Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Lunch

11-06-2015

Verlang niet naar meer.

Verlang niet naar meer.

/ /

11-06-2015

Vandaag was het een woensdag, en het was mooi weer. Vroeger had deze combinatie van omstandigheden een bepaald gevoel opgeleverd, iets van vreugde en belofte. Buiten spelen, ijsjes eten, watergevechten misschien. Nu zei Mette het alleen maar tegen zichzelf om de eindeloze stroom van gedachten te doen stoppen. Ze kende haar hoofd, wist waar het toe in staat was, maar nooit had ze de controle werkelijk verloren, waren de woorden niet te stoppen. Vandaag was het anders. De gedachtenstroom was onhoudbaar. Zachtjes begon ze de gedachten uit te spreken, want wanneer ze aan het praten was, kon ze er niet doorheen denken.

De lunchpauze was net begonnen en omdat haar twee favoriete collega’s een overleg hadden, liep ze in haar eentje tussen de grote gebouwen, op weg naar het kleine supermarktje. Iedereen droeg kleding in blauw, grijs, beige en zwart.

Ze liep met kleine pasjes, haar smalle rok en hoge hakken lieten haar geen andere mogelijkheid dan kittig te lopen.

In het supermarktje pakte ze de salade die ze altijd at, en een flesje rode vruchtensap. Normaal dronk ze water, maar dat was geen onderdeel van de combideal van de dag. Eten en drinken voor een mooi rond bedrag. Op kantoor zeiden ze soms: neem je een cd’tje voor me mee? Het was elke dag anders, maar na drie jaar werken op dezelfde plek was er geen combideal meer te bedenken die ze niet al eerder had gehad. Ze keek naar de boodschappen in haar hand. Honderden mensen zouden vandaag hetzelfde eten als zij.

Er werkten geen kassamedewerkers meer in de winkel. Ze scande haar boodschappen zelf en pinde zonder een code in te toetsen. Intussen bleef haar hoofd tollen van de zinnen, flarden van zinnen, ideeën, meningen, angsten, losse woorden, monologen, dialogen, gefluister en geschreeuw.

Ze haatte haar baan.

Ze wist het, maar nooit zou ze het hardop uitspreken, ze durfde het haast niet te denken. Ze werd goed betaald, werkte voor een bekend bedrijf, was bevriend met een aantal collega’s. Ze had een huis gekocht, ging op vakantie, kocht mooie tassen. Maar niets hielp werkelijk, ze haatte haar baan.

‘Wees niet bang, niemand weet waar hij mee bezig is, ze denken er alleen niet over na,’ prevelde ze nu hardop. Het was een mantra dat ze had geschreven naar aanleiding van een artikel in een vrouwenblad. Het sturen van je eigen gedachten, zo stond er, was erg eenvoudig. Daarom besloeg het verhaal slechts anderhalve pagina met veel spirituele afbeeldingen eromheen. Ze had het in elk geval erg serieus genomen en uitgeknipt, gekopieerd, gelamineerd en op verschillende plekken in haar huis gelegd.

Ze ging op een bankje zitten en begon de salade te eten met de houten vork die ze erbij gepakt had. Elke dag een houten vork, elke dag een plastic bakje, elke dag een plastic flesje, elke dag twee servetjes. Ze zou vast naar de hel gaan.

Er liepen twee jonge vrouwen voorbij. Alles aan hen ademde ambitie en belofte.

‘Waar zie jij jezelf over vijf jaar?’ vroeg de linker aan de rechter. Het antwoord kon Mette niet verstaan, de twee liepen stevig door, hadden vast geen tijd voor pauzes.

Mette begon te prevelen. ‘Over vijf jaar? Ik weet niet eens wat ik vanavond ga eten- dus waar heeft iedereen het toch over? Het kan niet zijn dat dit het is- dat dit hier, deze onzin, dat dit het is.’

Een andere stem klonk ineens: ‘Waarom niet- waarom niet?’

Voordat ze kon antwoorden, kwam er een tweede stem bij: ‘Verlang niet naar meer- verlang naar dat wat je hebt.’

Mette schudde met haar hoofd. Ze kon niet gek worden, niet vandaag, er was geen tijd. Ze sloot haar ogen.

Een harde stem klonk dicht bij haar gezicht. ‘Hallo? Kun je mij horen?’

Er werd aan haar schouders getrokken, geschud.

Ze opende haar ogen. Boven haar hingen bezorgde gezichten met gekromde lichamen eraan.

‘Je bent flauwgevallen’

‘Weet je waar je bent?’

‘Kunnen we iemand voor je bellen?’

Ze sloot haar ogen weer.

Een collega van een andere afdeling liep voorbij en belde de secretaresse die haar naar huis bracht. De bedrijfsarts werd ingeschakeld. Er werden bloemen bezorgd. Het kwam veel voor, zeiden mensen uit haar omgeving. Ze had te hard gewerkt, was te ambitieus, dat soort dingen.

Mette staarde apathisch voor zich uit in een leunstoel in de tuin van haar ouders. De gedachten waren opgehouden, ze hoorde slechts nog een zacht gezoem. Zodra ze de juiste pillen en de juiste dosering hadden gevonden, zou ze weer aan het werk gaan. Ze dacht dat ze ernaar uit keek.

Landelijk

26-05-2015

Tot wat zou hij wel niet in staat zijn?

Tot wat zou hij wel niet in staat zijn?

/ / /

26-05-2015

Het was een normale woensdag in het voorjaar. Jannes was wakker geworden naast Lize, zijn tamelijk mooie vriendin, in hun pas opgeknapte slaapkamer. ‘Een landelijke sfeer, lijkt je dat niet fijn?’ had ze gezegd en hij had geknikt en zijn pinpas aan haar meegegeven toen ze naar de bouwmarkt ging. Ze kocht vier potten verf in verschillende lijkkleuren. Ze liet een grote garderobekast met bijpassend bed en twee nachtkastjes bezorgen en in elkaar zetten door de bezorgers van de meubelzaak. Aan de muur hing ze een hart gemaakt van gevlochten takken. Over het bed gooide ze een plaid met kleine bloemetjes erop. Daarop lagen weer allerlei losse kussens in de juiste kleuren. Ook had ze bijna vijfhonderd euro uitgegeven aan een gammele kaptafel met afgebladderde verf. ‘Lekker brocante,’ had ze gezegd toen ze zijn blik door de kamer volgde. ‘Vind je het mooi?’ vroeg ze daarna. Jannes kon alleen maar denken aan manieren waarop hij zou kunnen sterven in deze kamer.

Hij voelde echter haar ogen prikken en zei daarom: ‘Liefste, het is veel mooier dan ik had durven dromen. Je hebt echt talent.’ Ze hadden gekust en het nieuwe bed ingewijd, uiteraard niet voordat de plaid en de kussens zorgvuldig van het bed waren gehaald, want anders zou de boel nog vies worden.

Deze woensdagochtend, het was tien voor vijf, lag Jannes klaarwakker in bed. Lize was in diepe slaap en draaide zich nog eens om. Hij was nog nooit zo wakker geweest als vandaag. Zijn lichaam voelde alsof het niet van hem was. Het voelde anders, het voelde sterk en ongedurig. Jannes zocht naar het weke gevoel dat hij al jaren in zijn lijf had, dat weke gevoel van kantoorbaan en autoritjes. Hij zocht naar de nekpijn die hem al jaren van therapeut naar therapeut bracht en hem tot de aanschaf van een duur Japans hoofdkussen had gedreven. Hij keek naar links en naar rechts, de pijn was werkelijk weg. Toch voelde Jannes geen opluchting.

Want die nekpijn, die verdomde pijn, het was wel zijn pijn geweest en nu werd het hem ineens afgenomen.

Hij dacht aan zijn werk, het waren onrustige tijden in het bedrijf. Niet voor hem, hij was verzekerd van werk. Het verbaasde hem hoe weinig empathie hij voelde bij de angst in de ogen van collega’s die hun positie minder zeker waren. Net als zij maakte hij lange dagen, hoewel hij het zelf niet zo ervoer. Lange dagen, lange dagen, dacht hij, wat was er nou lang aan? Slapen, eten, series kijken, werken. Op vrijdag een biertje, op zondag voetballen. Op zaterdag iets leuks met Lize. Zijn tijd zat keurig vol op deze manier, en dat was toch precies waar het om ging? De tijd volmaken, niet teveel stress, niet teveel schulden, gewoon de tijd volmaken en deelnemen aan allerhande rites de passage. Huwelijken, geboortes, begrafenissen en feestdagen. Af en toe een weekje naar de zon en met vrienden op wintersport.

Hij sloot zijn ogen. Hopelijk zou hij de slaap nog kunnen vatten, het was inmiddels vijf uur, maar nog steeds geen tijd om op te staan. Hij probeerde zijn lichaam te ontspannen, maar het voelde nog steeds alsof hij in de startblokken zat voor een wedstrijd hordenlopen. Tot wat zou hij wel niet in staat zijn met deze kracht, deze energie? Hij kon niks bedenken, had niks te dromen, geen fantasie, geen gekoesterde wens. Het was een belachelijk tijdstip en hij moest nog even slapen, besloot hij. Voorzichtig kroop hij dichter naar Lize, duwde zijn neus in haar hals. Langzaam gleed hij terug de nacht in.

Om zeven uur ging de wekker. Verdwaasd keek hij om zich heen. De nekpijn was er weer en zijn ledematen voelden zwak zoals hij gewend was. In de badkamer hoorde hij Lize onder de douche. Ze kwam de slaapkamer in met een handdoek om haar haren gewikkeld en een badjas aan. ‘Opstaan, slaapkop,’ zei ze opgewekt. Jannes keek naar haar, naar het beddengoed, naar de landelijke slaapkamer. Hij wilde haar vertellen over deze nacht, over hoe sterk hij was geweest en hoe de pijn in zijn nek verdwenen leek. Maar dat was niet hoe zijn woensdagochtenden verliepen. Daarom stond hij op, nam hij een douche en zette hij daarna een kopje koffie. Zijn cupjes zaten in het linker mandje met het woord ‘Home’ erop. Ook de keuken kreeg langzaamaan een landelijk karakter.

Nooit zou hij het gevoel van die nacht vergeten. Aan zijn kleinkinderen zou hij later vertellen dat die vroege woensdagochtend het enige moment uit zijn leven was waarop hij werkelijk had gevoeld hoe het was om krachtig te zijn. Dat hij van angst de slaap had opgezocht, vertelde hij er nooit bij.

Bakker

14-05-2015

Alles ging sneller dan verwacht.

Alles ging sneller dan verwacht.

/ /

14-05-2015

Ik stond bij de bakker en hoewel dit heel probleemloos klinkt, als een situatie die je ook in de overzichtelijke jaren vijftig had kunnen meemaken, ervoer ik stress. Bakkerijen zijn vreemde brede winkels waar rijen horizontale lijnen zijn, waar je eerst de vitrines niet kunt zien en wanneer je dan eindelijk aan de beurt bent, je zo erg schrikt van deze verandering, dat je zomaar wat dingen roept. En dan sta je weer buiten met een zeemansrogge, twee kaascroissants, twee vitaaltjes en vier kampioentjes. Thuis lieg je dat de krentenbollen op waren.

Ik had al vaak nagedacht over deze situatie en op een avond aan mijn vrienden gevraagd of ze dit bakkersleed herkenden. Meewarig keken ze me aan. ‘Ik heb geen tijd om naar de bakker te gaan,’ zei de een. ‘Ik weet precies wat ik wil en wanneer ik aan de beurt ben,’ zei de ander. ‘Brood is echt heel slecht voor je,’ zei de derde terwijl ze een schijfje komkommer met bietenpaté insmeerde.

Hoewel ik me onbegrepen voelde, had dit gesprek me ook moed gegeven. Er bestond kennelijk helemaal geen probleem, dus hoefde ik het alleen maar uit mijn eigen hoofd te krijgen. Ik besloot naar de bakker te gaan, op een druk tijdstip en zonder lijstje. Ik zou wachten tot mijn beurt en dan rustig de tijd nemen, rond kijken en dan pas zou ik een keuze maken.

Als ik een half brood wilde, zou ik een half brood bestellen.

Ook als er nog maar één hele op de plank zou liggen. Brood kan niet zielig zijn, hield ik mezelf voor terwijl ik dacht aan het arme eenzame halfje dat zou achterblijven.

Het plan mislukte bij binnenkomst al een beetje: het was niet druk, en dat was nu precies deel van de oefening. Er stond een heer in een lange donkerblauwe jas, in zijn linkerhand een leren tas. Naast hem stond een oudere vrouw met een rollator, ze droeg een grote lichtgele jas die het geheel met haar pluizige haar een sfeer van Pasen gaf. In de hoek stond een meisje van een jaar of zeventien met lang blond haar. Ze droeg een kort leren jasje en jeans met gaten bij haar knieën.

De heer bestelde een broodje pastrami en ik was blij dat ik dat niet hoefde te maken, want hoe zag pastrami er eigenlijk uit? De oude vrouw wilde een halfje casino wit en een krentenbrood. Daarna was het meisje aan de beurt, en dan kon ik mijn oefening gaan uitvoeren. Eigenlijk had ik helemaal geen honger, maar dat maakte niet uit, het ging om het proces, niet om het product.

Ik keek opzij naar het meisje. Haar knieën keken terug als twee kale oude mannetjes. De linkerknie leek echt een soort gezicht te hebben, een nors gezicht met een platte neus.

‘Heb ik iets van je aan ofzo?’ Klonk het ineens nijdig.

