Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Coulance

31-05-2013

‘Wat vinden wij hiervan?’

‘Wat vinden wij hiervan?’

/ /

31-05-2013

‘Als ik nou de dagen allemaal zou nummeren,  en niet langer een naam zou geven, zou ik me dan elke dag anders voelen?’ Peinste de vrouw. Ze keek naar haar hond die op deze koude ochtend in de lente helemaal geen zin had gehad mee uit te gaan. De hond snuffelde wat rond, leek geen besef te hebben van tijd of dagen, geluk of ongeluk. Eten, slapen en uit. Wat een eenvoudig bestaan.

De vrouw was niet ongelukkig, ze wist eigenlijk precies hoe gelukkig ze was op welke dag van de week. Vrijdag meer dan donderdag, bijvoorbeeld. En op maandag weer minder dan dinsdag. Welk nummer zou deze dag hebben? Januari, 31 dagen, plus februari, dat waren er 28 of toch 29 dit jaar?

 

‘Wat zijn wij aan het doen?’ Klonk ineens een barse stem.

 

De vrouw schrok op. Tegenover haar twee mannen in uniform die uit het niets leken te zijn verschenen.

 

‘Ehm, de hond uitlaten?’ Vroeg ze.

 

‘Zijn wij op de hoogte van het feit dat dit geen uitlaatzone is?’

 

Het was verwarrend. De vraag was alleen door henzelf te beantwoorden, maar leek wel aan haar gericht. Of misschien spraken ze ook tot Bobo die rustig rond snuffelde in het gras.

 

‘Of jullie op de hoogte zijn..?’ Probeerde ze.

 

‘Nee, mevrouw. U bevindt zich in een zone waar u geen honden mag uitlaten.’ De man wees op het bord. ‘De uitlaatzone is daar.’ Hij wees naar een naastgelegen veldje, zo’n vijftien meter verderop.

 

‘Nou, dan zal ik me maar snel naar die zone begeven.’ Zei de vrouw.

 

‘Weet u wat dat kost?’ Zei de man links met de grote rekenmachine in zijn hand.

 

‘Nee.’

 

‘Honderd-en-dertig euro.’ Zei hij, heel langzaam nu.

 

‘Och heden, dat is nogal wat. Ik was er niet bij met mijn hoofd,  kan ik er vandaag vanaf komen met een waarschuwing alstublieft?’

 

De man links rolde met zijn ogen. De man rechts keek zijn collega aan. ‘Wat vinden wij hiervan?’

 

‘Als ik nu meteen naar het juiste gebied loop, kunnen wij dit incident dan vergeten misschien?’ Probeerde ze. 

 

‘Heeft u soms geen respect voor onze baan? Denkt u soms dat wij zulke delicten zomaar kunnen laten gaan?’

 

‘Nee absoluut niet, maar ik hoopte dat u kunnen overwegen…’

 

‘Heeft uw hond zich al ontlast?’ Onderbrak de linker man haar.

 

‘Pardon?’

 

Ze keken alledrie naar Bobo die nu rustig hurkte. Met grote ogen keek hij de mannen aan terwijl er langzaam een lange bruine sliert op het gras viel. En nog een. En nog een. 

 

‘Dit is precies waarom wij hier zijn.’ Zei de rechter man.

 

Zijn collega knikte instemmend.

 

‘Dat wordt dan tweemaal honderd-en-dertig euro, wat neerkomt op twee-honderd-en-zestig euro, mevrouw.’

 

‘Kost hondenpoep 130 euro? De hond kostte maar vijftig!’

 

‘U heeft niet voldaan aan uw opruimverplichting.’

 

‘Omdat ik met jullie in gesprek ben.’

 

‘Wilt u met ons in discussie gaan? Dit is overduidelijk een heterdaadje’

 

‘Maar ik kan het toch nu opruimen?’

 

‘Uiteraard.’

 

Haastig zocht de vrouw naar het plastic zakje voor de poep van Bobo. Ze vond het niet.

 

‘Ik ben mijn zakje kwijt’

 

‘Dat wordt dan twee-honderd-en-zestig euro. Eenmaal buiten de zone lopen en eenmaal negeren van de opruimverplichting.’

 

‘Maar als ik de poep nu weghaal, is het 130 euro?’ stamelde de vrouw.

  

‘Correct.’

 

Ze haalde diep adem en ging op haar hurken zitten. Met haar blote handen raapte ze drol bijeen. Hij was nog warm, de substantie haast olie-achtig. Zeker door de restjes makreel van gisteravond die ze Bobo had gevoerd.

 

De rechter man keek haar vol afgrijzen aan terwijl de linker driftig tikte op zijn rekenmachine tikte. Hij vroeg haar naam, adres en identiteitsbewijs. Met haar met poep besmeurde hand ging ze haar jaszak in en viste ze haar rijbewijs eruit. Ze reikte haar rijbewijs aan, maar de man pakte hem niet.  Ze moest het nummer zelf voorlezen.

 

‘Dan nog even uw handtekening.’

 

De man wilde het pennetje aan haar geven, maar bedacht zich toen hij de stinkende hand dichterbij zag komen.

 

‘Weet u wat? Vandaag voeren we coulancebeleid. U komt er vanaf met een waarschuwing. Wij wensen u een fijne middag.’ Haastig liepen ze terug naar hun busje. 

 

De vrouw staarde de mannen na. Bobo likte aan haar handen. Ze wist niet meer welke dag het was. 

Diner

12-01-2016

Elke keer denk ik aan jullie.

Elke keer denk ik aan jullie.

/ / /

12-01-2016

Camille en Rogier zaten tegenover elkaar in het restaurant. Ze kwamen hier wel vaker, ze pasten goed in het moderne, strakke interieur met witte leren banken, designstoelen en industriële lampen. Het restaurant lag in een van de duurdere straten van de stad, en het eten was dan ook niet goedkoop. Voor Camille en Rogier maakte het niet uit. Geld was niet iets waarover ze na hoefden te denken. Eigenlijk hoefden ze over niks echt na te denken, het liep, alles liep. Soms hadden ze wel stress natuurlijk, zoals laatst toen de nieuwe auto drie weken te laat werd geleverd, of toen er bijna geen chalet meer te boeken was in de periode die zij vrij hadden genomen om te skieën. Het was allemaal goed gekomen, gelukkig.

Ze aten zwijgend. Hij had de entrecôte besteld, zij een pasta met zeevruchten. ‘Zeevruchten,’ dacht ze bij zichzelf, ‘waarom vruchten? Het zijn toch ook geen stalvruchten, of weidevruchten?’ Ze hield haar gedachten voor zich. Ze dronken een witte wijn die in de koeler op tafel stond. Zo nu en dan werden ze bijgeschonken door de serveerster die zo opgewekt was dat het leek of ze aan de drugs was.

Enkele tafels verderop vertrokken de gasten, vier in totaal. Het waren twee stellen van een jaar of dertig, lange mannen met vlassig haar, hand in hand met kleine onknappe vrouwen met zware benen. De vrouwen droegen grote leren handtassen en hadden hun haren opgestoken in een rommelige knot. Het was acht uur en ze waren al helemaal klaar met het diner. Vroege eters, daar hadden Camille en Rogier vroeger grapjes over gemaakt. Ze maakten veel grapjes. Over burgerlijkheid en mensen die om tien uur in bed liggen. Maar de grapjes waren opgegaan.

De serveerster hield de deur open voor de vroege eters. ‘Gezellige avond nog!’ riep ze hen enthousiast na. De stellen lachten en liepen met tevreden gezichten de kou in. De frisse buitenlucht glipte naar binnen, gaf Camille heel kort kippenvel op haar armen. Ze stopte even met eten en keek hoe Rogier zijn vlees at. Het was lang geleden dat uit eten gaan iets met gezelligheid te maken had. Dat ze elkaar werkelijk iets te vertellen hadden, naar elkaars antwoorden wilden luisteren, dat ze het eten bijzonder vonden, genoten van de luxe van niet koken, niet afwassen.

‘En hoe gaat het hier?’

De serveerster was op haar hurken aan de zijkant van de tafel gaan zitten. Ze had een bijzonder gezicht, breed en bleek met grote ogen waardoor ze iets van een jong meisje had. Maar zo van dichtbij kon je zien dat ze de veertig zeker geapsseerd was. ‘Prima,’ zei Rogier, zonder haar aan te kijken. ‘En voor u ook, mevrouw?’ vroeg de serveerster. Ze sprak met veel melodie in haar zinnen, alsof ze eigenlijk liever zou zingen. Camille knikte met een glimlach op haar gezicht. Meestal was dat genoeg om het personeel snel weer te doen verdwijnen. Maar deze serveerster bleef zitten waar ze zat. ‘Ik heb niet het gevoel dat het goed is,’ zei ze. Rogier fronste zijn wenbrauwen en zei: ‘Pardon?’

Op zijn kin lag een drupje pepersaus, die de serveerster er met een servet afveegde. ‘Nou, ik zie jullie hier vaker. En elke keer denk ik aan jullie- en dan denk ik bij mezelf, Dorith, je moet eens met ze gaan praten, met dat stel. Want ze zijn niet gelukkig, je moet ze vragen wat het is. Misschien kun je ze helpen. Dat is wat ik tegen mezelf zeg, en vandaag komen jullie binnen, eindelijk- jullie waren zeker wintersporten ofzo? Dus, vertel mij eens… wat is er toch mis?’

Camille wachtte af wat Rogier zou doen. Hij hield niet van mensen die hun werk niet goed deden, en waar deze serveerster nou aan was begonnen, behoorde niet bepaald tot haar normale takenpakket. ‘Interessante analyse,’ zei hij op een manier waaruit niet op te maken viel of het sarcastisch was of niet. ‘Vind je ook niet Camille?’ ‘Wat zeg je?’ deed Camille alsof ze het niet begreep. ‘Interessant, dat deze dame ons hier ziet zitten, en dan over ons nadenkt.’ Rogier ging met zijn tong langs zijn voortanden, een gewoonte waar Camille zich altijd aan ergerde. Hij vervolgde: ‘Dat geeft toch te denken. Kennelijk zijn we in het gezelschap van een alwetende serveerster..’ hij verborg zijn sarcasme niet langer en boog naar de serveerster toe, ‘..wat is het precies dat u voorstelt, oh, helderziende?’ De serveerster knipperde met haar ogen, maar gaf verder geen krimp. Ze wendde zich tot Camille die met rode konen aan de andere kant van de tafel zat. ‘Hoe is dat nou voor u, zo’n echtgenoot?’ ‘Ik ehm, ik denk dat u beter kunt gaan,’ zei Camille.

‘Jullie breken mijn hart,’ zei de serveerster met een snik in haar stem. Ze stond op en sprak nu op luide toon. Het was stil geworden in het restaurant, alle gasten keken naar haar, hoe ze met grootse handgebaren begon te spreken. ‘Een beetje vegeteren en doen alsof het liefde is. Jullie breken mijn hart. Nooit zingen onder de douche, een cadeautje zonder reden, een stiekeme voet onder de tafel, zachte woorden voor het slapen gaan. Jullie breken mijn hart. Jullie zouden de wereld kunnen zijn voor elkaar. Ja, jullie met zijn twee. Hoger klimmen, verder lopen, feller schijnen. Maar jullie praten over wijn, werk en belastingen. Jullie eten zonder te proeven, drinken gedachteloos, alsof jullie enkel aan het wachten zijn. Wachten op wat? Dat is wat ik me afvraag. Op de dag waarop echte pijn op jullie pad komt? Wat kan ik nog zeggen?’ Ze haalde diep adem. ‘Jullie breken mijn hart.’

Het was akelig lang stil in het restaurant. Toen brak iemand een glas en werd alles weer zoals het was.

‘De rekening, alstublieft,’ zei Rogier met schorre stem.

Dinsdag

10-02-2010

Het werk was niet moeilijk, de werkdagen kort.

Het werk was niet moeilijk, de werkdagen kort.

/

10-02-2010

 Ik overwoog de toetsen van mijn toetsenbord los te wrikken, een voor een, zodat ik een berg van plastic lettertjes zou hebben. Dan zou ik ze eerst op alfabetische volgorde leggen op mijn bureau, op de bureau-onderlegger die we hadden gekregen van de ijzerhandel Smit- waarvan iedereen weet waar die zit. Dat stond er tenminste, maar ik had geen idee en zou er ook nooit achterkomen want ik zou de lettertjes in mijn mond doen, om dan met volle mond naar de watertank te lopen. Met een bekertje water zou ik proberen ze door te slikken. De secretaresse zou een praatje met me willen maken bij het water en ik zou schaapachtig lachen met rare uitstulpingen in mijn wangen. Ik zou paars aanlopen, hijgen, kokhalzen en dan, met een beetje wilskracht, en wilskracht had ik de afgelopen twee maanden wel ontwikkeld hier, niks.

 Het werk was niet moeilijk, de werkdagen kort. Eigenlijk was alles heel overzichtelijk- maar van een soort overzichtelijkheid die maakte dat ik niets voelde, niets dan weerstand.

 Op dinsdagochtend tien uur was de redactievergadering. Dan kwamen we bij elkaar om het volgende nummer voor te bereiden. Het leek wel of ook het gebouw aanvoelde wanneer het dinsdag was. De werkkamers leken dan nog donkerder en de tl-verlichting deed de systeemplafonds nog beter uitkomen. De secretaresse maakte een kan koffie en een kan thee en vergat elke vergadering opnieuw de suiker op tafel te zetten zodat de verhitte discussies onderbroken moesten worden om het bekertje met suikerzakjes van het secretariaat te halen.

 De vergaderingen werden voorgezeten door Ab. Een grote man met barse stem maar ongetwijfeld onweerstaanbaar voor het type vrouw dat voorkomt in bouqet-reeks romans. Hij hoorde zichzelf graag spreken en lachte zo hard om zijn eigen grappen dat de tafel ervan schudde terwijl de rest van de redactie het gebulder gelaten uitzat.

 ‘Zo’, begon hij de vergadering. ‘Dames en heren wat gaan we doen voor het themanumer?’

