Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Stoplicht

21-06-2016

Ik zou hier niet moeten zijn.

Ik zou hier niet moeten zijn.

/

21-06-2016

‘Er is geen reden om zo bedroefd te kijken,’ zegt de oude man met de baard tegen de jonge man bij het stoplicht. ‘Er is geen reden je schouders te laten hangen.’ ‘Wat weet u daar nou van?’ antwoordt de jongen met verdrietige ogen. ‘Wat weet u nou van mijn gedachten, van de gebeurtenissen in mijn leven? Wat weet u van mijn verdriet?’

‘Niets,’ zegt de oude man met de baard. ‘Van jou weet ik niets. Zoals jij van mij niets weet. Maar dat heeft met geluk niet te maken. Zie je die zonnestralen op het natgeregende wegdek? Hoor je de kinderen hollen op het schoolplein hierachter? Voel je het briesje op je huid? Dat is wat wij delen, dat is de werkelijkheid van bij dit stoplicht staan.’

De auto’s van links hebben groen, de man met de baard en de jongen zetten een klein stapje achteruit.

‘U heeft geen idee van mijn werkelijkheid,’

zegt de jongen. ‘Ziet u deze spijkerbroek die ik heb aangetrokken? Dit vest, deze schoenen? Ziet u hoe mijn haren nog nat zijn van het douchen? Het kostte me vandaag vier uur om tot dit punt te komen. Om de kracht te vinden uit bed te stappen, een douche te nemen, me af te drogen, me aan te kleden. Daarna heb ik een uur uit het raam gekeken, ik heb moed verzameld. Moed om naar buiten te gaan. Ik heb mijn telefoon gezocht, mijn sleutels, mijn portemonnee. Het duurde wel een halfuur. Ik heb alles in mijn zakken gestoken en nu ben ik hier bij het stoplicht. Vertel me niet over de zonnestralen. Mijn kleding voelt zwaar op mijn lichaam, ik kan elk moment worden opgeslokt door het asfalt, verdwijnen in de gracht. Ik moet me dwingen stil te staan voor het rode licht, niet met ferme passen voor een truck te stappen. En dat is nog niet het ergste. Het ergste is dat het me niet uit zou maken. De eerste seconden misschien- ik heb nooit goed tegen pijn gekund. Maar daarna…’

Het licht springt op groen. Ze lopen naast elkaar naar de overzijde van de straat.

‘Heb je iets gegeten?’ vraagt de man met de baard. ‘Gisteren heb ik gegeten,’ zegt de jongen. ‘Vandaag nog niet. Ik zie geen reden te eten. Het zal alleen verlengen.’ ‘Ja,’ zegt de man met de baard, ‘dat is waar.’ Hij is even stil en zegt dan: ‘Ik wil je vragen, ik hoop dat het je niet ongemakkelijk maakt, ik wil je vragen om een koffie met me te drinken. In het koffiehuis, daar op de hoek. Ik zal het voor je betalen.’

‘Ik heb geen reden dat te doen,’ zegt de jongen met verwarring in zijn ogen. ‘Dat is waar,’ zegt de man met de baard. ‘Maar wat moet jij nou nog met een reden? Wat kan jou nou nog bewegen? Een goed argument? Daar trap ik niet in. Ik vraag je mee te komen, zonder reden. We laten de zon, de wind, de aarde buiten beschouwing, dat beloof ik. Die koffie, dat vraag ik je als een vreemde bij het stoplicht.’

‘Goed,’ zegt de jongen. Zwijgend lopen ze naar het koffiehuis. De eigenaar begroet hen hartelijk, de twee mannen kennen elkaar al lang. De man met de baard bestelt twee koffie en twee broodjes kaas.

‘Waarom doe je dit?’ vraagt de jongen na de eerste slok koffie. ‘Jouw pijn is ook de mijne,’ zegt de man met de baard. ‘Dat kan niet,’ zegt de jongen. Ze zwijgen.

‘Ik ben blij dat je er bent,’ zegt de man met de baard dan. ‘Het is een misverstand,’ zegt de jongen, ‘ik zou hier niet moeten zijn.’ ‘Maar je bent er,’ zegt de man met de baard. ‘Ja,’ zegt de jongen en hij veegt een traan weg.

De man met de baard rekent af. Ze lopen samen naar buiten en staan dan stil. Ze zoeken naar een passend afscheid. ‘Bedankt,’ zegt de jongen en hij geeft een hand. ‘Jij bedankt,’ zegt de man met de baard.

Ze gaan elk een andere kant op.

De vrouw van de bloemenstal staat de jongen al op te wachten. Zijn bestelling ligt klaar.

Bewustzijn

17-05-2016

Samen trekken ze elkaar onder.

Samen trekken ze elkaar onder.

/

17-05-2016

‘Mag ik je even wijzen op onze crowdfundingcampagne?’ Het meisje wacht niet op mijn antwoord. Waarschijnlijk had ze al gezien dat ik niet echt aan het werk ben hier. Dat ik zo iemand ben met een laptop in een café, zo iemand met een opdracht hier en een opdracht daar en heel veel niks ertussen. In dat gedeelte met niks drink ik, of beter, drinkt mijn soort koffie uit hoge glazen. Soja lattes, macchiatos, seasons specials… alles in een onvoorstelbaar traag tempo. Daar wordt het drankje niet beter van, maar zo kun je wel lang blijven zitten zonder de rekening uit de hand te laten lopen.

Ze draagt een gebleekte spijkerbroek met een hoge taille. Eronder spierwitte gympen en erboven een kort wijd shirtje met een ananas erop. Ze draagt haar lange bruine haren los, maar heeft een paar lokken bovenop haar hoofd samengebonden in een nestje. Haar lippen zijn knalrood gestift en ze heeft een zwart lijntje bij haar ogen getekend. Ze is, kort gezegd, een lekker wijf.

‘Crowdfunding?’ vraag ik terwijl ik nog snel een worddocument open, om een werkende indruk te maken. Ze komt naast me zitten.

‘Het is een campagne voor onbewustzijn,’

‘Onbewustzijn? Zoals een coma?’ vraag ik.

‘Nee dat is bewusteloos zijn,’ zegt ze, ‘wij strijden juist voor onbewustzijn.’

‘Maar wie zijn wij dan precies?’ vraag ik, terwijl ik me veel te klein en te slecht gekleed voel voor dit gesprek.

‘We heten TUC, dat staat voor The Unconscious Circle, een groep avant garde vrijheidsdenkers, zeg maar.’

Ik kan niet geloven dat ze ‘avant garde’ en de uitdrukking ‘zeg maar’ in één zin heeft weten te gebruiken, maar ik zeg er niks van omdat het vast zou tonen hoe weinig avant garde ik ben.

‘En wat is nou precies wat jullie willen?’ vraag ik daarom maar.

‘Het is een campagne om ervoor te zorgen dat de mensen zich minder bewust zijn van alles.’

‘Van alles?’

‘Nouja, misschien niet alles, maar in elk geval veel. Ja, dat is wel hoe TUC de toekomst ziet. Dus wil je ons steunen?’ Ze geeft me een foldertje aan. ‘Lees dit anders even, ik loop de hele dag al hetzelfde te zeggen weetjewel.’

Ik neem het foldertje aan en lees de introtekst.

‘Ook zo bewust van uw eigen gedachten, daden, dromen, angsten en verlangens? Recent onderzoek wijst uit dat 8 op de 10 mensen lijdt onder bewustzijnsobesitas, ook wel B.O. Een leven met B.O. kenmerkt zich door gepieker, gewik en geweeg, lange gesprekken over het eigen leven en de maatschappij. B.O.-ers lijden nooit alleen, maar weten zich te omringen met gelijkgestemden. Samen trekken ze elkaar onder en breiden ze hun territorium uit. Hun problemen moeten worden aangekaart en gedeeld, campagnes worden gevoerd voor allerhande zaken…. Dit alles in het kader van vergroting van het bewustzijn van iedereen. B.O. is een volksziekte die snel om zich heengrijpt en grote gevolgen kan hebben. Steun daarom onze actie, want: ignorance is bliss!’

‘Ik begrijp toch niet helemaal…’ probeer ik in te brengen.

‘Dat is omdat je teveel nadenkt, sterker nog: ik durf te wedden dat jij het ook hebt…’

‘Dat ik wat heb?’

‘Een te groot bewustzijn, bewustzijnsobesitas.’

‘Denk je niet dat ik dat wel in de gaten zou hebben als ik daar last van zou hebben?’ vraag ik nijdig, wat ik gênant vind, want ik wil me niet op de kast laten jagen, door niemand niet. En al helemaal niet in deze koffietent die ik als mijn woonkamer beschouw, dan kan ik me hier niet meer vertonen.

‘Waarom vind je het vervelend dat ik dat zeg?’’

‘Omdat het onzin is wat je zegt,’ antwoord ik.

‘Ben je daarom ook niet van streek nu?’ vraagt ze pesterig.

‘Nee, ik ben niet van streek nu. Ik ben aan het werk, laat me met rust.’

‘Doe je werk dat je leuk vindt?’

‘Wat is dat nou weer voor vraag?’

‘Heb je daar nooit over nagedacht dan?’’

‘Ja, natuurlijk heb ik daar wel over nagedacht.’ Continue zelfs, denk ik erachteraan.

‘En?’

‘En, en, ik heb besloten iets te doen wat ik leuk vind. Dus.’ Ik voel me een beetje wiebelig maar probeer haar vol zelfvertrouwen aan te kijken. Ik zie hoe ze zich inhoudt me niet in mijn gezicht uit te lachen.

‘Okee,’ zegt ze dan, ‘jij hebt het dus niet nodig, onze training?’

‘Nee, heb ik niet. Ik ben namelijk prima tevreden zoals het is.’

‘Heel goed,’ zegt ze.

‘Ja,’ zeg ik, ‘heel.’

Dan loopt ze de koffiebar uit met haar wolkenloze hoofd en keer ik weer terug naar mijn beeldscherm waar een leeg document me aankijkt.

‘Bemoei je er niet mee,’ zeg ik hardop tegen mijn scherm.

‘Sorry?’ een jongen naast me tilt zijn koptelefoon aan een kant op.

‘Niks,’ zeg ik, ‘soms zeg ik zomaar wat.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vriendschap

04-04-2016

Ach, je weet hoe het gaat..

Ach, je weet hoe het gaat..

/ /

04-04-2016

Lia zat in het café te wachten op Mieke. Eigenlijk spraken ze nooit af met z’n twee. Ze kenden elkaar via hun mannen die al vrienden waren sinds de middelbare school. Ze kenden elkaar van de vriendengroep die uit vijf stellen bestond. Zo’n groep die samenkwam met oud en nieuw en samen ging wintersporten. Je zou dus kunnen zeggen dat ze elkaar goed kenden, maar dat was niet waar. Lia wist vooral van alle successen uit het leven van Mieke. Ze wist van alle carrièrestappen die ze had genomen, ze wist van de zoektocht naar de perfecte woning die ze nu hadden gevonden. Met de aanschaf van de nieuwe woning waren er ook een hoop nieuwe gespreksonderwerpen gekomen. Vloeren, aannemers, tuinontwerpers, gordijnen, stoomovens, internetproviders, de lijst leek onuitputtelijk.

Toch voelde Lia zich een beetje nerveus tijdens het wachten op Mieke. Er was namelijk iets waar ze haar vinger niet op kon leggen. Er was iets aan het contact met Mieke, iets wat Lia altijd deprimeerde. Mieke sprak altijd met een stralende lach op haar gezicht, een lach waarmee ze elk mannenhart kon veroveren. Dit maakte dan ook dat de vriend van Lia geen idee had wat Lia’s bezwaar was tegen Mieke, wanneer ze erover begon.

De laatste keer was het zo gegaan: ‘Er is iets waardoor ik me altijd een beetje rot voel, na een gesprek met Mieke,’ zei Lia in de badkamer, terwijl Marc zich aan het scheren was. ‘Iets geeft me het gevoel dat ik een sukkel ben en dat zij supersuccesvol is in alles.’ Marc zuchtte. ‘Wat is dat toch met jou? Mieke is echt een topwijf, als je het mij vraagt.’ ‘Er is iets, echt, en ik ben niet de enige, ik had het erover met Fenna en zij heeft het ook..’ ‘Jullie vrouwen zijn echt vreselijk. Lekker roddelen met elkaar en wanneer jullie haar dan weer zien, poeslief doen. Ik ben blij dat ik geen vrouw ben.’ zei Marc. ‘Nee, het is echt niet roddelen, het is gewoon zo dat ze je op heel slimme manier het gevoel weet te geven dat…’ ‘Weet je wat je doet,’ onderbrak Marc haar, ‘Je gaat gewoon eens met haar lunchen ofzo. Dan zul je zien dat het echt zo erg niet is. Kun je gelijk dat nieuwe tentje bij de waag eens proberen.’ Lia hoorde aan zijn stem dat het geen suggestie was, maar een dringend verzoek. Ze stuurde een appje naar Mieke die natuurlijk onmiddellijk heel erg aardig reageerde.

Lia had een nieuwe jurk aangetrokken omdat ze zich altijd zo underdressed voelde vergeleken met Mieke.

Ze speelde wat met suikerzakjes die in het bakje op tafel stonden. Toen klonk het getik van hoge hakken op de tegelvloer van het café dat het uiterlijk van een Franse brasserie had. Mieke droeg een lange trenchcoat, had haar haren op een wilde manier opgestoken en droeg een witte blouse met een jeans die haar lange slanke benen accentueerde. Aan haar arm bungelde een handtas die ruim 800 euro had gekost, wist Lia van Fenna die ook in de vriendengroep zat.

‘Lia, wat een leuk idee!’ riep Mieke halverwege de zaak. Ze zette de tas op een stoel en gaf een stevige omhelzing, alsof ze hele goede vriendinnen waren of alsof ze elkaar al jaren niet meer hadden gezien. Dat was allemaal niet waar, maar Lia wist niet anders te bedenken dan maar mee te gaan in het theater.