Ik keek geschrokken op, het meisje keek me vuil aan. ‘Nee, nee, niets. Maar ik dacht dat je knie een gezichtje had, van een oud mannetje..’

‘Sorry?’

‘Nou, een soort oud mannetje, met een kleine platte neus…’

‘Wie kan ik helpen?’ Klonk nu de stem van de bakkersvrouw.

‘Een chocoladebroodje,’ zei het meisje terwijl ze twee euro op de toonbank legde. De bakkersvrouw gaf het zakje aan. Alles ging sneller dan verwacht.

‘Gestoord wijf,’ siste het meisje tegen me terwijl ze de winkel uitliep.

‘Wat mag het voor u zijn?’ Vroeg de bakkersvrouw.

Ik stamelde maar wat en rekende €14,65 af. Buiten had ik geen idee wat er in mijn tas zat. Ik dacht aan de linkerknie van het meisje en voelde hoe hij me aan het uitlachen was.

Agenda

28-04-2015

Dit stond niet gepland voor deze dag.

Dit stond niet gepland voor deze dag.

/ / /

28-04-2015

Odette kijkt op haar horloge hoewel dat eigenlijk niet nodig is, haar mobiele telefoon vertelt ook de tijd en haar mobiele telefoon laat ze geen moment los. Er valt ook niet aan te ontkomen, denkt ze bij zichzelf. Ze heeft afspraken vandaag, en haar schema loopt in de soep door de vertraging van de trein. Ze had ook nooit de trein moeten nemen, dit had ze kunnen weten. Maar goed, die airco moet toch echt een keer gemaakt worden. Stel je voor, in de auto met de kinderen zonder airco. Dit weekend is het weer haar beurt om het hockeyteam van haar jongste dochter te rijden.

Het waait op het perron. Op het bord staat dat de trein over een kwartier zal komen. Ze stopt haar telefoon in haar jaszak en masseert haar slapen. In haar hoofd gaat ze door haar agenda van deze dag. Drie afspraken met klanten, lunchbespreking, werken, werken, werken. Dan de juf van Douwe bellen over dat incidentje met Duco, het kind van Jolijn. Dat kinderen elkaar niet moeten bijten, dat zeker. Maar om nou een week geen speelkwartier te hebben, voor straf… ze wordt weer kwaad nu ze erover nadenkt. De juf zou zich moeten afvragen hoe het komt dat Douwe zich zo onveilig voelt, denkt Odette.

Dan moet ze nog de aannemer bellen. De speelkamer moet groter, en die ene muur in de woonkamer eruit. En een andere vloer, onvoorstelbaar dat de vorige bewoners deze vloer hadden gekozen. Grenen, hoe burgerlijk. De schoorsteenveger, die moet ook komen, maar dat kan wachten tot het einde van de zomer. Ze zet het vast in haar digitale agenda. Dan graait ze in haar tas en pakt ze haar lippenstift. Geen excuus voor slecht gestifte lippen, warrige haren, onverzorgde nagels of ladders in je kousen. Er is ook geen excuus voor incomplete serviezen, slecht geklede kinderen of echtgenoten, geen excuus voor middelmatige wijnen, middelmatige hapjes, geen excuus voor een lichaam dat niet in vorm is. Vier keer per week sport ze. Elke week gaat ze naar de schoonheidsspecialist en om de week naar de kapper. Ze maakt haar leven precies zoals ze het altijd voor zich heeft gezien. En straks, als de verbouwing klaar is, kan ze de mensen ontvangen in het huis dat er precies zo uitziet als ze al die tijd in haar hoofd heeft gehad.

De kasten op maat staan er al, en de kleden uit Marokko komen eind deze week. De kinderen hebben elk een eigen gedeelte in de kast waar ze wat spulletjes kwijt kunnen. Niet teveel, daarvoor hebben ze elk een eigen slaapkamer en de ruime speelkamer. Een interieur hoeft niet in dienst te staan van de kinderen. Alles kan precies zijn zoals je wilt, het kost wat inspanning misschien, maar wat niet? Meewarig denkt ze aan de moeders en huizen van vriendjes van haar kinderen. Verslonst.

De trein komt aan. Er stappen mensen uit en Odette stapt in. Ze gaat zitten bij het raam, maar kijkt niet naar buiten. Ze mailt nog even wat mensen over het feestje van haar oudste. Ze inventariseert eventuele dieetwensen. Een kleine moeite om ook glutenvrije pannenkoeken te bakken. Ze sluit haar ogen. Vreemd dat ze daar nu behoeft aan heeft, ze heeft vanmorgen nog energizing yoga gedaan.

Ze droomt over haar huis, de verbouwing is af. Het is mooi weer buiten, de deuren naar de tuin staan open. De magnoliaboom bloeit prachtig. De kinderen spelen zoet in de speelkamer. Op een zilveren blad liggen torentjes van rauwe tonijn met zeewier en zwarte sesam. Haar echtgenoot draagt zijn donkerblauwe pak met een kraakhelder wit hemd. Hij is gebruind en geeft haar een kristallen glas aan met witte wijn uit het chateau van vrienden die in Frankrijk wonen. Ze gaan zitten op hun nieuwe designbank. Ze drinken in stilte. Dan wordt Odette wakker van gezoem in haar jaszak.

Het is haar echtgenoot. Normaal belt hij nooit overdag. Daar hebben ze afspraken over gemaakt, niks vervelender dan die mensen die elkaar over elk wissewasje lastig vallen op het werk.

Ze neemt op.

‘Lodewijk?’ Ze fluistert een beetje, bellen in de trein vindt ze een vreemde toestand waarbij privacy verloren gaat.

‘Odette?’ Hij lijkt te lispelen.

‘Lode, wat is het? Is het ernstig?’

‘Ik trek het niet meer.’

‘Waar heb je het over?’ Een oude vrouw loopt voorbij. Het boodschappenkarretje stoot tegen de linkerpump van Odette aan. Gelukkig is het zachte kalfsleer niet beschadigd.

‘Lode?’ Ze klinkt nu scherp. Dit stond niet in haar agenda voor deze dag.

‘Het spijt me zo,’ zegt hij nu.

‘Waar ben je nu?’ Ze kijkt om zich heen om zeker te zijn dat er geen bekenden in de buurt zitten.

‘Het maakt niet uit,’ zegt hij.

‘Wat is het, Lode?’

‘Odette, ik ga bij je weg.’ Hij zegt het plompverloren, alsof hij een halfje brood gaat kopen.

‘Dat kan niet.’

‘Odette…luister naar me…’

‘Jij gaat helemaal nergens heen. Je maakt deze werkdag af, dan kom je naar huis en eet je de pasta primavera die ik vandaag voor je kook. Daarna gaan de kinderen naar bed en kun jij nog wat werken terwijl ik de broodbakmachine alvast aanzet voor morgen. Maar weg, nee jij gaat helemaal niet weg…’

Dan merkt ze dat haar man al heeft opgehangen. 

Opnieuw

16-04-2015

Ik durfde niet te rennen.

Ik durfde niet te rennen.

/ /

16-04-2015

Ik keek naar het paspoort en het vliegticket in mijn hand. Eindelijk was het zover: ik ging een nieuw leven beginnen. Een drastisch besluit misschien, maar het voelde alsof alles en iedereen in mijn leven intensief had bijgedragen aan dit besluit.

Mijn baas meneer Russel bijvoorbeeld, hij had me de afgelopen maanden als secretaresse het leven zo zuur gemaakt dat ik niet anders kon dan ontslag nemen. Hij haalde zijn schouders op toen ik met klamme handen in zijn kantoortje het nieuws kwam brengen. ‘De vacature stond toch al open,’ zei hij, om te vervolgen met: ‘en ja graag, ik lust nog wel een koffie’. De weken tot mijn laatste werkdag moest ik mijn opvolger inwerken, een meisje van net negentien. Ze had lang blond haar, een egale huid en veel ruimte tussen haar ogen. Daardoor leek ze een beetje op een buitenaards wezen, ware het niet dat ze onder haar bijzondere hoofd een echt aards vrouwenlichaam had. Zware borsten, brede heupen en sterke benen. Een lichaam dat vanaf nu elke dag verder naar de grond zou zakken, want zo gaat het nu eenmaal met zwaartekracht.

Wat het precies was van meneer Russel dat mijn leven zo vergalde, kon ik me nu niet meer zo goed voor de geest halen. Er was natuurlijk het feit dat hij me nooit bij mijn naam noemde, maar alleen het woord ‘meiske’ gebruikte. De derde week had ik de moed verzameld om te zeggen dat ik met mijn tweeëndertig lentes geen meiske meer was. Toen was het de rest van de week ‘wicht’, en heb ik het erbij laten zitten.

Het administratieve werk was draaglijk geweest, maar meneer Russel liet geen moment voorbij gaan om me ook nog naar de stomerij te sturen, koffie te laten zetten, zijn kinderen van school naar hockey te rijden en het kantoor te stofzuigen. Dieptepunt was de dag waarop ik zijn zieke hond bij de dierenarts moest laten inslapen, en het nieuws vervolgens aan de kinderen moest vertellen. Mevrouw Russel was net een weekje naar Monaco en de au pair sprak geen Nederlands, waardoor het logisch leek dat deze taak op mijn schouders lag. Maar goed, dat was nu voorbij, echt voorbij.

Ik keek naar mijn naam op het ticket, alsof ik wilde controleren dat het echt van mij was. Het was echt van mij. Bestemming: Rio de Janeiro. Camiel moest me eens zien hier. Snel dook ik een taxfree winkel in om afleiding te zoeken. In mijn nieuwe leven zou ik namelijk nooit meer aan Camiel denken, terwijl hij verscheurd van verdriet de rest van zijn leven spijt zou hebben dat hij mij had weggedaan wegens burgerlijkheid. Het was nu twee uur ‘s middags, hij zou net uit bed zijn opgestaan, gister hadden ze een optreden met de band- de excuusnaam voor de groep dronkelappen met baarden die hij tijdens zijn studietijd had opgericht. Al gauw bleek dat je voor tentamens moest studeren en dat je als zanger van een bandje na elk optreden een andere vrouw mee naar huis kon nemen en Camiel liet zijn keuze vallen op het tweede soort bestaan. Toch begon de onrust hem ook naar de keel te grijpen en was hij dolgelukkig met mij. Twee jaar, drie maanden, een week en vier dagen lang om precies te zijn. Uiteindelijk bleek dat ik te saai was voor hem. Te normaal. Hij zou me eens moeten zien hier op het vliegveld, klaar voor een nieuw leven. Op een dag zou hij mijn naam in de krant zien staan. Het Hollandse fenomeen, beroemd in heel Brazilië. Waarmee ik precies zo succesvol zou worden, dat wist ik nog niet, maar dat was ook voor later zorg. Eerst maar even naar de wc.

De hokjes op vliegvelden zijn altijd ruim genoeg om je koffer mee naar binnen te nemen, handig voor mensen die alleen reizen.

Vanaf vandaag deed ik alles alleen.

Eigenlijk moest ik helemaal niet plassen, maar ik vond vliegtuigwc’s zo akelig. Terwijl ik naar de teksten op de deur staarde, dwaalden mijn gedachten weer af naar Camiel. Zou hij nu met die Maria samenwonen? Wat was dat trouwens voor naam? Ik probeerde heel hard zoveel mogelijk gemene dingen over haar te bedenken, maar slaagde er niet in. Ze was de belichaming van allerlei goede eigenschappen en van maatschappelijk en zakelijk succes. En muzikaal en mooi. Ik haatte haar.

Ik stond op en liep het hokje uit. Ik keek in de spiegel, misschien kon ik in Brazilië een nieuwe neus kopen, dat was daar veel gewoner dan hier. Een nieuwe naam zou ook wel passen bij mijn nieuwe leven. Consuela bijvoorbeeld, of was dat meer voor oude dames?

Het was bijna tijd om te boarden en ik keek op mijn ticket voor mijn gatenummer. Raar, het was slechts een letter met een getal, maar het leek werkelijk onmogelijk om dit te onthouden. Ik kwam in beweging, maar realiseerde me ineens dat ik mijn koffer niet meer had.

Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken, mijn knieën verslappen, mijn hart in mijn keel kloppen. Ik keek om me heen. Hij was nergens te bekennen, hij moest nog wel in de wc zijn. Snel wandelde ik terug naar de wc’s. Ik durfde niet te rennen, want voor je het weet denken ze dat je een terrorist bent of zoiets en word je preventief doodgeschoten en wordt er uiteindelijk een motie aangenomen met de naam van een of andere parlementariër die veel baat heeft bij de aandacht die deze zaak heeft opgeleverd. Dan ben je gestorven voor de bestuurlijke carrière van een ander.

Het hokje waar ik had gezeten, zat op slot. Ik hurkte om te zien of mijn koffer er nog stond, maar er stond nog een koffer in het hokje, precies voor de plek waar de mijne nog zou moeten staan. Verder zag ik twee opgezwollen voeten in roze crocs. Ik besloot te wachten. Alle andere deuren gingen open en dicht, er ontstond een rij achter me, die ik elke keer opnieuw in drie talen uitlegde dat ik niet hoefde. Het duurde lang, heel lang. Op mijn horloge zag ik dat ik vier minuten geleden bij de gate had moeten zijn. Ik bonkte op de deur. Er werd in het Chinees of iets wat daarop lijkt en wat ik ook niet spreek, teruggeroepen. Ik begon te zweten, ik kon niet zonder die koffer. Mijn camera, laptop, lenzenvloeistof, kleding, van alles zat erin. Essentiële dingen voor mijn nieuwe leven. 

