Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Afscheid

31-08-2018

Hij merkte dat ervaring het makkelijker maakte

Hij merkte dat ervaring het makkelijker maakte

/ /

31-08-2018

Het was een ludiek ideetje geweest, maar nu werkten ze met z’n tienen, fulltime. De mannen hadden inmiddels elk drie kostuums, twee paar nette schoenen, en twee lange regenjassen in hun bezit. De vrouwen hadden zedelijke jurken voor elk seizoen, drie paar schoenen met verschillende hakhoogtes, twee mantels en een broekpak als dat gewenst was. Op aanvraag was meer mogelijk, hoeden bijvoorbeeld, of juist een kleurrijker kostuum.

In de kroeg waren ze tot de bedrijfsnaam ‘Het afscheidscomité’ gekomen. Het comité was in te huren voor crematies en begrafenissen, als zaalvulling. Meestal werden ze ingeschakeld door families die vreesden voor gezichtsverlies, die een goed gevulde zaal wilden hebben bij het afscheid van hun naasten. Een keer was het zelfs zo dat ze een boeking hadden voor een afscheidscomité van vijftig man. Gelukkig deden veel van hen aan teamsporten en konden ze zo aan genoeg rouwenden komen. Soms werd het comité geboekt door stervenden die bang waren voor een lege zaal.

Deze donderdag sprak Stijn, de vertegenwoordiger van het afscheidscomité met een man die spoedig zou sterven. Hoewel de gesprekken nooit makkelijk zouden worden voor Stijn, merkte hij wel dat ervaring het geheel een stuk eenvoudiger maakte.

In een klein huisje in het centrum werd hij ontvangen door huishoudster van de man die nu halverwege de 80 was. De huishoudster gebaarde dat Stijn de woonkamer mocht betreden en ging discreet koffie zetten in het keukentje dat achter de woonkamer zat.

De kamer was tot de nok gevuld met boeken, schilderijen, kattenbeelden en vetplanten in roestbruine potten. Voor de ramen hing vergeelde vitrage, op de grond lagen meerdere Perzische tapijten, die elkaar overlapten. In het midden van de kamer stond een bed waarin een oude man in een gestreepte pyjama half rechtop zat, gesteund door kussens in zijn rug. Op het tafeltje naast zijn bed stond een glazen asbak waar een pijp in lag.

Stijn stak zijn hand uit en was verrast door de fermheid van de handdruk van de man die zich met raspende stem als Rudolf voorstelde.

De koffie was klaar, na het eerste kopje zou Stijn de vragenlijst pakken om de praktische zaken door te spreken. Meestal duurden de gesprekken zo’n anderhalf uur, niet door de grote hoeveelheid conversatie maar door de traagheid die de mensen al langzaam aan het ondertrekken was.

‘Ik weet precies wat ik wil,’ begon de oude man toen. ‘Het gaat me niet om zaalvulling, er komen genoeg mensen. Vroeger kende ik iedereen, had ik de mooiste vrouwen, beste feestjes. De beste mensen zijn al dood, want zo gaat dat. De beste gaan eerst. Maar er zijn nog genoeg anderen, twee ex-vrouwen, vier kinderen, een handvol kleinkinderen. Oud-medewerkers, buren…Ik wil ze graag een onvergetelijk afscheid geven.’

‘Wat bedoelt u precies?’ vroeg Stijn terwijl hij probeerde in te schatten hoeveel mensen er voor deze klus zouden worden geboekt.

‘Ze doen allemaal hun best, maar weet je wat het is: Hun saaiheid is niet te verdragen. Ze hebben normale banen, als adviseur, makelaar, analist, weet ik hoe het allemaal heet. Maar de saaiheid, de middelmatigheid- ik kan niet wachten dood te zijn.’

‘Maar hoe ziet u de rol van het afscheidscomité precies?’ vroeg Stijn die lastig van zijn stuk te krijgen was en met zijn hoofd al bij de Tinderdate van die avond was.

‘Ik wil dat jullie gedurende de ceremonie verschillende dingen doen. Ik heb het volgende bedacht: een stel moet vreselijke ruzie krijgen en de zaal oververhit verlaten. Ik wil vier mensen met een beestachtige kater. Zij moeten op de tweede rij, net achter mijn schoondochters. Ik wil dat ze nog ruiken naar de avond ervoor, een avond die ik uiteraard ook zal bekostigen. Ik wil een kleine dikke man in pak die zijn sigaar niet dooft, onder geen enkele omstandigheid. Ik wil twee vrouwen in obsceen korte jurken en een vrouw die zwanger is.’