Ze spraken wat over de locatie en bestelden toen bij de serveerster die verkleed was als Frans kamermeisje. ‘Ik wil wel een verse jus en de groene salade met makreel,’ zei Lia. ‘Wil je daar brood bij?’ vroeg het meisje. ‘Nee, dankje,’ zei Lia, die een stuk steviger was dan Mieke en zich niet comfortabel voelde wanneer ze teveel zou eten in het bijzijn van Mieke. ‘Voor mij ook een verse jus, en de croque monsieur,’ zei Mieke. ‘Wilt u daar een gebakken ei op?’ vroeg de serveerster. ‘Ja, graag,’ zei Mieke.

‘Leuke jurk heb je aan,’ zei Mieke toen de serveerster weg was.

‘Dankje,’ zei Lia.

‘Het staat je echt mooi, deze kleur. Veel beter dan toen je zoveel pastels droeg, dat maakte zo flets. Dit is echt jouw kleur.’

‘Dankje,’ zei Lia weer, ‘hoe gaat het met het huis?’

‘Ach, je weet hoe het gaat, als ik ergens aan begin, zie ik het helemaal voor me, en dan heeft Stijn het niet makkelijk..’

Lia dacht aan de vriendelijke, knappe man die met Mieke getrouwd was. Alles wat ze maar wilde, hij zou het voor haar doen. Hij was liefdevol en geduldig, ook toen Mieke halverwege de verbouwing een gesloopt muurtje opnieuw liet bouwen omdat dat toch mooier was.

‘..maar het is nu dus echt bijna klaar. Precies zoals ik het in mijn hoofd had. En volgende week gaan we drie weken naar Thailand, om even bij te komen.’

‘Fijn,’ zei Lia begripvol.

‘Ja, we gaan gewoon lekker rondreizen, niks geboekt, behalve de eerste nacht en de laatste drie, dan zitten we in een soort drijvend hotel, misschien heb je het wel gezien in dat bbc programma, ‘The most amazing hotels on the planet.’

‘Nee, niet gezien.’

‘Moet je echt kijken, Stijn en ik zijn er verslaafd aan. En het is ook zo fijn om lekker samen op pad te gaan. Je vindt elkaar weer opnieuw uit. Misschien ook wel goed voor jou en Marc.’

‘Denk je?’

‘Het is goed voor elk stel, echt waar.’

Het eten werd neergezet. Lia keek met jaloerse ogen naar het bord van Mieke, die zei: ‘Soms moet ik gewoon zoiets eten, om een beetje op gewicht te blijven. Als ik niet oplet, vergeet ik gewoon te eten.’

‘Nou, daar heb ik geen last van,’ zei Lia, ‘ik vergeet genoeg in mijn leven, maar eten is niet één van die dingen, ik krijg gewoon trek rond lunchtijd.’

‘Dat dacht ik al,’ zei Mieke.

Na het eten bestelden ze nog een kopje koffie. Mieke had zich even geëxcuseerd toen haar telefoon ging. Ze stond buiten te bellen. Lia keek naar beneden, naar de jurk die ze ineens niet meer mooi vond, naar haar nagels die vierkant waren en niet zo mooi gevijld als die van Mieke. De koffie werd neergezet met een bordje met vier petit-fours erop. Er waren twee lichtgele, eentje in het roze en een witte. Erbovenop kleine bloemen van marsepein. Het waren kunstwerkjes, vakkundig gemaakt door de patissier die uit Parijs was ingevlogen.

Lia keek naar buiten en zag dat Mieke nog midden in haar telefoongesprek leek te zitten. Zonder na te denken nam ze een geel petit fourtje en stak hem in haar mond. Het smaakte zacht, zoet, met luchtige cake en fluwelen room vanbinnen. Ze keek weer naar Mieke die nog steeds druk aan het praten was. Nu nam ze ook het roze taartje, weer in één grote, gulzige hap. ‘De andere zijn voor Mieke,’ mompelde Lia. Ze keek weer naar buiten waar ze zag hoe Mieke niet langer aan het bellen was, maar een andere mooie vrouw omhelsde.

Ook het witte taartje verdween. Kort daarna de laatste gele. Lia zette het lege bordje in de vensterbank.

Mieke kwam weer binnen.

‘Sorry hoor,’ zei ze, ‘eigenlijk heb ik helemaal nergens tijd voor, de zaken gaan zo goed. Maar dan vind ik het veel te leuk om even buiten de deur te lunchen. Bij jouw werk kun je vast veel langer gemist worden.’

Lia wilde iets terugzeggen, maar in plaats daarvan knikte ze weemoedig. Ze voelde hoe het suikergoed met de makreel mengde in haar maag. Het was niet best.

Mieke dronk haar koffie met grote slokken en stond toen op. Ze omhelsde Lia weer innig. ‘Sorry, maar ik moet er echt vandoor nu. Super om je even te zien!’

De hele rekening bleek al te zijn betaald toen Lia bij de bar kwam. Bij thuiskomst zat Marc een computerspel te spelen op de bank. ‘Hoe was het?’ vroeg hij met zijn ogen op het scherm gefixeerd. ‘Gezellig,’ zei Lia. ‘Zie je nou wel,’ zei hij.

Excursie

08-03-2016

Het heeft ook wel weer wat.

Het heeft ook wel weer wat.

/ / /

08-03-2016

Het was niet zo avontuurlijk als wat de buren op vakantie deden, iets met fietstochten door de jungle van een onontdekt land of met elastiek aan de enkels een ravijn induiken, maar ze hadden er ook voor kunnen kiezen om helemaal geen excursie op het eiland te doen. Alleen maar zwembadtijd, beetje hangen, beetje drinken en slapen. Af en toe een hoofdstuk lezen uit een van de bestsellers die ze op het vliegveld hadden gekocht en dan een ijsje halen. Het echte luieren… ze hadden het wel gedaan, maar dat was voor de eerste paar dagen, nu was het tijd voor actie, een excursie.

Dat was wat Hanne had gezegd tegen haar verloofde, Jesper. Ze waren een hoog opgeleid stel van begin de dertig. Ze hadden drukke banen, een koopwoning, een degelijke auto, een goed onderhouden tuin, twee ipads en een televisie met heel veel zenders. Ze hadden vrienden, een stamkroeg en een hogedrukspuit tegen de groene aanslag op de tegels van het terras. Ze hadden donkerblonde haren en allebei een buikje. Jesper was akkoord gegaan met het plan en daarna hadden ze elkaars rug ingesmeerd met de zonnebrandcrème die Hanne had gekocht bij de 1+1 gratis week van de drogisterij.

De dag van de excursie hadden de wekker gezet, haastig ontbeten bij het buffet en daarna waren ze naar de bushalte gelopen waar een touringcar ze kwam halen voor de tocht naar het ongerepte deel van het eiland. Een deel waar je kon zien hoe dit eiland ooit was ontstaan, welke planten er groeiden- anders dan de palmbomen die bij elk resort stonden- maar vooral zou het een deel zonder hotels, restaurants, casino’s en toeristen zijn. Behalve dan die vijftig uit de touringcar, uiteraard.

Voorin de bus stond de dame van de reisleiding, een stralende vrouw met fonkelblauwe ogen en lang donker haar. ‘Goedemiddag, dames en heren,’ zei ze vol enthousiasme in de microfoon. Kennelijk waren er alleen maar Nederlanders aan boord, want ze vertaalde niets. In de folder van deze excursie stond in tien verschillende talen: ‘Ook in uw taal!’ en ook de menukaarten in de meeste restaurants waren verkrijgbaar in minimaal vijf talen of anders met foto’s van het eten. Foto’s die een realistisch beeld gaven van de situatie die zich op je bord zou voordoen, meestal iets met wit deeg, rubberachtige kaas en een referentie naar het idee van groenten.

‘Mijn naam is Stella en ik ben jullie reisleider deze prachtige dag! En wat gaan we doen? Nou ik zal u zeggen wat we gaan doen! Wij gaan genieten! Van elkaar! Van de natuur! Van hoe God het ooit bedoelde!’ In principe was geen van de passagiers in de bus van plan om contact te maken met de anderen, maar enkelen zochten nu toch naar blikken van verstandhouding die hier wel op hun plaats zouden zijn.

‘Ik moet zeggen, u ziet er werkelijk verrukkelijk uit allemaal!’

riep ze. ‘Ik loop even door het pad naar achteren dan kan ik u goed bekijken en ziet u mij ook even vanachteren, als u begrijpt wat ik bedoel!’ Lachend liep ze het pad door, zo nu en dan aaide ze een klein kind over zijn bol, gaf ze een knipoog aan een zongebruinde vader, maakte ze een compliment over een zomerjurk of mooi gelakte nagels.

Toen ze bij Hanne en Jesper aankwam, veranderde haar blik. Hanne zat bij het raam, en Stella besloot op de smalle armleuning van Jesper plaats te nemen, waardoor ze praktisch op zijn schoot zat. ‘Zo…’ zei ze. ‘Zozooo…’ Jesper lachte ongemakkelijk, Hanne lachte niet. ‘Hebben jullie het een beetje aangenaam hier op het eiland?’ ‘Prima, niks te klagen,’ zei Jesper. ‘Mooie haren heb je,’ zei Stella tegen Hanne. ‘Dankje,’ zei Hanne terwijl ze naar buiten bleef kijken. ‘Mag ik het even aanraken?’ ‘Nee hoor, bedankt.’ ‘Jammer,’ zei Stella. ‘Het is gewoon… deze baan maakt me zo…’ ze keek naar buiten. ‘Oh! Ik zie een highlight!’ De bus stopte bij een vlakte met in het midden een rots die een klein beetje op een pandabeer leek. Een pandabeer, gekleid door een kind van drie, met net te weinig klei.

‘Dat wijf is gestoord,’ siste Hanne tegen Jasper. ‘Beetje apart is ze wel ja, maar gestoord? Het heeft ook wel weer wat.’ Zoveel woorden zei Jesper zelden achterelkaar en Hanne keek hem koud aan. ‘Het heeft wel weer wat? Zeker omdat ze met haar magere kont op je schoot kwam zitten?’ ‘Ze zat niet op mijn schoot, ze zat..’ ‘Laat maar.’ Hanne kon op verschillende manier uitdrukken dat ze pissig was, en lopen was er één van. Haar pissige loopje kende Jesper maar al te goed, en nu demonstreerde ze het terwijl ze steeds verder wegliep van de touringcar. Een man vroeg of Jesper een foto kon nemen van hem met zijn vrouw en obese tienerdochters. Het moest drie keer opnieuw. ‘Ik doe er wel een filter over’ zei de oudste dochter ernstig.

‘Dames en heren! Wij gaan weer verder!’ riep Stella. De groep sjokte terug richting de bus. Jesper keek om zich heen, maar Hanne was nergens meer te zien. Ook in de bus geen spoor van Hanne.

‘Stella, mijn verloofde is er nog niet,’ zei hij, ‘ze was even die kant opgelopen, maar nu zie ik haar nergens meer.’ ‘Dat is heel ernstig,’ zei Stella, ‘maar we kunnen nu niet hier blijven. Onze lunch wacht op ons, ze hebben meerdere groepen vandaag, dus we mogen niet te laat komen.’ ‘Maar, maar… we kunnen haar toch niet achterlaten hier?’ Stella zuchtte. ‘Nee, dat zullen we ook niet doen. Ik bel mijn collega’s die het gebied goed kennen, dan gaan zij nu naar haar uitkijken, en wij naar de lunch. Dan pikken wij d’r daarna wel weer op.’ ‘Ik help liever met zoeken,’ zei Jesper. ‘Met dat zachte lijf van je? Nou, neem maar van mij aan dat anderen dat beter kunnen. Ze zal terug zijn voor je het weet.’ En met die woorden werd hij terug de bus in gedirigeerd.

Na een kwartiertje rijden kwamen ze bij het restaurant aan. Het zag eruit als een chalet en de bediening had vijf biertafels gedekt voor de groep. Ze aten brood, olijven, een waterige groentensoep en daarna pasta. Toen was er koffie en taart en een halfuurtje vrije tijd om wat rond te kijken of een traditioneel geborduurd tafelkleed te kopen bij het tafeltje van een kleine vrouw met een snor.

Jesper kon zich niet ontspannen. Ook niet toen Stella achter hem kwam staan en zijn schouders masseerde terwijl ze zachte woordjes in zijn oor fluisterde. ‘Maak je niet druk, jij knappe man, maak je niet druk..’ Snel drukte ze een harde kus in zijn nek, onder zijn oor. Jesper was te verbaasd om te reageren en dronk een halve liter bier om van de schrik te bekomen.

Toen het halfuur wachten voorbij was, gingen ze terug naar de plek waar Hanne kwijt was geraakt.

Zoals gezegd, had Hanne meerdere manieren om het woord pissig met haar lichaam uit te drukken. Jespers hart maakte een sprongetje toen hij haar pissig zag staan, niet ver van de pandarots. De deuren van de bus werden geopend en Stella gebaarde Hanne binnen te komen.

Nu zag Jesper het pas goed. Ze was niet pissig, ze was furieus. Ze nam plaats naast Jesper en zei: ‘Hoe kon je me nou zo achterlaten? Wat is er godverdomme mis met je?’ ‘Het moest, want de groep moest eten en Stella zei dat…’ ‘Stella, Stella, godverdomme. Dan ga je toch lekker met je Stella!’ ‘Schatje, doe nou niet..’ probeerde hij. Toen zag Hanne de lipstickafdruk van Stella achter zijn oor. Ze was zo kwaad dat ze bang was dat ze hem ter plekke zou vermoorden.

In plaats daarvan deed ze haar armen overelkaar en keek ze naar buiten. De rest van de excursie weigerde ze de bus te verlaten. Toen ze ‘s avonds bij het resort kwamen, informeerde ze bij de receptie naar een andere kamer. Die hadden ze. Jesper begreep er niks van. ‘Ga er maar even heel goed over nadenken,’ zei Hanne met woeste ogen.