‘Nou,’ begon Fieke, het jongste redactielid. ‘Misschien kunnen we iets doen met-‘

‘Jezus mina,’ onderbrak de adjuct-hoofdredacteur haar. ‘Zo kun je toch geen idee presenteren, jaja, misschien kunnen we wel iets doen. Tsjongejonge, weetje, we kunnen altijd wel IETS doen.’

Fieke beet op het plastic roerstaafje van haar koffie en keek naar beneden.

‘En dan ben ik misschien gek hoor, ja noem me maar gek, maar ik denk dan: dat noemt zich nota bene een journalist. Ideeen genereren! Ideeen genereren! Je bent jong- een leuke meid.’ ‘Jezus- hou nu eens op, dat heeft er helemaal niks mee te maken’ zei de nieuwsredacteur. ‘Laten we nu gewoon doorgaan en jij Ab, ik zat net te kijken ja, jij Ab, jij bent dik.’

We gingen verder. De aandacht verschoof naar mij.

‘Zo mevrouw de stagiaire, wat voor briljante ideeën ga jij te berde brenge?’

‘Nou’, begon ik en bedacht bij mezelf, geen misschien zeggen, geen misschien zeggen’ ‘We zouden een artikel kunnen schrijven over vakantiebestemmingen die misschien (o god nu zei ik toch misschien) niet zo voor de hand liggen. In het kader van het vakantienummer ofzo.’ (Jezus, nu zei ik ook nog ofzo)

‘Nou’, zei Ab. ‘Nu ook zij klaar is met orakelen, is het tijd voor de vrije ideeënronde. Iemand iets?’

De tafel werd door de aanwezigen met grote precisie bestudeerd. Zandkleur, met spikkeltjes. De meeste in twee tinten groen en hier en daar een rode.

‘Iemand nog een idee voor een briljante pennenvrucht?’

De tafel was opgebouwd uit losse elementen voor zoveel mogelijk flexibiliteit op de werkvloer.

‘Een stuk waarmee de nationale dagbladen zullen openen na onze publicatie?’

De tafel paste goed bij de kast met rode ordners met alle eerdere jaargangen erin opgeborgen.

Ab sloot af. ‘Dames en heren, ik wil dit graag even genoemd hebben. Het is zo dood –en doodzonde dat onze bijeenkomsten bijna elke week verzanden in lethargie.’

De tafel was ook heel eenvoudig te reinigen met een vochtig doekje.

‘Aan het werk, en tot volgende week’ zei Ab.

 Met een plastic bekertje koffie kwam ik onze werkkamer in. ‘Welkom in lethargië’, zei Walter. Hij keek tevreden naar zijn lunch: twee kroketten, een stroopwafel en de soep van de dag, kaassoep. Dit soort kost kreeg hij thuis niet, zijn vrouw zou zich wel afvragen waarom de grijze spencers van haar man steeds strakker gingen zitten. De jeugdpuistjes die op zijn voorhoofd stonden waren het enige aan zijn verschijning dat hem nog iets jongensachtig gaf. Tegenover hem zat Fieke, haar ogen rooddoorlopen. ‘Misschien, zei Ab, komt mijn slechte functioneren wel door mijn jeugd’ zei ze. ‘Ik ben opgegroeid met gescheiden ouders en daarom kan ik me niet goed staande houden hier, zegt hij.’ Ze beet op haar nagels staarde naar haar beeldscherm.

 Ik keek door het raam in de kamer. Het keek uit op een blinde muur.

 Ineens stond er een mager meisje in de deuropening. Ze hield zich vast aan de deurpost, haar huid licht, transparant bijna, als een vliesje om haar botten heen. ‘Hoi’ zei ze zachtjes, ‘ik kom even mijn spulletjes halen.’

Het was Lila, die hier werkte voordat Walter haar kwam vervangen. Ze was jong en mooi geweest, nu was ze alleen nog maar jong. ‘Ik blijf niet lang, ik moet zo weer naar de pijnpoli’.

 De anderen waren nu ook de kamer binnengekomen.

 ‘Zo wat leuk jou weer eens te zien’ zei Ab en iedereen wist dat ‘leuk’ niet het woord was, maar dat er ook geen ander woord was.

‘Ja, hoe is het hier?’

‘Zo zijn gangetje, je kent het wel, je hebt niks gemist’ zei de adjunct-hoofdredacteur en gaf haar een tikje tegen haar schouder. Hij leek nu wel een reus en zij een verdwaald elfje.

‘Hoe is het ermee?’

Het maakte niet uit wat ze zou zeggen. We zagen hoe het ermee was. Gelukkig maakte ze het niet erger dan het al was en zei ze: ‘Het gaat wel.’

Nu bleef het stil.

‘Nou, meid heel leuk dat je d’r was’ zei de secretaresse.

‘Ja’ zei de rest.

 Toen pakte ze haar spulletjes. Een knipselmap, een plakbandautomaat met roze bloemetjes en een gestreepte mok. Ze stopte alles in een Hema-tasje van de secretaresse en liep naar de klapdeur naar buiten. Daar stond haar vriend te wachten. Een knappe jongen was het. Groot met brede schouders, donkerblond haar en blauwe ogen. Aan zijn arm leek Lila een stukje zijde in de wind. Het zou snel gaan waaien. 

 

– Dit verhaal verscheen in 2010 in nr. 10 van het Hollands Maanblad.- 

 

 

Donderdagochtend

12-09-2013

Weet je wat je eens zou moeten proberen?

Weet je wat je eens zou moeten proberen?

/ / /

12-09-2013

‘Heb je weleens door je oog gedronken?’ Vroeg de jongen met het petje aan zijn vriend. Ze hadden allebei broeken aan die zo laag op hun heupen hingen dat hun boxershorts zichtbaar waren en het net leek alsof ze hele korte beentjes hadden. Het speelveldje waar ze stonden was verlaten, wat niet verwonderlijk was voor een donderdagochtend half tien.

 

‘Wat?’

 

‘Nou, door je oog. Dan gaat de alcohol gelijk je bloedbaan in.’

 

‘Heb jij  dat gedaan?’

 

‘Nee man.’

 

‘Hoezo niet?’

 

‘Ik wil mijn drank graag proeven.’

  

Ze barstten in lachen uit.

 

‘Okee, dat is niet waar. Maar ik heb een fobie voor iets in mijn oog.’

 

‘Hoe bedoel je?’

 

‘Ik wil gewoon geen shit in mijn oog.’

 

Dit antwoord was voldoende voor de jongen zonder petje.

 

‘Wil je smoken?’ Vroeg hij.

 

Dat wilde de jongen met het petje wel.

 

Een auto reed stapvoets langs het pleintje en kwam toen tot stilstand. Het raampje aan de bestuurderskant ging langzaam naar beneden. Een magere jongen met een gouden ketting om en en een zonnebril op stak zijn hoofd naar buiten. ‘Gasten, weten jullie waar hier ergens een tuincentrum zit?’

 

‘Bedoel je een intratuin ofzo?

 

‘Ja.’

 

‘Vlakbij, je moet gewoon rechtdoor vanaf de hoofdstraat en bij het kruispunt rechts.’ zei de jongen met het petje. 

 

‘Mag ik ook eens?’ Vroeg de magere jongen terwijl hij naar de joint wees.

 

De jongen zonder petje aarzelde.

 

‘Dan geef ik je er een slok voor terug.’ De magere gaf een platvink aan.

 

Ze staken gelijk over.

 

‘Maar  één slok, want er zit wel kwaliteit in, je weet toch.’

 

Ze knikten alledrie ernstig om zo het belang van kwaliteit nog maar eens te benadrukken.

 

‘Je dope is dope’ zei de jongen in de auto.

 

‘Je drank ook’ mompelde de jongen zonder petje.

 

‘Weet je wat je eens zou moeten proberen’ zei de magere jongen terwijl hij nogmaals inhaleerde, ‘via je oog.’

 

‘Wow, dude, dit is echt te bizar- we hadden het er net nog over en nu kom jij met hetzelfde!’ Zei de jongen zonder petje enthousiast.

 

De magere jongen kwam nu uit de auto, hij was niet allen heel dun maar ook erg lang, eigenlijk was hij een soort sprinkhaanachtige verschijning. Hij had een wijd wit t-shirt aan met de tekst WTF AKA YOLO. In zijn mondhoek nog steeds de joint.

 

‘Kom, ik help je even, buig maar met je hoofd naar achter.’

 

De jongen zonder petje deed zijn hoofd naar achter.

 

‘En nu je ogen open.’

 

Hij deed zijn ogen open.

 

De magere jongen pakte de platvink en goot in beide ogen een scheutje drank.

 

‘Holy fuck, G! What the fuck gebeurt hier- het prikt, het prikt echt zo fokking erg!’ schreeuwde de jongen.  Met zijn handen voor zijn ogen zakte hij ineen op het veldje.

 

De jongen met het petje keek hoofdschuddend naar zijn vriend die nu om water begon te roepen. ‘Ik zei toch, je moet gewoon geen shit in je oog doen.’

 

De magere jongen keek naar de jongen met het petje. ‘ Klopt.’ Hij gaf de joint terug en stapte weer in zijn auto. Rustig reed hij naar het tuincentrum, onderweg gaf hij iedereen voorrang. 

Dorpsleven

12-10-2015

Knisperend geluid van fietsbanden op een bospad.

Knisperend geluid van fietsbanden op een bospad.

/ / /

12-10-2015

Elke woensdagmiddag vertrok Marga naar de bibliotheek om daar voor te lezen aan de kinderen uit het dorp. Het was maar een kwartiertje fietsen, en ook wanneer het regende, stormde of sneeuwde nam ze haar groene Gazelle uit de garage. In de bibliotheek kenden alle medewerkers haar, en onderweg kwam ze altijd kennissen tegen. Zo was het nu eenmaal om te leven in een dorp. Vijftien jaar woonde ze hier, ze was met haar man vertrokken uit de stad om ruimte te hebben voor de kinderen waarvan ze toen nog niet wisten dat ze nooit zouden komen.

Gelukkig kan een mens veel spullen verzamelen en voelde het vrijstaande huis niet te groot. Ze hadden een waskamer, een kleedkamer, een logeerkamer, een studeerkamer en een hobbyzolder.

De kinderen uit het dorp waren ook een beetje háár kinderen, zei ze altijd tegen vrienden van vroeger die tijdens borreltjes voorzichtig informeerden of ze niet eens terug zou willen naar de stad. Die stad waar ze gelééfd had, gedanst had op tafels, concerten en tentoonstellingen had bezocht. Die stad waar ze mooie, maar onpraktische schoenen had gedragen.

De toegang tot het gevoel van heimwee werd altijd ontzegd door zelfgemaakte quiches die plots uit de oven moesten worden gehaald, houtblokken die op het vuur moesten worden gegooid of gasten die aanbelden of juist wilden vertrekken.

Het was een herfstdag met heldere hemel, knisperend geluid van fietsbanden op een bospad, felle zon en een zacht briesje die de gekleurde bladeren met een zekere opgewektheid naar de natte bodem deed dwarrelen.

Ze zou zometeen een paar boeken over de herfst kiezen, besloot ze. De bibliotheek in het dorp was niet groot, en inmiddels kende ze alle prentenboeken van de kinderafdeling. Dat kreeg je met tien jaar elke woensdag voorlezen, dacht ze bij zichzelf. De kinderen genoten twee, hooguit vier jaar van dit deel van de bieb. Daarna lazen ze zelf, of stopten ze er helemaal mee.

Ze zette haar fiets in het linker fietsenrek bij de ingang. Tineke, de coördinator van de bibliotheek zwaaide door het raam en liep haar tegemoet.

Marga pakte juist haar rugtasje uit haar fietsmand toen Tineke zei: ‘Kom je even mee naar kantoor?’ Marga keek op haar horloge en zag dat ze nog twintig minuten had voordat de school uit zou zijn en knikte. Ze dronken wel vaker koffie bij Tineke op kantoor.

Maar toen ze binnenkwam, stond de zwarte thermoskan niet op zijn plek.

‘Marga, ik zal maar met de deur in huis vallen,’ zei Tineke toen. ‘Je weet dat we hier bezig zijn met een professionaliseringsslag, dat we als bibliotheek echt nog meer met onze voeten in de maatschappij moeten staan…’ Marga knikte met haar hoofd en terwijl haar ogen vragend keken. Tineke merkte de ogen niet op en praatte door. Maar Marga hoorde niks meer, ze zag enkel de vrouw van middelbare leeftijd tegenover haar. Ze zag de vrouw van middelbare leeftijd die ze zelf geworden was. Ze zag het praktische windjack, het leren rugzakje, de stevige schoenen waarmee ze zo een veldtocht zou kunnen lopen. Ze zag de lichtgele wanden in het kantoorje. Het prikbord met geboortekaartjes, krantenknipsels en foto’s van teamuitjes. Ze zag het grijze tafelblad en de versleten bureaustoelen. Het was alsof ze voor het eerst kon zien, écht kon zien. Hoe was ze hier verzeild geraakt?

Toen ze opkeek, zag ze Tineke weer en kwam het geluid terug. ‘…en dat we tot het moeilijke besluit zijn gekomen om het voorleesuurtje op de woensdag op alternatieve wijze te laten inrichten door professionals…’

‘Vanaf wanneer precies?’ De praktische kanten van Marga namen wel vaker de overhand, waardoor mensen vaak dachten dat ze een armoedig gevoelsleven had, maar het omgekeerde was waar. Het was zo groot en gecompliceerd daarbinnen, dat Marga meestal niet wist waar te beginnen. En in gezelschap was het al helemaal onmogelijk uit te zoeken wat ze nu voelde.

‘Vanaf vandaag,’ zei Tineke enigszins beschaamd. ‘We hadden het natuurlijk eerder willen zeggen, maar ik was natuurlijk op Texel en Jeanette voelde zich er een beetje ongemakkelijk onder omdat zij de sub-coördinator is.’

Marga knikte, verdoofd stond ze op. ‘Nou, veel succes dan maar.’

Tineke zei: ‘We organiseren nog een mooi afscheid voor je, wanneer weet ik nog niet precies, we hadden het nog zo druk met die herstructurering en de boekpresentaties die op stapel staan.’ Marga knikte en liep naar haar fiets.

‘Je hebt ongelofelijk veel voor het dorp gedaan,’ zei Tineke terwijl ze in de deuropening stond, ‘we zijn je erg dankbaar.’