‘Een vrouw die zwanger is?’

‘Het maakt me niet uit of het echt is of niet, maar halverwege het religieuze gedeelte moet ze naar voren stommelen, naar mij in de kist. Ik wil dat ze roept dat het kind van mij is.’

‘Maar…’

‘En tot slot wil ik dat er wordt gezongen bij de koffie achteraf. Oude zeemanslieden. Dat moeten vier heren doen. Het liefst zwarte heren in maatpakken.’

Het was stil in de kamer en Stijn keek vertwijfeld naar zijn aantekeningen.

‘Waarom wilt u dit precies?’

‘Het is het allerlaatste wat ik voor ze kan betekenen. Ze zijn al dood- maar weten het niet. Mijn begrafenis gaat een onvergetelijke dag zijn in hun grauwe bestaan. Ik zou ook willen dat het anders was, maar dit is het grootste geschenk dat ik ze kan geven.’

Zes weken later was het zover. Het afscheidscomité speelde een onvergetelijke show, de gasten waren overrompeld, boos, verdrietig en gelaten. De oude man had gelijk, zoiets hadden ze nog nooit gezien. Wat hij niet had voorzien, was het razende tempo waarmee zij terug gleden in hun eigen leventjes, normale bestaan. Ze waren niet meer te redden, kortom.

Voor de medewerkers van het afscheidscomité lag het anders. Vanaf nu dachten ze bij elke normale plechtigheid aan die ene klus waar ze de boel op stelten hadden mogen zetten. Met elke gefabriceerde traan die ze in een bedompt crematorium lieten vloeien, dachten ze aan de excentrieke oude man. Dachten ze aan wat hij wilde achterlaten.

En voor ze het wisten, huilden ze echte tranen, want zij hadden geleerd was missen was. 

Huisarts

06-07-2018

Wat brengt jou hier vandaag?

Wat brengt jou hier vandaag?

/

06-07-2018

De man zat met zijn handen in zijn schoot in de wachtkamer van de huisarts. Hij was geheel in het zwart gekleed, veel te donker, veel te warm voor de tijd van het jaar. Maar dingen als jaargetijden, zonneschijn of regen vielen hem allang niet meer op. Het grootste deel van zijn dag speelde zich af in zijn hoofd.

Hij was slank, slanker dan ooit. Zijn hoekige schouders staken uit als scherpe punten onder de zachte kasjmieren trui die hij in beter tijden had gekocht. Veel tijden die hij had gekend vielen in die categorie. Langzaam was hij weggegleden, kopje onder geraakt. Zijn ogen die ooit zo helderblauw waren dat hij alles voor elkaar wist te krijgen bij docenten, vrouwen, onderhandelingen, die ogen waren troebel geworden.

Tegenover hem zat een oudere dame de longen uit haar lijf te hoesten, naast hem een vrouw met een jong kind dat hem met grote ogen aanstaarde. Een jongen van een jaar of 16 hing onderuit op een stoel in de hoek van de wachtkamer, terwijl het gebons uit zijn koptelefoon de wachtkamer vulde. De man merkte niks van dit alles.

De huisarts kwam de wachtkamer in en vroeg hem om mee te komen. Ze zagen elkaar steeds vaker, de huisarts en hij. Qua leeftijd scheelden ze een jaar of drie, maar waar de huisarts een uiterlijk van riant leven, tweede huizen, wijnkelders en zon op het terras had, leek de man met de dag een beetje meer te verdwijnen.

‘Zo Maurice, wat brengt je hier vandaag?’ zei de huisarts terwijl hij bezorgd zijn patiënt opnam. De man keek naar zijn handen, draaide ze langzaam om, bestudeerde zijn vingers alsof hij ze vandaag voor het eerst zag. Daarna zuchtte hij diep, schraapte zijn keel en sprak hij vermoeid tegen de huisarts.

‘Wat mij hier brengt vandaag? Wat brengt jou hier vandaag? Dat is wat ik me afvraag.’

‘Heb je nog nagedacht over medicatie?’ zei de huisarts met zijn ogen op het computerscherm waarop het patiëntendossier maar niet wilde openen.