Die avond liet Hanne roomservice komen in haar privékamer. Of eigenlijk was het andersom.

De volgende dag werd ze wakker in een uitstekend humeur. Ze zag vlagen van de knappe exotische ober voor zich, haar kleding lag verspreid rond het bed. Passie was toch niet het kenmerk van een man uit Oosterbeek, dacht ze. Ze nam een douche en ging terug naar Jesper. Hij had die nacht nauwelijks geslapen, had de lippenstift gezien toen hij zijn tanden ging poetsen. Hij was naar de receptie gerend, maar daar weigerden ze het kamernummer van zijn verloofde te geven. Na een uur was hij afgedropen. Nu zat hij met rode oogjes op het bed. ‘Het is al goed,’ zei Hanne. ‘Het is al goed.’

Tattoo

05-02-2016

Ik weet het goedgemaakt.

Ik weet het goedgemaakt.

/ /

05-02-2016

Ze hield het theekopje goed vast en keek om zich heen. Overal hingen afbeeldingen van tatoeages, chinese tekens, draken, vlammen, tribals, ankertjes en pin-ups, alles was mogelijk hier. Tussen de afbeeldingen hingen diploma’s en certifcaten van de inspectie. Een tatoeage, ze had het nooit serieus overwogen, maar mocht ze het ooit willen, dan was dit vast een goede plek. De studio was in elk geval een stuk minder heftig dan ze had gedacht. Er stond geen harde rockmuziek op, het rook fris en ze kreeg een kopje biologische kruidenthee aangeboden.

Ze zat op een rood pluche fauteuiltje, tegenover haar was de eigenaar van de tattooshop gaan zitten. Ze was naar binnen gekomen om een pakketje dat per ongeluk bij haar bezorgd was, af te geven. Sinds kort waren overburen, ze woonde nog maar drie weken in het huisje schuin tegenover de shop.

Vaak was ze al voorbij gelopen. Steeds hadden ze naar elkaar gelachen, gezwaaid zelfs. In haar hoofd was hij een leuke interessante man geworden, en heel anders dan wat ze gewoonlijk aan mannen ontmoette.

Zomaar een gesprek beginnen was niet haar sterkste kant, maar met de komst van het pakketje had ze een echte reden gekregen om binnen te lopen, een praatje te maken. Voor de zekerheid had ze even een beetje lippenstift opgedaan voordat ze naar hem toe ging. Haar joggingbroek verving ze voor die ene spijkerbroek waarin ze een buitengewoon goede kont had.

Hij had haar hartelijk ontvangen, thee ingeschonken, was met haar gaan zitten en had verteld over zijn zaak. Hoeveel klanten hij had, wat de leukste opdrachten waren, dat soort dingen. Zij vertelde over haar werk als freelance consultant, over de woning die ze met veel geluk had weten te bemachtigen, over de dingen die ze nog ging veranderen in haar huis.

Hij luisterde en lachte om al haar grapjes. Ze voelde zich op haar gemak, hoewel ze in de spiegel zag dat ze wel een beetje rode konen had gekregen, alsof ze een paar glazen rosé had gedronken op nuchtere maag.

‘Doet het pijn, zo’n tatoeage?’ vroeg ze aan hem.

‘Ik kan het je wel even laten voelen, doe ik er gewoon geen inkt in,’ had hij gezegd.

Zoiets zou ze normaal gesproken nooit gedurfd hebben, maar om nu tegenover deze compleet ondergetatoeëerde man te zeggen dat ze het niet durfde, dat was nog enger dan het gewoon maar te doen.

Hij demonstreerde het door een stukje op haar arm onzichtbaar te tatoeëren. Het deed inderdaad veel minder pijn dan ze had gedacht.

‘Wat voor plaatje zou je nemen als je er eentje zou laten zetten, wat vind je mooi?’

‘Die bloemen vind ik wel mooi,’ zei ze terwijl ze op een paar tekeningen wees die vlakbij de deur hingen. ‘Maar het is toch niet echt iets voor mij. Heb er nooit serieus over nagedacht, tenminste.’

‘Blader anders even hier doorheen,’ zei hij terwijl hij een map vol voorbeelden overhandigde.

Hij ging op de armleuning van haar stoel zitten en keek over haar schouder mee naar de plaatjes. Een paar keer raakte hij haar rug zachtjes aan, ze hoopte dat het nog vaker gebeuren zou.

‘Ik denk dat ik deze het mooiste vind,’ zei ze toen, wijzend op een plaatje van een viooltje. ‘En mijn oma heette ook Violet.’

‘Mooi vind ik dat, dat er wel betekenis bij zit,’ zei hij, ‘soms dan willen mensen zomaar wat, en dat slaat dan gewoon nergens op. Vorige week nog, heb ik een pot Nutella op iemands kuit moeten zetten. Natuurlijk hield die gast wel van Nutella, maar je kunt toch moeilijk je hele been volzetten met je boodschappenlijstje.’

Ze lachte om zijn grapje, iets harder dan nodig.

‘Ik kan hem ook heel mooi klein maken,’ zei hij toen. ‘Dat het echt een soort geheimpje van jezelf wordt, ergens op je voet bijvoorbeeld. Je hebt mooie voeten, dat zag ik al meteen.’

Verlegen keek ze naar haar voeten in haar favoriete leren sandaaltjes.

‘Mag ik even?’ vroeg hij toen en hij gebaarde naar haar enkel. Verward knikte ze.

Hij nam haar rechtervoet op zijn schoot en deed het sandaaltje uit. Toen bestudeerde hij beide zijden van haar enkel en zei: ‘deze plek zou prachtig zijn.’

Ze probeerde haar voet terug te trekken, maar hij had haar enkel stevig vast. Bovendien hield hij nu in zijn andere hand het zoemende apparaatje met de naald erin.

‘Nee, dankje’ zei ze met paniek in haar stem. Hij leek haar niet te horen.

‘Niet doen,’ zei ze nu luider. Ze voelde speldenprikjes in haar huid en durfde zich niet meer te bewegen, bang om meer schade aan te richten. Ze huilde en keek de andere kant op.

Toen was hij klaar. In minuten had het kort geduurd, in beleving zou het nooit meer voorbij gaan.

Op haar enkel een klein viooltje.

‘Zo,’ zei hij. ‘De eerste is altijd heftig.’

‘Maar, maar ik wilde helemaal geen tatoeage.’

‘Doe niet zo gek. Je loopt hier al dagen lachend voorbij, komt hier een beetje met me zitten ouwehoeren, gouden sandaaltjes en alles… en nu wil mevrouw het niet meer?’

Ze keek bedremmeld naar de grond. Zou hij gelijk hebben?

Hij legde zijn hand op haar schouder en zei toen: ‘Ik weet het goedgemaakt. Deze krijg je van mij. Omdat we buren zijn.’

Bevend ging ze weer naar buiten. Ze schaamde zich als nooit tevoren en vroeg zich af of ze dit ooit aan iemand vertellen zou.

Diner

12-01-2016

Elke keer denk ik aan jullie.

Elke keer denk ik aan jullie.

/ / /

12-01-2016

Camille en Rogier zaten tegenover elkaar in het restaurant. Ze kwamen hier wel vaker, ze pasten goed in het moderne, strakke interieur met witte leren banken, designstoelen en industriële lampen. Het restaurant lag in een van de duurdere straten van de stad, en het eten was dan ook niet goedkoop. Voor Camille en Rogier maakte het niet uit. Geld was niet iets waarover ze na hoefden te denken. Eigenlijk hoefden ze over niks echt na te denken, het liep, alles liep. Soms hadden ze wel stress natuurlijk, zoals laatst toen de nieuwe auto drie weken te laat werd geleverd, of toen er bijna geen chalet meer te boeken was in de periode die zij vrij hadden genomen om te skieën. Het was allemaal goed gekomen, gelukkig.

Ze aten zwijgend. Hij had de entrecôte besteld, zij een pasta met zeevruchten. ‘Zeevruchten,’ dacht ze bij zichzelf, ‘waarom vruchten? Het zijn toch ook geen stalvruchten, of weidevruchten?’ Ze hield haar gedachten voor zich. Ze dronken een witte wijn die in de koeler op tafel stond. Zo nu en dan werden ze bijgeschonken door de serveerster die zo opgewekt was dat het leek of ze aan de drugs was.

Enkele tafels verderop vertrokken de gasten, vier in totaal. Het waren twee stellen van een jaar of dertig, lange mannen met vlassig haar, hand in hand met kleine onknappe vrouwen met zware benen. De vrouwen droegen grote leren handtassen en hadden hun haren opgestoken in een rommelige knot. Het was acht uur en ze waren al helemaal klaar met het diner. Vroege eters, daar hadden Camille en Rogier vroeger grapjes over gemaakt. Ze maakten veel grapjes. Over burgerlijkheid en mensen die om tien uur in bed liggen. Maar de grapjes waren opgegaan.

De serveerster hield de deur open voor de vroege eters. ‘Gezellige avond nog!’ riep ze hen enthousiast na. De stellen lachten en liepen met tevreden gezichten de kou in. De frisse buitenlucht glipte naar binnen, gaf Camille heel kort kippenvel op haar armen. Ze stopte even met eten en keek hoe Rogier zijn vlees at. Het was lang geleden dat uit eten gaan iets met gezelligheid te maken had. Dat ze elkaar werkelijk iets te vertellen hadden, naar elkaars antwoorden wilden luisteren, dat ze het eten bijzonder vonden, genoten van de luxe van niet koken, niet afwassen.

‘En hoe gaat het hier?’

De serveerster was op haar hurken aan de zijkant van de tafel gaan zitten. Ze had een bijzonder gezicht, breed en bleek met grote ogen waardoor ze iets van een jong meisje had. Maar zo van dichtbij kon je zien dat ze de veertig zeker geapsseerd was. ‘Prima,’ zei Rogier, zonder haar aan te kijken. ‘En voor u ook, mevrouw?’ vroeg de serveerster. Ze sprak met veel melodie in haar zinnen, alsof ze eigenlijk liever zou zingen. Camille knikte met een glimlach op haar gezicht. Meestal was dat genoeg om het personeel snel weer te doen verdwijnen. Maar deze serveerster bleef zitten waar ze zat. ‘Ik heb niet het gevoel dat het goed is,’ zei ze. Rogier fronste zijn wenbrauwen en zei: ‘Pardon?’

Op zijn kin lag een drupje pepersaus, die de serveerster er met een servet afveegde. ‘Nou, ik zie jullie hier vaker. En elke keer denk ik aan jullie- en dan denk ik bij mezelf, Dorith, je moet eens met ze gaan praten, met dat stel. Want ze zijn niet gelukkig, je moet ze vragen wat het is. Misschien kun je ze helpen. Dat is wat ik tegen mezelf zeg, en vandaag komen jullie binnen, eindelijk- jullie waren zeker wintersporten ofzo? Dus, vertel mij eens… wat is er toch mis?’

Camille wachtte af wat Rogier zou doen. Hij hield niet van mensen die hun werk niet goed deden, en waar deze serveerster nou aan was begonnen, behoorde niet bepaald tot haar normale takenpakket. ‘Interessante analyse,’ zei hij op een manier waaruit niet op te maken viel of het sarcastisch was of niet. ‘Vind je ook niet Camille?’ ‘Wat zeg je?’ deed Camille alsof ze het niet begreep. ‘Interessant, dat deze dame ons hier ziet zitten, en dan over ons nadenkt.’ Rogier ging met zijn tong langs zijn voortanden, een gewoonte waar Camille zich altijd aan ergerde. Hij vervolgde: ‘Dat geeft toch te denken. Kennelijk zijn we in het gezelschap van een alwetende serveerster..’ hij verborg zijn sarcasme niet langer en boog naar de serveerster toe, ‘..wat is het precies dat u voorstelt, oh, helderziende?’ De serveerster knipperde met haar ogen, maar gaf verder geen krimp. Ze wendde zich tot Camille die met rode konen aan de andere kant van de tafel zat. ‘Hoe is dat nou voor u, zo’n echtgenoot?’ ‘Ik ehm, ik denk dat u beter kunt gaan,’ zei Camille.

‘Jullie breken mijn hart,’ zei de serveerster met een snik in haar stem. Ze stond op en sprak nu op luide toon. Het was stil geworden in het restaurant, alle gasten keken naar haar, hoe ze met grootse handgebaren begon te spreken. ‘Een beetje vegeteren en doen alsof het liefde is. Jullie breken mijn hart. Nooit zingen onder de douche, een cadeautje zonder reden, een stiekeme voet onder de tafel, zachte woorden voor het slapen gaan. Jullie breken mijn hart. Jullie zouden de wereld kunnen zijn voor elkaar. Ja, jullie met zijn twee. Hoger klimmen, verder lopen, feller schijnen. Maar jullie praten over wijn, werk en belastingen. Jullie eten zonder te proeven, drinken gedachteloos, alsof jullie enkel aan het wachten zijn. Wachten op wat? Dat is wat ik me afvraag. Op de dag waarop echte pijn op jullie pad komt? Wat kan ik nog zeggen?’ Ze haalde diep adem. ‘Jullie breken mijn hart.’

Het was akelig lang stil in het restaurant. Toen brak iemand een glas en werd alles weer zoals het was.

‘De rekening, alstublieft,’ zei Rogier met schorre stem.

Rust

28-12-2015

Het rook naar huisparfum.

Het rook naar huisparfum.

/

28-12-2015

Het was onmogelijk de tijd terug te draaien, dat begreep hij ook wel. Hij had harde keuzes gemaakt, dat begreep hij ook wel.

Toch voelde alle verandering onrechtvaardig en dat begreep niemand.

Geen van zijn vrienden leek hem werkelijk te begrijpen, en zijn gezin was zelfs ronduit vijandig geworden. Als hij dit allemaal van tevoren had geweten, dan was hij er niet aan begonnen, zei hij tegen zichzelf. Als een mantra herhaalde hij deze zin. Soms wel een halfuur achterelkaar, wanneer hij in de auto zat. Het was de enige manier om met zichzelf te leven. Hij voelde zich als een slecht geïnformeerde politicus die met de gebakken peren was komen te zitten.