Marga glimlachte flauwtjes en begon te fietsen. Ze fietste en fietste. Pas bij het station in het volgende dorp stopte ze. Daar nam ze de trein naar waar ze ooit vandaan gekomen was.

Een heer

06-03-2013

Ze voelde zich niet zo voldaan als ze had verwacht.

Ze voelde zich niet zo voldaan als ze had verwacht.

/ / /

06-03-2013

‘Ik vind dat jullie een erg schraal wijnassortiment hebben’ zei de keurige heer tegen het barmeisje in het debatcentrum. ‘Het is allemaal van een ongelofelijke middelmatigheid en duur bovendien.’

‘Tja,’  zei het meisje ‘Ik kan er helaas niks aan doen, het wijnassortiment, daar ga ik niet over.’

‘Dat zeiden ze in de Tweede Wereldoorlog ook ’ zei de heer met een zelfingenomen grijns op zijn gezicht. Hij hief zijn handen in de lucht, en begon met een hoog stemmetje dramatisch te roepen: ‘Oh, oh, nee mijn verantwoordelijkheid is het niet. Het komt allemaal van bovenaf, mijn naam is haas.’

Het barmeisje draaide zich om. Diep ademhalen en tot vijfendertigduizend tellen. Een glas water drinken. Ze keerde zich weer richting de man die inmiddels de andere gasten in het café salueerde met een Hitlergroet. ‘Zij is er zo een!’ schreeuwde hij terwijl hij haar richting in wees. ‘Zij heeft het niet gewusst!’ Met een bleek gezicht keek het barmeisje naar deze scène. De barjongen kwam nu ook binnen met een krat frisdrank. Hoofdschuddend keek hij naar de man. ‘Die is een beetje in de war vandaag. Maar ja, hij is de beste vriend van de directeur, dus laat maar.’

Een dame met bordeauxrood haar kwam nu ook naar de bar. ‘Hij maakt een grapje, hij meent het niet zo’ zei de vrouw.  ‘Dus kijk niet zo geshockeerd. Kom op meisje, maak er nou maar geen drama van. Trouwens, het programma begint zo, we zijn hier bijna weg. ’ Het klopte, het programma ging over enkele minuten van start, het was de derde in de reeks over ‘naastenliefde anno nu’. 

Het café stroomde leeg, het meisje verzamelde het serviesgoed, de barjongen stond in de spoelkeuken. Bij elk koffiekopje werd ze bozer. Ze begon te trillen over haar hele lichaam en ging even zitten. Tranen in haar ogen, van woede.

Over de stoel links achterin hing nog een jas. Dat gebeurde wel vaker. Maar dit was niet zomaar een jas. Dit was de jas van meneer de relschopper. Een grote degelijke jas, bestand tegen weer en wind, een dure jas, maar zeker waar voor je geld, zoiets. Ze haalde diep adem en pakte het ding op.

Zou ze het durven?

Nee, wijn zou je meteen zien. Ze liet de jas over de stoel hangen en liep naar de espressomachine. Die moest nog worden schoongemaakt, een grote bak koffiedrap lag onderin de lade. Ze pakte de lade er voorzichtig uit en ging ermee aan tafel zitten bij de jas. Met een theelepeltje schepte ze voorzichtig kleine lepeltjes met koffiedrap in de jaszakken. 

‘Goh’ dacht ze, ‘dit is echt een bijzonder praktische jas, met zoveel vakken en ritsjes.’ Ze sloeg geen enkele zak over. Niet teveel, dan zou het meteen worden opgemerkt, maar precies genoeg om nog dagen last van te hebben, vieze nagels, vieze sleutels, prut in de telefoon…

Toen elke zak voorzien was van een schepje koffie, maakte ze de rest van het café schoon. Ze voelde zich niet zo voldaan als ze had verwacht, nee, eerder leeg. Het was niet genoeg, zoveel was duidelijk, ze liet verdomme niet zomaar over zich heen lopen. Snel pakte ze de jas en rende ermee naar buiten waar de zon was gaan schijnen. Bovenop de brug nam ze een flinke teug lucht en gooide toen zonder verdere omhaal de jas in de gracht. Tijdens de val van de jas voelde ze spijt, maar ze wist dat het daarvoor te laat was, dus keek ze kalm naar wat er gebeurde. De jas bleef op het water drijven en gleed rustig met de stroming mee, begon na een poosje te zinken, te verdwijnen.

Ze keek de jas na en liep toen rustig weer naar binnen, kleedde zich om en groette haar collega. Haar dienst zat er op. 

Excursie

08-03-2016

Het heeft ook wel weer wat.

Het heeft ook wel weer wat.

/ / /

08-03-2016

Het was niet zo avontuurlijk als wat de buren op vakantie deden, iets met fietstochten door de jungle van een onontdekt land of met elastiek aan de enkels een ravijn induiken, maar ze hadden er ook voor kunnen kiezen om helemaal geen excursie op het eiland te doen. Alleen maar zwembadtijd, beetje hangen, beetje drinken en slapen. Af en toe een hoofdstuk lezen uit een van de bestsellers die ze op het vliegveld hadden gekocht en dan een ijsje halen. Het echte luieren… ze hadden het wel gedaan, maar dat was voor de eerste paar dagen, nu was het tijd voor actie, een excursie.

Dat was wat Hanne had gezegd tegen haar verloofde, Jesper. Ze waren een hoog opgeleid stel van begin de dertig. Ze hadden drukke banen, een koopwoning, een degelijke auto, een goed onderhouden tuin, twee ipads en een televisie met heel veel zenders. Ze hadden vrienden, een stamkroeg en een hogedrukspuit tegen de groene aanslag op de tegels van het terras. Ze hadden donkerblonde haren en allebei een buikje. Jesper was akkoord gegaan met het plan en daarna hadden ze elkaars rug ingesmeerd met de zonnebrandcrème die Hanne had gekocht bij de 1+1 gratis week van de drogisterij.

De dag van de excursie hadden de wekker gezet, haastig ontbeten bij het buffet en daarna waren ze naar de bushalte gelopen waar een touringcar ze kwam halen voor de tocht naar het ongerepte deel van het eiland. Een deel waar je kon zien hoe dit eiland ooit was ontstaan, welke planten er groeiden- anders dan de palmbomen die bij elk resort stonden- maar vooral zou het een deel zonder hotels, restaurants, casino’s en toeristen zijn. Behalve dan die vijftig uit de touringcar, uiteraard.

Voorin de bus stond de dame van de reisleiding, een stralende vrouw met fonkelblauwe ogen en lang donker haar. ‘Goedemiddag, dames en heren,’ zei ze vol enthousiasme in de microfoon. Kennelijk waren er alleen maar Nederlanders aan boord, want ze vertaalde niets. In de folder van deze excursie stond in tien verschillende talen: ‘Ook in uw taal!’ en ook de menukaarten in de meeste restaurants waren verkrijgbaar in minimaal vijf talen of anders met foto’s van het eten. Foto’s die een realistisch beeld gaven van de situatie die zich op je bord zou voordoen, meestal iets met wit deeg, rubberachtige kaas en een referentie naar het idee van groenten.

‘Mijn naam is Stella en ik ben jullie reisleider deze prachtige dag! En wat gaan we doen? Nou ik zal u zeggen wat we gaan doen! Wij gaan genieten! Van elkaar! Van de natuur! Van hoe God het ooit bedoelde!’ In principe was geen van de passagiers in de bus van plan om contact te maken met de anderen, maar enkelen zochten nu toch naar blikken van verstandhouding die hier wel op hun plaats zouden zijn.

‘Ik moet zeggen, u ziet er werkelijk verrukkelijk uit allemaal!’

riep ze. ‘Ik loop even door het pad naar achteren dan kan ik u goed bekijken en ziet u mij ook even vanachteren, als u begrijpt wat ik bedoel!’ Lachend liep ze het pad door, zo nu en dan aaide ze een klein kind over zijn bol, gaf ze een knipoog aan een zongebruinde vader, maakte ze een compliment over een zomerjurk of mooi gelakte nagels.

Toen ze bij Hanne en Jesper aankwam, veranderde haar blik. Hanne zat bij het raam, en Stella besloot op de smalle armleuning van Jesper plaats te nemen, waardoor ze praktisch op zijn schoot zat. ‘Zo…’ zei ze. ‘Zozooo…’ Jesper lachte ongemakkelijk, Hanne lachte niet. ‘Hebben jullie het een beetje aangenaam hier op het eiland?’ ‘Prima, niks te klagen,’ zei Jesper. ‘Mooie haren heb je,’ zei Stella tegen Hanne. ‘Dankje,’ zei Hanne terwijl ze naar buiten bleef kijken. ‘Mag ik het even aanraken?’ ‘Nee hoor, bedankt.’ ‘Jammer,’ zei Stella. ‘Het is gewoon… deze baan maakt me zo…’ ze keek naar buiten. ‘Oh! Ik zie een highlight!’ De bus stopte bij een vlakte met in het midden een rots die een klein beetje op een pandabeer leek. Een pandabeer, gekleid door een kind van drie, met net te weinig klei.

‘Dat wijf is gestoord,’ siste Hanne tegen Jasper. ‘Beetje apart is ze wel ja, maar gestoord? Het heeft ook wel weer wat.’ Zoveel woorden zei Jesper zelden achterelkaar en Hanne keek hem koud aan. ‘Het heeft wel weer wat? Zeker omdat ze met haar magere kont op je schoot kwam zitten?’ ‘Ze zat niet op mijn schoot, ze zat..’ ‘Laat maar.’ Hanne kon op verschillende manier uitdrukken dat ze pissig was, en lopen was er één van. Haar pissige loopje kende Jesper maar al te goed, en nu demonstreerde ze het terwijl ze steeds verder wegliep van de touringcar. Een man vroeg of Jesper een foto kon nemen van hem met zijn vrouw en obese tienerdochters. Het moest drie keer opnieuw. ‘Ik doe er wel een filter over’ zei de oudste dochter ernstig.

‘Dames en heren! Wij gaan weer verder!’ riep Stella. De groep sjokte terug richting de bus. Jesper keek om zich heen, maar Hanne was nergens meer te zien. Ook in de bus geen spoor van Hanne.

‘Stella, mijn verloofde is er nog niet,’ zei hij, ‘ze was even die kant opgelopen, maar nu zie ik haar nergens meer.’ ‘Dat is heel ernstig,’ zei Stella, ‘maar we kunnen nu niet hier blijven. Onze lunch wacht op ons, ze hebben meerdere groepen vandaag, dus we mogen niet te laat komen.’ ‘Maar, maar… we kunnen haar toch niet achterlaten hier?’ Stella zuchtte. ‘Nee, dat zullen we ook niet doen. Ik bel mijn collega’s die het gebied goed kennen, dan gaan zij nu naar haar uitkijken, en wij naar de lunch. Dan pikken wij d’r daarna wel weer op.’ ‘Ik help liever met zoeken,’ zei Jesper. ‘Met dat zachte lijf van je? Nou, neem maar van mij aan dat anderen dat beter kunnen. Ze zal terug zijn voor je het weet.’ En met die woorden werd hij terug de bus in gedirigeerd.

Na een kwartiertje rijden kwamen ze bij het restaurant aan. Het zag eruit als een chalet en de bediening had vijf biertafels gedekt voor de groep. Ze aten brood, olijven, een waterige groentensoep en daarna pasta. Toen was er koffie en taart en een halfuurtje vrije tijd om wat rond te kijken of een traditioneel geborduurd tafelkleed te kopen bij het tafeltje van een kleine vrouw met een snor.

Jesper kon zich niet ontspannen. Ook niet toen Stella achter hem kwam staan en zijn schouders masseerde terwijl ze zachte woordjes in zijn oor fluisterde. ‘Maak je niet druk, jij knappe man, maak je niet druk..’ Snel drukte ze een harde kus in zijn nek, onder zijn oor. Jesper was te verbaasd om te reageren en dronk een halve liter bier om van de schrik te bekomen.

Toen het halfuur wachten voorbij was, gingen ze terug naar de plek waar Hanne kwijt was geraakt.

Zoals gezegd, had Hanne meerdere manieren om het woord pissig met haar lichaam uit te drukken. Jespers hart maakte een sprongetje toen hij haar pissig zag staan, niet ver van de pandarots. De deuren van de bus werden geopend en Stella gebaarde Hanne binnen te komen.

Nu zag Jesper het pas goed. Ze was niet pissig, ze was furieus. Ze nam plaats naast Jesper en zei: ‘Hoe kon je me nou zo achterlaten? Wat is er godverdomme mis met je?’ ‘Het moest, want de groep moest eten en Stella zei dat…’ ‘Stella, Stella, godverdomme. Dan ga je toch lekker met je Stella!’ ‘Schatje, doe nou niet..’ probeerde hij. Toen zag Hanne de lipstickafdruk van Stella achter zijn oor. Ze was zo kwaad dat ze bang was dat ze hem ter plekke zou vermoorden.

In plaats daarvan deed ze haar armen overelkaar en keek ze naar buiten. De rest van de excursie weigerde ze de bus te verlaten. Toen ze ‘s avonds bij het resort kwamen, informeerde ze bij de receptie naar een andere kamer. Die hadden ze. Jesper begreep er niks van. ‘Ga er maar even heel goed over nadenken,’ zei Hanne met woeste ogen.

Die avond liet Hanne roomservice komen in haar privékamer. Of eigenlijk was het andersom.

De volgende dag werd ze wakker in een uitstekend humeur. Ze zag vlagen van de knappe exotische ober voor zich, haar kleding lag verspreid rond het bed. Passie was toch niet het kenmerk van een man uit Oosterbeek, dacht ze. Ze nam een douche en ging terug naar Jesper. Hij had die nacht nauwelijks geslapen, had de lippenstift gezien toen hij zijn tanden ging poetsen. Hij was naar de receptie gerend, maar daar weigerden ze het kamernummer van zijn verloofde te geven. Na een uur was hij afgedropen. Nu zat hij met rode oogjes op het bed. ‘Het is al goed,’ zei Hanne. ‘Het is al goed.’