‘Over alles heb ik nagedacht. Nadenken is het probleem niet. Nouja, niet bij mij in elk geval. Verder is het wel een probleem, overal, bij iedereen. Daarom kom ik vragen of je mij ook dommer kunt maken.’

‘Pardon?’

‘Ik kan het niet meer aan, de onzin, de prietpraat. Maar ik begrijp heus wel dat het niet veranderen zal. Alles, iedereen wordt dommer. Ik wil leren praten over ehm, over, over, over dingen waar men zo over praat. Ik weet niet waarover maar daarover dus. Ze hebben het er maar druk mee en ik, ik kan er niet aan meedoen.’

‘Heb je vrienden waar je mee kunt praten?’ zei de huisarts terwijl hij de computer herstartte. Hij moest niet vergeten een restaurant te reserveren voor vanavond.

‘Ik smeek je, maak me dommer,’ zei de man, die ineens een wanhopige indruk maakte.

‘Zoiets is onmogelijk, bovendien is dat niet wat u nodig heeft. U heeft duidelijk behoefte aan sociale contacten, structuur, afleiding…’

‘Je laat me in de steek,’ zei de man. ‘Ook jij laat me in de steek.’

Hij stond op en liep de spreekkamer uit, eerst met wankele passen, daarna met ferme tred, alsof zijn zelfvertrouwen met elke stap groeide. Maar eenmaal buiten voelde hij zich weer leeglopen.

Hij keek op zijn telefoon waarop geen berichten, geen telefoontjes waren binnengekomen. Tegenwoordig hoefde hij het ding slechts eens in de paar dagen te laden. Net als vroeger. Toch was het niet als vroeger, niks niet.

Daarna liep hij naar huis terwijl hij dacht aan zijn ex-vriendin die nu in een rijtjeshuis was gaan wonen met een man die consultant was. Hij was te moe haar iets toe te wensen.

Schrijver

07-06-2018

Acute situaties zijn niet aan hem besteed.

Acute situaties zijn niet aan hem besteed.

/

07-06-2018

De schrijver zit op een bankje aan het plein met de mooie bomen. Hij draagt zijn rode sjaal, een colbert, schoenen waarmee hij met gemak de hele stad kan doorkruisen.

Hij kijkt naar de kinderen die achter een bal aanrennen, naar de gehaaste moeders die op wiebelige schoenen voort proberen te maken achter grote kinderwagens. Hij kijkt naar mannen in pakken die telefonerend voorbij snellen. Hij kijkt naar de oude bewoners van de buurt die met afhangende schouders plastic tassen van de goedkope supermarkt meezeulen naar hun huisjes waar projectontwikkelaars als gieren op azen.

Het meeste van zijn leven speelt zich af in zijn hoofd, zo weet hij. In interviews legt hij het ontelbaar vaak opnieuw uit. Dat hij een geboren toeschouwer is, niet gemaakt om werkelijk deel te nemen, niet gemaakt om haantje de voorste te zijn- niet gemaakt om zijn vader op te volgen.

Acute situaties zijn niet aan hem besteed, goddank rolt de bal van de kinderen geen moment in zijn richting. Het zou verraden dat hij niet geschikt is voor enige vorm van publieksinteractie, dat hij zou schrikken, houterig en onhandig de bal zou terugschieten. En wanneer hij dan weer zou plaatsnemen, zou hij moeten zoeken naar waar hij was gebleven in zijn hoofd.

De bladeren aan de bomen ruisen zachtjes en het het feit dat hij het opmerkt, bevestigt voor hem maar weer eens dat hij een echte schrijver is. Een kunstenaar, een artiest.

Maar in de nacht kijkt hij met open ogen naar het plafond terwijl zijn vrouw met langzame diepe teugen ademhaalt, met een vanzelfsprekendheid die hem ontzag inboezemt.

Hij denkt na over het personage dat hij geworden is. Hij denkt na over eigenschappen, vormen en eigenaardigheden die hij zou kunnen toevoegen aan zichzelf. Een uitgewerkt personage te zijn in het verhaal waar hij maar geen vat op kan krijgen. Hij voelt zich een bedrieger, een leugenaar soms. Te leven zonder plot, te weten dat de informatie altijd in de verkeerde volgorde komt, het maakt hem moe en somber. Zelfs in zijn eigen verhaal lukt het niet de held te zijn, enkel de rol van gedistingeerde heer is hem gaan passen als een kostuum waar hij zich buiten zijn eigen kringen voor schaamt.