Zijn dochter stuurde hem een foto van haar opgestoken middelvinger, zijn zoon belde nooit terug. Zijn echtgenote sprak hij niet meer, wel wist hij dat zij achtereenvolgens een slotenmaker en een advocaat had gebeld.

De vrouw waar alles om te doen was geweest zat soms urenlang somber op de bank. Ze moest er nog een beetje aan wennen. Haar omgeving ook. Ze speelde een spelletje op haar telefoon, om niet na te hoeven denken, te voelen. Alles wat ze wilde had ze gekregen. Maar ze voelde zich niet euforisch, optimistisch of gelukkig.

Misschien was enkel het verlangen zo verslavend geweest, was hun band gebaseerd op spanning en lust. Maar daarvoor was het nu te laat, ze waren een koppel geworden. Zo kwam het dus dat ze samen door de tl-verlichte supermarkt liepen. Hij duwde een winkelwagen voor zich uit, wat niet meeviel omdat het linker voorwieltje niet meer kon zwenken. Hij concentreerde zich op de kar en zij bepaalde de route, ze liep een meter voor hem uit. Ze vergaten vuilniszakken te kopen en hingen maar weer een boodschappentas in de prullenbak.

Hij keek om zich heen in zijn nieuwe huis. Het rook naar huisparfum. Zoiets had de echtgenote onzin gevonden, maar het had wel iets, eigenlijk. Ach, dacht hij, het maakte al niet meer uit. Dit ging het zijn. Zalm uit de nieuwe stoomoven, goed onderhouden kozijnen, een serie kijken vanaf de hoekbank.

Zij was gaan hardlopen, hij zou nog wat werken aan de keukentafel. Het bureau werd pas over drie weken bezorgd. ‘Het nieuwe leven’, mompelde hij zachtjes. Het internet deed het niet. Hij stond op om de modem uit en aan te zetten.

Ze kwam de kamer weer in, bezweet en vermoeid. ‘Ik ga even douchen,’ zei ze. ‘Zet jij de oven alvast aan? Dan kunnen we na het eten nog even langs de Praxis voor plinten in de studeerkamer.’

Hij knikte afwezig en probeerde zich voor de geest te halen hoe de woorden vrijheid en verantwoordelijkheid zich ook alweer tot elkaar verhielden.

Gelijk

17-12-2015

Ik zal u na het eten moeten wurgen.

Ik zal u na het eten moeten wurgen.

/ / /

17-12-2015

Het is niet eenvoudig om altijd gelijk te hebben, maar de man met de baard was eraan gewend geraakt. Als kind schaamde hij zich voor zijn gave. Leraren gaven hem stelselmatig strafwerk omdat hij geen moment voorbij liet gaan om in te grijpen wanneer verkeerde informatie werd verstrekt. Hij voelde dat ingrijpen de enige rechtvaardige optie was, zodat werd voorkomen dat dertig van zijn leeftijdsgenoten verkeerd werden geïnformeerd. Zoals het gaat met zulke kinderen, had hij geen vrienden op school.

Thuis sprak hij niet met zijn zes broers en zussen en wanneer hij liep, maakte hij nauwelijks geluid. Stilletjes sloop hij door de school, door het huis, door het dorp, door het leven. Zijn vader gaf hem regelmatig een stevige draai om de oren, dat was meestal na het derde blik bier. Zijn moeder was een zachtaardige vrouw, maar zo verschrikkelijk vermoeid dat ze haar gelijkhebbende zoon niet lastig viel noch aandacht schonk. Er waren immers nog meer kinderen te voeden, te verzorgen, op te voeden.

Je zou kunnen stellen dat hij als kleine jongen een zwaar leven had, maar hij maakte zich niet druk. ‘Op een dag zullen jullie me nodig hebben,’ dacht hij dan. En zoals het gaat bij iemand die altijd gelijk heeft, kwam ook deze voorspelling uit.

Op zijn achttiende had hij een vlassig baardje en vertrok hij naar een nabijgelegen dorp om daar in de bibliotheek te gaan werken. Zijn leven bestond uit werken, lezen, slapen, een wandeling in de vroege ochtend en elke dag een bord dampende soep als avondeten. Dit eenvoudige bestaan gaf hem zoveel rust in zijn hoofd en in zijn ogen dat de mensen in het dorp zich als vanzelf bij hem gingen melden wanneer ze advies nodig hadden. Het vlassige baardje was inmiddels een grote stevige baard geworden, als de haren van een bezem. Zo kwam het dat hij vanaf zijn twintigste als de man met de baard bekend was komen te staan en het aantal mensen dat zijn werkelijke naam kende nogal gering was.

Bij elk besluit waar de mensen zelf niet uitkwamen, zochten ze contact met de man met de baard. De mensen maakten geen afspraak, ze klopten simpelweg aan bij het kleine witte huisje waar hij woonde, niet ver van de rivier waar hij als kind langs de waterkant had gespeeld. Hij voorzag ze van adviezen over allerlei aspecten van het leven, zoals werk, studie, gezondheid, hoelang artisjokken nou gekookt moeten worden, familiekwesties, het aanschaffen van een huis. Maar de mensen kwamen vooral bij hem voor prangende kwesties die te maken hadden met dat ene grote onderwerp, de liefde.

Het was wonderlijk dat ze juist hem om advies vroegen, hij die nauwelijks iets had ervaren op het gebied van de liefde. Goed, er kwamen wel eens ronddwalende kruidenvrouwtjes bij hem langs, kleine vrouwtjes die naar lavendel en patchouli roken en meestal een nacht of twee bleven. Dan maakte hij extra soep die ze samen aten. Daarna sliepen ze in het krakende eenpersoonsbed van de man met de baard. Het was aangenaam, dat zeker, maar echte meeslepende verliefdheid, met kriebels, zware voeten, bonzende harten- dat had hij nooit meegemaakt.

Voor de dorpelingen zat de kwaliteit van zijn adviezen juist in het gebrek aan liefdesleven.

‘Hij heeft geen trauma’s’, zei de vrouw van de bakker, ‘daarom hebbie zo’n helder koppie, kennie gewoon zien wat er aan de hand is.’ ‘Hij heeft geen vrienden,’ zei de rijkste man van het dorp, ‘daarom heeft hij niet te maken met integriteitskwesties.’ ‘Hij is, naja, niet de zoon, maar toch wel zeker een neef van God,’ zei de serveerster uit dorpscafé Het Plekkie. ‘Zoveel gelijk heb niemand en zeker geen man, als je ‘t mij vraagt.’ Niemand vroeg haar, maar zo waren de serveersters van Het Plekkie nu eenmaal. Ze gaven doorlopend antwoorden op vragen die niemand hen stelde.

Op een dag kwam er een kleine, muizige vrouw bij de man met de baard op bezoek. Ze zag eruit alsof ze dagen niet had geslapen. Haar haren waren pluizig en in een rommelig knotje op haar hoofd verzameld. Ze droeg een lange donkerblauwe jurk waardoor ze eruit zag als een godsdienstwaanzinnige uit het zuiden van de VS. Ze kon niet ouder zijn dan veertig, maar zoals ze er nu uitzag, leek ze maximaal nog tien jaar mee te kunnen gaan.

‘Ik heb een vraag, ’ zei ze terwijl ze nog buiten op de deurmat stond. De man met de baard gebaarde haar binnen te komen, wat ze schoorvoetend deed. ‘Ik vrees dat ik het niet meer kan,’ zei ze terwijl ze met haar knokige vingers aan haar mouwen friemelde. De man met de baard zweeg, zijn jarenlange ervaring had hem geleerd te zwijgen, juist wanneer de woorden van de ander het zwaarst leken te zijn.

‘Ik ben miserabel in de liefde en eenzaam zonder. Ik probeer samen te zijn, alleen te zijn, een beetje van beide te zijn. Ik slaap er niet van en ik heb het altijd koud. Ik wil samen zijn, alleen zijn, ik weet het gewoon niet… Wat moet ik nou doen?’

Mistroostig keek ze uit het raam, buiten werd het al donker. De man met de baard stond op uit zijn leunstoel een keek ook naar het kale landschap.

Na een poosje zei hij: ‘Vandaag eet ik pompoensoep. Er is genoeg voor twee.’ Verbaasd keek de vrouw op. ‘Maar, maar.. wat moet ik nou? Daarvoor ben ik hier- u heeft toch altijd gelijk?’

De man met de baard knikte.

‘Soep zal u goed doen. Soep en afscheid.’

‘Afscheid?’

‘Ik zal u na het eten moeten wurgen. Met blote handen. Wees niet bang, het duurt maar even.’

Als door een bij gestoken stond de vrouw op. Bij de haard lag een pook die ze snel greep. Ze liep achteruit door de kamer met de pook voor zich uitgestoken.

‘Als je me aanraakt…’ Haar stem klonk hoog, haar gestrekte arm beefde.

De man met de baard stond glimlachend voor haar en deed nog een stap in haar richting.

‘Als je me aanraakt..’ zei ze nu wat luider, terwijl haar ogen schichtig heen en weer bewogen.

De man met de baard kwam nog wat dichterbij.

‘Als je me aanraakt dan, dan..steek ik je!’ haar stem sloeg over.

De man met de baard ging weer zitten in zijn leunstoel. ‘Ziet u nou,’ zei hij, ‘u kunt het best. Ik zag het in uw ogen. U was niet bereid u te laten wurgen. U was bereid te vechten. U wilt vechten.’

De vrouw liet de pook zakken.

‘Het is, kortom, minder dramatisch dan u denkt. Het is een kwestie van de juiste vragen stellen. Komt u de volgende keer hier met de juiste vragen. En dan eten we nu de soep en laten we het wurgen achterwege.’

Ze knikte, ze at de soep en ze dacht na over de juiste vragen. De man met de baard had weer eens gelijk gekregen. Neuriënd waste hij de kommetjes af.

Talent

09-12-2015

Het was niet dat er iets mis was

Het was niet dat er iets mis was

/ / /

09-12-2015

Toen haar ouders dood waren was ze bijna vijftig. De kinderen waren toen al het huis uit. De jonste was toen nog niet met zijn motorfiets van een klif gestort, de oudste nog niet geëmigreerd naar Nieuw-Zeeland. Ze had drie broers en twee zussen die aan de andere kant van het land woonden. Een man was er ook geweest in haar leven, maar hij was na twintig jaar huwelijk vertrokken en woonde nu in een zeer vervuilde flat aan de rand van Zoetermeer.

Haar voornaamste gezelschap was dat van haar huisdier: een klein wit hondje met een rood halsbandje. Het beest heette Mono, en als ze naar buiten gingen zette ze het in een speciale wandelwagen voor honden.

Ze was niet oud, als ze de statistieken mocht geloven kon ze nog decennia mee. Maar ze was alle jeugd verloren. Ze wist niet meer hoe te lopen, denken, praten, koken of zich kleden. Ze liep als een oude vrouw, dacht in korte angstige zinnen, sprak enkel over andere mensen en kleedde zich in kleurloze kleding uit boetieks met namen als Modehuis Ans en Veeman Fashion.

In de kleine plaats waar ze woonde kende ze de mensen van de winkels en een handjevol mensen uit de buurt. Hoewel, misschien was kennen niet het juiste woord. Ze wist wie ze waren, met wie ze getrouwd waren, waar ze woonden, dat soort dingen. Nooit werd ze uitgenodigd voor verjaardagen, huwelijken, kraambezoeken of begrafenissen.

Het was niet dat ze onaardig was. Ze was best vriendelijk. Ze waste haar haren tweemaal per week en ging naar de tandarts en de kapper. Haar kleding was schoon, gestreken en rook naar de geurbuiltjes die in haar kledingkast hingen. Het probleem was kortom, niet dat er iets werkelijk mis was, maar dat er niets werkelijk goed was.

Op televisie had ze een programma over zakendoen gezien en de jonge managementgoeroe had uitleg gegeven over het geheim van zakelijk succes.

Terwijl hij erover vertelde kwam hij tot de conclusie dat het eigenlijk een formule was voor succes op alle mogelijke gebieden in het leven.

Het zat volgens hem allemaal in één enkel woordje en dat was: meerwaarde. Met meerwaarde is er geen ontkomen aan, met meerwaarde garandeer je jezelf van werk, vrienden, liefde, geluk, een toekomst eigenlijk.

Daarna gaf hij een stappenplan dat ze driftig overschreef op het kladblokje dat ze ooit had gekregen van de gemeente toen de riolering werd vervangen bij haar in de straat. De pen die erbij zat was door Mono te grazen genomen en had ze dus moeten weggooien.

De stappen waren eenvoudig: 1. Bepaal uw talent. 2. Blink uit. 3. Treed naar buiten.

Ze keek op de klok. Het was half vier en dat betekende dat ze een stukje vlees uit de vriezer moest gaan halen. Ze koos voor een slavink. Ze hield niet van eten en ook niet van koken maar ze deed het toch, net zoals ze alle andere dingen deed. Ze kookte twee aardappels, warmde erwtjes uit een glazen potje op, braadde het vlees en zette toen een kopje sterrenmixthee. Op het kladblok schreef ze toen: 1. Talent. Ze keek naar Mono die druk bezig was zichzelf tussen zijn achterpoten te likken.

Ze staarde naar het blaadje. Er moest toch wel iets te bedenken zijn?

De deurbel klonk. Verontrust keek ze om zich heen. Ze verwachtte niemand, maar ze besloot toch maar open te doen.

Een pakketjesbezorger stond voor de deur. Meestal waren het jonge knapen, maar ditmaal betrof het een oudere bezorger met een imposante grijze snor en gitzwarte ogen.

‘Dit is voor nummer 104’ zei hij met een grote vierkante doos in zijn handen.

Er was iets waardoor ze haar evenwicht leek te verliezen, en ze zweeg een poosje. 

‘Wilt u misschien even binnenkomen?’ Zei ze toen ineens.