Feedback

30-01-2015

Heerlijk al die vrijheid en denktijd

Heerlijk al die vrijheid en denktijd

/ / /

30-01-2015

V: Ik denk dat je wel ver bent gevorderd maar…
M: dat ik er nog niet helemaal ben. Dat weet ik.
V: Laten we beginnen bij je eerste stelling- die is heel interessant- maar kan niet bestaan zonder een wat meer uitgebreide uiteenzetting van het werk van Kant.
M: Okee.
V: Als je daar nou meer induikt en de juiste verbindingen weet te leggen, dan zul je zien dat ook het kwantificatieproces eenvoudiger zal zijn
M: Ja.
V: Mits je je ook weet te verhouden tot de vroege werken van Baynard
M: Hmm
V: Er is geen manier om dit onderwerp te behandelen zonder Baynard.
M: …
V: En Voslin. Het verbaast me nogal dat je die zo summier opvoert- dat terwijl die theorie zo goed inhaakt op je tweede stelling
M: Hoe dan?
V: Nou, de paradigma’s zijn natuurlijk gelijkwaardig te noemen- maar dat is slechts een deel van het antwoord. Voor het tweede deel van het antwoord verwijs ik je graag naar Abbot.
M: Abbot?
V: De grondlegger van dit alles
M: Okee.
V: Onthoud je alles wat ik zeg?
M: Ehm [Grabbelt in tas naar pen en papier]
V: Oh, vergeet ik haast mijn koffie op te drinken. [neemt slok]
M: [heeft pen en papier voor zich liggen]
V: Eens even kijken, waar waren we….
M: Eh
V: Wat ik je in elk geval wil meegeven: structuur. Alles valt of staat bij structuur.
M: Ja.
V: Je zegt nu wel ‘ja’, maar ik wil die structuur vooral terug kunnen vinden in je tekst.
M: Ja.
V: Goed. Dan is er nog je derde stelling…
M: Tsja, daarover ben ik nog niet helemaal…
V: Zeker?
M: Nee.
V: Waarom stuur je het dan naar me op? Denk je dat ik om werk verlegen zit?
M: Nee, natuurlijk niet, maar ik dacht…
[korte stilte]
V: Ik vond de derde stelling juist het sterkste van het geheel.
M: Echt?
V: Ja, die paradox is heel boeiend. Zeker in het licht van de vroege geschiedenis. Het is wat embryonaal natuurlijk- maar dat is met het hele werk het geval
M: Embryonaal?
V: Een vroeg ontwikkelingsstadium
M: Oh.
V: Ja, maar met een jaartje of twee moet het wel goed komen hoor. Geen paniek.
M: [in paniek] Een jaartje of twee?
V: Anderhalf, als je flink opschiet.
M: [legt zijn hoofd op tafel]
V: [Negeert het gedrag van M en kijkt op haar horloge] Heb je nog vragen?
M: [Komt weer overeind en wrijft met zijn handen over zijn gezicht] Hoe heette die grondlegger ook alweer?
V: Abbot. En ik zal maar doen alsof ik deze vraag niet gehoord heb. Verder nog iets?
M: [schudt zijn hoofd]
V: Goed, nou dan zien we elkaar over een week of vijf, zes?
M: Okee.
V: Schikt 17 mei, om half twee?
M: Ik heb mijn agenda niet hier…
V: Zonder tegenbericht zie ik je dan.
M: Okee.
V: Verder alles goed met je?
M: Hoezo?
V: Nou, je lijkt me wat somber.
M: Ach.
V: Je moet er wel plezier in houden hoor. Ik weet het nog goed- ik vond het heerlijk, dat onderzoek doen en schrijven. Ge-wel-di-ge tijd. Die vrijheid! Die denktijd! Soms droom ik er nog weleens over. Zo fijn was die tijd, zo fijn.
M: Goh.
V: [Staat op] Nou, ik moet weer gaan.
M: Ja.
V: Dan zien we elkaar in mei.
M. Ja.
V: Fijne dag nog!
M: [legt zijn hoofd weer op tafel]

Fietsband

18-03-2018

Zoiets kon gebeuren.

Zoiets kon gebeuren.

/

18-03-2018

Een band plakken, zoiets leerden de kinderen tegenwoordig niet meer. Ze leerden computercodes schrijven, ze leerden objecten printen in 3d, ze leerden filmpjes van zichzelf te maken. Ze leerden Chinees vanaf hun tiende, en een bedrijf opzetten op hun veertiende. Maar een band plakken, zoiets leerden ze niet.

Hij kon het gedachteloos, als een kalm ritueel met stappen die elkaar als vanzelfsprekend opvolgden, als in een dans, als op die favoriete cd waarvan je onbewust al weet welk nummer zal volgen. Maar cd’s bestaan ook al bijna niet meer.

Gehurkt zat de man op een krukje met drie poten bij het teiltje, terwijl hij centimeter voor centimeter de binnenband onder water liet glijden om te zien wanneer het ding naar lucht zou happen als een peuter die kroos niet weet te onderscheiden van gras.

De man was op tweederde van de band en nog steeds was er geen belletje ontstaan in het water. Zoiets kon gebeuren. Het was niet gebruikelijk, maar gebeuren kon het. Langzaam verschoof hij de binnenband weer een stukje. 

Op driekwart had hij het lek nog steeds niet gevonden. Zijn aandacht werd scherper, het kon nu elk moment gebeuren, het moest wel. Het zou wat zijn als het lek precies in de laatste centimeter van de band zou zitten, bedacht hij hoofdschuddend.

Maar het lek liet zich niet vinden. Beduusd liet de man de binnenband nog eens door zijn handen gaan. Had hij werkelijk elke centimeter gehad? Nooit eerder was dit hem overkomen. Hij krabde op zijn hoofd en besloot toen om eerst maar eens een goede kop koffie te drinken en zich daarna verder te verdiepen in dit mysterie.

Hij zette de koffie zoals hij altijd deed, en was opgelucht te merken dat dit nog wel ging zoals hij gewend was. Want zoiets als met de band, dat was zo vreemd, zo onverwacht, dat het leek dat vanaf nu alles mogelijk was. En niet op de manier die ze in de reclames op tv lieten zien, van stralende mensen die lachend over stranden renden, op feestjes waren, op bergtoppen nadachten over de apps die ze gingen ontwikkelen. Nee, het voelde of de deur naar donkerte, naar ongewenste verrassingen was opengezet. Alsof zijn leven uit los zand leek te bestaan of misschien zelfs enkel uit losse flarden in zijn hoofd.

Het was in elk geval duidelijk dat de informatie die hij had, lang niet toereikend was.

Na de koffie keerde hij terug naar de garage waar de fiets en het teiltje met de bandenplakset waren achtergebleven als een decor van een filmscène waar iemand uit weggevlucht was.

Hij nam opnieuw plaats op het houten krukje, begon opnieuw de binnenband centimeter voor centimeter door te nemen. Het water was kouder, binnen in de garage was het ook donkerder geworden, de avond begon te vallen. Het beetje licht uit de zijramen maakte kennelijk meer verschil dan hij had gedacht en ook deze constatering gaf een gevoel van onrust dat hij niet kende.

Het inspecteren verliep nog langzamer dan de eerste keer. Niet omdat hij onnauwkeurig had gewerkt, maar omdat hij niet kon denken aan een scenario waarin het lek weer niet tevoorschijn zou komen. Zijn gedachten, de omgevingsgeluiden, alles leek te verstommen in de zoektocht die volgde. Als in een tunnel bestudeerde hij de binnenband, alsof het als enige object overgebleven was uit een eerdere beschaving.

De deur van de garage ging open, zijn vrouw stond in de opening. Haar lippen bewogen maar horen deed hij het niet. ‘Kom je eten?’ herhaalde ze terwijl ze over haar bovenarmen wreef. ‘Het is stervenskoud hier, waarom zet je de verwarming niet aan?’

‘Ik kom eraan,’ klonk uit zijn mond, woorden die gepast waren, woorden die hij niet zelf gekozen had, niet bewust. Maar wat viel er nog te zeggen over bewustzijn, over waarheid, over wilskracht. Ook in het laatste deel van de band had hij geen lek gevonden.

Stram bewoog hij zich naar de deur en ging hij naar binnen, waar het licht warm oranje was, er muziek klonk en de geur van gebakken champignons hem tegemoet kwam. De tafel was gedekt, de hond lag te slapen in zijn mandje.

De man schonk twee glazen rode wijn in, zijn vrouw kwam aangelopen met twee borden pasta. Alles was goed, de muziek, het eten, zijn gezelschap. Van niks had hij meer kunnen verlangen, verwachten. Toch knaagde het stilleven in de garage aan hem. Alsof de echte wereld daar stond, hij nu in een parallelle wereld liep, die beter leek, maar minder waarachtig was.

Ze converseerden, aten, maakten een grapje. Hoewel hij dacht dat hij zich natuurlijk gedroeg, merkte zijn vrouw meteen de verandering die in hem gaande was.

‘Wat is het? Wat zit je dwars?’

Het duurde even voor hij het zwijgen kon doorbreken. Ze hadden samen voor hetere vuren gestaan, dingen meegemaakt, avonturen beleefd. Hij was de held in de meeste van haar verhalen en nu zat hij hier te tobben over een fietsband. Hij dacht aan alternatieve antwoorden, verklaringen voor zijn gedrag, maar kwam tot niks.

‘Ik kan het lek niet vinden,’ zei hij daarom maar.

‘Het lek?’

‘In mijn voorwiel. Ik kan het niet vinden. Ben al twee keer helemaal rondgegaan.’

‘Maar je band was toch plat?’

‘Ja, daarom ben ik hem aan het plakken,’ zei kribbiger dan hij bedoelde.

‘Nouja, als je het niet kunt, dan breng je hem toch gewoon naar de fietsenmaker?’ zei zijn vrouw, met zoveel goedheid dat hij de schaal met salade wel tegen de muur kon smijten.

‘Ik denk niet dat je het begrijpt,’ zei hij in plaats daarvan.

‘Dat zou heel goed kunnen,’ zei ze en ze verzamelde de borden. ‘Wil je koffie?’

‘Nee,’ zei hij, ook al had hij de laatste twintig jaar altijd ‘ja’ gezegd op deze vraag.

‘Doe niet zo kinderachtig,’ zei ze en hij wist dat ze gelijk had, maar ook dat hij het nooit zou kunnen toegeven.

Na de koffie stond hij op van tafel.

‘Ik ga nog een keertje kijken,’ zei hij.

Zijn vrouw zat in haar hoekje op de bank, zijn stoel was leeg, leek hem ook vertwijfeld aan te kijken.

‘Een fietsenmaker kost 15 euro,’ zei ze verveeld.

Maar dat het daar niks mee te maken had, kon hij onmogelijk uitleggen.

Film

19-05-2017

Dat lees je inderdaad veel.

Dat lees je inderdaad veel.

/

19-05-2017

Het is druk in de bioscoop die zichzelf filmhuis noemt, enkel gebaseerd op het feit dat er wekelijks één Europese film wordt vertoond. Ik ben te vroeg, en wacht met een koffie in het cafégedeelte waar ik een tafeltje in de hoek heb weten te bemachtigen. Ik lees in de krant van die dag dat het niet goed gaat.

Een dame van een jaar of zestig met korte grijze haren komt mijn richting ingelopen met een cappuccino in haar hand. ‘Mag ik erbij?’ vraagt ze terwijl ze haar kopje al op tafel zet en haar tas op de stoel zet. ‘Natuurlijk,’ zeg ik, om maar te doen alsof ze op mijn antwoord heeft gewacht.

De vrouw trekt haar windjack uit en hangt hem over de rugleuning van haar stoel. Met een zucht ploft ze neer. Ik probeer niet naar haar te kijken en verder te lezen in de krant, maar haar aanwezigheid is overheersend. Met een harde slurp neemt ze een slok van haar cappuccino.

We maken oogcontact en ik glimlach kort om zo te laten zien dat ik een vriendelijk mens ben, dat ik haar bestaan erken, maar dat ik ook een krant aan het lezen ben en niet om een gesprek verlegen zit.

Ze neemt nog een slok met nog een luide slurp. Ik lees dezelfde kop voor de derde keer.

‘Gadverdamme,’ zegt ze, ‘ze hebben hier altijd zulke slechte koffie.’ ‘Oh,’ zeg ik, ‘misschien is er iets misgegaan? Ik heb geen klagen over mijn koffie.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Ze gebruiken goedkopere bonen tegenwoordig. En ze kloppen het schuim niet meer handmatig. Dat proef je.’ Ik bekijk de krantenkop voor de vierde keer, maar ze gaat verder.

‘En er zijn hier ook altijd te weinig rekken om je fiets te stallen. Altijd ben ik weer zo aan het klooien om een plekje te vinden. Ik heb het ook al aangegeven, maar veranderen, ho maar. ’ Ik knik en vouw de krant dicht. Misschien is ze schreeuwend eenzaam en dan zijn deze zeven minuten een kleine moeite voor mij en heel fijn voor haar. ‘Maar u blijft hier komen,’ zeg ik om het gesprek in een positievere richting te duwen.

‘Ja, ik kom hier al drieëntwintig jaar. Altijd na mijn werk op de dinsdag.’ ‘Fijn, zo’n ritueel’, zeg ik. ‘Was ook wel echt noodzakelijk hoor. Met al die fratsen die ze uithalen. Je wilt niet weten wat die managers allemaal kapotmaken. Vanaf halverwege de jaren negentig… ze maken iedereen horendol. Ik werk er nog, maar vraag me niet hoe.’ Ik vraag haar niet hoe. Ik vraag haar ook niet waar ze werkt. Ik vraag me alleen af waarom iemand sinds de jaren negentig miserabel op zijn werk zou willen zijn. Maar ik glimlach alleen maar. Ze sjort wat aan het gebloemde bloesje dat ze aanheeft. ‘Ook weer zoiets,’ zegt ze. ‘Maken ze de mouwinzet te nauw. Kun je nooit fatsoenlijk je arm strekken.’

Ze bekijkt me nauwkeurig. ‘Ben je alleen?’ ‘Ja,’ zeg ik, ‘dat vind ik wel fijn, om zo nu en dan even naar de film te gaan, zomaar tussendoor…’ ‘Toen ik zo oud was als jij had ik echt geen geld om zomaar een film te kijken, laat staan een koffie ergens te gaan drinken. Toen was ik alleen maar keihard aan het werk. Zorgen voor mijn gezin, werken…zorgen voor mijn ouders….tropenjaren. Nooit een moment voor mezelf. Laat staan om gewoon maar ergens te gaan zitten niksen.’