Op weg naar huis raast de wereld langs hem heen. Scooters met lauwe pizza’s in de bagagebox scheuren voorbij, groepen dronken Britten vernederen hun vriend die gaat trouwen, een oude hond loopt leeg op de rand van de stoep.

Hij gaat zijn woning in. De sleutels, de deur die langzaam opent, de plek waar hij zijn sjaal hangt, het zijn stappen van een vaste choreografie. De schoenen gaan uit, de pantoffels aan. Het huis ruikt zoals de bedoeling, ruikt zoals altijd.

Zijn vrouw staat in de keuken, ze leest de krant op het aanrecht, een gewoonte die ze heeft, een gewoonte die hij niet had kunnen bedenken. Onbekommerd is ze een mens met eigenaardigheden, een mens met eigen gewoontes. In haar hoofd geen ruimte om dit te bevragen, maar enkel opgestroopte mouwen, boodschappenlijstjes, verjaardagen, verse bloemen op de keukentafel. Ze heeft soep gemaakt, zegt ze. Het moet alleen nog even worden opgewarmd. En of het een fijne wandeling was.

Hij zegt dat het fijn was, maar voor zulk soort antwoorden zijn ze te lang samen. ‘Heb je het weer?’ Vraagt ze.

Hij knikt en kijkt hoe ze de krant sluit, het fornuis aanzet, een glas water voor hem vult. Ze gebaart hem te gaan zitten aan de keukentafel en zet een kom soep voor hem neer.

‘Voorzichtig’, zegt ze, ‘het is heet’.

En met elke hap hete soep die hij eet, terwijl haar ogen op hem gericht zijn, voelt hij zich meer en meer gestalte krijgen. Zelfs al heeft hij geen kennis van het naderende plot, zelfs al is zijn vrouw geen schrijver.

Pretpark

28-04-2018

Een klantvriendelijke lach met dode ogen.

Een klantvriendelijke lach met dode ogen.

/

28-04-2018

Miki stond voor de spiegel in de hotelbadkamer haar haren te borstelen. Ze zag er somber uit, somber voor iemand die op vakantie was met haar lief. Hij lag op het bed en was een of ander spelletje op zijn telefoon te doen. Daar zou je iets van kunnen vinden, maar wie een man onder de veertig wil daten, kan beter kiezen voor glimlachend wegkijken.

Straks zouden ze een dagtripje gaan maken, een tripje naar een pretpark, om precies te zijn. Als kind huilde Miki altijd op de kermis, als puber kwam ze haast om van de stress van de achtbaanparken en als volwassene had ze de parken altijd weten te vermijden. Maar soms doe je iets voor een ander. Dat is wat mensen doen.

Laatst sprak ze erover met haar vriendin Grace, de meest besliste van haar vriendenkring. Het leek altijd of Grace een gebruiksaanwijzing, een uitleg van had gekregen van hoe de dingen gaan, hoe ze werken, hoe succesvol te zijn. Grace had net haar sigaret opgestoken op het terras waar ze als enigen waren neergestreken, onder de luifel, onder een warmtelampje. Het was een zondagmiddag en het miezerde. De tegenzin van de mensen om morgen weer op te moeten staan, werken, was voelbaar.

Grace had gezegd dat zij in haar leven alles zou doen voor de liefde. Het had Miki indrukwekkend in de oren geklonken, maar toen ze ging doorvragen, bleek er op het ‘alles’ van Grace nogal wat af te dingen. Het kwam neer op het volgende: Voor de liefde doe je alles. Alles, op de manier waarop volwassenen het bedoelen. Dus niet met bloedvergieten en akeligheden, maar ‘alles’ op de manier van zo nu en dan rekening houden met de ander, attent zijn, geduldig. Maar vooral op een manier die niet al teveel impact zou hebben op het eigen leven. Want je kunt pas houden van een ander wanneer je van jezelf houdt, volgens Oprah en allerhande thuisstudie-therapeuten. Dus wanneer iemand zegt: voor de liefde doe je alles, is dat meestal op de ketchup in plaats van mayo-manier. Dat klinkt misschien als inzetten op futiliteiten, maar is het dagelijks leven niet vooral zoiets?