‘Nou, daar heb ik echt geen tijd voor,’ zei hij.

‘Heel even.’

‘Vooruit dan maar.’ Hij zette een stap naar binnen. Het smalle halletje was meteen gevuld met deze grote man in het grijs met oranje jack. Onhandig ging ze hem voor naar de woonkamer waar Mono ogenblikkelijk vreselijk begon te keffen.

‘We hebben niet zo vaak bezoek,’ zei ze terwijl ze een kop thee voor de man neerzette. Zijn oog viel op het kladblokje op tafel.

‘Talent? Ha, nou daar doet men maar over alsof het iedereen toekomt, alsof iedereen het heeft… nou, wij weten toch wel beter. Het is wat het is. Geen hoogvliegers, laagvliegers, middenvliegers. Enkel aanstellers en normaaldoeners, als je het mij vraagt.’

Toen zette hij zijn lege kop weer op tafel en zei hij: ‘Ik kom volgende week weer langs en dan kom ik graag eten.’

Ze knikte en deed de voordeur voor hem open.

Terug bij de tafel verfrommelde ze het kladblaadje. Daarna plofte ze op de bank en lachte een kwartier lang hardop.

Trots

26-11-2015

Stilstand is hen gegeven.

Stilstand is hen gegeven.

26-11-2015

‘Wat goed dat er zoveel vrijwilligers zijn’, zeggen de mensen blijmoedig tegen elkaar. Na weken van uitstellen sloot ook ik me aan bij het leger van goedbedoelenden.

Ik kan schrijven over hoe graag de kinderen wilden meedoen met het knutselen, hoe hun ouders flauwtjes glimlachten met droeve ogen.

Ik kan schrijven over alle andere vrijwilligersprojecten die ik zag.

Ik kan schrijven over de tapijttegels, tl-verlichting, grauwheid.

Ik kan schrijven over de kleuters die met elkaar op de vuist gingen. Over het jongetje dat maar om aandacht bleef vragen. Over de te korte broeken. Over de poepluier die maar niet verschoond werd. Over de taalbarrière.

En dan iets positiefs, over hoe trots we mogen zijn dat er zoveel initiatieven voor gevluchte mensen bestaan.

Maar laat me schrijven over de schaamte die ik voelde toen ik er was. Ik schaamde me voor de omstandigheden waaronder we deze mensen laten leven. Ik schaamde me voor het voedsel. Ik schaamde me voor de schraalheid. Ik schaamde me voor de onzekerheid waarin ze maandenlang moeten leven. De procedures zijn niet gestart, ze hebben geen geld. Hun kinderen gaan niet naar school.

Ik voel me getuige van diefstal. Want waar ik altijd probeer om zoveel mogelijk dingen te doen op een dag, mijn tijd nuttig te besteden, stelen we uren, dagen, maanden, van onze medemensen. Stilstand, enkel stilstand hebben we hen gegeven. Ze worden niet meer continue met de dood bedreigd, maar menselijke waardigheid gaat over meer dan dat.

Ik schaam me omdat ik niet geloof dat ‘we doen wat we kunnen’. Ik schaam me voor de schorre kelen en bange protesten waarmee de komst van een AZC wordt verhinderd. Ik schaam me voor het gebrek aan medemenselijkheid.

Ik schaam me omdat mijn leven tien kilometer buiten het AZC zoveel beter is, niet omdat ik een beter mens ben, maar omdat ik nou eenmaal een betere kaart getrokken heb.

Koekenpan

17-11-2015

De basis is daar, maar alles kan beter.

De basis is daar, maar alles kan beter.

/

17-11-2015

Ze is eraan toe om een nieuwe koekenpan kopen. Ze wil het al weken, maanden zelfs, maar ze vond steeds redenen om het niet te doen. Afgelopen drie weekends kocht ze wel andere dingen, zoals twee grijs gestreepte badlakens, een zeeppompje van porselein, beige pantoffels, een wijnrek en een nieuwe knoflookpers. Maar die pan, die pan blijft maar spoken door haar hoofd.

Waarom het nu zo moeilijk is om een pan aan te schaffen, kan ze zelf ook niet begrijpen. Ze werkt hard voor weinig geld, maar ook weer niet zo weinig dat ze zich geen nieuwe pan zou kunnen veroorloven. Het is ook geen gebrek aan tijd. Als ze wil, kan ze zo in haar lunchpauze de winkel inlopen, de pan pakken, afrekenen en nog genoeg tijd over hebben om haar lunch op te eten. Toch komt het er maar niet van.

Er is iets wat haar tegen lijkt te houden. Het voelt alsof de pan een begin zal zijn van een nieuw leven, van een nieuwe Judith, van een nieuwe beweging waarvan ze niet weet of ze er wel klaar voor is. Achter haar bureau sluit ze haar ogen en denkt ze aan het glimmende witte binnenwerk van de pan, haar pan. Hoe ze hem op het vuur zou zetten, hoe de boter langzaam zou smelten, de olie zou spatten, een ei zou stollen…

Wanneer er een collega voorbij loopt, kijkt ze betrapt om zich heen. Maar niemand die het in de gaten heeft. Ze praat niet over wat er aan het gebeuren is in haar hoofd. Als iemand anders haar zou vertellen over een dergelijke obsessie, zou ze het ook niet begrijpen.

De laatste week is de situatie steeds lastiger geworden, tijdens alle gesprekken dwalen haar gedachten af naar de filmpjes die ze heeft gezien in de winkel. Daar staan de pannen in een apart schap, met erbovenop een televisie waar een Duitse kok in een filmpje van 3 minuten laat zien waarom deze pannen zo bijzonder zijn, wat je er allemaal in zou kunnen koken, hoe eenvoudig de pan kan worden schoongemaakt, met een speciaal doekje. Ze zal dat speciale doekje ook kopen, anders heeft het natuurlijk geen zin.

Thuis maakt ze ruimte in haar keukenkastje. Ze treft allerlei dingen aan waarvan ze niet wist dat ze ze bezat. Een ananassnijder bijvoorbeeld, een vergiet in de vorm van een aardbei en een set plastic bewaardozen zonder deksel. Ze schrobt de binnenkant van het kastje met schuurmiddel en een sponsje.

De hele keuken ruikt naar citroen

Dan zet ze de televisie aan om haar vaste serie te kijken. Hoewel ze zich ook ernstig afvraagt wie de vader is van het kind van Donna, haar favoriete personage, kan ze de rust niet vinden. Ze staat op en loopt naar de slaapkamer, en bekijkt zichzelf in de spiegel van haar kledingkast. Een grijze joggingbroek, een donkerblauwe capuchontrui, sloffen, haar haren in een staart.

Ze ziet een vrouw zonder decorum. Een niet onknappe vrouw, maar wel duidelijk de ‘voor’ van een metamorfoseshow. De basis is daar, maar alles kan beter, mooier, uitgebreider, verzorgder ook.

Ze denkt weer aan de pan en probeert haar kamer te bekijken met de ogen van een vreemde. Misschien is het tijd om de slaapkamer eens flink onder handen te nemen. Nieuw bed, fris kleurtje op de muur, nieuwe gordijnen. En als ze dan toch bezig is, kan ze net zo goed die hal eens aanpakken. Zolang ze hier woont, wil ze al een mooie schoenenkast en betere verlichting. Het was er nooit van gekomen, maar nu lijkt het moment er dan te zijn gekomen.

Ze kruipt achter haar laptop en bestelt drie zijden pyjama’s. Het is niet goedkoop, maar zo kan ze er niet bij lopen, dat beseft ze zich ineens sterker dan ooit. Ook maakt ze een afspraak met een schoonheidsspecialist en een tandenbleeksalon.

Tevreden gaat ze naar bed, bij het inslapen stelt ze zich een tafel vol met vrienden voor, waar ze eerst blini’s voor bakt in haar nieuwe pan, en daarna steak. Als dessert warm rood fruit, alles gebakken in de pan. Aan tafel zit ook haar knappe, lange Zweedse vriend, hij is galant en en grappig en zegt af en toe dingen als: ‘Dat doe ik wel liefste, blijf jij maar lekker zitten.’

Na het eten gaan ze nog de kroeg in en de hele tijd houdt haar vriend zijn gespierde arm om haar middel. ‘s Morgens wordt ze gewekt door de geur van roereieren en verse croissants die ze op bed krijgt. Haar ogen vallen dicht.

De volgende dag staat ze weer in de Blokker. Haar vingers glijden over de bodem van de pan, voelen aan de steel, de rand en onderkant. Ze is er bijna klaar voor, ze voelt het.

Tijd

09-11-2015

Zoals het gaat met mensen die zoeken.

Zoals het gaat met mensen die zoeken.

/ /

09-11-2015

Vroeger had hij er nooit op die manier over nagedacht, maar de tijd was als een stijgende waterspiegel. Waar hij eerst in een ondiep plasje water had gestaan, voelde hij het nu al halverwege zijn buik komen. Het water bleef stijgen en stijgen, tot de dag waarop het water hoger zou komen dan zijn eigen hoofd en dan zou het klaar zijn. Over, schluss.

Nadenken over ouderdom maakt oud, hield hij zichzelf voor. Voor zijn leeftijd was hij fit. Hij sportte veel en at weinig. Drinken zou hij nooit echt kunnen afzweren. Het was dan ook de drank die zijn leeftijd nog het meeste verried.

Over het algemeen was hij geen ontevreden man. Zijn cv was van indrukwekkende omvang, hij was voorzitter van diverse belangrijke commissies en verenigingen. Ook deed hij werk waarover de maatschappelijk consensus was dat het nut had. Hij was een belangrijk en nuttig man.

Zijn kinderen waren gezond en kwamen vaak naar het ouderlijk huis. Zijn vrouw was mooi en intelligent. Haar haren waren lang, haar gewicht verschilde nauwelijks met dat van dertig jaar geleden. De aantrekkingskracht was veranderd, maar verdwenen was het niet.

Toch stemde dit alles hem bij vlagen somber.

Hij zag waar het naartoe ging, dit allemaal. Hij zou achteruit gaan, zijn vrouw ook. Hun kinderen zouden kinderen krijgen en op een dag zou er een grote receptie worden georganiseerd met veel van de grote namen uit het veld. Ze zouden lovende, geestige woorden spreken en hij zou exclusieve whiskey krijgen uit zijn favoriete streek. En dan naar huis.

Hij was op zoek gegaan, misschien was het iets biologisch, dat zei hij tegen zichzelf. En zoals het gaat met mensen die zoeken, had hij ook gevonden. Ze had de carrière en ambitie die hij ook had. Ze was niet mooier, slimmer of grappiger dan zijn vrouw. Maar zij vond hem wel knapper, slimmer, grappiger dan dat zijn vrouw hem vond. Ze was onder de indruk van hem. Verzorgde hem. Was altijd blij hem te zien.

En ze was jong. Want goed geconserveerd of niet, in twintig jaar tijd verandert een mensenlichaam, zoveel was zeker.

Hij voelde zich weer jong, als vroeger. Hij ontmoette haar vrienden in de kroeg, zag hoe ze hun levens aan het opbouwen waren. Hoe ze met energie aan het groeien waren, klimmen, ontwikkelen.

Misschien kon het. Hij zou het kunnen doen. Opnieuw beginnen. Een familie. Kinderwagens, nieuwbouwwijk. Hij zou het kunnen doen. Zij had geen tijd te verliezen, dat wist hij.

Morgen zou hij beslissen. Of anders overmorgen. Of de dag daarna misschien.

Succesvol

03-11-2015

Het moest wel echt zijn.

Het moest wel echt zijn.

03-11-2015

Ze stond bij de koffiehoek op haar werk en keek hoe de café crème uit de machine kwam. Dat was koffie-apparatentaal voor gewone koffie. Het proces begon altijd met gekerm, dan volgde een mechanisch schuifgeluid en dan kwam de herrie van het malen van de bonen. Tot slot klonk er een lange zeurende toon en wanneer het kopje vol was, blies de machine nog een paar keer hard uit, alsof hij opgelucht was dat het weer gelukt was iemand van koffie te voorzien.

Ze dronk uit haar eigen mok, dat deed iedereen die hier langer dan een jaar werkte. Zij werkte er langer dan een jaar en ook langer dan vijf jaar. Zeven jaar kwam ze al hier, in dit gebouw. Ze had carrière gemaakt, ze was wat de mensen een succesvolle vrouw zouden noemen.

Het uitzicht vanuit het pand was weinig verheffend. Grijze gebouwen, een snelweg, parkeerplaatsen. Het hinderde niet, wie had er nou tijd om naar buiten te kijken onder werktijd. Nu ze erover nadacht, was dit misschien wel de eerste keer dat ze echt lang naar buiten aan het kijken was, kijken dat staren werd.

Ze keek naar haar eigen leven alsof het een auto-ongeluk was.

Een ongeluk waar iedereen voorbij reed. Je wilt het niet zien, maar er is iets waardoor je haast wel moet kijken. Een kijkersfile. Lenneke stond in haar eigen kijkersfile.

Ze friemelde wat aan haar bloesje. Eronder droeg ze een nieuw lingeriesetje. Haar benen waren glad geschoren, alles daarboven vers gewaxt. Ze was er klaar voor, ze was er de laatste zes maanden altijd klaar voor. Ze had goede wijn in huis, schoon beddengoed, sliep in sexy maar oncomfortabele nachthemdjes. Ze liet haar telefoon geen moment uit het zicht.

Ze probeerde zo min mogelijk na te denken over haar eigen gedrag. Van een afstandje was het zo’n akelig cliché allemaal. Dat, terwijl ze zeker wist dat het echt was. Het moest wel echt zijn. 

Straks moest ze een belangrijke vergadering voorzitten. Normaal gesproken zou ze dit lang hebben voorbereid, een tikje nerveus zijn, extreem gefocust. Maar nu kon ze het relativeren. Het zou wel goed komen. Of niet. Eigenlijk interesseerde het haar geen bal. Zo ging het met alles in haar leven. Alles waar ze de laatste jaren zo hard voor had gewerkt, leek waarde te zijn verloren. Het bewijs was nu toch wel geleverd dat ze sterk en onafhankelijk was? Het bewijs dat ze niemand nodig had? Het bewijs dat ze een leuke, sterke vrouw was?

