Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Wederhelft

02-05-2014

‘Een levende kat?’

‘Een levende kat?’

/ / /

02-05-2014

Een gewicht duwt op mijn borstkas. Ik lig in bed, het zal wel vroeg in de ochtend zijn. Ik weet dat ik wakker ben, maar probeer nog te doen alsof het niet zo is. Misschien kan ik dit vreemde gewicht wel in mijn droom plaatsen, zoals ik ook met de wekker kan. Soms is het vervelende gepiep een robot, soms een deurbel, soms een geluid waarvan de andere mensen in mijn droom zeggen dat ik het vooral moet negeren. Maar dit gewicht, dit zware gevoel op mijn borst, is nieuw voor me.  Er zit niks anders op: ik moet mijn ogen openen om te kijken wat er aan de hand is. Ik doe het heel langzaam, ik heb goedkope gordijnen, het felle licht zou me zo kunnen verblinden. Ik tel tot drie en open mijn ogen.

Twee gele ogen kijken terug.

Het zijn de ogen van een grote bruine gestreepte kat. Rustig kijkt het beest me aan, het maakt geen aanstalten mijn borst te verlaten, totdat ik rechtop ga zitten, met een klaaglijk mauwtje gaat het beest naast me in bed zitten. Ik hou wel van katten, maar ik heb er geen. Maar voordat ik verdere gedachten kan hebben over wie deze kat is en wie ik ben, heb ik koffie nodig. Ik trek mijn badjas aan en loop naar de keuken, de kat loopt mauwend mee.

Als mijn leven een film was, zou ik het beest een schoteltje melk geven, maar mijn leven is geen film en ik heb geen melk.

Dat is met een reden: een vriendin vertelde me dat melk alleen voor baby’s is en het lievelingsdrinken van kankercellen. Ik wist niet of het waar was, maar het klonk allemaal zo logisch dat ik stopte met het kopen van melk. Yoghurt en kaas koop ik nog wel, daar heeft ze niks over gezegd. Yoghurt en kaas lijkt me geen kattenvoer. En een vreemde kat in je huis is één ding, maar een vreemde kat met diarree is weer een heel nieuwe dimensie aan problemen waar ik nog niet klaar voor ben.

Als ik mijn koffie heb, bel ik mijn vriend. Bij alle problemen bel ik hem als eerste. Dat is soms wel vijf keer per dag, maar hij vindt het niet erg. Zo’n man is het. Hij heeft er waarschijnlijk al een halve dag op zitten, efficiënt ingedeeld met hardlopen, werken, koffie-afspraken en het maken van kapotte apparaten.

Soms introduceren mensen hun partner wel als hun betere helft. Bij mij is mijn wederhelft zoveel beter dat zelfs mijn vrienden hem als de betere helft zien. Als het uit zou gaan tussen ons, zitten al mijn vrienden in zijn team, denk ik. Behalve dan Maisy, maar zij heeft op Valentijnsdag haar huis in brand gestoken en zit nu op een gesloten afdeling. 

‘Dag lief, met mij.’

‘Jeetje, een telefoontje van jou en het is nog geen negen uur! Gaat het wel goed?’

‘Nou, het gaat wel goed,’ zeg ik, ‘maar er lag een kat in mijn bed vanmorgen.’

‘Een levende kat?’

‘Gelukkig wel ja. Maar ik vroeg me af, wat moet ik ermee doen? Ik denk dat’ie door het raam is binnengewandeld ofzo.’

‘Hoe ziet ie eruit?’

‘Bruin gestreept met gele ogen.’

‘Hmm, volgens mij is die van je overbuurvrouw.’

‘Heb ik een overbuurvrouw?’

‘Ja, laatst heb ik even met haar gesproken toen ik het oud papier weg deed. Weetjewel, die vrouw met die lange grijze haren. Ik zou hem gewoon naar haar toe brengen. Maar ik moet nu ophangen, ik ga zo boarden.’

‘Oh, shit- helemaal vergeten,’ zeg ik ‘Londen he?’

‘Frankfurt.’

‘Sorry, ik ben net wakker.’

‘Geeft niks, ik zie je morgen.’

We hangen op. Ik loop naar de kat en til het beest op. Het gaat zo makkelijk dat ik me afvraag of ik geen dierenarts had moeten worden, of kattenfluisteraar of zoiets.  Ik trek een paar slippers aan en doe de deur open. Plotseling spartelt de kat, met een klap valt de voordeur achter me dicht. Ik heb geen huissleutel, geen telefoon, geen geld. Alleen een kat die niet van mij is. Die ga ik eerst maar terugbrengen. Het huis van de overbuurvrouw blijkt een kattenluik te hebben, in een flits is het beest door het luik verdwenen.

Ik heb geen vrienden gemaakt in de buurt, geen buren met extra sleutels. Ik heb een vriend die in de lucht zit, hij heeft ook een sleutel. Op een kwartiertje lopen van mijn huis woont een vriendin van vroeger. In mijn badjas loop ik door de straten, er worden grapjes gemaakt door bouwvakkers, moeders houden hun kinderen angstvallig bij me vandaan. Morgen is hij er weer, mijn betere helft.