Ik bonkte nog eens en nog eens. Vanuit het hokje klonk weer geschreeuw. De andere dames in de toiletten keken weg, sommigen durfden hun handen niet meer te wassen en liepen met snelle pasjes uit de ruimte. Ik bonkte nogmaals. Een ferme hand op mijn schouder deed me schrikken. Het was de hand van een grote man in een commandopak.

‘Wat zijn wij aan het doen?’

‘Mijn koffer,’ stamelde ik, ‘hij is daar en ik moet zo boarden, ze zit al zeker een halfuur in dat klotehokje…’

De man leek geen Nederlands te verstaan, want het enige wat hij zei was:

‘Komt u maar even met ons mee.’

Ik keek naar hem en naar zijn collega die schuin achter hem stond. Verder waren er geen mensen meer bij de wasbakken. Ik zei: ‘Ik heb een vlucht te halen en mijn koffer is daarbinnen, dus doe me een plezier en breek die deur open.’

Links en rechts werd ik nu vastgehouden en naar een raar stil gebied van het vliegveld gebracht. Ik zei niks meer, mijn vlucht was al weg. Mijn koffer was ook weg. Het verhoor ging in cirkeltjes, waarin de mannen op zoek waren naar aanwijzingen van grootse kwade plannen en ik alleen maar vertelde over die verdomde koffer en mijn vlucht naar Rio. 

Toen kwam er een derde man binnen, hij had een prachtige snor met vier kleuren blond. Hij fluisterde tegen de andere mannen. Ze knikten en stonden op zonder iets te zeggen. Ik legde mijn hoofd op de koele tafel. Ik kon wel een borrel gebruiken.

Er werd op de deur geklopt. In de deuropening stond een grote man met rode buitenwangen en een groene jas met heel veel zakken waarin je zakmessen en andere praktische dingen kon stoppen. Deze man was mijn broer, die ik al jaren niet had gezien. Hij was appelteler in Zeeland en erg gelovig sinds zijn ontmoeting met zijn vrouw Hester. Hij was negentien toen. Ik was zestien en fanatiek ongelovig. We maakten geen ruzie, maar verdwenen uit elkaars leven. Hij stond zwijgend naar me te kijken. Hoe langer hij tussen de bomen werkte, hoe meer hij er op eentje begon te lijken.

‘Kom je mee?’ 

‘Ik ging een nieuw leven beginnen, maar mijn koffer is kwijt,’ zei ik zo normaal mogelijk.

‘Uw koffer is terecht,’ zei de man met de snor.

‘Ik heb mijn vlucht gemist,’ zei ik tegen mijn broer.

Mijn broer zei niks. Ook niet toen we naar het parkeerterrein liepen, ook niet toen hij vijftien euro parkeergeld moest betalen en ook niet toen hij reed.

Eenmaal bij zijn boerderij aangekomen, zei hij: Hester en de kinderen zijn binnen, gedraag je een beetje’. Ik knikte en maakte mijn gordel los. Buiten haalde ik diep adem. De schone lucht, het kale landschap, de eindeloze hemel. Het voelde als opnieuw beginnen.

Tuin

08-04-2015

Het leek wel een kunstproject.

Het leek wel een kunstproject.

/ /

08-04-2015

Kruid, onkruid, kronkelplant, gras, paardenbloem, donkergroen plantje, lichtgroen plantje… eigenlijk had ze geen idee wat ze aan het doen was in deze tuin die ooit door iemand anders met veel liefde werd aangelegd en nu was overgeleverd aan haar onkundige handen. Volgens haar vriendin met groene vingers zou ze niks fout kunnen doen in deze tuin, ‘Het is zo’n oerwoud, ga maar lekker los,’ had ze gezegd. Dat probeerde ze nu te doen, lekker losgaan in het oerwoud.

Na een uurtje woest knippen, wroeten en scheppen lag er een grote berg groen naast haar op het tuinpad. Hier en daar kroop een slakje, die pakte ze voorzichtig op om ze ergens anders neer te zetten. Ze kon zich herinneren dat haar oma slakken met bier uit de tuin probeerde te verdrijven, maar in deze tuin lagen de verhoudingen anders. De tuin was net zoveel van de slakken als van haarzelf als van niemand in het bijzonder.

Ze ging even zitten op het gammele stoeltje van het witte bistrosetje dat de vorige eigenaar had achtergelaten. De takken van het buxushaagje bewogen lichtjes, een klein vogeltje kwam tevoorschijn, keek even rond en verdween weer in het struikje. Nieuwsgierig hurkte Britt voor het haagje, zouden er meer vogeltjes in zitten? Ze zag geen vogeltjes. Wel zag ze iets blauws, links achter de buxus, een beetje in de hoek van de tuin. Voorzichtig duwde ze de plant opzij.

Nu kon ze het beter zien, het leek wel de rubberen onderkant van een schoen. Een schoen in een veel grotere maat dan de hare, een schoen die hier zo te zien al een hele tijd geleden terecht gekomen was. Britt wurmde zich langs het haagje om de schoen te pakken. Nu stond ze in het stukje tuin dat normaal gesproken onzichtbaar was door de afschermingen van de buxus en schuttingen.

Het was inderdaad een schoen, een herenschoen in grote maat, minstens maat vijfenveertig, schatte ze. Ze boog voorover om de schoen te pakken, maar toen ze de schoen vasthield voelde hij zwaar, van schrik liet ze hem weer vallen. Er zat iets in de schoen, zoveel was duidelijk. Waarschijnlijk was het gewoon regenwater, stelde ze zichzelf gerust. De binnenzool had het regenwater vast opgezogen. Maar misschien, en het was deze optie waar ze nerveus van werd, woonde er wel een muizenfamilie in de schoen. Met een angstig gezicht gaf ze een klein schopje tegen de schoen die voor haar op de grond lag. Er kwamen geen muizen uit. Ze haalde diep adem en pakte de schoen aan de veters vast. Met een zwiep gooide ze hem over het haagje, op de berg groen die ze al had verzameld. Met trillende handen wrong ze zich weer langs het haagje naar het tuinpad.

Ze liep naar binnen, waste haar handen en dronk een glas water. Daarna pakte ze de rol met vuilniszakken en wandelde ze weer naar buiten.

Best een gedoe eigenlijk, zo’n tuin.

Ze trok de werkhandschoenen die ze bij de supermarkt had gekocht aan en begon de bladeren en takken in de vuilniszak te stoppen. De schoen was een beetje van de berg afgerold en lag naast haar op het tuinpad. Snel pakte ze hem bij de veters vast, maar ditmaal keek ze ook naar wat ze aan het doen was. Toen zag ze ineens waarom de schoen gewicht had, hij was niet leeg, er zat geen regenwater in en ook geen muizenfamilie. Wel een voet. Een aangevroten, vergane kapotte, ontlijfde voet.

Met een gil liet ze ze schoen vallen. Ze rende het huis in en zocht naar haar telefoon. Die was zoals gewoonlijk bijna leeg, dus zocht ze eerst naar de lader. Het snoer zat erg in de knoop waardoor ze alleen onhandig dicht bij het stopcontact kon telefoneren. Ze dacht even na, wie zou ze bellen? Het was niet echt een spoedgeval, maar politie was wel een goeie. Ze legde haar telefoon weer weg, en liep naar haar computer. Politie bellen maar geen spoed, welk nummer was dat nou toch? Ze vond het nummer en belde. De stem aan de andere kant van de lijn zei dat ze er meteen aankwamen en dat ze niks moest aanraken in verband met het sporenonderzoek.

De drie agenten belden een halfuur later aan, ze liepen meteen door naar de tuin. Een van hen ging met Britt naar binnen om een verklaring op te nemen aan de keukentafel. Het duurde niet zo lang. Toen kwamen de andere twee weer binnen. Ze zeiden dat ze onderzoek wilden doen en dat er niemand in de tuin mocht komen. Britt vroeg of ze koffie wilden, dat wilden ze allemaal wel.

‘Gebeurt dit wel vaker?’ Vroeg Britt, in een poging een gesprekje te beginnen met deze vreemde mensen in haar keuken. ‘We maken veel mee, mevrouw,’ zei de jonge agent die een donsachtige baardgroei had. ‘Als u wilt, kunnen we u in contact brengen met slachtofferhulp,’ zei de agente met de lange bruine vlecht. ‘Het was niet mijn voet,’ zei Britt. ‘Dat zien wij ook wel,’ zei de agente, ‘maar zoiets kan toch een grote impact hebben.’ Britt knikte.

De agenten verzegelden haar tuindeur en stonden op. De voet namen ze mee in een plastic zakje. Het leek wel een kunstproject. ‘U hoort van ons’ zeiden de agenten.

De volgende dag stond haar tuin vol met mensen met lange en korte functie-omschrijvingen en namen. Halverwege de ochtend werd besloten een graafmachine uit te laten rukken. De volledige tuin werd ondersteboven gekeerd, de buxus uitgetrokken, de klimop vernield.

Er werd niks gevonden en ook geen sorry gezegd. De huisbaas was uit zijn humeur over de puinzooi en Britt besloot te vertrekken naar een ander onderkomen, iets met een balkon.

Sindsdien was er niks veranderd, behalve dan dat elke keer wanneer Britt iemand zonder linkervoet zag, ze weer terug dacht aan die dag dat ze ging tuinieren en er niks aan de hand was.

Mening

26-03-2015

vrouwen die zichzelf wilden verbeteren

vrouwen die zichzelf wilden verbeteren

/ / /

26-03-2015

De staantafels waren netjes bekleed met donkerrode tafelkleden. Op elke tafel stond een glaasje met nootjes en een klein kaarsje. Het was maximaal gezellig gemaakt, maar eigenlijk was er geen kruid opgewassen tegen de typische kantoorbedomptheid die in deze ruimte heerste. Het paste wel uitstekend bij de situatie- een netwerkmoment na de korte workshop ‘effectief communiceren’ die de deelnemers voor een kleine vijfhonderd euro hadden gevolgd.

Een vrouw van begin dertig stond aan een tafeltje. Ze zag er succesvol uit, dat wil zeggen: tamelijk aantrekkelijk en een beetje onaardig. Een man in pak kwam bij haar staan. Hij had een volle bos krullen op zijn hoofd en een zelfvoldane glimlach op zijn gezicht. Voor hem waren dit soort workshops een gelegenheid om nieuwe vrouwen op te duikelen. Vrouwen met ambitie, vrouwen die zichzelf wilden verbeteren. Daar hield hij wel van. De diamantjes zaten in de workshops over communiceren. Veel over niks.

‘Waar werk jij?’ vroeg de vrouw aan hem.

Hij wachtte even met antwoorden. Zo leek hij interessanter, dat had hij jaren geleden ergens gelezen en het leek echt echt te werken.

‘Ik? Nou, het is een beetje geheim eigenlijk.’ Hij probeerde zijn intense blik op haar uit. Het leek maar weinig effect te hebben, want ze zei: ‘Ach, je hoeft het niet te zeggen hoor.’ Ze namen allebei een slok, zij van haar witte wijn, hij van zijn biertje.

Ze zuchtte. Zou hij nog gaan vragen wat zij voor werk deed? Dat was de hele reden van haar vraag. Zodat ze kon vertellen over haar werk, haar successen, haar slimmigheidjes, haar logo, haar website, de opstartfase, het onverwachtse succes (voor de buitenwereld dan, zijzelf geloofde vanaf de eerste minuut in haar product. Uiteraard.)

Hij keek om zich heen. Wat was dit nou voor rare toestand? Hij wilde juist dat ze zou aandringen, dat ze per se wilde weten wat voor belangrijke baan hij wel niet had. Niet dat ze het zo snel zou laten gaan.

Er kwam nog een vrouw aangelopen. In haar ene hand een glas rode wijn, in haar andere hand een hapje dat net was uitgedeeld. Iets met bladerdeeg, mayonaise en garnaal. Maar vooral iets van ongemakkelijk formaat. Het kon niet in stukjes worden gesneden of afgebeten, want dan viel het uitelkaar. Het paste wel in één keer in je mond, maar dan werd het meer een kwestie van de boel binnenboord houden in plaats van rustig de smaken proeven of enigzins charmant een hapje eten.

‘Wat een onhandig hapje,’ zei ze terwijl ze haar grote handtas op de grond neerzette. De andere vrouw glimlachte zonder begrip uit te drukken. De man zag zijn kans schoon en zei:

‘Dat is nou precies mijn vak!’

‘Te grote hapjes maken? Ben je cateraar?’ Vroeg de succesvolle vrouw met een opgeheven wenkbrauw.

De andere vrouw zei niks, ze was druk met een servetje voor haar mond het hapje binnenboord te houden. Nu maar hopen dat het decoratieve plukje dille niet tussen haar tanden was terechtgekomen.

‘Cateraar? Ik? Ha! Nee!’ zei de man. ‘Nee, maar ze zei nog iets,’ hij gebaarde naar de vrouw van het hapje dat ze het moest herhalen, ‘wat zei je nou over het hapje?’

De vrouw keek hem onzeker aan, ‘ehm, dat ze onhandig zijn?’

‘Precies! Je gaf een waardeoordeel, oftewel een mening. En dat is waar ik in doe. Meningen.’

‘Meningen?’

‘Ja, toch een vitale en drijvende kracht achter alles.’

De vrouw van het hapje probeerde subtiel met haar tong haar tanden af te gaan, op zoek naar dat stukje dille. Het zou de eerste keer niet zijn.

De succesvolle vrouw wilde over haar werk vertellen en vroeg zich af hoe ze hier nou subtiel over kon beginnen. Maar de man leek niet van plan zijn verhaal te laten kapen.