Tijdens therapie had ze het ineens hardop gezegd: ze wilde koken, zorgen, samenzijn. Daarna had ze het meteen teruggenomen. Gelachen door haar tranen heen. Gezegd dat ze te moe was. Thuis dronk ze een fles wijn leeg terwijl ze Netflix keek.

Een piepje klonk. Ze wist dat hij het was.

‘Ik zal rond 8 bij jou zijn, eerst even de kinderen naar bed brengen. Marjan denkt dat ik vergader tot laat. X’

Opgelucht keerde ze terug naar haar bureau. Ze was heel gelukkig eigenlijk. En op een dag zou hij voor haar kiezen. En dan zouden ze een gezin stichten. Voor altijd samen zijn. Wandelen op het strand. Een hond nemen. Een zondagse ontbijttafel vol met kinderen.

Hij zou voor haar kiezen. Dat kon niet anders.

Dorpsleven

12-10-2015

Knisperend geluid van fietsbanden op een bospad.

Knisperend geluid van fietsbanden op een bospad.

/ / /

12-10-2015

Elke woensdagmiddag vertrok Marga naar de bibliotheek om daar voor te lezen aan de kinderen uit het dorp. Het was maar een kwartiertje fietsen, en ook wanneer het regende, stormde of sneeuwde nam ze haar groene Gazelle uit de garage. In de bibliotheek kenden alle medewerkers haar, en onderweg kwam ze altijd kennissen tegen. Zo was het nu eenmaal om te leven in een dorp. Vijftien jaar woonde ze hier, ze was met haar man vertrokken uit de stad om ruimte te hebben voor de kinderen waarvan ze toen nog niet wisten dat ze nooit zouden komen.

Gelukkig kan een mens veel spullen verzamelen en voelde het vrijstaande huis niet te groot. Ze hadden een waskamer, een kleedkamer, een logeerkamer, een studeerkamer en een hobbyzolder.

De kinderen uit het dorp waren ook een beetje háár kinderen, zei ze altijd tegen vrienden van vroeger die tijdens borreltjes voorzichtig informeerden of ze niet eens terug zou willen naar de stad. Die stad waar ze gelééfd had, gedanst had op tafels, concerten en tentoonstellingen had bezocht. Die stad waar ze mooie, maar onpraktische schoenen had gedragen.

De toegang tot het gevoel van heimwee werd altijd ontzegd door zelfgemaakte quiches die plots uit de oven moesten worden gehaald, houtblokken die op het vuur moesten worden gegooid of gasten die aanbelden of juist wilden vertrekken.

Het was een herfstdag met heldere hemel, knisperend geluid van fietsbanden op een bospad, felle zon en een zacht briesje die de gekleurde bladeren met een zekere opgewektheid naar de natte bodem deed dwarrelen.

Ze zou zometeen een paar boeken over de herfst kiezen, besloot ze. De bibliotheek in het dorp was niet groot, en inmiddels kende ze alle prentenboeken van de kinderafdeling. Dat kreeg je met tien jaar elke woensdag voorlezen, dacht ze bij zichzelf. De kinderen genoten twee, hooguit vier jaar van dit deel van de bieb. Daarna lazen ze zelf, of stopten ze er helemaal mee.

Ze zette haar fiets in het linker fietsenrek bij de ingang. Tineke, de coördinator van de bibliotheek zwaaide door het raam en liep haar tegemoet.

Marga pakte juist haar rugtasje uit haar fietsmand toen Tineke zei: ‘Kom je even mee naar kantoor?’ Marga keek op haar horloge en zag dat ze nog twintig minuten had voordat de school uit zou zijn en knikte. Ze dronken wel vaker koffie bij Tineke op kantoor.

Maar toen ze binnenkwam, stond de zwarte thermoskan niet op zijn plek.

‘Marga, ik zal maar met de deur in huis vallen,’ zei Tineke toen. ‘Je weet dat we hier bezig zijn met een professionaliseringsslag, dat we als bibliotheek echt nog meer met onze voeten in de maatschappij moeten staan…’ Marga knikte met haar hoofd en terwijl haar ogen vragend keken. Tineke merkte de ogen niet op en praatte door. Maar Marga hoorde niks meer, ze zag enkel de vrouw van middelbare leeftijd tegenover haar. Ze zag de vrouw van middelbare leeftijd die ze zelf geworden was. Ze zag het praktische windjack, het leren rugzakje, de stevige schoenen waarmee ze zo een veldtocht zou kunnen lopen. Ze zag de lichtgele wanden in het kantoorje. Het prikbord met geboortekaartjes, krantenknipsels en foto’s van teamuitjes. Ze zag het grijze tafelblad en de versleten bureaustoelen. Het was alsof ze voor het eerst kon zien, écht kon zien. Hoe was ze hier verzeild geraakt?

Toen ze opkeek, zag ze Tineke weer en kwam het geluid terug. ‘…en dat we tot het moeilijke besluit zijn gekomen om het voorleesuurtje op de woensdag op alternatieve wijze te laten inrichten door professionals…’

‘Vanaf wanneer precies?’ De praktische kanten van Marga namen wel vaker de overhand, waardoor mensen vaak dachten dat ze een armoedig gevoelsleven had, maar het omgekeerde was waar. Het was zo groot en gecompliceerd daarbinnen, dat Marga meestal niet wist waar te beginnen. En in gezelschap was het al helemaal onmogelijk uit te zoeken wat ze nu voelde.

‘Vanaf vandaag,’ zei Tineke enigszins beschaamd. ‘We hadden het natuurlijk eerder willen zeggen, maar ik was natuurlijk op Texel en Jeanette voelde zich er een beetje ongemakkelijk onder omdat zij de sub-coördinator is.’

Marga knikte, verdoofd stond ze op. ‘Nou, veel succes dan maar.’

Tineke zei: ‘We organiseren nog een mooi afscheid voor je, wanneer weet ik nog niet precies, we hadden het nog zo druk met die herstructurering en de boekpresentaties die op stapel staan.’ Marga knikte en liep naar haar fiets.

‘Je hebt ongelofelijk veel voor het dorp gedaan,’ zei Tineke terwijl ze in de deuropening stond, ‘we zijn je erg dankbaar.’

Marga glimlachte flauwtjes en begon te fietsen. Ze fietste en fietste. Pas bij het station in het volgende dorp stopte ze. Daar nam ze de trein naar waar ze ooit vandaan gekomen was.

Bezinning

11-09-2015

Zolang ze maar naar hem luisteren.

Zolang ze maar naar hem luisteren.

/ /

11-09-2015

‘De opdracht is eenvoudig,’ zegt de vrouw. ‘Blijf liggen en luister naar je ademhaling.’ De bekende columnist kijkt een beetje gegeneerd om zich heen. Hoe komt het ook alweer dat hij hierin terecht gekomen is? Hij denkt aan Tanja, zijn minnares. Zij heeft het aanbevolen. Als zijn vrouw hem hier zo zou zien liggen, zou ze haar ogen niet geloven.

‘Zie het als een experiment,’ had Tanja gezegd. ‘Het is een hele mooie manier om contact te maken met je kern. Door middel van je eigen concentratie, verder niks.’ Als hij dit verhaal in de kroeg had gehoord, dan had hij er zeker geen geduld voor gehad. Maar het was niet in de kroeg geweest, het was in het kleine appartementje van Tanja geweest, midden in het centrum van de stad. Echt zo’n romantisch artistiek hol, in de ogen van Hanro. Een knus appartement met overal schilderijen en Perzische tapijten op de houten vloer. En dan met Tanja als een soort danseres in de ruimte. Een danseres op blote voeten, haar lange haren los over haar schouders, haar ranke lijf in lange kleurrijke jurken.

Hij voelde zich anders bij haar, alsof ze een ander stukje Hanro wakker wist te maken. Een stukje persoonlijkheid waarvan hij later in de auto op weg naar huis, het meeste alweer kwijt was. Soms vroeg hij zich af welke Hanro er nu de echte was. Als hij verlangde naar Tanja, verlangde hij vooral naar de man die hij was bij haar. Het was eigenlijk een affaire met hemzelf, zo hield hij zich voor. En dat is zoiets als masturberen, ongepast om over te praten maar heel normaal. Zo liep hij zonder zwaar gemoed door het leven.

Dat hij in deze situatie terecht gekomen was, had dan ook vooral te maken met een moment van onoplettendheid.

‘Ben je er klaar voor?’ Hanro knikt. ‘Moet je jezelf nou zin liggen,’ hoort hij zichzelf denken, ‘een oude vent met een dikke buik. In je witte kleren voor de zuiverste energie. Wat een larie.’

‘Als je merkt dat je gedachten op hol slaan, ga je gewoon rustig weer terug naar je ademhaling. Het is niet erg, je hoeft er niks van te vinden, verplaats je aandacht naar je ademhaling.’ De vrouw staat aan zijn voeteneind en dekt hem toe met een deken. ‘Adem in, en uit, in en uit.’

Hanro ligt onder het deken en hoort zacht gereutel in zijn longen. Ach, dat roken. Daarover klagen zijn beide vrouwen. Hij weet dat hij zou moeten stoppen. Maar er moet zoveel en dingen die moeten, die doet hij liever niet. In de verte hoort hij de stem van de vrouw.

‘Ga nu stap voor stap naar binnen en voel wat je daar aantreft. Zie je een kleur, voel je een trilling, een emotie? Laat het er maar zijn. Alles is goed.’

‘Honger,’ denkt Hanro, ‘ik heb honger.’ Hij maakt plannen voor de lunch. Misschien kan hij een eggs benedict eten bij La Parisienne, niet ver van hier.

Onderweg even een krantje halen. Ze willen zijn mening op de radio over die dode collega. Het is nogal in de mode om op te roepen tot verstandigheid, terughoudendheid, bespreekbaarheid van depressie en dat soort dingen. Hanro heeft er geen zin in. Eigenlijk interesseert het hem allemaal geen bal wat andere mensen doen, zolang ze maar naar hem luisteren, hem uitnodigen, zijn stukjes lezen. Maar dat zal hij niet zeggen. Misschien kan hij iets voorlezen uit het werk van de dode. Het is geen lijkenpikkerij als de postume verkoop omhoogschiet. Het is een geschenk aan de familie. Nu is het wachten op wie zich als publieke weduwe gaat melden. Rouwprostitutie, noemt Hanro dat.

‘Kom langzaam weer terug naar buiten. Voel je lichaam, voel hoe het op de tafel ligt, voel het deken over je heen. En wanneer je er klaar voor bent, mag je je ogen openen.’

Hanro opent zijn ogen. De vrouw staat voor hem met een kop thee die naar hooi ruikt.

‘Alsjeblieft,’ zegt ze met een serene glimlach op haar gezicht.

‘Ik ben niet zo’n theedrinker,’ gromt Hanro.

‘Let er wel op dat je vandaag voldoende hydrateert’ zegt ze terwijl ze het kopje weer aanneemt. ‘Ik laat je even alleen, zodat je je kunt omkleden.’

Hanro is niet oud, maar hij beweegt zich weinig soepel. Dat heeft weer te maken met dingen die zouden moeten.

Eenmaal buiten krijgt hij een sms van Tanja. ‘Hoe was het?’

‘Ik ben een nieuw mens’ schrijft hij terug. ‘Zie je zo bij La Parisienne?’

Monter loopt hij door de stad. Hij rammelt van de honger.

Beschaving

27-08-2015

De stilte was zelfs voor de kazen pijnlijk.

De stilte was zelfs voor de kazen pijnlijk.

/ /

27-08-2015

‘Mag het een onsje meer zijn?’ vroeg het meisje in de kaaswinkel geroutineerd. Ze deed dit werk zo’n zes jaar en de verveling was in haar hele lichaam gekropen. Haar blauwe ogen waren grauwe vlakken zonder diepte, haar neus en mond waren zo onbeduidend dat het een wonder mocht heten dat ze zichtbaar waren. Ze had vlasblond haar dat in een laag staartje verdrietig over de rug haar witte jasje hing. 

Haar kleine handen verrieden routine, ook met gesloten ogen kon ze vliegensvlug het kaaspapier omvouwen, dichthouden en vastzetten met een elastiekje. Het waren efficiënte, mechanische gebaren maar ze waren ook liefdeloos. Het hinderde niet, welke klant kwam nou voor een liefdevol ingepakt pondje boerenkaas?

Verveling was wat ze de eerste jaren van haar baan al had gevoeld, maar na verloop van tijd was het gevoel van verveling haar ook  gaan vervelen en werd het langzaam een soort sluimerstand waarin ze leefde. Ze kwam naar haar werk, trok haar jasje aan, en begon met het snijden van kazen, het aanvullen van de schappen met toastjes en jam, het tellen van de kassa.

Klanten waren altijd tevreden over het werk van het meisje.

Ze zagen haar verveelde handen aan voor vakkundig, haar korte antwoorden als zakelijk. 

Beau Moreaux was vandaag voor het eerst in de winkel. Zodra hij zich bewust was geworden van zichzelf, op zeer jonge leeftijd, had hij zijn naam met trots gedragen. Zijn naam had hem gemaakt tot wie hij was, zijn naam was als een duur maatpak en daar had hij altijd naar geleefd. Waar zijn leeftijdsgenoten druk waren met het bouwen van grote zandkastelen, liep hij liever rondjes om de zandbak heen, handen in zijn zakken, peinzend over de zin van het leven. Toen zijn leeftijdsgenootjes stiekem sigaretten rookten in de portieken van dichtgetimmerde belwinkels in de stad, las hij boeken over etiquette, klassieke muziek, middeleeuwse architectuur en schilderkunst vanaf 1650. ‘s Avonds converseerde hij geanimeerd met zijn ouders en hun vrienden. Allemaal mensen die minimaal dertig jaar ouder waren dan hijzelf, maar over zulk soort dingen zou hij nooit nadenken. Dat soort dingen waren namelijk gewoon gegeven en wat zou men daar dan over lopen dubben?