Ik speel wat met mijn theelepeltje en wacht op de analyse over mijn generatie die vast spoedig volgen zal.

‘Je leest er ook veel over in de krant,’ zegt ze. ‘Dat jullie generatie er maar op los leeft.’

‘Ja,’ zeg ik langzaam, ‘dat lees je inderdaad veel.’

De bel klinkt, de deuren van de zaal gaan open.

‘Ik moet gaan,’ zegt ze, ‘sinds ze hier ongeplaceerde kaarten verkopen is het altijd een drama om de juiste plek te krijgen.’

Ze staat op en beweegt zich met ferme passen naar de film die ik ook ga zien.

Bij de kaartcontrole zucht ze diep omdat ze niet zomaar door mag lopen, maar eerst haar kaartje moet laten zien. ‘Ik heb het kaartje verdomme net bij jou gekocht,’ zegt ze tegen het meisje met de warrige knot op haar hoofd.

Daarna ben ik aan de beurt. Ik doe extra aardig, alsof ik het gedrag van de vrouw goed wil maken.

Maar het meisje van de kaartjes lijkt onaangedaan en wil mij juist gerust stellen. Ze zegt: ‘Ach, die dame komt hier al jaren. Altijd onvriendelijk. Maar weet je wat ik denk? Ze is gewoon verslaafd aan ongelukkig zijn. Het zou me niet verbazen als ze standaard te kleine schoenen kocht, om maar wat te lijden te hebben.’

‘Wow,’ zeg ik.

Het meisje haalt haar schouders op. ‘Ach, je mag helemaal zelf kiezen hè, kennelijk werkt dit het beste voor haar. Maar goed, fijne voorstelling nog.’

En dat was precies wat ik kreeg.

Gamma

24-09-2012

‘Krijtwit op roomwit’ mompelde hij.

‘Krijtwit op roomwit’ mompelde hij.

/ /

24-09-2012

 ‘We hebben het toch vorig jaar toch nog allemaal gedaan?’ Zei Ronald, vermoeid.

‘Nee, niet alles hoor- zeker niet. De trap, de kozijnen, de deuren, de tafel en de kasten. Dat wel. Maar jij was toch ook niet zo enthousiast over het resultaat toen?’ Zei zijn vrouw terwijl ze een stapel kleurenwaaiers op de keukentafel smeet. 

Ronald legde zijn krant neer en probeerde te glimlachen. ‘Niet enthousiast…niet enthousiast… nou, dat valt ook wel weer mee, het is meer dat ik weinig verschil zag toen. En het was wel veel werk. Ik heb nog vier dagen vrij moeten nemen en daarna nog acht sessies fysiotherapie er tegenaan moeten gooien, weet je nog?’

‘Weinig verschil! Weinig verschil!’ Schamperde zijn vrouw. ‘We gingen verdomme van melkwit naar roomwit- en dat is zeker een verschil geweest- want ik ben het nu al spuugzat. De muren komen op me af. We moeten het opnieuw doen- anders trek ik het niet meer hier. En liefje, je mag een beetje schilderwerk niet de schuld geven van je zwakke gestel. En trouwens, ik verzin dat niet hè, dat het verschil heel groot was. Elise zei het nog: het lijkt wel een ander huis. En zij, zij heeft er verstand van. Kom, trek je jas aan.’

‘Mijn jas?’

 ‘Ja, en zeg je afspraak met de mannen even af, we gaan naar de Gamma.’ Zei zijn vrouw terwijl ze de autosleutel pakte en het keukenlicht uitdeed.

Ze zwegen in de auto. Zij reed- het was haar Range Rover en bovendien vond ze dat hij reed als een bejaarde met polio. Dat zei ze zo: Je rijdt als een bejaarde met polio. Hij keek uit het raam, de vinexwijken trokken aan hen voorbij. Ronald had zijn vrienden een groepsbericht gestuurd, gezichtsverlies kon hij allang niet meer lijden. Toen hij ze had verteld dat hij Brigitte ten huwelijk wilde vragen, was het stil geworden in de kroeg. Zijn beste vriend Marc had geprobeerd de mening van de groep te verwoorden. De groep stond in hun bier te kijken en Marc had zijn keel geschraapt en had gezegd: ‘Maar Brigitte is een kutwijf.’ Marc was altijd een man van weinig woorden geweest. De groep was wel naar de bruiloft gekomen, maar niemand had getuige willen zijn. Daarom had Ronald zijn broer die naar Canada geëmigreerd was, gevraagd. Die vond het een grote eer en ook Brigitte was tevreden met deze keuze omdat ‘vrienden komen en gaan’. De vriendengroep van Ronald was al meer dan vijfentwintig jaar bijeen- maar zijn vrouw had nu eenmaal altijd gelijk.

 Waarom was hij met haar getrouwd? De reden was hem inmiddels ook een beetje ontglipt. Ze was mooi geweest, en lief ook misschien. Op haar manier dan. Brigitte was er geweest toen hij alleen was. Hij hield niet van alleen zijn. Hij kon er niet tegen, alleen zijn. En zij was daar. Plots was alles heel vlug gegaan. Hoe precies, hij wist het niet meer- en wat maakte het ook uit- ze waren getrouwd en hij kon geen kant meer op.

 Het parkeerterrein van de bouwmarkt was rustig- maar Brigitte wilde een plekje direct naast de ingang. Ze parkeerde haar Range Rover pal naast een Fiat Panda die nu behoorlijk klemgereden was. ‘Moet je maar niet zo’n kutauto rijden’ zei zijn vrouw. Ze stapte uit en liep de bouwmarkt in zonder te kijken of Ronald de auto al verlaten had. Hij haalde diep adem en liep achter haar aan.

Bij de verfcounter stond ze nu, ze drukte vier keer achterelkaar op het belletje op de toonbank. Ze keek getergd om zich heen. ‘Waarom gaat het toch allemaal zo langzaam’ klaagde ze. Ronald had afgeleerd terug te praten bij dergelijke opmerkingen en keek voor zich uit. Een pukkelige jongen van een jaar of zeventien kwam aan de balie. Brigitte begon haar verhaal- verf wilde ze- en snel- want de kleuren die ze nu had dreven haar tot waanzin. Daarna pakte ze de kleurstaaltjes uit haar tas en toonde ze haar twee favorieten aan de jongen. Die pakte daarop twee A4’tjes uit een grote ladekast en zei: ‘Dit is een groter formaat van de staaltjes, zo heeft u een beter idee van de uitwerking van de kleuren.’ Brigitte boog zich over de vellen en draaide zich naar Ronald. ‘Wat denk jij?’ Dit was linke soep. De vraag kon niet onbeantwoord blijven, maar het verkeerde antwoord zou de toon voor de komende twee dagen zetten. Hij slikte en keek. Twee vellen wit papier hield ze vast. ‘Krijtwit’ zei ze terwijl ze het linkerpapier bewoog, ‘Of toch eiwit?’ zei ze, terwijl ze met het andere papier wapperde. Ronald wist niks te zeggen. Zijn vrouw trok haar mondhoeken misprijzend naar beneden. Kennelijk was het overduidelijk. Ze draaide zich om naar de jongen. ‘Krijtwit’ zei ze. ‘Ik denk erover veganist te worden, namelijk. Schiet natuurlijk niet op als je het hele huis eiwit verft. Doe maar twintig liter. En vijf liter lak ook. En rollers en kwasten, de hele reutemeteut- Pak van alles maar het beste- ik heb geen zin in die armoe van haren uit je kwast.’ De jongen knikte. Brigitte was de enige persoon die Ronald kende die in geen enkele winkel haar spullen zelf moest pakken. In supermarkten kwam ze niet- dat was Ronald’s taak. Betalen deed ze ook niet-, dat was ook Ronald’s taak.

Thuis aangekomen, pakte ze de trapleer en zei ze tegen Ronald: ‘Doe maar even een stukje, daar bovenaan de wand, van 25 bij 25 centimeter ofzo. Dan krijg ik een indruk van de nieuwe sfeer die zal ontstaan.’ Hij klom op de trap en nam de kwast van zijn vrouw aan. ‘Krijtwit op roomwit’, mompelde hij. Brigitte stond naast de ladder en zei ‘Niet als een homofiel- gewoon een mooi vierkant, met een beetje kracht alsjeblieft’. Het vierkant was bijna af, Ronald had buikpijn. Zijn vrouw zat gehurkt bij de potten met lak- ‘Verdomme, volgens mij zijn we opgelicht. Kijk, deze lak heeft wel dezelfde naam, maar is veel geler dan de muurverf, moet je zien.’ Ze keek op en versteende toen ze zag wat Ronald aan het doen was. Hij had zijn shirt uitgetrokken en tilde de pot muurverf op, het deksel lag naast zijn voeten. Het was een zware pot en het kostte hem moeite het ding om te keren boven zijn hoofd. Toen het lukte, liet hij los. Met een doffe klap viel de pot op zijn hoofd. Een verfpot met een lijf, dat was hij nu. Het vergde nogal wat van zijn nek, dat wel. De verfpot dempte het gekrijs van Brigitte, de verf dempte alles. Het voelde koud en zwaar en de verf droop langzaam over zijn schouders, borst, langs zijn benen naar beneden. In zijn ogen liep verf, in zijn oren liep verf, in zijn mond liep verf. Hij begon te hoesten en de wereld begon te draaien. Snel zou hij beginnen te braken en in zijn eigen braaksel kunnen stikken, met zijn kop in het krijtwit. Met een ruk werd de pot van zijn hoofd getrokken.

Zijn vrouw was woedend geworden- ze krijste met de verfpot in haar hand. Of hij gek geworden was- wat wel in de lijn der verwachting lag- of hij haar dan geen geluk gunde- en of hij godverdomme eens aan de parketvloer kon denken. Die vloer was hem inderdaad even ontschoten- deze actie zou weleens lelijke plekken kunnen opleveren. Hij ging zitten, bovenaan de trapleer. Brigitte was in de keuken, ze was aan het bellen- ze klonk nog steeds van streek. Haar hakken klakten op het parket. ‘Ze komen er zo aan’ zei ze toen ze terugkwam. Ronald klom het trapje af en zei: ‘Wie?’

‘De ambulance liefje, ik denk dat je overwerkt bent.’

‘Aha, de ambulance. De ambulance. Eén of twee?’

 ‘Hoe bedoel je?’  

 De tweede pot muurverf was nog gesloten, maar de lak was al open. Ronald pakte het potje en greep Brigitte bij haar keel. ‘Eén of twee liefste? Eén of twee? Want jij en ik, wij horen toch bij elkaar liefste?’ Brigitte huilde en probeerde met haar hoofd te knikken, maar dat ging moeilijk door zijn hand. Hij praatte door. ‘Je hebt helemaal gelijk, de muren komen ook op mij af- wat dat wel niet met een mens kan doen hè. Maar wat weet ik er nou van- ik ben je vriendin Elise natuurlijk niet.’ Zijn vrouw snikte. Ronald keerde de pot lak om, boven het hoofd van zijn vrouw. De lak zat in een kleiner potje, de substantie was dunner dan die van de muurverf. Brigitte’s haar en gezicht waren volledig bedekt onder de lak. Het rook niet naar waterbasis. ‘We krijgen wel veel dorst hè, van al dat klussen.’ Ronald dronk uit het blik. Zijn vrouw huilde nog steeds. Uit de verte klonken sirenes. ‘Stil maar liefste, het duurt niet lang meer’ zei hij. Hij nam nog een flinke slok en daarna gaf hij zijn vrouw een lange gepassioneerde tongzoen.

Gelijk

17-12-2015

Ik zal u na het eten moeten wurgen.

Ik zal u na het eten moeten wurgen.

/ / /

17-12-2015

Het is niet eenvoudig om altijd gelijk te hebben, maar de man met de baard was eraan gewend geraakt. Als kind schaamde hij zich voor zijn gave. Leraren gaven hem stelselmatig strafwerk omdat hij geen moment voorbij liet gaan om in te grijpen wanneer verkeerde informatie werd verstrekt. Hij voelde dat ingrijpen de enige rechtvaardige optie was, zodat werd voorkomen dat dertig van zijn leeftijdsgenoten verkeerd werden geïnformeerd. Zoals het gaat met zulke kinderen, had hij geen vrienden op school.

Thuis sprak hij niet met zijn zes broers en zussen en wanneer hij liep, maakte hij nauwelijks geluid. Stilletjes sloop hij door de school, door het huis, door het dorp, door het leven. Zijn vader gaf hem regelmatig een stevige draai om de oren, dat was meestal na het derde blik bier. Zijn moeder was een zachtaardige vrouw, maar zo verschrikkelijk vermoeid dat ze haar gelijkhebbende zoon niet lastig viel noch aandacht schonk. Er waren immers nog meer kinderen te voeden, te verzorgen, op te voeden.

Je zou kunnen stellen dat hij als kleine jongen een zwaar leven had, maar hij maakte zich niet druk. ‘Op een dag zullen jullie me nodig hebben,’ dacht hij dan. En zoals het gaat bij iemand die altijd gelijk heeft, kwam ook deze voorspelling uit.

Op zijn achttiende had hij een vlassig baardje en vertrok hij naar een nabijgelegen dorp om daar in de bibliotheek te gaan werken. Zijn leven bestond uit werken, lezen, slapen, een wandeling in de vroege ochtend en elke dag een bord dampende soep als avondeten. Dit eenvoudige bestaan gaf hem zoveel rust in zijn hoofd en in zijn ogen dat de mensen in het dorp zich als vanzelf bij hem gingen melden wanneer ze advies nodig hadden. Het vlassige baardje was inmiddels een grote stevige baard geworden, als de haren van een bezem. Zo kwam het dat hij vanaf zijn twintigste als de man met de baard bekend was komen te staan en het aantal mensen dat zijn werkelijke naam kende nogal gering was.