‘…dus dan komen ze bij mij. Je vraagt je misschien af wie?’

Niemand vroeg zich af wie, maar dat kon de man niet deren.

‘….nou, dat is dus heel breed. Van CEO’s tot politici, tot BN’ners en columnisten natuurlijk. Je vraagt je nu vast af: met wat voor vragen komen ze dan bij mij?’

Niemand vroeg zich dat af, maar dat kon de man niet deren.

‘Je bent wat je vindt, dat is mijn adagium! En het is waar- door het één te verkiezen boven het ander, zeg je eigenlijk: dit ben ik. Daar gaat het uiteindelijk om.’ Hij nam een slok bier.

‘Maarre, is het niet zo dat mensen zelf bedenken wat ze vinden?’ vroeg de vrouw van het hapje voorzichtig.

De man gooide zijn hoofd in zijn nek en liet een bulderende onoprechte lach klinken. ‘Ha nee, natuurlijk niet. Denk je nou echt dat al die politieke partijen echt zoveel meningen hebben? Welnee, ze zijn allang blij dat er een of andere halve zool naar ze wil kijken of luisteren. Als ze dan ook nog na moeten denken waarover ze een mening hebben, nou dan zouden ze helemaal geen tijd meer hebben.’

‘Goh,’ zei de vrouw die nu zeker was dat er geen dille tussen haar tanden zat, maar zich wel afvroeg of ze geen blauwe tanden had van de wijn. Wat een hekel had ze toch aan dit soort dingen.

‘Wat een reuze interessant verhaal,’ zei de andere vrouw die geen idee had van wat hij zojuist had verteld omdat ze met haar telefoon bezig was geweest. Hoe dan ook, hier was haar kapstokje om haar eigen verhaal aan op te hangen. ‘Nou, mijn bedrijf is toevallig ook echt ontstaan vanuit een behoefte die ik al zag- in tegenstelling tot vele anderen. Ik ben gespecialiseerd in…’

‘WACHT!’ riep de man nu ineens.

‘Wat is er?’ Vroeg de succesvolle vrouw geïrriteerd.

‘Ik voel een mening opkomen…’ Hij sloot zijn ogen en wreef stevig over zijn buik.

‘Het leven is te kort! Laten we het vieren en niet meer over werk praten. Leven moeten we, leven! Dat is mijn nieuwste mening!’

‘Goh,’ zei de ene vrouw weer.

‘Nou, om nog heel even terug te komen op mijn bedrijf…’ begon de succesvolle vrouw opnieuw.

‘Ik vind het niet leuk meer hier,’ zei de ene vrouw nu plompverloren. Ze pakte haar tas van de grond.

‘Een dijk van een mening noem ik dat!’ riep de man vol enthousiasme. ‘Een dijk van een mening!’

De succesvolle vrouw wenkte het meisje van de bediening. Ze nam twee hapjes van het dienblad. Voor elke wang een. Het was bijzonder oncomfortabel.

‘Had ik al gezegd dat je hele mooie ogen hebt?’ zei de man die nu pas weer haar kant opkeek.

Een brede glimlach gemaakt van gekauwde garnalen, dille en bladerdeeg viel hem ten deel. Gelukkig wist hij precies wat hij daarvan vond.

Apotheek

17-03-2015

Het eindigt in het niks.

Het eindigt in het niks.

/

17-03-2015

‘Er is geen begin, geen einde en ook geen midden. Het zijn slechts flitsen van iets, bedenksels in dromen. Niks is waar, maar de regels moeten worden gerespecteerd…’ De jonge vrouw vliegt tussen woorden en zinnen door, ze is gewichtsloos, tijdloos, doorzichtig.

‘Hallo, waar wacht je op?’ Een jonge man in pak zit gehurkt voor haar.

De jonge vrouw kijkt verward om zich heen. Ze heeft een gebloemde jurk aan met een kort spijkerjasje. Aan haar voeten vale blauwe gympen. Haar blonde haren rusten op haar schouders. Ze zit op een rode stoel in een apotheek. Naast de stoel staat een stoffen tas met een kat erop. In haar rechterhand houdt de jonge vrouw een lichtroze papiertje vast, nummer 35 staat er in vette zwarte cijfers.

Achter de balie staat een vrouw van middelbare leeftijd met koperkleurig haar en een gebreid vestje. Ze zegt: ‘Zal ik wat water halen?’

Er zijn geen andere mensen en er zijn geen andere geluiden.

De man zegt: ‘Goed idee,’ terwijl hij de jonge vrouw onderzoekend aankijkt. Zij kijkt weg, naar haar handen en laat dan het briefje op de grond vallen. Ze probeert het weer op te rapen, maar de man zegt dat het niet hoeft.

De apothekersvrouw komt met een plastic bekertje naast de man staan. ‘Hier,’ zegt ze, ‘dankje,’ zegt hij. Het bekertje wordt doorgegeven. De jonge vrouw zet het bekertje aan haar lippen. Het water is koud, veel kouder dan ze van drinkwater gewend is. Ze voelt het door haar keel glijden, maar niet in haar maag plonzen. Het eindigt in het niks.

‘Kan ik iemand voor je bellen?’ vraagt de man, die nu op een stoel schuin naast haar is komen zitten. Lang hurken hou je niet vol zonder te oefenen. De jonge vrouw kijkt naar de man en naar de apothekersvrouw die weer achter de balie is gaan staan, waar ze doet alsof ze werkt. ‘Misschien spreekt ze geen Nederlands,’ zegt ze, waarna ze luid en met een stevig accent vraagt: ‘Can we call someone for you?’

De vrouw drinkt haar bekertje leeg, de man neemt het van haar aan en zet het op de grond. ‘Laten we maar een ambulance bellen. Misschien heeft ze net iets meegemaakt en is ze in een staat van shock.’

De jonge vrouw schudt haar hoofd. ‘Wacht nog heel even,’ zegt de man tegen de apothekersvrouw, ‘volgens mij gaat ze iets zeggen.’

De jonge vrouw kijkt schuchter om zich heen en gebaart de man dichterbij te komen. Zachtjes fluistert ze dan in zijn oor: ‘Ik ben de regels vergeten.’

De man buigt nog iets dichter naar haar toe. ‘Wat zeg je?’

‘De regels,’ fluistert ze weer, ‘ik ben ze vergeten.’

‘Welke regels?’

‘Die van het spel.’

De man fronst, ‘Welk spel bedoel je precies?’

‘Ik vraag me gewoon af…’ ze kijkt nog eens om zich heen, ‘besta ik wel echt?’

De man fronst nog dieper. ‘Natuurlijk besta je wel echt. Het is dinsdagmiddag en je zit hier in de apotheek. Weet je nog wat je kwam doen?’

Verdrietig schudt de jonge vrouw haar hoofd.

‘Had u een recept van uw dokter?’ Vraagt de apothekersassistente vanachter de balie, ‘misschien in uw tas?’

De man geeft de tas met de kat erop aan de jonge vrouw. Ze kijkt in de tas en keert hem dan om. Een klein portemonneetje in de vorm van een aardbei, een fietssleutel, twee haarelastiekjes en een rolletje drop vallen in haar schoot.

‘Of in d’r jas?’

De jonge vrouw rommelt in haar jaszakken. Het levert een huissleutel, een usb stick en een houten jojo op.

‘Drugs, dat moet haast wel,’ zegt de apothekersvrouw nu met een zucht. ‘Kunt u haar even naar buiten begeleiden? Ik kan geen junkies in mijn zaak hebben, dat begrijpt u.’

‘Maar dit is toch geen junkie?’ zegt de man. ‘Ze is duidelijk in de war, maar ze lijkt me goed verzorgd..’

De jonge vrouw staat op, alle spullen die ze uit haar tas en jas op haar schoot had liggen, vallen op de grond. ‘Sorry,’ stamelt ze terwijl ze op haar knieën alles weer verzamelt en in de tas stopt.

De man kijkt op zijn horloge. ‘Het spijt me echt, maar ik heb zo een afspraak…’

De jonge vrouw knikt en loopt richting de uitgang. De man en apothekersvouw kijken haar na.

‘Volgens mij komt dat wel goed,’ zegt de apothekersvrouw.

‘Ik denk het ook,’ zegt de man terwijl hij zijn schreeuwende geweten wurgt.

De vrouw met de handtas staat op de stoep en voelt de eerste zonnestralen van de lente op haar gezicht. Ze denkt aan de sleutels in haar tas, ze vraagt zich af welke sloten ze ermee zou kunnen openen. Dan begint ze in de richting van de zon te lopen.

Advies

04-03-2015

Overzichtelijke problematiek.

Overzichtelijke problematiek.

/

04-03-2015

Eigenlijk was Fia tamelijk gezond. Ze rookte niet, gebruikte geen drugs, dronk meestal met mate, at geen rare dingen en aan bewegen deed ze ook nog. Toch zat ze hier in de wachtkamer met allerlei anderen.

Bij de meesten kon je niet meteen zien wat er scheelde. Misschien hadden ze wel grote pussende zweren onder hun t-shirts, of vetbulten zo groot als een tennisbal op hun schouder zitten. Of vreselijke aambeien, of schaamluis, hoewel dat laatste tamelijk zeldzaam scheen te zijn geworden met de weinig harige ondermode van de laatste jaren.

De jongen in de hoek leed in elk geval aan vreselijke hoest met slijm en geblaf, het meisje naast haar droeg haar arm in een mitella. Overzichtelijke problematiek. Er kwamen nog meer mensen binnen. Het was een grote praktijk waar ze zat, met ruim twintig artsen. Welke je kreeg leek meer een loterij dan dat er een systeem werd gehanteerd. Het maakte Fia niet uit, ze hechtte niet aan huisartsen of aan wat dan ook, eigenlijk.

Een keer had ze wel overwogen om van praktijk te wisselen. Dat was toen ze met zware keelpijn naar het spreekuur was gekomen. ‘Uw keelamandelen zijn niet erg opgezwollen’ zei de huisarts van die dag. ‘Ik heb geen keelamandelen meer,’ had ze geantwoord. De arts kreeg rode konen maar zei enkel: ‘vandaar’. Daarna gaf de arts het advies veel thee te drinken en rust te houden. Het hielp nog ook.

Na vierentwintig minuten wachten was ze aan de beurt.

‘Wat kan ik voor je doen?’ Vroeg de huisarts die ze nog nooit eerder had gezien. Fia keek om zich heen. Lichtgele wanden, een groot bureau, een plantje, een wastafel en een behandeltafel. Aan haar kant van de tafel twee met leer beklede stoelen. Op het bureau een doos met tissues, een pennenbakje en een grote monitor die zorgvuldig was weggedraaid van de patiëntenkant. Bovenop de monitor twee oranje wuppies, hoelang geleden werden die ook alweer weggegeven? Was het bij een EK of WK?

‘Wat kan ik voor je doen?’ Vroeg de huisarts nogmaals. Pas nu realiseerde Fia zich dat er echt een mens aan de andere kant van het bureau zat. De huisarts, een vrouw, gewoon een vrouw. Ze droeg een lichtpaarse blouse, een gouden horloge en haar blonde haren waren kortgeknipt. Ze zou de deftige zus van Yvonne Jaspers kunnen zijn. Maar ze heette niet Jaspers, en of ze getrouwd was of niet, dat waren gesprekken die niet in deze kamer gevoerd werden. Het was tijd om het woord te nemen, de huisarts keek nogal onderzoekend.

Met een zucht begon Fia haar verhaal.

‘Ik vind het gewoon niks aan.’

‘Wat precies?’

‘Alles.’

‘Alles?’

‘Nou, de dagen, de mensen, mijn werk, dat soort dingen.’

De huisarts begon driftig te tikken op haar toetsenbord.

‘En hoelang heb je deze klachten al?’

Fia haalde haar schouders op.

‘Ik weet niet. Het zijn ook geen klachten. Het is meer een constatering, eigenlijk.’

De huisarts stopte met typen.

‘Toch ben je naar mij toe gekomen vandaag.’

‘Ja.’

‘Waarom?’

‘Een vriendin van me zei dat ik dat eens moest doen. En ik had toch nog een vrije dag vandaag. Dus dat kwam wel goed uit.’

‘Vertel eens wat meer over die vriendin van je.’

‘Die vriendin? Nou ze heet Sanne en ze werkt bij een boekhoudkantoor.’

‘Zijn jullie close?’

‘We gaan niet met elkaar naar bed, als je dat soms bedoelt.’

De huisarts fronste. ‘Dat was niet wat ik bedoelde.’

‘Het was een grapje.’ Zenuwachtig friemelde Fia aan haar mouw.

Daarna zei ze: ‘Duurt het nog lang, deze afspraak?’

De huisarts trok een empatisch gezicht. ‘Hoe kunnen we zorgen dat jij je beter gaat voelen?’

‘Weet u dat dan niet?’ vroeg Fia aarzelend.

‘Wat wil je precies?’ Vroeg de huisarts.

‘Ehm, wat bedoelt u precies?’

‘Jij bent naar mij toe gekomen, dus ik denk dat je hulp zoekt…’ de huisarts forceerde een nieuwe glimlach op haar gezicht.

Fia keek naar de huisarts, naar het toetsenbord, naar de muren van de kamer. Ze zuchtte diep. ‘Het spijt me. Ik had hier gewoon meer van verwacht, denk ik. Ik stap maar weer eens op.’

‘Waarom kies je daar nu voor?’

‘Het is gewoon te saai.’ Ze keek nog eens rond. ‘Dat u het hier volhoudt zeg, saaaai.’

‘Het is wat het is,’ zei de huisarts toen.