Dat hij vandaag bij deze kaaswinkel in een armoedige buitenwijk van de stad was beland, had te maken met de nieuwe burgerplicht die hij zichzelf had opgelegd. Hij ging vrijwilligerswerk doen, en aangezien hij liever met ouderen omging dan mensen van zijn eigen leeftijd, dat was halverwege de dertig, was de keuze gevallen op een project met de naam ‘lunch met een oudere’. Wekelijks zou hij gaan lunchen met een oudere heer, straks zou de eerste keer zijn. Het was een project zonder einde, dat wil zeggen: er was geen vast aantal lunches dat genuttigd zou moeten worden. Bij een fijne band tussen vrijwilliger en de eenzame oudere werd het einde meestal ingeluid door het overlijden van de laatstgenoemde, had de projectleider aan de telefoon gezegd.

Beau Moreaux had besloten zijn eenzame oudere eens goed in de watten te leggen, maar waakte ervoor protserig over te komen. Hij had de beste ham van de stad gekocht, een vers brood, een fles verse jus, een zak met kersen, roomboter en een mooi stuk kaas. Die kaas was hij helaas vergeten in de voorraadkast van zijn woning. Het was kaas uit een kleine kaaswinkel bij hem om de hoek geweest. Een dure, maar degelijke winkel waar hij met alle egards werd behandeld. De vraag of het een onsje meer mocht zijn, was hem niet eerder gesteld.

‘Nou,’ reageerde hij kalm, ‘op een stuk kaas van circa 200 gram, lijkt mij een ons niet zo gering als u nu doet voorkomen.’

‘Wat zegt u?’ zei het meisje op een toon waaruit bleek dat ze niks had verstaan of begrepen van zijn zin en misschien wel beide. 

‘De vraag die u mij zojuist stelde, was of ik akkoord zou gaan met haast een verdubbeling van mijn bestelling, ik vind dat op zijn zachts gezegd opmerkelijk.’

Het meisje hield haar lippen stijf op elkaar en keek hem recht aan.

De stilte was zelfs voor de kazen in de winkel pijnlijk.

Toen zei ze: ‘Dus het is een beetje teveel voor meneer?’

Haastig zei Beau Moreaux: ‘Ach, een onsje meer of minder. Ik had het meer over het principe.’ Assertiviteit was nooit zijn sterkste kant geweest.

‘Dat wordt dan vier vijfentwintig,’ zei ze terwijl haar handen de kaas in folie wikkelden, papier vouwden en een elastiekje pakten.

‘Heeft u terug van twintig?’

‘Dat zal wel.’

‘Pardon?’

‘Ik zal toch wel terug hebben van twintig, zeg ik.’

Ze negeerde zijn uitgestoken hand en kwakte het wisselgeld op de toonbank. Tasje, vroeg ze toen zonder vraagteken. ‘Nee, dankuwel’ zei Beau Moreaux terwijl hij druk bezig was alles op de juiste plek weer op te bergen. Papiergeld in het juiste vakje, muntgeld in het andere vakje, de portefeuille in zijn linker binnenzak, de kaas in de kleine donkergroen geruite boodschappentas die hij naast zich had staan. Een ouderwetse degelijke boodschappentas, ‘zoals ze nu niet meer gemaakt worden’, dacht hij altijd wanneer hij het ding meenam. 

Hij probeerde het stuk kaas zo precies mogelijk in de tas te passen, het was als een puzzel, maar na een paar kleine wisselingen paste alles perfect.

Het meisje van de kaaswinkel hield haar verveelde ogen strak op hem gericht. ‘Zo,’ zei Beau Moreaux, tegen beter weten in op zoek naar een beetje klantvriendelijkheid, het wensen van een fijne dag, zoiets.

‘Wacht u ergens op?’ vroeg het meisje toen.

‘Nee,’ loog hij snel. ‘En u? wacht u ergens op?’

‘Nee’ loog ze terug.

Sprookje

04-08-2015

Daar zei ze dan niets van.

Daar zei ze dan niets van.

/ /

04-08-2015

Er was eens een vrouw die niet gelukkig durfde te zijn. Het was niet eenvoudig het geluk altijd te vermijden en daarom begon ze meteen bij het ontwaken. Soms had ze heerlijk geslapen, de hele nacht aan één stuk door. Dan dacht ze bij het wakker worden: ‘Wat ben ik toch een slaapkop, er zijn mensen die al uren aan het werk zijn. En ik lig maar te dromen, te liggen, wat zonde van de tijd.’ De ochtenden na onrustige nachten zei ze tegen zichzelf: ‘Wat een vreselijke nacht was dat. Ik ben nog zo moe en de dag moet nog beginnen.’

Daarna stapte ze uit bed en ging ze voor haar kledingkast staan. ‘Wie zal ik vandaag eens zijn?’ zei ze hardop. Elke dag kon ze iemand anders zijn. Hoge hakken en een korte jurk maakten haar een wulpse dame, een vale spijkerbroek met gympen een jonge vrouw. Soms was ze opvallend, soms een grijze muis. Maar welk personage ze ook koos, gelukkig was het nooit. Nadat ze aangekleed was, kamde ze haar haren en stiftte ze haar lippen. Tegen haar spiegelbeeld zei ze dan: ‘zo kan het er wel weer mee door.’ Dan ging ze de deur uit.

Ze fietste altijd naar haar werk, ook in de wind, regen en sneeuw. Soms boden collega’s haar een lift aan met de auto, als ze tot laat hadden gewerkt of wanneer er een afscheidsborrel was geweest. Natuurlijk nam ze het aanbod nooit aan.

Wanneer er een collega vertrok, organiseerde de vrouw die niet gelukkig durfde te zijn het afscheid. Ze kocht het cadeau, regelde de catering en de speeches. Meestal vergaten een paar mensen het geld van het cadeau over te maken. Daar zei ze dan niets van.

Haar werk deed ze met veel toewijding. Het werk was niet moeilijk en ook niet erg interessant. Doorgroeimogelijkheden schoof ze door naar haar collega’s. ‘Ik zit goed waar ik zit,’ zei ze dan met een weemoedige glimlach op haar lippen. Collega’s werkten zo nu en dan vanuit huis, dat leek haar ook wel fijn.

Snel dacht ze erachteraan dat ze niet geschikt zou zijn voor zoiets. 

Dat ze vast een gebrek aan discipline zou hebben en dat het halfuur fietsen naar haar werk een minimale hoeveelheid beweging was.

Ze was geliefd, op het werk en daarbuiten. Ze kookte de sterren van de hemel voor anderen, en nam zelf het kleinste bordje met de minst goed gelukte opmaak. Ze was zo gastvrij dat haar logees in haar bed gingen, en zij op de bank lag in een oude slaapzak.

In restaurants nam ze de meest tochtige plek zodat niemand anders daar hoefde te zitten. Als de ober haar dan een betere tafel wilde geven, zei ze: ‘Tocht? Welnee, ik zit hier prima.’ Gekweld door een stijve rug liep ze dan over straat.

Er waren ook mannen die haar mee uit eten wilden nemen. Lieve, zachte mannen die de deur openhielden, haar jas aannamen, haar stoel aanschoven. Mannen die de rekening wilden betalen, mannen die luisterden en lachten om haar grapjes. Maar na een tijdje ging het altijd mis.

‘Ach,’ zei ze dan tegen haar vriendinnen, ‘hij is heel lief enzo, maar eigenlijk is hij gewoon te lief. Het is niet spannend genoeg.’ De vriendinnen vielen haar dan begripvol bij en spraken daarna over hun eigen problemen.

Het was een mooie zomerdag en de vrouw die niet gelukkig durfde te zijn fietste door de stad. Ze probeerde niet teveel om zich heen te kijken. Toch zag ze het allemaal: de blauwe lucht, de felle kleuren, de verliefde stelletjes, een kind dat leerde fietsen, een vrolijke buschauffeur die wachtte op de man die vanuit de verte kwam aangehold.

Zachtjes begon ze te neuriën. Verschrikt hield ze haar mond toen een andere fietser tegen haar zei: ‘Wat een heerlijke dag is het toch!’ Ze snelde naar huis en zette de televisie aan, maar er was nergens een journaaluitzending te vinden. Haar krant was al naar het oud papier. Ze ging op het oncomfortabele krukje naast het keukenraam zitten. Twee duiven keken haar nieuwsgierig aan vanaf de andere kant van het glas. Ze glimlachte naar de beestjes.

Ze probeerde het te negeren, maar het was heel duidelijk. Ze voelde zich licht, er bruiste iets door haar lichaam. Ze sloot haar ogen en voelde het nog sterker, in golven. Ze wist: er was geen stoppen aan.

Kat

25-07-2015

Mensen met huisdieren zijn gelukkiger.

Mensen met huisdieren zijn gelukkiger.

/ /

25-07-2015

‘Ik voel me zo miserabel,’ zei Maja tegen de grote zwarte kat van haar beste vriend. Ze zaten samen op de bank in het huis van de kat en de beste vriend. De kat keek ernstig terug naar Maja, maar op het kattengezicht was geen spoortje medeleven te zien. Toen gaapte het beest uitgebreid, alsof hij wilde tonen hoe scherp die kleine tandjes waren, hoe goed hij zichzelf verdedigen kon, hoe genadeloos hij zou zijn in de buurt van een muis of een mager bang vogeltje dat uit zijn nest gevallen was.

De beste vriend van Maja had de kat zes jaar geleden gekregen van zijn broertje die dacht dat een kitten de perfecte toevoeging zou zijn aan het nogal ranzige studentenhuis waar hij met vier andere jongens woonde. De huisbaas dacht daar anders over, en zo kwam het dier hier terecht. Het was Satan gedoopt in het studentenhuis, maar die naam werd in de nieuwe woning veranderd in Zlatan.

Zlatan hield er niet van om alleen te zijn, en daarom was Maja hier. Over een week zou het baasje weer terugkeren van zijn zakenreis. Dat had ze vaak tegen de kat gezegd, maar wat weten katten nu van weken, dagen, uren, terugkomen en weggaan? De eerste twee dagen was Zlatan woest geweest en had hij zijn tijdelijke huisgenote straal genegeerd. Toen eenmaal duidelijk werd dat zij de brokjes in het kommetje gooide en de verse drollen uit de kattenbak schepte, begon het beest toenadering te zoeken. In de derde nacht sprong hij tegen de deurklink van de slaapkamerdeur om op het tweede hoofdkussen te gaan liggen. Toen Maja ‘s morgens wakker werd, waren de twee starende gele ogen van de zwarte kat het eerste dat ze zag.

Mensen met huisdieren zijn gelukkiger, daar was onderzoek naar gedaan. Misschien waren ze wel gelukkiger omdat ze tijdens het onderzoek niet bij die dieren waren, dacht Maja terwijl ze Zlatan achter zijn oren kriebelde. Het zijn egocentrische dieren, katten. Hun agenda bevat maar één doel, en dat doel verandert geen moment. Het gaat allemaal om het eigen welzijn, het eigen genot. Het veroveren van het beste plekje om te liggen, het lekkerste hapje om te eten, uitgebreid geaaid worden, veel slapen. Zo nu en dan een sadistisch spelletje met een smakelijk tussendoortje uit de natuur.

‘Was ik maar meer zoals jij’, zei Maja hardop. Ze probeerde na te denken over haar doelen, haar drijfveren, haar tussendoortjes. Er was niets waar ze trots op was, er was niets waar ze voor wilde vechten. Elke ochtend opnieuw werd ze wakker om te constateren dat ze in leven was, dat de datum een getal verschoven was, dat er verder niks veranderd was.

Elke morgen stapte ze in een metro naar het grijze gebouw waar ze werk deed waar geen betere naam voor bestond dan ‘projectmanager’. Maja leefde van weekend naar weekend en van vakantie naar vakantie, maar steeds vond ze zichzelf weer in de situatie van vandaag. Niet uitgesproken blij, boos of bang, maar gewoon miserabel.

Zlatan gaapte nogmaals en stond op om vervolgens op dezelfde manier op Maja’s schoot te gaan zitten.

Ze zette de televisie aan en keek naar de programma’s die de muziekzender had gemaakt. De programma’s gingen over jonge mensen die druk waren met hun telefoons, vrienden, lichaam, seksleven en elkaar. Meestal droegen ze weinig kleding en kregen ze ruzie. Maar wat Maja het meeste fascineerde, was hoe serieus ze waren over zichzelf. Ze wisten precies waar ze mee bezig waren, wat er bij hun imago paste aan uitspraken, doelen en ideeën. Of misschien hadden andere mensen dat voor hen bedacht. Hoe dan ook, Maja voelde zich nogal saai zo op de bank met die kat. Het volume van de reclamespotjes op deze zender was niet te verdragen, dus zette ze het geluid uit zodra nodig. Dat was elke zeven minuten tegenwoordig.

‘Het is tijd’ zei ze ineens hardop. Het klonk raar en hol in de lege kamer, daarom herhaalde ze de zin nog maar eens. ‘Het is tijd.’ Zlatan keek verstoord op. Maja rechtte haar rug en zei tegen de kat: ‘Sorry, maar het is tijd,’ ze zette hem op de grond. Nu stond ze voor de bank, met in haar rechterhand de afstandsbediening. ‘Het is tijd!’ herhaalde ze nog maar eens, ditmaal met haar armen gestrekt naar het plafond.

Ze voelde een grote vreugde opkomen. 

Vanaf nu zou ze een vrouw met een doel worden, met een missie. Het kon een hobby zijn, het begin van een nieuwe carriere, een verhuizing naar een ander land, het maakte niet uit. Maar een vrouw met een doel, dat was de nieuwe Maja. “Het is tijd, het is tijd,’ mompelde ze terwijl ze de waterkoker vulde. Want nieuw leven of niet, het was ook tijd voor een kopje nachtrustthee, zoveel was zeker.