Bij elk besluit waar de mensen zelf niet uitkwamen, zochten ze contact met de man met de baard. De mensen maakten geen afspraak, ze klopten simpelweg aan bij het kleine witte huisje waar hij woonde, niet ver van de rivier waar hij als kind langs de waterkant had gespeeld. Hij voorzag ze van adviezen over allerlei aspecten van het leven, zoals werk, studie, gezondheid, hoelang artisjokken nou gekookt moeten worden, familiekwesties, het aanschaffen van een huis. Maar de mensen kwamen vooral bij hem voor prangende kwesties die te maken hadden met dat ene grote onderwerp, de liefde.

Het was wonderlijk dat ze juist hem om advies vroegen, hij die nauwelijks iets had ervaren op het gebied van de liefde. Goed, er kwamen wel eens ronddwalende kruidenvrouwtjes bij hem langs, kleine vrouwtjes die naar lavendel en patchouli roken en meestal een nacht of twee bleven. Dan maakte hij extra soep die ze samen aten. Daarna sliepen ze in het krakende eenpersoonsbed van de man met de baard. Het was aangenaam, dat zeker, maar echte meeslepende verliefdheid, met kriebels, zware voeten, bonzende harten- dat had hij nooit meegemaakt.

Voor de dorpelingen zat de kwaliteit van zijn adviezen juist in het gebrek aan liefdesleven.

‘Hij heeft geen trauma’s’, zei de vrouw van de bakker, ‘daarom hebbie zo’n helder koppie, kennie gewoon zien wat er aan de hand is.’ ‘Hij heeft geen vrienden,’ zei de rijkste man van het dorp, ‘daarom heeft hij niet te maken met integriteitskwesties.’ ‘Hij is, naja, niet de zoon, maar toch wel zeker een neef van God,’ zei de serveerster uit dorpscafé Het Plekkie. ‘Zoveel gelijk heb niemand en zeker geen man, als je ‘t mij vraagt.’ Niemand vroeg haar, maar zo waren de serveersters van Het Plekkie nu eenmaal. Ze gaven doorlopend antwoorden op vragen die niemand hen stelde.

Op een dag kwam er een kleine, muizige vrouw bij de man met de baard op bezoek. Ze zag eruit alsof ze dagen niet had geslapen. Haar haren waren pluizig en in een rommelig knotje op haar hoofd verzameld. Ze droeg een lange donkerblauwe jurk waardoor ze eruit zag als een godsdienstwaanzinnige uit het zuiden van de VS. Ze kon niet ouder zijn dan veertig, maar zoals ze er nu uitzag, leek ze maximaal nog tien jaar mee te kunnen gaan.

‘Ik heb een vraag, ’ zei ze terwijl ze nog buiten op de deurmat stond. De man met de baard gebaarde haar binnen te komen, wat ze schoorvoetend deed. ‘Ik vrees dat ik het niet meer kan,’ zei ze terwijl ze met haar knokige vingers aan haar mouwen friemelde. De man met de baard zweeg, zijn jarenlange ervaring had hem geleerd te zwijgen, juist wanneer de woorden van de ander het zwaarst leken te zijn.

‘Ik ben miserabel in de liefde en eenzaam zonder. Ik probeer samen te zijn, alleen te zijn, een beetje van beide te zijn. Ik slaap er niet van en ik heb het altijd koud. Ik wil samen zijn, alleen zijn, ik weet het gewoon niet… Wat moet ik nou doen?’

Mistroostig keek ze uit het raam, buiten werd het al donker. De man met de baard stond op uit zijn leunstoel een keek ook naar het kale landschap.

Na een poosje zei hij: ‘Vandaag eet ik pompoensoep. Er is genoeg voor twee.’ Verbaasd keek de vrouw op. ‘Maar, maar.. wat moet ik nou? Daarvoor ben ik hier- u heeft toch altijd gelijk?’

De man met de baard knikte.

‘Soep zal u goed doen. Soep en afscheid.’

‘Afscheid?’

‘Ik zal u na het eten moeten wurgen. Met blote handen. Wees niet bang, het duurt maar even.’

Als door een bij gestoken stond de vrouw op. Bij de haard lag een pook die ze snel greep. Ze liep achteruit door de kamer met de pook voor zich uitgestoken.

‘Als je me aanraakt…’ Haar stem klonk hoog, haar gestrekte arm beefde.

De man met de baard stond glimlachend voor haar en deed nog een stap in haar richting.

‘Als je me aanraakt..’ zei ze nu wat luider, terwijl haar ogen schichtig heen en weer bewogen.

De man met de baard kwam nog wat dichterbij.

‘Als je me aanraakt dan, dan..steek ik je!’ haar stem sloeg over.

De man met de baard ging weer zitten in zijn leunstoel. ‘Ziet u nou,’ zei hij, ‘u kunt het best. Ik zag het in uw ogen. U was niet bereid u te laten wurgen. U was bereid te vechten. U wilt vechten.’

De vrouw liet de pook zakken.

‘Het is, kortom, minder dramatisch dan u denkt. Het is een kwestie van de juiste vragen stellen. Komt u de volgende keer hier met de juiste vragen. En dan eten we nu de soep en laten we het wurgen achterwege.’

Ze knikte, ze at de soep en ze dacht na over de juiste vragen. De man met de baard had weer eens gelijk gekregen. Neuriënd waste hij de kommetjes af.

Geluk

22-04-2013

Zwijgend aten ze witlof met aardappelen en een slavink.

Zwijgend aten ze witlof met aardappelen en een slavink.

/ / /

22-04-2013

Margreet was op weg naar huis van haar cursus aquarelleren toen ze haar echtgenoot Henk op het terras zag zitten. Straalbezopen, met lodderige ogen en zijn neus als grote donkerrode vrucht in het midden van zijn gezicht.  Hij was aan het lallen met zijn vrienden, de tafel stond vol met glazen jenever. Dit was niet de bedoeling. Driftig stapte ze het terras op. ‘Henk, wat doe je hier? Ik dacht dat wij hadden afgesproken dat jij het gazon ging maaien?’ 

Henk keek haar aan en zei tegen zijn vrienden; ‘Welkom in mijn leven. We hebben afgesproken dat ik het gazon zou maaien. Zoiets spreken we dan samen af- maar ik moet het doen. En nu zit ik hier en krijg ik een draai om mijn oren.’

‘Rustig maar Henk’ zei een van de vrienden. ‘Margreet, wil je ook een drankje, pakken we er gewoon een stoeltje bij.’

Margreet wilde geen drankje. Ze negeerde de vriendengroep en begon aan Henk zijn arm te trekken. ‘Kom, we gaan naar huis, je hebt al genoeg gehad- en vanavond komt de notaris eten met zijn vrouw. Dat weet je toch nog wel, neem ik aan? Die afspraak staat al weken, en je pak is net gestoomd. In godsnaam Henk, wat heb je gedaan? In deze staat ben je niet toonbaar.’

‘Niet toonbaar- niet toonbaar. Nee, jij trekt volle zalen,’ lispelde Henk. Hij slikte een boer weg en stond op. Hij wankelde op zijn benen en hield zich vast aan de rugleuning van de stoel naast hem. Hij wees naar Margreet en wendde zich tot het volle terras.

‘Zij daar, is mijn vrouw. We spraken af samen te zijn tot de dood ons scheidt, maar weet je wat het is? Het is niet waar wat ze zeggen.’

 ‘De dood scheidt je niet. De dood treedt in op het moment dat je die ring om je vinger hebt.’

‘Kerel, doe eens rustig’ probeerde zijn vriend hem te kalmeren.

‘Goed, ik overdrijf- misschien is het niet het moment dat je de bruiloft hebt enzo. Het is erger dan dan dat. Ik noem het stervensbegeleiding- zo is mijn leven. Ze houdt me in leven- maar wat voor een leven is dit? Ik mag niet teveel drinken of eten, ik mag niet te laat naar bed, ik moet het gras maaien, het vuil buiten zetten en de vijver schoonmaken. Ik moet eten met onvoorstelbaar saaie mensen die hoog aanzien hebben. Ze kiest wat voor kleren ik draag- ze kiest welke zeep ik gebruik, welke auto ik rijd, welke planten ik koop.’

Margreet stond bedremmeld te kijken, ‘Henk, gaat het wel? Of moet ik de  de dokter bellen?’

‘De dokter? Wat ga je zeggen? Dat ik teveel waarheidsserum heb gedronken?’ Henk hief zijn lege jeneverglas in de lucht.

Een taxi werd gebeld. Onder tegenstribbelen werd Henk achterin gezet, in de gordels met de deuren op het kinderslot. Margreet nam voorin plaats en siste naar achter. ‘Als je maar niet denkt dat ik me zo laat vernederen, Henk. Als je dat maar niet denkt. ‘

Thuis belde Margreet de notaris en zijn vrouw af. Daarna ging ze koken. Zwijgend aten ze witlof met aardappelen en een slavink.  ‘Ik heb ook veel voor jou moeten opgeven,’ zei Margreet terwijl ze de lege borden verzamelde. ‘Denk je dat ik hier wilde wonen? In deze streek? Denk je dat jij de meest aangename echtgenoot bent, met al je nukken? Waarom zou ik met de notaris willen eten en met de wethouder? Omdat ik verslaafd ben aan status? Of omdat dat de enige mensen zijn die nog weleens naar een museum of een concert gaan, ergens buiten dit dorp? Ik geef niet om de jaarlijkse braderie of om lessen aquarel of bloemschikken. Zelfs de oranjevereninigng heeft mijn volledige aandacht niet. Hetzelfde voor mijn boekenclub. Maar het is pas wanneer ik stil zou staan bij al die dingen, dat jij het zwaar zou krijgen. Niet nu. Dus haal het niet in je hoofd het slachtoffer uit te hangen hier.’ 

Ze pakte een koffiefilter en zette koffie. Ze haalde een vochtig doekje over het aanrecht terwijl het koffie-apparaat begon te pruttelen.

 

‘Wil je ermee stoppen?’ vroeg Henk  toen ze een kop koffie voor hem neerzette.

 

‘Doe niet zo gek. Natuurlijk niet. Je gaat toch niet na veertig jaar huwelijk jaar nog stoppen? Wat zouden de kinderen wel niet zeggen.’

 

‘Hoevaak zien we die nou helemaal?’

 

‘Wil jij ermee stoppen Henk?’

 

‘Nee.’

 

‘Nou dan. Ik ga naar de studeerkamer, ik heb nog huiswerk van mijn cursus Kunstgeschiedenis liggen.’

 

Henk knikte. Morgen zou hij het gras gaan maaien.  

Geweldig

17-08-2014

Heeft u wel eens stress?

Heeft u wel eens stress?

/ /

17-08-2014

‘Bent u ook zo geweldig?’ vraagt de vrouw op het bankje bij de bushalte aan de man naast haar. Het is zaterdag, half 9 in de ochtend. De straat is nog verlaten, straks openen alle koffiewinkels hun deuren en kruipen de stedelingen hun huizen uit. Maar voor nu is het stil, de laatste dronkenlappen zijn een halfuurtje eerder naar huis gegaan.

De vrouw ziet eruit als een ballerina van een jaar of vijftig. Ze is een beetje hoekig gebouwd, draagt haar haren in een hoge knot op haar hoofd, en heeft verder een strakke zwarte broek met een zwarte coltrui aan. Ook haar schoenen zijn zwart. Om al dit zwart te compenseren, draagt ze om haar schouders een felgekleurde sjaal. De man, een jaar of veertig misschien, ziet er vele malen onopvallender uit in zijn spijkerbroek met lichtblauw overhemd. Verstrooid kijkt hij opzij. Hij heeft geen idee wat ze heeft gezegd, er zat in elk geval weer die nare –g klank in, die hij op verre reizen wel eerder hoorde, maar in zijn eigen taal niet voorkomt. Hij zal de vrouw verontschuldigend antwoorden dat hij geen Nederlands spreekt, ze zal zich dan vast tot iemand anders wenden, hoewel er nu niemand anders is. Misschien heeft ze wel een telefoon bij zich, dan kan ze iemand bellen met die vraag met die klank. Maar voordat de man ook maar tot zijn antwoord komt, is de vrouw alweer verder aan het praten.

‘Want weet u, meneer. Iedereen in dit buurtje, is tegenwoordig maar zo geweldig. Ze kleden zich mooi aan, eten dingen die niet alleen gezond zijn, maar zelfs super en ze doen allemaal wat ze leuk vinden. Daar hebben ze dan hun baan van gemaakt. Van wat ze leuk vinden, hoort u mij- wat ze leuk vinden. Hun baan gemaakt. En dan lopen ze al bellend door de straten, met hun tasjes bungelend aan de andere arm- dat zijn de vrouwen tussen de 9 en de 50, en die horen dan bij van die kerels zich kleden alsof ze nog steeds 7 jaar oud zijn. Plat gympje, losse broek, vrolijk t-shirt erbij. U begrijpt waar ik naartoe wil denk ik? Het is allemaal zo geweldig, geweldig, geweldig. Ze kunnen ook alles. Ze kunnen alles- en ze kennen elkaar allemaal. Ge-wel-dig. Werkelijk formidabel. Maar wat ik steeds vaker denk, weet u wat ik steeds vaker denk?’

 

De vrouw kijkt de man vragend aan.

 

‘Sorry, I don’t speak Dutch’ zegt hij gegeneerd.

 

Even lijkt ze naar lucht te happen,
maar al snel herpakt ze zich.

 

‘Joh, it doesn’t matter- I speak Dutch so you can learn really easy from practice. Okay?’

 

Ze wacht niet op zijn antwoord en vervolgt haar uiteenzetting. ‘Maar wat ik nou denk als ik die ge-wel-dige mensen zo zie, waarom kijken ze nou zo serieus, zo gestresst? Zie jij ze lol hebben? En dan bedoel ik zonder drank of een pilletje in hun mik. Gewoon lol hebben, ik zie ze het niet doen. Alleen maar haast zie ik ze hebben, de hele dag door. Begrijp jij dat? Wat voor haast kunnen zij nou hebben? Ze hebben toch alles voor elkaar, ze hebben toch alles? Wat voor stress zouden zij in godsnaam hebben?’

 

Haar stem begint een beetje over te slaan, de man schuift nog een stukje meer van haar vandaan. Ze lijkt het niet te merken.