En daarmee had ze het beste advies van die dag verstrekt.

Sales

25-02-2015

Een stilleven van haar leven

Een stilleven van haar leven

/ /

25-02-2015

‘Goed, dank u voor dit gesprek. Wij spreken deze week nog een aantal kandidaten en zullen dan contact met u opnemen.’ De dame van personeelszaken leek haar mond niet te hoeven bewegen terwijl ze dit zei, als een doorgewinterde stewardess die gedachteloos een zwemvest aantrok en de nooduitgangen aanwees.

Ook de kandidaat had al eerder met dit bijltje gehakt en zei met dezelfde routine allerlei gepaste dingen. Ze pakte haar fiets die ze twee straten verderop had geparkeerd. (ze wist niet zeker of er wel plek was voor de deur van het bedrijf en wilde adequaat en zelfverzekerd binnenkomen, dat lukte beter wanneer ze haar fiets in een rekje had weten te stallen) Het was rustig in de stad, op dit tijdstip waren de meeste mensen aan het werk of in elk geval andere dingen aan het doen dan fietsen.

Ze stopte bij de supermarkt op de hoek en kocht alvast avondeten. Ze nam van alles het goedkoopste en ook de boontjes die in de aanbieding waren. Bij de kassa haalde ze de boodschappen uit haar mandje en zette de boel op de band. Een stilleven van haar leven, dacht ze somber. Een leven met wit deeg, goedkope groenten en lelijk vormgegeven verpakkingen. Misschien zou het binnenkort beter worden, het was immers geen slecht gesprek. Ze probeerde het voor de geest te halen, maar kon slechts flarden herinneren en merkte toen dat ze de gesprekken van gister en vandaag door elkaar aan het halen was.

Ze stopte de boodschappen in haar handtas, droeg wat er niet in paste in haar armen naar haar fiets. Achter haar klonk geroep. Een kleine dikke vrouw kwam achter haar aan gesneld, een pinpas in haar hand. ‘U vergeet uw pas’ zei de vrouw buiten adem, ‘ontzettend bedankt’ zei de sollicitante. Ze stapte op haar fiets en reed naar huis.

Zodra ze haar boodschappen had uitgepakt, ging haar telefoon.

‘Met Mara Hansen.’

‘Dag Mara, met Sandra spreek je, van personeelszaken. Vanmorgen hebben wij een gesprek gehad, en ik wilde je graag nog een aantal aanvullende vragen stellen.’

‘Okee.’

‘Of eigenlijk: ik wilde je even doorverbinden naar mijn collega van PZ, de heer van Gelderland.’

‘Van Gelderland?’

‘Ja, dat is bij ons gebruikelijk- wanneer we een kandidaat potentieel interessant vinden, volgt er nog een korte telefonische screening voordat we verdere besluiten nemen.’

Mara slikte. Ze was potentieel interessant geacht, en nu moest ze zich dan gaan bewijzen aan de telefoon met ene meneer van Geldland of zoiets.

‘Okee.’

‘Dan verbind ik je nu door, het kan even duren dus blijf aan de lijn.’

Een muziekje klonk. Het was waarschijnlijk ooit gecomponeerd met de gedachte van rustgevende muziek voor momenten van wachten, maar het deed alle haren op haar armen recht overeind staan. Ze had gelezen dat de Amerikanen de tune van Sesamstraat gebruikten als martelmethode, misschien konden ze ook contact opnemen met de schepper van dit melodietje. Drie minuten en twintig seconden later kreeg ze iemand aan de lijn.

‘Hallo?’

‘Ja, mevrouw Hansen? U spreekt met Johan van Gelderland, PZ. Ik zal u nog wat vragen stellen, zoals mijn collega u ongetwijfeld heeft verteld.’

Zijn stem klonk scherp, kwaad bijna.

‘Ja.’

‘U heeft bij ons gesolliciteerd, is dat correct?’

‘Ja.’

‘U schrijft dat u ons bedrijf een prachtige inspirerende plek vindt, is dat correct?’

‘Ehm, ja.’

‘Vindt u dat?’

‘Nou zeker op het gebied van..’

‘Ja of nee mevrouw Hansen.’

‘Ja.’

‘Momentje alstublieft,’ zei de man. Op de achtergrond klonk gerommel.

Ze slikte en masseerde haar slapen. Ze probeerde haar brief voor de geest te halen, maar de afgelopen weken had ze haast dagelijks een brief gestuurd, en elke werkplek de hemel ingeprezen. Sommige brieven waren zo goed gelukt dat ze haast ging geloven wat ze schreef.

‘Mevrouw Hansen, bent u daar nog?’

‘Ja.’

‘Ik wil meer waarheid.’

Verward herhaalde ze de vraag in haar hoofd, wat was dat nou, meer waarheid?

‘Kunt u uitleggen wat u precies bedoelt?’

‘Meer waarheid. Ik hoor het wanneer iemand mij bedondert. Dus ik herhaal de vraag maar even, vindt u deze werkplek inspirerend?’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Okee!’

‘TOE DAN!’

‘Nee!’

‘Bent u werkelijk gedreven met een hands-on mentaliteit?’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Nee.’

‘Heeft u werkelijk geleerd snel te schakelen tussen verschillende projecten en afdelingen?’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Ja, het is waar!’

‘MEER WAARHEID!’

‘…maar het waren misschien maar twee afdelingen van elk drie personen…’

‘MEER WAARHEID!’

‘…die parttime werkten..’

‘Heeft u werkelijk een passie voor Sales?’

‘Ja.’

‘MEER WAARHEID!’

‘Nou ja, passie, passie. Ik ben er goed in, dus dan…’

‘MEER WAARHEID!’

‘Soms kom je er pas na een tijdje achter waar je talenten nu werkelijk liggen en voor mij is Sales gewoon een stukje….’

‘MEER WAARHEID!’

‘Ik haat het maar ik kan niks anders!’

Ze zwegen aan beide kanten van de lijn.

‘Mevrouw Hansen?’ Meneer van Gelderland klonk heel kalm nu.

‘Ja?’

‘Graag zie ik u donderdag om half vier bij personeelszaken. Dan nemen we het contract door en laten we uw nieuwe werkplek zien.’

‘Okee.’

‘Nou, proficiat en een fijne dag nog,’ zei meneer van Gelderland opgeruimd.

‘U ook,’ zei Mara terwijl ze vertwijfeld om zich heen keek.

Muiltjes

17-02-2015

Zijn tijd is niet nu.

Zijn tijd is niet nu.

/ / /

17-02-2015

Het is druk in de tram, er moet een of ander studentenfeest zijn afgelopen, want het staat vol met jonge jongens in iets te ruime pakken en meisjes in goedkope galajurken met daarover hun normale winterjassen. Buiten regent het steeds harder, in de tram klinkt het drukke gekwetter van de studenten. Bij het treinstation stappen de meeste uit.

Niet het meisje in de lange auberginekleurige jurk die ze draagt met een korte zwarte trenchcoat en zilverkleurige schoenen met hoge hakken en heel veel bandjes. Ze heeft een elfachtig gezicht en is in het gezelschap van een lange bleke jongen met wilde bruine krullen en felblauwe ogen.

‘Wil je even zitten?’ Vraagt hij.

‘Heel graag!’ Ze lopen naar het einde van de tram en gaan daar op het achterste bankje zitten.

‘Mijn god, wat doen mijn voeten pijn.’ Driftig wrijft het meisje over de bovenkant van haar voeten.

Tegenover haar zit een oudere man in een lange donkerblauwe jas. Hij heeft een een hoge hoed op en zijn rechterhand rust op een wandelstok. De man lijkt uit een andere tijd te zijn gekomen, alsof hij is geteleporteerd en zo in deze tram is beland. In zijn tijd, want die tijd is niet nu, droegen de dames geen praktische jassen over hun jurken. Ze noemden jurken vast ook geen jurken, maar japon of avondtoilet of zoiets.

‘Hoeveel haltes is het nog?’ Vraagt het meisje aan de jongen terwijl ze haar benen over zijn schoot uitstrekt.

‘Nog wel veel, Osdorp is ver en we zitten nu nog in het centrum.’

‘Fijn, dan doe ik ze even uit.’ Snel maakt ze de schoentjes los, de afdruk van de bandjes staat diep in haar voet. Haar kleine tenen zijn ook in de verdrukking gekomen deze avond, als puntige radijsjes zitten ze tegen de rest van de tenen aangedrukt. Met een zucht van verlichting begint ze haar voeten te masseren.

‘Vrouwen,’ zegt de jongen hoofdschuddend terwijl hij op zijn mobieltje kijkt.

De man met de hoed kijkt geamuseerd naar het schouwspel. Het meisje glimlacht naar hem, waarop hij zegt: ‘Was het een fijne avond?’

‘Jawel, alleen denken mijn voeten daar anders over.’

De tram staat ongewoon lang stil op een kruispunt, vier politiewagens en een ambulance razen voorbij met loeiende sirenes. Langzaam komt de tram weer in beweging.

‘Mag ik u wat vragen?’ Zegt de man dan, terwijl hij zijn voorhoofd dept met een katoenen zakdoek die hij uit zijn binnenzak heeft gehaald.

‘Ja hoor.’

‘Hoeveel wilt u voor die schoenen hebben?’

‘Die schoenen? U bedoelt mijn schoenen? Ik moet nog naar huis, ik doe ze zo weer aan. Helaas.’

De man rommelt in zijn jaszak en haalt een stapeltje bankbiljetten tevoorschijn.

‘Is zoiets voldoende?’

‘Ik moet zo nog naar huis,’ begint het meisje, maar nu valt de jongen haar in de rede. ‘Jezus Kyra, doe niet zo stom. Desnoods nemen we een taxi, moet je zien wat een geld.’

De oudere heer glimlacht en zegt: ‘De volgende halte moet ik eruit.’

‘Je moet me dan wel naar huis dragen hoor,’ sist het meisje naar de jongen.

‘Prima,’ zegt hij schouderophalend.

De tram stopt en de man staat op. Hij drukt het meisje de bankbiljetten in haar hand en neemt de schoenen aan. Tevreden wandelt hij de straat met statige herenhuizen in.

Het meisje staart naar de bankbiljetten in haar hand.

‘Hoe chill,’ zegt de jongen waarna hij uitgebreid gaapt.

Het meisje knikt terwijl de tram weer in beweging komt. Zwijgend kijkt ze naar de regen in het schijnsel van de straatlantaarns. Nog maar zes haltes te gaan.

Wagen

06-02-2015

Hoe zou ze deze dag doorkomen?

Hoe zou ze deze dag doorkomen?

/ / /

06-02-2015

Rosalie zag er piekfijn uit. Haar donkerblauwe wollen jas leek speciaal voor haar te zijn gemaakt en haar goudblonde haren glansden zo erg dat voorbijgangers zichzelf erin konden zien. Ze was heel slank en bewoog zich soepel door de dure winkelstraat. Over haar schouder droeg ze een grote leren tas met een glimmend metalen logo in het midden. Ze duwde een kinderwagen voor zich uit. Dat is niet helemaal hoe het was- ze duwde de Rolls Royce onder de kinderwagens voor zich uit. Want ook alle baby’s zijn gelijk, maar sommigen net iets gelijker dan de anderen.

Daarvan was de kleine Olivier zich natuurlijk niet bewust, hij lag voor zich uit te kijken in zijn slaapzak die vanbinnen met een lamsvachtje bekleed was, en qua kleur precies paste bij de rest van de uitrusting. Zijn moeder was namelijk op alles voorbereid: ze kocht niet alleen de grote wagen met extra sterke wielen, maar ook de aanvullende luiertas, het boodschappenrekje, de parasol, het muskietennet, de regenhoes, de bekerhouder en het stuurslot waarmee de wagen vastgezet kon worden. Op de slaapzak liet ze de initialen van Olivier borduren.

Ze keek op haar mobiel. Half twaalf nog maar, hoe zou ze deze dag doorkomen? De au pair had een onverwachts sterfgeval in de familie en was gisteravond halsoverkop naar Italië vertrokken. Over een week zou ze terugkomen. Een week was zo voorbij, hield Rosalie zich voor. Maar het betekende wel dat ze geen tijd had voor de dingen die zij wilde doen. Yoga, pilates, kleurenanalyse, schoonheidsspecialisten, massage, liefdadigheidswerk, afspraak met de hovenier, koffie met Merel, een wijnproeverij met Dorothea, dat soort dingen.

Werken, dat deed ze niet echt, het was niet nodig. Want werken, daar was haar overgrootvader zo goed in geweest, dat de volgende generaties het niet meer hoefden te doen. En de kleine Olivier ook niet. En zijn kinderen ook niet.

Rosalie’s man werkte wel, hij was eraan verslaafd zelfs. Elke ochtend vertrok hij voor dag en dauw in zijn maatkostuum om iets met financiële producten te doen. ‘Daar hoef jij je mooie hoofdje niet over te breken,’ had hij gezegd, en zo was het maar net.

Ze besloot een glas witte wijn te gaan drinken bij de brasserie op de hoek. In de wagen begon Olivier te jengelen. Hj moest vast weer iets van haar- het voedingsschema van de au pair lag ergens in de keuken, maar ze wist bijna zeker dat eten nu aan de orde was voor de kleine prins. Gelukkig had ze de zelfverwarmende fles bij zich. Ze stak de straat over en liep richting de brasserie. Ze opende de deur en met veel gedoe wurmde ze de kinderwagen naar binnen. De ober deed niet zijn best om zijn ontevredenheid over deze jonge clientèle te verbergen.