Na de thee nam ze een douche. Het voelde alsof ze voor het eerst echt gewassen werd. Haar leven was opnieuw begonnen en wel vandaag, op deze avond. Toen ze zich afdroogde, veegde ze de damp van de spiegel en keek ze zichzelf recht aan. ‘Het is tijd, het is tijd,’ prevelde ze.

Die nacht sliep ze onrustig. Dat was ongewoon voor Maja, maar misschien was deze onrustige slaap wel iets van haar nieuwe leven, van de nieuwe Maja. Toen ze haar ogen opende, lag Zlatan nog te slapen op het andere hoofdkussen.

Maja rekte zich uit en probeerde terug te halen wat er gisteravond was gebeurd, wat ze nu precies had besloten. Ze voelde zich nog vrolijk, alsof ze haar schoen had gezet en nu naar beneden mocht om te gaan kijken wat erin zat. Er was iets nieuws in haar leven gekomen. Het was iets met tijd geweest, en een doel. Maar wat was het nou toch?

‘Weet jij het nog?’ vroeg ze de kat terwijl ze haar badjas aan deed. Zlatan opende zijn ogen en rekte zich uit. Toen sprong hij van het bed en liep hij de keuken in. Maja gaf hem brokjes en zette de waterkoker aan. Ze spoelde de theepot om en bleef maar denken welk doel ze nou gekozen had.

Het lag op het puntje van haar tong, maar toen kwam Zlatan de keuken in gelopen en begon hij zonder omhaal te braken. Een nat papje van ongekauwde brokken in slijm lag op de keukenvloer. Maja ruimde de boel al kokhalzend op, waste haar handen en kleedde zich om. In de metro naar haar werk probeerde ze te bedenken wat het nou was geweest, maar ze kwam er niet meer op.

En ze leefde nog lang.

Meer

10-07-2015

We hebben het veel over je gehad.

We hebben het veel over je gehad.

/ / /

10-07-2015

Nerveus ijsbeerde Dirk door de kamer. Hij had een vrije dag vandaag, maar dat was voor hem geen reden om te ontspannen. Het was de droom die hij vannacht had gehad, die hem door de kamer deed lopen als een gekooid dier.

Hij zat aan de rand van een zwembad bij een grote villa, ergens in Zuid-Europa, Spanje misschien. Om hem heen hoorde hij geklets van zijn vrienden, kennelijk hadden ze als groep besloten hierheen te gaan. Vanuit de keuken klonk muziek, gelach en het geluid van messen op snijplanken. Op het terras stond zijn beste vriend een zak met kooltjes open te scheuren. Ze gingen barbecuen, zoveel was duidelijk. Het was nog heerlijk warm en zijn voeten liet hij loom in het water hangen. Naast hem stond een koud biertje. 

‘Aan tafel!’ klonk het toen. De wijnglazen waren gevuld, er stonden salades op tafel, schaaltjes met olijven en vers brood. Het eerste vlees van de barbecue ging rond. Het was mals, goed gekruid en perfect gebakken. ‘Bewaar nog wat ruimte voor de ronde met vis’ zei de vriendin van zijn beste vriend. ‘Iemand nog een beetje wijn?’ klonk het van rechts, ‘Wie wil de laatste mozzarella?’ klonk het van links.

Er was niks op de situatie aan te merken. Helemaal niks. 

Toen tikte een vrouw op haar glas met de achterkant van haar mes. Iedereen werd stil en keek haar aan. Ze stond op en keek de tafel rond. Ze was bloedmooi, met glanzende blonde haren, staalblauwe ogen en een diepbruine huid. Dirk keek om zich heen om te zien bij wie ze hoorde, maar hij kwam er niet uit. ‘Graag wil ik even jullie aandacht,’ zei de vrouw met een stem die verbazingwekkend krachtig was voor zo’n smalle klankkast. Ze keek met een glimlach de tafel rond, iedereen keek vol belangstelling terug.

‘Jullie weten natuurlijk allemaal waarom we hier zijn. Of eigenlijk: bijna allemaal! Want Dirk, lieve, lieve Dirk, dit is een interventie.’ Dirk dacht even na, was een interventie niet alleen voor mensen die aan de drank of drugs waren? Hij lustte wel een glaasje, maar om nou een interventie…Voordat hij iets kon uitbrengen, vervolgde de vrouw haar verhaal: ‘Want ja Dirk, we hebben het veel over je gehad hoor. Heel veel. En weetje, jij doet het goed Dirk. Je doet het goed, wees niet bang. Werken, vrienden, sporten, reizen, vrouwen, een huis. Allemaal prima. Maar weet je wat het is, jij lieve, lieve Dirk?’ Hij schudde zijn hoofd.

De vrouw zwaaide drie keer met haar vinger in de lucht en de tafel begon in koor: ‘Er had meer in gezeten.’

‘Meer? Waarin? Hoe bedoel je?’ stamelde Dirk. Nu werd hij wakker. Hij opende zijn ogen en keek om zich heen. Naast hem zat de kat hem strak aan te kijken. Ze mauwde kort, het leek of ze wilde zeggen: ‘wist je dat dan niet?’ Hij was opgestaan en had de kat brokjes gegeven. Het beest had ze nauwelijks aangeraakt, waarmee zijn vermoeden werd bevestigd dat ze werkelijk dacht dat er meer in had gezeten. Daarna was Dirk gaan douchen, had hij koffie gezet en toen was het ijsberen begonnen.

Hij zette de radio aan, de Tour de France was de hele dag te horen. Hij hoorde de verslaggever vragen aan een renner of er niet meer in gezeten had voor de etappe van gisteren. ‘Dat kun je je altijd afvragen’, zei de renner, ‘maar als je zo diep gaat en het zuur je zo…’ Dirk zette de radio uit.

Hij pakte de cornflakes uit de kast en vulde een kommetje. Hij voegde een plens koude melk toe en las de verpakking van de cornflakes. ‘Verbeterde receptuur’ stond er op het pak. ‘Nu met 100 gram extra’ stond er ook op het pak. Kennelijk hadden ze een vergadering gehad, de mensen van de cornflakesfabriek. Hadden ze geconcludeerd dat er meer ingezeten had.

Hij keek om zich heen, naar het appartement dat hij vier jaar geleden had gekocht. Zou er meer ingezeten hebben? Had de prjs beter gekund? Benutte hij de ruimte wel goed? Zouden mensen bij hem op bezoek komen en dan op de terugreis in de auto tegen elkaar zeggen: ‘Leuk huis, maar er had meer ingezeten?’

Er was geen besluit dat Dirk kon bedenken waarbij het uitgesloten was dat er meer in gezeten had. Hij dacht aan de vrouwen met wie hij geweest was, de banen die hij gehad had, de reizen die hij gemaakt had, de feestjes die hij georganiseerd had, de auto’s die hij gekocht had… had er meer ingezeten?

Zijn telefoon ging. De telefoon waarvan hij zich nu afvroeg of hij hem wel ten volste aan het benutten was. Welke functies zou hij allemaal niet kennen? Functies die ongelofelijk leuk en slim waren? Functies waarmee je alles kunt optimaliseren, maximaliseren, waarmee je overal alles eruit kunt halen. De telefoon ging weer over. Het was zijn moeder.

‘Mam?’

‘Dirk, ik heb verdrietig nieuws,’ haar stem klonk gesmoord, ‘opa is dood.’

‘Dood? Hoezo? Het was toch niet ernstig, die operatie?’

‘Nee, maar het ging mis. Hij gleed weg. Ze hebben nog geprobeerd hem weer terug te halen. Maar het zat er niet meer in.’

‘Ik ben vrij vandaag. Ik kom nu naar je toe.’

Terwijl hij op zoek was naar zijn autosleutels, vroeg Dirk zich af hoe hij alles uit deze dag zou kunnen halen, wat de optimale route zou zijn, welke begraafplaats de allerbeste, welk pak hij zou dragen op de begrafenis…in deze maalstroom van gedachten vergat hij dat zijn keukenkastje nog open stond. Hij strikte zijn veter, kwam omhoog en stootte zijn hoofd hard tegen de punt van het kastje.

De scherpe pijn, er viel niets op aan te merken. Hij voelde tranen opwellen en besloot er alles uit te halen wat erin zat. Hij gierde met uithalen terwijl hij op de keukenvloer zat. Even later zou hij zich herinneren dat de autosleutels in zijn jaszak zaten en dan rustig naar zijn ouderlijk huis rijden.

Museum

26-06-2015

Het was fijn, maar ook eenzaam.

Het was fijn, maar ook eenzaam.

/ /

26-06-2015

‘Kom je hier wel vaker?’ Mina zuchtte. Ze was in een museum, wie versiert er nou iemand in een museum? Langzaam wendde ze haar gezicht af van het schilderij dat ze aan het bekijken was en keek ze opzij.

Een knappe man stond naast haar. Op zijn hoofd een woeste bos zwart haar, zijn gezicht had Aziatische trekken. Hij was lang en droeg een spijkerbroek die er zo nieuw uitzag dat het Mina niet zou verbazen als de stof een krakend geluid zou maken tijdens het lopen. Zijn overhemd was hagelwit en om zijn linkerpols droeg hij een paar leren armbandjes. Het was kortom, helemaal zo slecht nog niet, een gesprek te beginnen met dit figuur.

Een paar maanden eerder was ze door een kleine magere suppoost gevolgd in alle ruimtes in het grootste museum van de stad. Toen ze eindelijk aan het einde van de expositie was gekomen, had hij haar telefoonnummer gevraagd. Ze had acuut een verloofde verzonnen en toen de suppoost opmerkte dat ze geen ring droeg, verzon ze er een lang en onhandig verhaal bij van een middag klussen in haar nieuwe woning, waarbij de ring beschadigd raakte en zodoende bij de juwelier was beland. De suppoost had haar meewarig aangekeken en toen zijn nummer op een briefje geschreven en aan haar meegegeven. Vanaf de garderobe had ze nog een keer omgekeken naar de suppoost, bang dat hij haar ook naar buiten zou volgen. Dat bleek niet het geval, ze keek op zijn rug waar zijn vlassige staartje tussen zijn schouderbladen rustte.

Uitzonderlijk, had ze besloten. Dat iemand je zomaar aanspreekt in een museum- dat is uitzonderlijk. Maar vandaag was er dan een nieuwe ronde, een nieuwe kans. In het gesprek met deze man zou ze niet liegen, geen verloofde, woonhuis of spannende baan verzinnen.

‘Kom je hier wel vaker?’ herhaalde de knappe man de vraag.

‘Sorry, ik was even in gedachten. Ja, ik kom hier wel vaker, elke twee maanden ofzo. En jij?’

‘Ben hier vandaag voor het eerst. Woon je hier?’ vroeg de man. Hij sprak keurig Nederlands, op een precieze, bijna onwennige manier. Alsof hij de woorden pas voor het eerst had uitgepakt. Spiksplinternieuw, net als zijn kleding.

‘Ja, ik woon op tien minuutjes fietsen ongeveer, en jij?’

‘Ik woon al een jaar of negen niet meer in Nederland, maar ben nu voor zaken hier. Zullen we anders even koffie drinken?’

Mina deed of ze erover moest nadenken.

Op weg naar het museumcafé wisselden ze elkaars namen uit: Cheng en Mina. Mina en Cheng. Ze moest oppassen haar fantasie niet teveel op hol te laten slaan. Hij vertelde over zijn Nederlandse moeder en Chinese vader. Over opgroeien in verschillende landen, over internationale scholen en zijn huidige leven als expat in Dubai. Het was fijn, maar ook eenzaam zei hij. De luxe, het personeel, het mooie weer… wat is het allemaal waard in je eentje?

Mina knikte begripvol en zag zichzelf intussen diepgebruind op een ligbedje aan het zwembad liggen met een stapel vrouwenbladen naast zich. Ze zou wel een nieuwe bikini moeten kopen, ze had er nu maar twee waarvan eentje echt best versleten was.

Ze begon net over haar leventje te vertellen, hoe het was om junior communicatiemedewerker te zijn bij een energiebedrijf, over het appartement dat ze deelde met een oud-studiegenoot en over haar familie die nog altijd in de buurt van Zwolle woonde. Ze wilde net vertellen over de tweeling van haar oudere zus, toen ze twee handen voor haar ogen voelde.

‘Mina!’ Ze herkende de stem. Het was een oud-collega waarmee ze samen in een koffiebar had gewerkt tijdens haar studententijd. Hoe heette ze nou toch? Kim, Sanne, Lisa…. Zoiets.

‘Dit is Chung…’ stelde Mina de man voor, en dit is….

‘Ik heet geen Chung…’

‘Oh sorry, dit is Ching… en dit is…..Lisa..’

‘Ik heet geen Lisa- ik heet Emma!’

‘Sorry, sorry. Emma, dit is Chong. Chong, dit is Emma.’

De knappe man keek Mina aan met een koud gezicht. ‘Dit is precies waarom ik weg ben gegaan uit Nederland,’ zei hij toen.

‘Wat bedoel je?’

‘Het racisme. Verschrikkelijk.’

‘Ik had je naam alleen even fout, sorry-’

‘Nee, je hebt het nog steeds niet goed. Maar voor mensen zoals jij is het allemaal eender. Ching, Cheng, Chung, Chong. ‘ Hij begon zich nu echt kwaad te maken. Met een hoog stemmetje boog hij nu voorover en zei hij: ‘Witte lijst met sambal bij? Of vragen of mijn ouders een restaurant hebben, het is niet te geloven. Wat een achterlijk land!’

Mina stond haastig op en zei: ‘Nou, ik stap maar weer eens op, ga nog wat koffie drinken met, met….mensen zoals ik.’

De oud-collega was inmiddels aan het tafeltje gaan zitten bij de man. Ze leken bovengemiddeld geïnteresseerd in elkaar, hun ogen lieten elkaar niet meer los. 

‘Doei Lisa,’ zei ze tegen de oud-collega. 

‘Ik heet geen Lisa.’