 

‘Heeft u wel eens stress? Stomme, vraag. Natuurlijk heeft u wel eens stress. U ziet er uit als een man die een baan heeft, een baan die niet is wat u leuk vindt, maar gewoon een baan. Am I right?’

 

‘Sorry?’ zegt de man voorzichtig.

 

‘Nou, weet je als ik zo naar jou kijk, dan denk ik: saaie vent misschien, maar daar hebben we nou wel iets aan. Jij lijkt me het type, hmm, stille held, degelijke huisvader, goede werknemer. Geen rottigheid en en vooral: geen ge-wel-dig-heid. Ik word doodziek van wat er van deze buurt geworden is. Met hun ruimteschip-kinderwagens en rosé op het terras. Bakje olijven, vier euro vijftig. Van de ratten besnuffeld zijn ze, allemaal!’

 

De bus komt de hoek om. De man laat haar voor gaan.

 

‘En ook nog eens een heer. Thank you,’ zegt ze tegen hem. Ze gaat bij de chauffeur zitten, de man kiest een plekje helemaal achterin. Hij kijkt naar buiten, en ziet de stille straten voorbij glijden. ‘Wat een provinciestad,’ denkt hij, ‘en wat een verschrikkelijke taal.’

 

Goede Vrijdag

29-03-2013

Ik heb de vraag gemist, zoals ik deze avond wel meer heb gemist.

Ik heb de vraag gemist, zoals ik deze avond wel meer heb gemist.

/ /

29-03-2013

Gaat het een beetje? De jongen staat ongemakkelijk naar me te kijken, het is donderdag,  half vier ‘s nachts en de straten zijn stil.

Ik veeg de haren uit mijn gezicht en probeer dapper te glimlachen. Koude rilling, koude windvlaag. Er is niemand hier, behalve de ongemakkelijke jongen en ik in mijn jas die te koud is voor de tijd voor het jaar. Of eigenlijk precies goed is voor de tijd van het jaar en daarom te koud- alle kleren zijn altijd te koud tegenwoordig.

‘Het gaat wel, dankje’ ik probeer mijn evenwicht te bewaren door de lantaarnpaal vast te pakken, maar hou daar snel mee op. In deze kou val ik nog liever met mijn kop op de kasseien dan dat ik zoiets kouds aanraak. Ik weet niet waar mijn handschoenen zijn.

De jongen staat er nog steeds- meer uitleg lijkt nodig.

‘Voedselvergifting.’ Zeg ik.

Zwijgend kijken we naar de oranje drap die voor mijn voeten ligt. Zestig euro omgezet in oranje drap. Eerst in olijven, tortilla’s, margarita’s en tequila. En nu dit. Met een noodgang terug de wereld in. Pijn in mijn nek, mijn schouders, mijn neus en mijn kaken.

‘Voedselvergiftiging.’ Ik herhaal het zodat het extra waar zal lijken.

Voordat hij iets terug kan zeggen gaat verandert de wereld om mij heen. Mijn plastic pumps, ook niet ongeschonden door deze avond heen gekomen, lijken  uiteen te vallen, mijn benen dragen me niet langer.

Gesjor, geschuifel, ik verlies een schoen.

Warme wind en helder licht.

Ik bibber en open mijn ogen. We zijn in de McDonalds en de jongen kijkt me bezorgd aan. ‘Ben je er weer een beetje?’

Ik knik en kijk om me heen. Veel mensen met slaapzakjassen met bontkragen hier. Slimme mensen, zij hebben het vast nooit koud.

 

‘Wil je wat drinken? Cola of water ofzo?’

 

Ik wrijf in mijn ogen, nepwimpers vallen op tafel.

 

‘Mag ik een Happy Meal?’ Ik zoek naar mijn handtas, maar die is niet hier.

 

Als ik opkijk staat er een Happy Meal voor me op tafel. Eerst wil ik het speeltje, een opwindbaar mannetje dat heen er weer kan lopen over de tafel. Na de eerste happen is de horizon rustig geworden. Tegenover me zit de jongen naar me te kijken, hij drinkt een milkshake en zegt niks.

 

‘Is mijn mascara uitgelopen?’ vraag ik. 

 

‘Wat voor avond heb jij gehad?’ vraagt hij.

 

Ik zucht. ‘Ach, jeweetwel, niks bijzonders. Een date.’

 

‘Een date? En waar is je date nu?’

 

Ik kijk op. ‘Waar is jouw date nu?’

 

Hij lacht. ‘Ik had geen date, ik heb net gewerkt, ik had avonddienst.’

 

Hij vertelt over zijn werk, hij wordt dokter. Hij is slim en hij heeft rechte tanden en vlassig haar.  Hij vertelt over zijn leven. Hij praat en praat en praat. ‘En jij?’

 

Ik heb de vraag gemist, zoals ik deze avond wel meer gemist heb.

 

‘Ik? Nou, soms, als ik iets wil voelen kijk ik naar zielige dingen op internet.’

 

Aan zijn gezicht te zien ben ik nu geen vraag aan het beantwoorden, maar het is wel waar.

 

‘Zielige dingen?’

 

‘Ja, filmpjes over mensen die dapper zijn en vechten tegen ziektes die ze niet verdienden, zulk soort dingen.’

 

‘Zijn er mensen die ziektes verdienen?’

 

‘Nee, je weet wel, laat maar.’ Ik leg mijn hoofd op tafel en sluit mijn ogen. Mijn linkervoet voelt koud. 

 

‘Weet je wat voor dag het vandaag is?’

 

Ik schud mijn hoofd terwijl ik een uitgedrukt frietje van mijn linkervoetzool peuter.

 

‘Goede Vrijdag’

 

‘Goh.’

 

‘Hij is ook voor jou gestorven, voor jouw zonden. Het is een bijzondere dag. Dat wij elkaar tegenkomen, zomaar in de nacht- jij, zo verloren. Maar nu niet meer.’

Ik heb de hik gekregen, maar hij merkt het niet. Hij praat en praat en praat. Het plastic mannetje is van de tafel gevallen. 

 

‘Zal ik je naar huis brengen?’

Ik knik, hikkend zit ik achterop zijn fiets. Mijn linkervoet bungelt als een dode klomp aan mijn been.

 

‘Ik ben geen zondaar, ik ben een vegetariër’ zeg ik.

 

‘Dat is dan net misgegaan, je hebt een hamburger gegeten.’

 

‘O.’

 

We zijn in mijn straat.

 

‘Nou, dankjewel’

 

Ik schuifel naar de voordeur en hoor de jongen nog roepen ‘Vergeet het niet: hij is ook voor jou gestorven.’

 

Ik word wakker met de ergste kater uit mijn leven.

Herdenken

08-03-2013

Jonge mensen die niet ziek zijn gaan dood aan drugs.

Jonge mensen die niet ziek zijn gaan dood aan drugs.

/ /

08-03-2013

Het was al een tijd geleden dat ze elkaar hadden gezien, en nu was het moment gekomen om te meten wie het ergste had gefaald. Het zou een nek aan nek race worden, gezien de studie die ze deelden, gezien het economische klimaat waar ze in leefden, gezien hun leeftijden, gezien hun ambitieniveau’s. En ook het seizoen was niet om over naar huis te schrijven. Koud, grijs, guur, maar vooral venijnig tot op je botten. Schrale lippen, trekkende handen, traanogen, schilferhuid. Maandenlang leefden ze in het donker, alleen vooral. Deze avond kropen ze uit hun nesten, op naar het bruine café, met smerige wijn maar goed bier.

De aanleiding van het samenzijn. Een van hen was er tussenuit geknepen, deed er niet langer aan mee, dood.

‘Fijn dat je er bent’ zei de een. ‘Maar wat een verdrietige reden.’ Zei de ander. Daarna knikte iedereen en namen ze een slok. Gelukkig hadden ze elkaar al een tijd niet gezien en kon er gepraat worden rondom het thema ‘wat doe jij nu?’ En ja, wat deden ze nu eigenlijk? Ze deden klotebaantjes, voor minimunloon, schonken koffie, maakten kopietjes of verkochten spullen die de mensen niet nodig hadden. Ze keken nu al terug naar hun studietijd, zo kort geleden, een jaar bijna, maar ach, verzuchtten ze nu samen, ‘wat wisten we toen nou helemaal?’ Twee van de groep waren de uitzendkrachtendans ontsprongen en spendeerden hun dagen onder systeemplafonds in hoge glimmende gebouwen. Zij maakten vast praatjes bij de koffieautomaten (of zouden dat esspressobarretjes zijn in zulke gebouwen?) en netwerkten. Netwerken. Netwerken. Netwerken. Wat een hel. De uitzendkrachten keken glimlachend naar de twee carrièremakers en bekeken daarna hun eigen netwerk.

Werklozen, die netwerkten met werklozen. 

‘Zullen we het even over hem hebben, nu we toch samen zijn?’ vroeg het meisje met twee masterdiploma’s dat nu fulltime bij de Ikea werkte. De groep werd stil. Ja, daarvoor waren ze nu samen. Herdenken. Zoiets deden ze eigenlijk nooit. Ze hadden hun grootouders misschien wel begraven, zagen de dienst voor André Hazes op televisie, en moesten met dodenherdenking altijd stil zijn van hun ouders. Herdenken voor de tv. Herdenken, het leek ineens iets van vroeger. Ouderwets. Er was in hun leven geen tijd om te herdenken, of geen geduld maar misschien is dat wel hetzelfde.

Wat konden ze over hem zeggen. ‘Hij was wel echt een denker he.’ Zei de een.  ‘Ja, dat klopt, en zo ook zo goed voorbereid altijd op colleges.’ Ze keken in hun biertjes die dood waren. Ze wilden met iets meer komen, tot tranen roeren. Een YouTube filmpje kan verdomme tot tranen roeren. En hier zaten ze dan, helemaal stil. Ze hadden geen woorden, alles klonk leeg en arbitrair.

Gelukkig was daar de drukste van de groep. ‘Het was zo bizar om erachter te komen, zo via Facebook.’ Instemmend geknik en opluchting, het gesprek ging weer over henzelf. Het was weer vertrouwd, het was de categorie: ‘hoe heb jij het ervaren?’ ‘Waar was jij toen je het hoorde?’ en: ‘Hoe kwam jij erachter?’ Facebook. Het antwoord was meestal Facebook.

 

‘Ja, ik dacht, zo wat een bizarre grap, als die R.I.P.’s op zijn wall.’

‘Echt raar he. Zesentwintig en zomaar ineens dood.’ Geknik aan tafel.

 

Ze werden comfortabel met elkaar.

 

‘Ik dacht, het is vast drugs. Jonge mensen die niet ziek zijn gaan dood aan drugs.’

 

‘Ik dacht een ongeluk ofzo.’

 

 ‘Ik was vooral opgelucht dat hij het niet zelf had gedaan.’

 

‘Hoezo?’

 

‘Naja, ik wist niet wat er allemaal in hem omging, had toch gekund.’

 

‘Maar je bent blij dat hij het niet zelf heeft gedaan?’

 

‘Ja, tuurlijk, dat is toch het ergste dat je je kunt voorstellen?’

 

‘Is dat het ergste? Iemand die dood wil en dan dood gaat? Is dat erger dan iemand die niet dood wil en dood gaat?’

 

Ongemakkelijk geschuifel van voeten, een biertje viel om. Het hinderde niet, er zat nog maar weinig in. Het ongemak nestelde zich dieper in.

 

Een van de carrièremakers zette zijn glas op tafel. ‘Ik stap maar weer eens op, sommige mensen moeten werken morgen.’ Hij legde een tientje neer, veel teveel voor twee bier in een tent als deze, maar niemand bood aan te wisselen en hij verdween zo snel hij kon.

 

‘Iemand nog wat drinken?’

 

De vraag zweefde boven de borreltafel. Niemand hoefde nog wat drinken. Het zag ernaar uit dat deze avond ten einde was gelopen. Een onbevredigend einde, maar dat kwam wel vaker voor, wisten ze nu.

Hond

23-09-2012

Het beest was zo opgetogen dat het ogenblikkelijk begon te plassen.

Het beest was zo opgetogen dat het ogenblikkelijk begon te plassen.

/

23-09-2012

Het donkerblauwe pak met gouden knopen was gestoomd bij de duurste stomerij van de stad. Grover Willensteijn had het in de ochtend met zorg gekozen en aangetrokken. Hij was tweeënzestig, maar kon voor begin vijftig doorgaan. Hij was een verzorgde man met goede manieren. Een man die deuren open hield voor vrouwen en niet op straat at. Een man met verzorgde nagels en handen. Een man die rechtop liep op schoenen van hoge kwaliteit. Een man met een keurig huis en een neus voor goede wijn. Een kenner van literatuur en klassieke muziek.

Willensteijn liep door het winkelcentrum van de kleine gemeente waar hij woonde. Hij bezat een zeker elan waar dit winkelcentrum geen enkel verstand van had. Dat hij hier terecht gekomen was, kwam door de brief die hij in zijn linkerhand droeg. Het  postkantoor uit zijn buurt bleek te zijn afgeschaft en te zijn verplaatst naar een kantoorboekhandel in het winkelcentrum. Hij hield niet van onverwachte wendingen in zijn dag en een gesloten postkantoor was daar een duidelijk voorbeeld van. Hij keek om zich heen. Voor de winkels stonden borden met aanbiedingen, vol met spelfouten. Spelfouten die de Nederlandse taal niet verdiende, dacht Willensteijn. Steeds vaker begon hij te denken dat de wereld waarin hij leefde, de mensen om hem heen, dat eigenlijk alles- alles een complot was. Een complot waarin de stupiditeit in het leidingwater werd gestopt en het achterlijke woord via de beeldbuis werd verspreid.  Een complot waarin grote lelijke mensen in slecht zittende kleding het recht namen- met een vanzelfsprekendheid die zowel tenenkrommend als verbazingwekkend was- om zich uit te spreken over alles wat los en vast zat. Mensen die een frituurpan in hun bezit hadden en dan boven de bakken druipend vet samenschoolden en een referendum tegen het buitenland hielden, of tegen boeken. Het waren de kinderen die eendjes doodslaan met een stok. Ze waren volwassen geworden en liepen hier- hier in dit winkelcentrum op felgekleurde rubberen schoenen met gaten erin. Praktische schoenen waren het, dat zeker. Voor op van die feestjes waar ze met zijn tienduizenden naartoe gaan, allemaal hetzelfde gekleed. Valt er eentje neer, dan loopt iedereen door. Eroverheen, als dat de kortste route naar de bar is. Handig, die schoenen. Zo kan de smerigheid van de uitgedrukte mens makkelijk worden afgespoeld.