Snel parkeerde ze de wagen bij een tafeltje in de hoek en zocht ze de fles op die in het speciale flessenvak van de luiertas zat. Daarna bevrijdde ze Olivier uit de slaapzak en nam ze hem op schoot. Gulzig dronk hij uit de fles.

Wat mag het voor u zijn? Vroeg de ober. ‘Doe maar een glas witte wijn, alsjeblieft,’ zei ze vermoeid. ‘Huiswijn?’ ‘Nee, de Sancerre.’ Even later werd het glas voor haar neergezet. Ze nam een flinke teug. Olivier jengelde weer. De fles was leeg en zijn luier was schoon. Rosalie probeerde hem af te leiden met een speeltje, maar haar zoon begon nu echt te spartelen. Ze besloot hem terug te leggen in de wagen, waar hij het meteen op een intens gekrijs zette. Het glas wijn lonkte, maar eerst moest ze Olivier tot bedaren brengen. Ze haalde hem weer uit de wagen. Het gekrijs sloeg weer om in gejengel. Met zijn rechtervoetje schopte hij het wijnglas van tafel. Het spatte in kleine stukjes uiteen op de tegelvloer.

De ober kwam aangesneld met stoffer en blik. ‘Wilt u een nieuwe,’ zei hij zonder er een vraag van te maken. ‘Graag,’ zei Rosalie. Olivier kwijlde intussen over het tafelblad. Een nieuw glas werd neergezet. Ze nam een grote slok. Olivier begon weer te jengelen. Negeren werkte niet, dus bekeek Rosalie haar jong nog eens goed. Ze kon geen reden vinden voor zijn gedrag. Hij was schoon, net gevoed en bovendien aangekleed in de beste, zachtste kleertjes, en had verder geen zaken om over na te denken. Rosalie nam nog een slok en zuchtte diep. Eigenlijk moest ze plassen, maar hoe ging ze dat nu organiseren? Ze keek om zich heen. Overal zaten mensen, maar niemand keek haar kant uit. Kon ze iemand vragen om op Olivier te passen?

Ze besloot hem terug in de wagen te leggen, waar hij het onmiddellijk weer op een krijsen zette. Snel liep ze naar de toiletten die in de kelder van de brasserie zaten. Het geluid van Olivier klonk steeds verder weg, en toen ze eenmaal de deur van haar hokje gesloten had, was het stil. Nooit eerder had ze het geluid van haar eigen urine zo rustgevend gevonden. Ze bleef nog even zitten met haar ogen gesloten.

De deur van de toiletruimte ging weer open. Twee dames kwamen druk kletsend binnen. ‘Dat is toch niet normaal?’ Zei de een, ‘Nee, echt zo onverantwoordelijk,’ zei de ander. ‘En die herrie- zo asociaal.’ ‘Ze zouden gewoon een horecaverbod moeten hebben tot tien jaar’ zei de een.

Rosalie kwam uit haar hokje. Ze hoorde het gekrijs van Olivier in de verte.

‘Hoort hij niet bij jullie?’ Vroeg ze.
‘Nee, godzijdank niet,’ zei de ene, ‘stel je voor, in een tent als deze…’
‘Echt een schande,’ beaamde Rosalie terwijl ze haar handen waste.

De dames gingen elk een hokje in en met lood in haar schoenen liep Rosalie terug naar binnen. Ze gooide de wijn in een teug achterover en liet 20 euro achter op tafel. Thuis zou ze checken of er ook een geluidsdempende kap op die wagen gemonteerd zou kunnen worden. Zo niet, zou ze er zelf patent op aanvragen.

Feedback

30-01-2015

Heerlijk al die vrijheid en denktijd

Heerlijk al die vrijheid en denktijd

/ / /

30-01-2015

V: Ik denk dat je wel ver bent gevorderd maar…
M: dat ik er nog niet helemaal ben. Dat weet ik.
V: Laten we beginnen bij je eerste stelling- die is heel interessant- maar kan niet bestaan zonder een wat meer uitgebreide uiteenzetting van het werk van Kant.
M: Okee.
V: Als je daar nou meer induikt en de juiste verbindingen weet te leggen, dan zul je zien dat ook het kwantificatieproces eenvoudiger zal zijn
M: Ja.
V: Mits je je ook weet te verhouden tot de vroege werken van Baynard
M: Hmm
V: Er is geen manier om dit onderwerp te behandelen zonder Baynard.
M: …
V: En Voslin. Het verbaast me nogal dat je die zo summier opvoert- dat terwijl die theorie zo goed inhaakt op je tweede stelling
M: Hoe dan?
V: Nou, de paradigma’s zijn natuurlijk gelijkwaardig te noemen- maar dat is slechts een deel van het antwoord. Voor het tweede deel van het antwoord verwijs ik je graag naar Abbot.
M: Abbot?
V: De grondlegger van dit alles
M: Okee.
V: Onthoud je alles wat ik zeg?
M: Ehm [Grabbelt in tas naar pen en papier]
V: Oh, vergeet ik haast mijn koffie op te drinken. [neemt slok]
M: [heeft pen en papier voor zich liggen]
V: Eens even kijken, waar waren we….
M: Eh
V: Wat ik je in elk geval wil meegeven: structuur. Alles valt of staat bij structuur.
M: Ja.
V: Je zegt nu wel ‘ja’, maar ik wil die structuur vooral terug kunnen vinden in je tekst.
M: Ja.
V: Goed. Dan is er nog je derde stelling…
M: Tsja, daarover ben ik nog niet helemaal…
V: Zeker?
M: Nee.
V: Waarom stuur je het dan naar me op? Denk je dat ik om werk verlegen zit?
M: Nee, natuurlijk niet, maar ik dacht…
[korte stilte]
V: Ik vond de derde stelling juist het sterkste van het geheel.
M: Echt?
V: Ja, die paradox is heel boeiend. Zeker in het licht van de vroege geschiedenis. Het is wat embryonaal natuurlijk- maar dat is met het hele werk het geval
M: Embryonaal?
V: Een vroeg ontwikkelingsstadium
M: Oh.
V: Ja, maar met een jaartje of twee moet het wel goed komen hoor. Geen paniek.
M: [in paniek] Een jaartje of twee?
V: Anderhalf, als je flink opschiet.
M: [legt zijn hoofd op tafel]
V: [Negeert het gedrag van M en kijkt op haar horloge] Heb je nog vragen?
M: [Komt weer overeind en wrijft met zijn handen over zijn gezicht] Hoe heette die grondlegger ook alweer?
V: Abbot. En ik zal maar doen alsof ik deze vraag niet gehoord heb. Verder nog iets?
M: [schudt zijn hoofd]
V: Goed, nou dan zien we elkaar over een week of vijf, zes?
M: Okee.
V: Schikt 17 mei, om half twee?
M: Ik heb mijn agenda niet hier…
V: Zonder tegenbericht zie ik je dan.
M: Okee.
V: Verder alles goed met je?
M: Hoezo?
V: Nou, je lijkt me wat somber.
M: Ach.
V: Je moet er wel plezier in houden hoor. Ik weet het nog goed- ik vond het heerlijk, dat onderzoek doen en schrijven. Ge-wel-di-ge tijd. Die vrijheid! Die denktijd! Soms droom ik er nog weleens over. Zo fijn was die tijd, zo fijn.
M: Goh.
V: [Staat op] Nou, ik moet weer gaan.
M: Ja.
V: Dan zien we elkaar in mei.
M. Ja.
V: Fijne dag nog!
M: [legt zijn hoofd weer op tafel]

Schoon

22-01-2015

Het was niet eenvoudig om jong te zijn in deze tijd.

Het was niet eenvoudig om jong te zijn in deze tijd.

/ /

22-01-2015

Er waren alleen maar knappe mensen in de koffiebar. Jonge mannen met baarden, jonge vrouwen met lange dunne benen en lange haren die in rommelige knotjes op hun hoofd zaten. Ze droegen kleding die er een beetje afgeragd uitzag, maar wel duur was geweest. Ze zaten verspreid over de koffietent met hun laptops voor zich. Ze waren aan het flexwerken of facebooken terwijl ze een fortuin uitgaven aan koffies met lange moeilijke namen, extra shotjes en vooral zonder koeienmelk. Van de koffie namen ze foto’s die ze een extra sfeervolle laag gaven door er een oranje gloed overheen te doen. Ook namen ze foto’s van zichzelf met daarachter een hashtag, zo konden ze laten zien dat ze #welbewust #postmodern #narcistisch konden zijn en dat kwam mooi uit want #yolo.

Het was hoe dan ook niet eenvoudig om jong te zijn in deze tijd, hoewel het begrip jong ook aan inflatie onderhevig leek te zijn of in elk geval niet meer met levensjaren te maken had.

Wie niet jong was, was de vrouw die ook het café ingelopen was. Ze was een opvallende verschijning met haar kromme rug en felgekleurde kleding. Op haar korte grijze haar droeg ze een gek mutsje met een soort voelsprieten bovenop. Haar rode broek was net iets te kort waardoor haar gestreepte sokken ook zichtbaar waren. Het capuchonvestje boven de broek had ze vast bij zo’n hippiekraampje ergens op een markt gekocht of ergens op straat gevonden. Ze nam plaats aan een van de tafeltjes aan het raam en zette haar paarse tas op de grond naast zich. Toen liep ze naar de bar

(er kan veel worden gezegd over mooie hippe mensen maar bedienen is niet iets waar ze goed in zijn)

en bestelde een kopje thee. Het barmeisje opende de theedoos, maar de vrouw hoefde geen theezakje. Dat hoefde ze niet te zeggen tegen het barmeisje, want zij was net bezig met het omhelzen van een bekende.

Voorzichtig schuifelde de vrouw terug naar het tafeltje. Eerst deed ze haar vestje uit. Onder het vest droeg ze een oranje t-shirtje. Haar armen waren dun en bekleed met loszittend vel. Toen boog ze voorover en maakte ze haar blauwe schoenen los. Daarna deed ze haar sokken uit. Haar teennagels waren van een indrukwekkende lengte. Ze ging weer rechtop zitten en nam de paarse tas op schoot. Na even rommelen vond ze wat ze nodig had: een bruin washandje.

Voorzichtig doopte ze het washandje in het kopje met heet water. Daarna waste ze met veel aandacht haar rechtervoet en daarna haar linkervoet. Ze kneep het washandje uit boven het vaasje met bloemen dat bij haar op tafel stond.

Mevrouw, mag ik wat vragen?’ Een baard met een streepjestrui en een strakke spijkerbroek stond naast haar tafeltje.

De vrouw zei niks, en de baard ging verder. ‘Kunt u even op mijn laptop letten, ik moet even naar wc.’

Hij wees naar het tafeltje naast haar, waar inderdaad een laptop stond.

De vrouw knikte en de jongen ging liep weg terwijl hij naar zijn telefoon keek.

Het wassen ging verder, eerst nog haar armen en hals, daarna haar gezicht en toen eventjes onder haar t-shirt, oksels, buik en borsten.

De jongen kwam weer terug, ‘dankje’ zei hij, zonder haar aan te kijken.

Ze deed haar sokken weer aan en ook haar schoenen en haar vest. Het restje theewater gooide ze in de bak van de olijfboom die binnen stond. Langzaam schuifelde ze weer naar buiten.

Niemand had haar gezien.

Bang

14-01-2015

Ik was er wel en ik zei niks.

Ik was er wel en ik zei niks.

/

14-01-2015

Het gebeurde bij een kruispunt midden in de stad. Ineens klonk er een harde knal over het verkeersplein. In een schok stond ik stil met mijn fiets. Verdwaasd keek ik om me heen. Mijn voorband was geklapt.

Gelukkig was ik op weg naar een rood stoplicht en stond ik dus ineens stil op een plek waar iedereen stil stond. Ik was geschrokken, nog nooit eerder had ik een klapband gehad, daarbij was ik zo diep in gedachten geweest dat het was alsof ik door een grijparm zo uit een speelmachine in de wereld was neergezet. Ik keek om me heen, naast me stond een jongen met een grote koptelefoon op zijn hoofd. Hij had niks gemerkt, keek vluchtig naar het verkeer en besloot toen door rood te fietsen.

Naast me stond een oudere vrouw in een beige regenjas.

‘Kind, wat laat je me schrikken,’ zei ze, terwijl ze liet zien hoe haar handen beefden.

‘Nou, inderdaad!’ Klonk het nu van achter me, waar een jonge vrouw met haar fiets stond.

Ik verplaatste me naar de stoep, en bekeek mijn voorband. Ik bedacht me welke fietsenmaker het dichtste in de buurt zou zijn. De oudere vrouw legde haar hand op mijn stuur en keek onrustig om zich heen. Ze leunde naar mij toe en zei:

‘Bent u ook zo bang?’

‘Bang? Ach, ik schrok wel een beetje, maar ik heb geluk dat ik toch net bij het stoplicht was.’

‘Nee, ik heb het niet over je fiets.’

‘Waar heeft u het dan over?’

‘Nou, toen ik die klap hoorde… Ik wist het gelijk: ze zijn hier.’

‘Wie bedoelt u?’

Ze keek schichtig om zich heen voordat ze weer sprak.

‘Nou, de terroristen natuurlijk.’

De jonge vrouw viel haar nu bij.

‘Het is slechts een kwestie van tijd eigenlijk.’

‘Ze zijn overal.’

Het meisje wees naar een paar mensen aan de overkant van de straat die op de tram aan het wachten waren. ‘Zie je dat?’
Ik volgde haar blik en zag mensen. Allerlei mensen uit deze stad. Mensen met verschillende buitenkanten, meningen, sofinummers en plannen. Mensen die met de tram wilden reizen.

