in haar hoofd. Vriendinnen hadden gezegd dat haar ogen sprankelden, haar haren glanzender leken. Haar vriend had gezegd dat ze emotioneler was dan anders, maar was ook blij met haar verhoogde libido, niet wetend dat zij de mayoman zag wanneer ze haar ogen sloot.

Het was op een regenachtige avond in november dat ze de mayoman in levende lijve zag. Het toeval was een handje geholpen, Didi had uitgebreid onderzocht waar hij woonde, waar hij boodschappen zou doen. Het was flink om, maar niemand hoefde ervan te weten.

Ze baalde van haar outfit die dag, maar het gure weer had haar gedwongen tot het aantrekken van een groot vest en stevige laarzen. De mayoman zelf zag er ook niet al te florissant uit, in een groene parka en met beslagen brillenglazen (een bril die ze nog niet eerder had gezien maar uiteraard meteen charmant vond).

Subtiel achtervolgde ze hem van schap naar schap en uiteindelijk zorgde ze ervoor dat ze precies achter hem in de rij kwam te staan.

Halsreikend keek naar de boodschappen die hij op de band legde. Het begon anders dan ze dacht, met een halfje casino wit. Daarna volgden een fles aanmaaklimonade, de goedkoopste leverworst die er maar bestond, een pak pasta, een potje kant-en-klare carbonarasaus, twee pakken chocoprinskoeken, een zak wokkels en een fles felgroene Fernandes.

Misschien had hij een kind te logeren, probeerde ze zichzelf gerust te stellen. Een neefje ofzoiets. Maar er was geen kind te bekennen. Met lede ogen keek ze hoe de mayoman alles in een versleten Aldi-tasje stopte.

Daarna zag ze haar toekomst langs de scanner gaan. Goede wijn, ambachtelijk brood, verse kaas, zalm gerookt op eikenhout.

Ze dacht aan haar goedzakkige vriend die nu op de bank zou zitten. Ze dacht nog eens aan de mayoman, aan haar gedroomde toekomst.

En toen barstte ze in tranen uit.