Willensteijn bekeek de etalages. Plastic kleding op goedkope poppen, felle kleuren en rekken vol met waar in slechte kwaliteit. Bejaarden schuifelden voor hem uit, ze waren gekleed in een kleurenwaaier die alles tussen beige en stront toonde. Een jonge moeder met een disproportioneel achterwerk liep met een winkelwagen. Voorin, in het zitje een dik roze kind met ook van die schoenen aan. Het kind staarde apathisch voor zich uit terwijl zijn kwijl naar beneden droop, over zijn kin, over de duwstang van de winkelwagen, als dikke draden doorzichtig slijm langzaam naar de grond. Het broertje van het kind stond te krijsen naast de wagen. Dit kind was ook dik en roze maar had iets meer haar en ook meer tanden. De moeder graaide in de boodschappenwagen en duwde de twee kinderen een grote gekleurde lolly in de handen. De kwijl van de kleine was nu groen met blauw geworden en liet sporen achter op de vloer van het winkelcentrum.

‘Grover!’ Klonk het plots achter Willensteijn. Hij kromp ineen- wie noemde hem nu nog bij zijn voornaam. Zijn moeder misschien, maar die had hij lang geleden al begraven. Niet zijn vrienden, een handjevol slechts, die eigenlijk meer kennissen waren. Zij noemden hem bij zijn achternaam en zouden bovendien niet in dit godvergeten oord rondlopen. Toch werd zijn naam steeds duidelijker geroepen. Hij draaide zich om en zag een vrouw van een jaar of vijftig in een lichtgroene broek hurken terwijl ze zijn naam riep. Qua uiterlijk had ze alle hoop en inzet laten varen, zoveel was duidelijk. Haar haren als vergeelde suikerspin, een lichaam dat aan alle kant uit haar broek probeerde te ontsnappen, tanden geel met zwart en diepe wallen onder haar fletse ogen. Met doorrookte stem riep ze nogmaals ‘Grover!’ Uit de bloemenstal kwam nu een harig beest aangesneld- luid keffend snelde het dier langs zijn baasje, in een rechte lijn, zo op Willensteijn af. Het beest begon zonder omhaal het linkerbeen van Willensteijn te berijden. De donkerblauwe broekspijp werd smerig, het beest liet haren, speeksel en hondenvoorvocht achter. Willensteijn stond als versteend en kokhalsde toen hij de vlekken zag. ‘Grover heb er de laatste tijd gewoon superveel zin an’ zei de vrouw in de lichtgroene broek, toen ze het beest had aangelijnd. Willensteijn had zijn mond tot een streepje getrokken, maar de vrouw was alweer doorgelopen en nu stond hij daar, vol met briljante reprimandes en snedige antwoorden. Hij stond daar, zomaar, misplaatst en alleen. Een echte heer met een vieze broekspijp in een winkelcentrum.

Na het ongeloof dat hem zojuist had overvallen, kwam nu de vastberadenheid. Hij liep achter de vrouw aan, het was tijd om verhaal te halen. Hoe kon iemand zijn naam, zijn edele voornaam nu zo misbruiken? Het stuk pus met bont, aangelijnd en wel, gewoon zomaar zijn naam geven. Het moest haast wel een complot zijn, dit, dit alles. Maar hij, Grover Willensteijn, besloot het niet langer lijdzaam te ondergaan. Het was genoeg geweest. Hij liep de supermarkt in, langs de groenten en het fruit, langs het vlees en de wijn, en vond de vrouw bij de chips terug. Natuurlijk bij de chips. De vrouw was zojuist een bekende tegengekomen die een donderbruin gelooid decolleté toonde, ook een doorrookte stem had en lange nepnagels met zebraprint. Ze sprak luid en vertelde dat ze vanaf nu ‘lekker haar ding aan het doen was’ en de vrouw in de lichtgroene broek knikte begripvol. Maar het beest- het beest was er niet.

Binnenmonds vloekend liep Willensteijn terug naar de ingang waar het klappoortje hem er niet uit wilde laten- onhandig klom hij over het hekje. Hij keek om zich heen en vond zijn naamgenoot rechts voor de winkel. Het dier kwispelde toen hij Willensteijn zag aankomen. Het beest was zelfs zo opgetogen dat het ogenblikkelijk begon te plassen. Het plaste een ongelofelijke hoeveelheid knalgele pis, zo tegen de kleine helikopter waar ouders van krijsende peuters een euro in gooiden voor een minuut rust. Willensteijn wachtte tot het beest was uitgeplast en nam toen de riem die om een prullenbak heen gewikkeld was. Hij keek om zich heen- niemand die op hem lette. Niemand die ergens op lette. Zo snel hij kon liep Willensteijn met het dier de supermarkt weer in.

De hond kwispelde opgetogen en Willenstein liep langs de groenten en het fruit, langs de wijn, langs de chips, waar de vrouwen nog steeds stonden, hij nam het beest mee richting de uiterste hoek van de supermarkt. Hier lagen alle diepvriesproducten. Het was rustiger, hier klonk alleen het gezoem van de vriezers. De hond keek schuin omhoog toen Willensteijn tot hem sprak: ‘Beste Grover, het spijt me, maar het is voor iedereen beter zo’. Na deze woorden schoof hij het vriesvak open en tilde hij de hond op. Hij zette het beest kwispelend tussen de Mexicano’s en de Pikantjes, niet ver van de rundvleeskroketten. Nu schoof hij de vriezer weer dicht. Het beest kefte, jankte en piepte, maar de dikke glazen platen maakten dat het geluid verdween in het gezoem van de vriezers.

Voldaan liep Willensteijn richting de kassa’s, nu hij toch hier was besloot hij het er maar van te nemen en een pak chocomelk aan te schaffen. Dat gaf hem dat gevoel van vroeger, toen alles beter was en de mensen beleefd. Hij zou er graag nog over mijmeren op een bankje, maar hij had nog een brief te posten.

Hoopje

01-10-2014

Nee, dankjewel.

Nee, dankjewel.

/

01-10-2014

‘Heeft u alles kunnen vinden?’ Vraagt het meisje van de drogist aan me. Ik kijk naar de boodschappen in mijn mandje: een doosje paracetamol, wattenschijfjes en tandpasta.

‘Ja, dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn portemonnee pak.
‘Bent u bekend met het gebruik van dit geneesmiddel?’
‘Ja, dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn pinpas in het pinapparaat steek.
‘Heeft u misschien interesse in ons gezondheidsmagazine voor 1 euro?’
‘Nee, dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn pincode intoets.
‘Wilt u er een tasje omheen?’
‘Nee, dankjewel’ zeg ik terwijl ik mijn pinpas weer in mijn portemonnee steek. ‘Wilt u de bon?’
‘Nee dankjewel,’ zeg ik terwijl ik mijn portemonnee en de spullen in mijn tas stop.
‘Tot ziens’ zegt het meisje van de drogist terwijl ze het mandje van de volgende klant aanneemt.
‘Dag.’

Ik wandel naar buiten en zet de tas naast me neer. Er lopen allerlei mensen voorbij. Grote, kleine, dikke, dunne, snelle, langzame, oude, jonge, mooie en lelijke. Mensen met haast, mensen die bellen, mensen met jengelende kinderen, mensen met kromgetrokken honden. De hemel is wollig grijs en er waait een licht briesje. Er rijden auto’s voorbij en ook fietsers, scooters en brommers. Een vrachtwagen zo nu en dan. Nooit een tank.

Adem in, adem uit. En nog eens en nog eens. Tot je ermee ophoudt. Adem in, adem uit.

‘Gaat het wel?’ Naast me staat nu een oudere heer met een hoed op. Echt een heer, zo weggelopen uit een foto van vroeger tijden. Er moet een moment zijn geweest waarop de andere heren van vroeger besloten om korte jassen te gaan dragen, hun hoeden weg te smijten en hun wandelstokken te vergeten in de kroeg. Niet deze heer. Hij houdt vol.

‘Het gaat wel,’ zeg ik.

‘U staat hier al een kwartier, wacht u ergens op?’

‘Dat vraag ik mij nou ook af. Maar ik begin te denken van niet.’

‘Van niet?’

‘Nee, dat er nergens op te wachten valt. Dit is het gewoon hè?’

Ik gebaar naar de straat, naar de ruimte om me heen, naar mijn tas waar de wattenschijfjes uitsteken en zucht dan diep. De heer kijkt fronsend mee.

‘Ja mevrouw, dit is het.’

‘En wat denkt u daar nou van?’

‘Ach mevrouw, wat maakt het uit. Noem het wat u wilt, maak het zo groot als u wilt, maar voor mijn part is het allemaal één grote vergissing, een misverstand, een droom, een gedachte, een hoopje geitenpoep, zo je wilt.’

‘Niet meer dan dat? Een mogelijke vergissing zelfs?’

De heer knikt weemoedig. En dan gaan we huiswaarts.

Huisarts

06-07-2018

Wat brengt jou hier vandaag?

Wat brengt jou hier vandaag?

/

06-07-2018

De man zat met zijn handen in zijn schoot in de wachtkamer van de huisarts. Hij was geheel in het zwart gekleed, veel te donker, veel te warm voor de tijd van het jaar. Maar dingen als jaargetijden, zonneschijn of regen vielen hem allang niet meer op. Het grootste deel van zijn dag speelde zich af in zijn hoofd.

Hij was slank, slanker dan ooit. Zijn hoekige schouders staken uit als scherpe punten onder de zachte kasjmieren trui die hij in beter tijden had gekocht. Veel tijden die hij had gekend vielen in die categorie. Langzaam was hij weggegleden, kopje onder geraakt. Zijn ogen die ooit zo helderblauw waren dat hij alles voor elkaar wist te krijgen bij docenten, vrouwen, onderhandelingen, die ogen waren troebel geworden.

Tegenover hem zat een oudere dame de longen uit haar lijf te hoesten, naast hem een vrouw met een jong kind dat hem met grote ogen aanstaarde. Een jongen van een jaar of 16 hing onderuit op een stoel in de hoek van de wachtkamer, terwijl het gebons uit zijn koptelefoon de wachtkamer vulde. De man merkte niks van dit alles.

De huisarts kwam de wachtkamer in en vroeg hem om mee te komen. Ze zagen elkaar steeds vaker, de huisarts en hij. Qua leeftijd scheelden ze een jaar of drie, maar waar de huisarts een uiterlijk van riant leven, tweede huizen, wijnkelders en zon op het terras had, leek de man met de dag een beetje meer te verdwijnen.

‘Zo Maurice, wat brengt je hier vandaag?’ zei de huisarts terwijl hij bezorgd zijn patiënt opnam. De man keek naar zijn handen, draaide ze langzaam om, bestudeerde zijn vingers alsof hij ze vandaag voor het eerst zag. Daarna zuchtte hij diep, schraapte zijn keel en sprak hij vermoeid tegen de huisarts.

‘Wat mij hier brengt vandaag? Wat brengt jou hier vandaag? Dat is wat ik me afvraag.’

‘Heb je nog nagedacht over medicatie?’ zei de huisarts met zijn ogen op het computerscherm waarop het patiëntendossier maar niet wilde openen.

‘Over alles heb ik nagedacht. Nadenken is het probleem niet. Nouja, niet bij mij in elk geval. Verder is het wel een probleem, overal, bij iedereen. Daarom kom ik vragen of je mij ook dommer kunt maken.’

‘Pardon?’

‘Ik kan het niet meer aan, de onzin, de prietpraat. Maar ik begrijp heus wel dat het niet veranderen zal. Alles, iedereen wordt dommer. Ik wil leren praten over ehm, over, over, over dingen waar men zo over praat. Ik weet niet waarover maar daarover dus. Ze hebben het er maar druk mee en ik, ik kan er niet aan meedoen.’

‘Heb je vrienden waar je mee kunt praten?’ zei de huisarts terwijl hij de computer herstartte. Hij moest niet vergeten een restaurant te reserveren voor vanavond.

‘Ik smeek je, maak me dommer,’ zei de man, die ineens een wanhopige indruk maakte.

‘Zoiets is onmogelijk, bovendien is dat niet wat u nodig heeft. U heeft duidelijk behoefte aan sociale contacten, structuur, afleiding…’

‘Je laat me in de steek,’ zei de man. ‘Ook jij laat me in de steek.’

Hij stond op en liep de spreekkamer uit, eerst met wankele passen, daarna met ferme tred, alsof zijn zelfvertrouwen met elke stap groeide. Maar eenmaal buiten voelde hij zich weer leeglopen.

Hij keek op zijn telefoon waarop geen berichten, geen telefoontjes waren binnengekomen. Tegenwoordig hoefde hij het ding slechts eens in de paar dagen te laden. Net als vroeger. Toch was het niet als vroeger, niks niet.

Daarna liep hij naar huis terwijl hij dacht aan zijn ex-vriendin die nu in een rijtjeshuis was gaan wonen met een man die consultant was. Hij was te moe haar iets toe te wensen.

Je suis Charlie

07-01-2015

07-01-2015

Het is nog middag maar buiten is het al donker
Ik denk aan de drie schutters van deze dag
En ik vraag me af: wat zouden ze aan het doen zijn

Nu de nabestaanden versplinterd zijn van verdriet
Ouders hun kinderen moeten begraven
En kinderen hun ouders

Een gewone woensdag in januari
Met cornflakes in de ochtend
Zij die wisten wat deze dag zou brengen
Gaven hun geliefde nadrukkelijk een kus
Zij die van niks wisten
Haastten zich naar hun einde

Ik denk aan de drie schutters
Geven ze elkaar een voorzichtige high five
Rijden ze volgens de regels van het verkeer
in een camionette ergens aan de grens

Zijn ze trots
Hebben hun vrienden smsjes gestuurd
Heffen ze het glas
Maar dan met thee erin
Geschonken door een gesluierde vrouw
Of toch een blikje cola
Voor de smaak.