‘Daarom neem ik geen openbaar vervoer meer,’ zei de jonge vrouw, ‘je weet nooit wie er naast je zit, of instapt.’

‘Precies. Ik bestel al mijn boodschappen op het internet,’ zei de oude vrouw.

‘Verstandig,’zei de jonge vrouw.

Ik probeerde te doen alsof ik er niet was. Maar ik was er wel en ik zei niks. Later zou ik mezelf haten om mijn zwijgen. Dat wist ik nu nog niet. Nu zweeg ik enkel terwijl ik naar mijn fiets keek. Ik had een fietsenmaker nodig.

‘Weet u misschien een fietsenmaker in de buurt?’

‘Ja, achter de markt zit er wel eentje. Maar ja,’ zei de vrouw, ‘dan moet je wel die buurt in…’

‘Wat is er met die buurt?’

‘Gewaden,’ zei de jonge vrouw, ‘ze dragen daar allemaal gewaden.’

‘En de kinderen spelen tot tien uur ‘s avonds buiten,’ vulde de oude vrouw aan.

‘Ik denk dat ik het risico maar neem,’ zei ik, ‘dankjewel’.

‘Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb,’ zei de oude vrouw.

Terwijl ik naar de fietsenmaker wandelde passeerde ik een paar winkels. In de weerspiegeling van de etalageruiten zag ik waar ik het bangste voor was.

Je suis Charlie

07-01-2015

07-01-2015

Het is nog middag maar buiten is het al donker
Ik denk aan de drie schutters van deze dag
En ik vraag me af: wat zouden ze aan het doen zijn

Nu de nabestaanden versplinterd zijn van verdriet
Ouders hun kinderen moeten begraven
En kinderen hun ouders

Een gewone woensdag in januari
Met cornflakes in de ochtend
Zij die wisten wat deze dag zou brengen
Gaven hun geliefde nadrukkelijk een kus
Zij die van niks wisten
Haastten zich naar hun einde

Ik denk aan de drie schutters
Geven ze elkaar een voorzichtige high five
Rijden ze volgens de regels van het verkeer
in een camionette ergens aan de grens

Zijn ze trots
Hebben hun vrienden smsjes gestuurd
Heffen ze het glas
Maar dan met thee erin
Geschonken door een gesluierde vrouw
Of toch een blikje cola
Voor de smaak.

Visite

05-01-2015

Het eerste stukje gaat altijd makkelijk.

Het eerste stukje gaat altijd makkelijk.

/ /

05-01-2015

Het was al een tijd geleden dat Lida haar zoon en schoondochter op bezoek had gehad. Van schoondochters mocht je niks vinden, hield ze zichzelf voor. Zelf was ze weinig welkom geheten, dertig jaar geleden. Haar schoonmoeder refereerde de eerste twee jaar naar haar als ‘dat meisje’ om daarna in een stilzwijgend afkeuren te vervallen. Met de komst van de kinderen was de boel iets verbeterd, met de verhuizing 300 kilometer naar het zuiden nog meer. Maar de relatie bleef verziekt tot het bittere einde.

Dat soort taferelen zou Lida nooit hebben, nam ze zich toen voor. Ze had twee zonen en een dochter. De dochter reisde als reisleidster de wereld rond en stuurde wekelijks kaartjes. Af en toe spraken ze via Skype, maar over een vaste geliefde had ze nooit gesproken. De jongste zoon bleek homo te zijn, hij woonde inmiddels drie jaar samen met een knappe oudere architect. Vandaag was het dus de oudste die kwam eten met zijn vriendin, vrouw inmiddels. Lida kon slecht wennen aan die nieuwe status, de twee waren stiekem getrouwd ergens in het Caribisch gebied, zonder gasten, met twee voorbijgangers als getuigen.

Het was geen slecht mens, of iets dergelijks, haar schoondochter. Ze was niet onknap, en had een redelijk stel hersenen. Ze was niet te dik en ze had geen sterk accent. Zo nu en dan maakte ze een grapje en als ze op bezoek kwamen nam ze bloemen mee of een doosje chocolade. Ze had een redelijk goede baan en kwam uit een normale familie. Er was niks mis mee, maar hoe Hugo daar nou zo verliefd op had kunnen worden, dat bleef Lida een raadsel.

Subtiel probeerde ze de mening van haar man te peilen. Maar hij was weinig gevoelig voor subtiele zaken (en ook weinig gevoelig voor minder subtiele zaken, nu ze erover nadacht). Daarom had ze hem een na het derde bezoek van Hugo en Ilse gewoon maar gevraagd wat hij ervan vond. ‘Ik vind haar niet zo lekker als ik had gehoopt,’ klonk het vanachter het Financiële Dagblad. ‘En verder?’ De krant kwam naar beneden. ‘Verder? Ach, wat valt er nou te vinden. Als die jongen maar gelukkig is.’ In de keuken schonk Lida zich nog een glas port in.

Gelukkige kinderen,
dat is wat elke ouder wil.

Vandaag kwamen ze dan eten en Lida had zich uitgesloofd in de keuken. De drank had ze overgelaten aan haar echtgenoot, die sowieso vaak en graag in de slijterij te vinden was. De deurbel klonk. Sinds wanneer ging het eigenlijk zo? Wanneer had hij zijn sleutels ingeleverd? Van haar had het niet gehoeven, er waren sleutels genoeg, de buren hadden er een, haar zus, en de buurt was veilig genoeg om de achterdeur overdag open te laten. De bel ging weer, vlug deed Lida haar schort af en gooide hem in een hoek op het aanrecht. ‘Steek jij de kaarsjes aan?’ Vroeg ze aan haar man terwijl ze met nerveuze passen richting de voordeur liep. ‘Huugje,’ mompelde ze, want dertig of niet, nog steeds was hij haar eigen kleine mannetje. En potverdorie- moest je haar nu zien, in haar eigen huis, lopend met nerveuze passen. Misschien is het de overgang, dacht ze bij zichzelf.

Het eerste stukje van een bezoek gaat altijd makkelijk. Koude snelle zoenen, jassen uit, bloemen aannemen, dicht op elkaar staan in een kleine ruimte, schoenen uitdoen of toch aanlaten, even de sjaal nog ophangen, best wel afgekoeld buiten, maar gister was het beter, morgen wordt het slechter, tenminste, zoiets zeiden ze op de radio, maar ze zeggen zoveel, en dan de woonkamer in.

‘Wat ruikt het lekker,’ zei de schoondochter.
‘Je moeder is al de hele middag in de keuken bezig’ zei de echtgenoot.
‘Ik zet de bloemen even in een vaas, schenk jij ze even wat in’ zei Lida.
‘Voor mij niet teveel, ik moet nog rijden’ zei de zoon.

Ze gingen op de bank zitten. Op de achtergrond de golden oldies cd die Hugo een paar jaar geleden cadeau had gedaan. Niksige muziek vond Lida, maar perfect voor deze gelegenheid. De drie waren in gesprek over de huizenmarkt en Lida stond op om naar de keuken te gaan. Daar schonk ze de venkelsoep in dunne glazen kopjes. Erbovenop een zelfgemaakte soepstengel. Ze zette de glaasjes op het zilveren dienblaadje dat van haar moeder was geweest. Naast de glaasjes zette ze de amuselepels neer. Vanmorgen had ze kleine torentjes van makreelmousse gemaakt, bovenop de torentjes een spiraaltje van citroenschil. Het was veel werk geweest, maar het resultaat mocht er zijn, vond ze.

Met het blad in haar armen liep ze richting de bank.
‘Kijk eens, hier alvast wat kleins,’ zei ze.
De anderen zeiden de dingen die mensen zeggen in zulke situaties. Toen aten ze het zwijgend op.
‘Lekker,’ zei de echtgenoot.
‘Ja,’ zei haar zoon.
‘Ja,’ zei de schoondochter, ‘hoewel het voor mij wel een beetje meer gekruid had gemogen. Dat is geen kritiek hoor.’
‘Ja, maar jij kan ook heel goed koken,’ viel de zoon zijn vrouw bij.
‘En ik niet?’ Vroeg Lida nijdig.
‘Jawel,’ haastte de zoon zich nu te zeggen, ‘maar jij kookt gewoon, zeg maar, gewoon. Lekker, niet teveel poespas.’
‘Nou, dit zette ik jullie vroeger niet voor hoor.’ Lida verzamelde de glaasjes en lepels en zette ze op het dienblad.
‘We gaan zo aan tafel, ga maar vast zitten. Lieverd, schenk jij nog even bij?’
De echtgenoot knikte.

Lida keek in de pan met boeuf bourguignon. Niet echt verfijnd misschien, maar wel heel lekker, toch? In de oven lagen de parten geroosterde pompoen, de knolselderijpuree was ook al klaar. Met tegenzin liep ze de woonkamer in met de schalen. Ze schepten op. Het zag er mooi uit, al die kleuren bijelkaar.

‘Mag ik ook eens wat witte wijn?’ Vroeg de schoondochter.
‘Je drinkt toch liever rood?’ Vroeg Lida.
‘Ik denk dat ik de witte wat lekkerder vind. Deze is een beetje vlak.’
‘Vlak?’ Zei Lida.
‘Ilse weet heel veel over wijnen. Ze kan ook heel goed proeven,’ zei de zoon, ‘dankzij haar heb ik ook veel beter leren proeven.’
Lida sloeg haar wijn in één teug achterover. De echtgenoot merkte niks.

Tijdens het eten werd er wat gepraat over tv-series en mensen van vroeger. Toen stond Lida op om het dessert te halen: zelfgemaakte chocolademousse.

‘Dat hoef ik niet,’ zei de schoondochter toen Lida de schaal op tafel zette.
‘Ik ben niet zo’n zoetekauw.’
‘Meestal eten we kaas toe,’ vulde de zoon haar aan, ‘heerlijk, met een goed glas port.’
‘Port hebben we,’ zei de echtgenoot opgeruimd, ‘ik ga het wel even pakken.’
Nijdig schepte Lida drie kommetjes chocolademousse op.
‘Niet te veel hoor mam, dat moet ik er allemaal weer af sporten,’ zei de zoon.
‘Hij is al drie kilo kwijt,’ zei de schoondochter, ‘en echt veel gespierder’.
‘Is dat zo?’
De zoon knikte. ‘Ik ben echt veel gezonder sinds wij samen zijn.’

‘Gezondheid is het belangrijkste van alles,’ zei de echtgenoot terwijl hij een glas port hief.
Iedereen zei proost.

Daarna verzamelde Lida het servies en ging ze koffie zetten. De schoondochter wilde helpen met afruimen, maar dat hoefde niet. Terwijl de koffie liep, masseerde Lida haar slapen. Het zat er bijna op. De keuken was een groot slagveld, en voor wat eigenlijk? Ze zette kopjes en chocolaatjes op een dienblad en bracht het naar de eettafel. Toen ging ze de koffiekan halen.

‘Filterkoffie, wat lekker puur,’ zei de schoondochter.

Lida probeerde te glimlachen en nam een grote slok koffie die veel te heet was voor grote slokken. Proestend ging ze naar de keuken om haar mond te spoelen. Toen ze weer de kamer inkwam stonden de zoon en schoondochter met hun jassen aan in de kamer.

‘Volgende keer bij ons,’ zeiden ze.

Thuis

10-12-2014

Alsof de wereld niet in brand staat.

Alsof de wereld niet in brand staat.

/ / /

10-12-2014

‘Wat ben je aan het lezen?’ Vroeg de man aan zijn vrouw. Het was een donderdagavond en ze waren allebei thuis. Het was wel vaker donderdagavond, maar dat ze allebei thuis waren, was een zeldzaamheid. Vooral zij leidde een druk sociaal leven waardoor de avonden voor de man vaak alleen waren, tot zijn opluchting.

Maar vandaag was het anders. Ze zaten samen op de grote donkergrijze bank die ze twee jaar geleden voor een hoop geld hadden gekocht. Het was een showmodel, maar nog steeds was het verreweg het duurste bezit dat ze ooit hadden aangeschaft. Hij bekeek het tafereel van een afstandje. Daar zat hij dan. Hij was de helft van een stel. Een stel op een bank. Donderdagavond. Buiten donker en koud. Binnen licht en warm. Samen.

De man gleed met zijn tong langs zijn tanden. Een tic van vroeger, nu al een stuk minder, maar nog even slecht tegen te onderdrukken wanneer hij zijn geduld begon te verliezen. Dat was nu. Hij zou het nooit toegeven, maar eigenlijk voelde hij zich vooral goed wanneer hij alleen was. Niet dat zijn vrouw zo lastig was- ze sprak weinig en rook lekker. Ze kookte goed en klaagde zelden. Toch verkoos hij de stilte boven alles. Vanavond was een vreemde avond, want nu moest niet zij, maar hij zometeen nog weg. Naar een kerstborrel, een vervelender sociaal construct kon hij zich niet voorstellen. Maar hij moest, want zonder netwerken was er überhaupt geen werken, had zijn zakenpartner gezegd. Waarschijnlijk was het waar. Wie huurde er nog een makelaar in tegenwoordig? Er waren zelfs borden te koop waarop stond: ‘ik verkoop mijn huis zelf’. Als de man zo’n bord op een raam geplakt zag, moest hij zich inhouden geen baksteen door de ruit te gooien. Alsof het geen vak was. Het was wel degelijk een vak. Zijn vak bovendien. Zijn vak.

De man keek naar zijn vrouw. Hoe dichterbij de kerstborrel kwam, hoe groter de afkeer van zijn vrouw werd. Zoals ze daar zat, zo op de bank, met haar boek. Alsof ze vakantie heeft, dacht hij. Alsof de wereld niet in brand staat. Alsof ik niet besta, alsof zij elke avond thuis is. Zo zit ze daar, kopje thee erbij, zometeen schenkt ze zich nog een glaasje wijn in. Een haarlok gleed vanachter haar oor voor haar gezicht. Al lezend veegde ze de lok weer achter haar oor. Het gebaar maakte hem woedend.

‘Wat lees je?’ Herhaalde hij. ‘Hmm?’ ‘WAT BEN JE AAN HET LEZEN?’ Zijn vrouw keek nu op vanuit haar boek. Haar wenkbrauwen had ze verbaasd opgetrokken. ‘Wat is er met jou aan de hand?’ ‘Ik vraag je wat,’ zei de man nu. ‘Dagboekfragmenten van grote vrouwen uit de geschiedenis,’ zei ze, ‘Wil je wat horen? Het is heel mooi.’ ‘Nee dankje.’ Ze las weer verder terwijl de man begon te mompelen: ‘Grote vrouwen uit de geschiedenis. Grote vrouwen. Geschiedenis. Pff, zeker een heel dun boekje.’
‘Wat zeg je?’
‘Niks hoor.’
Zonder op te kijken zei ze: ‘Moet jij niet zo gaan?’

‘Ik moet helemaal niks’ zei de man met zoveel mogelijk waardigheid, wat niet eenvoudig was bij deze uitspraak. Zijn vrouw keek niet op van haar boek.

‘Jullie hebben toch die kerstborrel?’
‘Jeeminee, mens! Kun je niet gewoon daar zitten en je boek lezen? Je hoeft je toch niet overal mee te bemoeien?’

Zijn vrouw kende hem ruim vijftien jaar. De eerste jaren raakte ze van streek door zijn buien. De jaren daarna probeerde ze hem te veranderen, door hem mee te slepen naar deskundigen die allemaal boosheid uit de kindertijd noemden, maar die allemaal onvoldoende overtuigingskracht bleken te bezitten om haar man te temmen. Nu was het zover gekomen dat ze geen krimp meer gaf bij deze buien.

‘Vergeet je je fietslampjes niet?’

Met een woeste beweging stond hij op. ‘Nee hoor moeder, die vergeet ik niet!’

Stampvoetend liep hij richting de badkamer, waar hij in de spiegel keek. ‘Potverdomme, ik zie er toch nog goed uit’ mompelde hij. Hij poetste zijn tanden, waste zijn handen en kamde zijn haar. ‘Niet slecht,’ mompelde hij, ‘helemaal niet slecht.’

Hij liep weer de woonkamer in. De bank was leeg. Zijn vrouw stond in de keuken, ze schonk zichzelf een glas rode wijn in. Op een klein bordje legde ze wat stukjes kaas en een handjevol nootjes. ‘Zie je wel,’ dacht de man, ‘ze gedraagt zich als een diva. Met die glimlach op haar gezicht, dat warme vest, die stomme pantoffels aan haar voeten. En ik, wat ga ik vanavond doen? Werken. Kerstborrel. Netwerken.’

Hij liep naar de hal, kribbig trok hij zijn jas aan. Zijn vrouw was alweer in haar boek verzonken op de bank. ‘Ik ga!’ ‘Kusje?’ Met een zucht liep hij naar haar toe en plantte hij een kus als een pets op haar wang. ‘Tot vanavond,’ zei ze zonder op te kijken.

Buiten bij zijn fiets kon de man zijn sleutels niet vinden. Hij voelde in zijn jaszakken, zijn broekzakken, zelfs in zijn colbert. ‘Godverdomme,’ zei hij terwijl hij weer naar de voordeur liep. De huissleutel had hij nog wel.

‘Ben je daar weer?’ Zei zijn vrouw toen hij binnenkwam.
‘Fietssleutel kwijt,’ zei hij kortaf.
Met grote passen liep hij door de kamer. Hij trok alle mogelijke lades open, keek in de keukenkastjes en werd bij elke poging chagrijniger.
‘Ik zal je even helpen’ zei zijn vrouw toen. ‘Welke jas had je vanmorgen aan?’
‘Deze.’
‘Nee, je ging naar de bouwmarkt, weet je nog? Dat doe je nooit in deze jas.’
Het was waar. Hij ging die ochtend naar de bouwmarkt en dat zou hij nooit doen in deze jas. Maar waar bemoeide zij zich eigenlijk mee? Waarom hield ze bij wanneer hij welke activiteit ondernam in welke jas?

Zijn vrouw stond bij de kapstok, in haar hand zijn fietssleutel. De groene jas had hij die ochtend gedragen. Natuurlijk.

‘Veel plezier lieverd,’ zei ze.

De man zei niks en liep met gebogen rug naar zijn fiets. Het waaide hard en hij had de hele weg wind tegen. De borrel was saai en duurde lang.

Thuis zat zijn vrouw een brief te schrijven aan haar minnaar.

Lijntjes

28-11-2014

U kunt die lijnen toch zien?

U kunt die lijnen toch zien?

/

28-11-2014

Het is een gure dag, de hemel is grijs en zo nu en dan miezert het een beetje. Ik heb net 25 minuten tegen de wind in gefietst en ben eindelijk aangekomen bij de bibliotheek.

Het plein voor de bibliotheek is leeg, met zulk weer kun je hier niet zitten, laat staan een sigaret opsteken. Alleen een handjevol mannen in fluorescerende gele pakken staat voor het gebouw, ze zien eruit als eenzame astronauten in de wind. Ze zullen het wel koud hebben. Een van de mannen roept iets naar me, maar ik kan hem niet verstaan. Hij gebaart druk naar de fietsen die achter hem zijn opgesteld. Ik begin het te begrijpen, deze man heeft te maken met de fietsen. Ik zet mijn fiets bij de rest neer en ga de bibliotheek in.

Binnen is het warm en rustig, alleen het gezoem van de roltrappen klinkt door het gebouw. Het gebouw voelt nu al gedateerd aan, terwijl het zo fris en nieuw was een paar jaar geleden. Zonde, maar misschien werkt het met alles op die manier.

Ik lever mijn boeken in, zoek het boek voor mijn leesclub en ga dan weer terug naar buiten.

Mijn fiets is weg.

Ik wandel wat rond, ik heb vaker meegemaakt dat ik mijn fiets ergens anders had geparkeerd dan ik had onthouden. Ik speur alle barrels af, hij zou toch niet gejat zijn? Dan zie ik op het grasveldje verderop allemaal losse fietsen op hun zij liggen. De mijne ligt er ook tussen.

Fietsen worden gejat, gesloopt, ze vallen om, ze worden opzij geschoven… Maar ze wandelen niet spontaan een grasveldje in, om daar op hun zij te gaan liggen. Een van de astronauten staat met zijn rug naar me toe, hij kijkt uit over de grijze omgeving. Ik lees wat er op de achterkant van zijn hesje staat: ‘Fietscoach’.

Ik help mijn fiets overeind en loop met de fiets aan de hand naar de fietscoach. ‘Mag ik wat vragen?’
Hij knikt.
‘Weet u misschien hoe het komt dat mijn fiets verderop in het gras terechtgekomen is?’
De man kijkt met een blik vol chagrijn naar mijn fiets.
‘Die hebben wij daar gegooid.’

‘Mag ik vragen waarom u met fietsen gooit?’

Geïrriteerd loopt hij naar de plek waar de fietsen staan. Hij wijst op de grond.
‘U kunt die lijnen toch zien?’
‘Ja.’
‘Nou, daarbuiten mag u niet parkeren.’
‘Maar er is geen plek binnen de lijntjes omdat er heel veel fietsen zijn omgevallen…’ begin ik.
‘Dat komt door de wind,’ zegt de man.
‘Dat begrijp ik, maar moet u ze als fietscoach dan niet oprapen?’
‘Nee, wij hebben één taak en dat is te zorgen dat fietsen correct worden geparkeerd.’

Een andere fietser komt bij ons staan. Het is een oudere man met een grote grijze snor, op zijn hoofd draagt hij een klein donkerblauw mutsje. Een soort kapitein zonder schip.

‘Wat is er hier aan de hand?’
‘Nou,’ zeg ik, ‘als je je fiets buiten de lijntjes zet, gooien deze fietscoaches je fiets in het grasveld. Als je hem binnen de lijnen zet en de hele boel valt om, doen ze niks.’
De fietser fronst.
‘Deze mevrouw wil niet meewerken aan het parkeerbeleid,’ zegt de fietscoach.

De man met het mutsje kijkt naar de coach en naar mij en dan nog eens. ‘Godskolere nog aan toe,’ zegt hij dan. Hoofdschuddend fietst hij weg.

‘Ik wil best meewerken,’ zeg ik, ‘ik ben dol op meewerken. Maar wat vind u er zelf eigenlijk van?’
‘Fietsen moeten juist geparkeerd worden. Dat is waarom ik hier aan het werk ben’ zegt de man.
‘Maar wat vindt u er zelf van?’
‘Het is goed om fietsen juist te parkeren.’

En daar viel natuurlijk geen speld tussen te krijgen.

Vraagje

12-11-2014

Genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden.

Genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden.

/ /

12-11-2014

‘Hoe was je dag?’ Ze vraag het zo opgewekt mogelijk, ook al staat zijn gezicht op onweer.

‘Gaan we dit gesprek voeren? Je weet toch dat ik niet aan middelmatigheid doe. Wat moet ik met zo’n vraag?’

Hij schenkt zichzelf een whisky in.

‘Ik ga koken.’

‘Prima.’

Ze verwarmt de borden voor, legt het damasten tafelkleed op de tafel. De zilveren kandelaar van haar oma gaat ook op tafel, net als de kristallen wijnglazen. Ze kookt met de grootst mogelijke aandacht. Eerst een eitje met truffel, dan een velouté met aspergepunten, kreeft als hoofdgerecht en als afsluiter is er nog kaas. Hans houdt niet van zoet. Zij houdt wel van zoet, maar om nog eens in haar eentje, onder zijn afkeurende blik een huigemaakte apple crumble naar binnen te werken, ze heeft er geen zin meer in.

Aan niks ontbreekt het hen hier, in het grote huis. Kookeiland, regendouche, in elke ruimte een haard, deuren met glas-in-lood, marmeren schouwen, oude plafondlijsten, ligbaden op pootjes en nog meer dingen waar ze zo verliefd op werd toen ze verliefd werd op haar echtgenoot. Of was het andersom gegaan? Ze wist het niet meer en eigenlijk maakte het ook niet meer uit. Ze was hier in dit huis, een mevrouw geworden.

Alles van vroeger was voorbij, zelfs haar naam werd niet meer gebruikt. Van Maggie naar Magalie. Haar familie kwam alleen als hij er niet was, dat gebeurde tamelijk vaak, haar echtgenoot was een man van de wereld. Zij was geen vrouw van de wereld, zij was van dit domein, en elke keer wanneer ze elkaar zagen voelde ze zijn ogen prikken, zijn verveling. Ze was in topconditie, het huis was prachtig, het eten perfect. Maar genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden. ‘Tevredenheid is middelmaat en middelmaat is het einde van alles’ zei haar man.

Hij ging aan tafel zitten, en zij tegenover hem. Het haardvuur knapperde achter hen. Ze haalden synchroon hun servetten uit hun zilveren servetringen met hun initialen erin, en legden het servet op schoot. Zwijgend aten ze de eerste twee gangen. Ze wilde graag een gesprek met hem voeren, maar was tegelijkertijd bang dat ze weer zou laten blijken dat ze toch meer Maggie was dan Magalie, toch minder extra, toch meer ordinair. Een interessante vraag had ze tijdens het koken bedacht en nu, bij de kaas, had ze de moed om hem te stellen. Ze haalde diep adem en vroeg haar echtgenoot:

‘Ben je weleens eenzaam?’

Haar man leek niet verbaasd te zijn over deze vraag, hij leek de vraag te verwachten of ten minste vele malen eerder te hebben beantwoord. Hij depte zijn mondhoeken met zijn servet en begon toen:

‘Eenzaam? Natuurlijk. Iedereen is eenzaam. Wat denk jij nou? Alleen worden we geboren en alleen gaan we dood. Alles ertussenin proberen we te vullen met zoveel mogelijk dingen, om de tijd te doden, zo comfortabel mogelijk, het liefst.’ Haar man gebaarde om zich heen. ‘Comfort, daar draait het om in deze wachtkamer van de dood. Daar zitten wij nu in. Maar wel met een degelijke vloerverwarming tijdens het wachten. Wist je dat je, als je goed luistert, de tijd kunt horen wegglippen?’

Hij sloot zijn ogen. ‘Hoor je wel?’

Ze hoorde niks.

‘Liefste, ik wilde alleen maar weten of je wel eens eenzaam bent geweest…’

Met een zucht opende hij zijn ogen weer.

‘Eenzaamheid zei je? Eenzaam zijn we allemaal. Wie weet nu werkelijk wat de ander denkt? Wie weet nu werkelijk wat hij zelf denkt? Jij niet hoor, ik evenmin. Om terug te komen op je vraag: Ja, ik ben eenzaam. En jij ook. Dat zijn we elke dag. Daarmee is jouw vraag die je me net stelde, in essentie gelijk aan de vraag hoe mijn dag was. En je weet wat ik daarvan vind.’

‘Ik weet wat je daarvan vindt,’ zei ze gedwee.

‘Dan ga ik nu even naar de voorkamer, breng je me zo een espresso?’

Ze knikte en hij stond op.