Daarna dronken ze nog een portje om het af te leren en twee dagen later vertrok Miki op reis.

‘Ben je klaar? De taxi is er.’ Miki legde haar borstel neer en liep de kamer in, waar haar lief al klaarstond met zijn rugtas op. Zwijgend gingen ze naar beneden. Het busje van het park was precies op tijd, alles was perfect geregeld. Zwijgend keek ze uit het raam, zag de stad voorbij glijden terwijl haar lief zijn hand op haar knie legde.

Ze waren vroeg, de wachttijd voor de ingang duurde kort. Er stonden gewone mensen in de rij. Gezinnen, vriendinnen, kinderen, pubers. Gewone mensen die net als zij, een gewoon stel waren, een stel dat gewoon een dagje uit ging. Want dat is wat mensen doen, ze gaan dagjes uit.

Het park zag eruit als een stad in een tekenfilm. De straten waren schoon, er waren bloembakken vol bloeiende bloemen, er waren perfect symmetrische bomen, er waren restaurants, winkeltjes, bootjes op een meer. En daartussenin waren de achtbanen, treintjes, attracties met wachtrijen tot 240 minuten.

Overal klonk opgewekte muziek en servicemededelingen in een taal die Miki niet verstond. De mensen die er buiten nog zo gewoon uit hadden gezien, waren inmiddels opgeleukt met allerhande accessoires die ze uit het niets tevoorschijn hadden getoverd.

Brillen, gekleurde t-shirts, gekke haarbanden, mutsen, tassen, popcornbekers die je om je nek kon hangen en pluche handschoenen in de vorm van berenklauwen waren onderdeel van het straatbeeld geworden.

Het personeel in het park liet continu zijn tanden zien in een klantvriendelijke lach met dode ogen. Zo leidden zij de boel in goede banen, vormden ze perfecte rijen van het gehoorzame publiek. Rijen voor attracties, rijen voor foto’s met mensen in pluche kostuums, rijen voor de popcornbekers in de vorm van een robot, rijen voor de toiletten.

In deze wereld was alles te koop voor de hoogste prijs, die mensen gedachteloos betaalden. Want wat was 25 euro voor een bak popcorn nou helemaal? Deze wereld hing aan elkaar van kleur, muziek en vrolijkheid. Een fanfareband trok door het park, met een zwerm van danseressen eromheen die ook een krampende lach toonden in hun blauwe glitterpakken.

Miki probeerde contact te maken met haar lief, met andere mensen in het park, met wie er ook maar zou bestaan voor een blik van verstandhouding. Maar iedereen leek te druk te zijn met genieten, met plezier maken, met selfies nemen, ijsjes eten.

Na een uur wachten in de brandende zon, gingen ze dan de eerste attractie in. Ze namen plaats in een soort kolenmijntreintje dat door een magische wereld reed, langs allerlei beelden, vogels, geluiden, een paar schrikelementen en een grote versnelling van het tempo aan het einde maakte de rit compleet.

Toen de stang van hun treinstel omhoog ging, knapte er iets in Miki’s hoofd. Ze begon te schreeuwen tegen haar lief, gooide haar tas uit het treintje en siste naar de kinderen die haar passeerden. Ze werd discreet aan de arm naar buiten gebracht door twee medewerkers die nog steeds bleven lachen.

Het gebeurde wel vaker, vertelde de manager. Dat mensen overweldigd waren door de schoonheid, door de grootsheid van het park. Het is even wennen om in een droomwereld te leven, voegde hij eraan toe. Ze knikte, deed alsof dat precies de lading dekte. Toen kreeg ze een blauw softijsje dat ze voor de helft opat.

‘Ik wist niet dat je het zo erg zou vinden,’ stamelde haar lief. ‘Ik ben gewoon niet geschikt voor zoveel leuks,’ antwoordde ze beteuterd.

De zon was inmiddels gestaakt met schijnen en Miki begon het koud te krijgen. ‘Koop anders even een trui ofzo, dan heb je wat te doen wanneer ik in de Magic Amazing Superride zit,’ zei haar lief, die ook alles voor de liefde deed, maar niet zou stoppen met genieten van deze dag, niet zou vertrekken voor sluit.

Ze knikte en liep verdwaasd door de winkeltjes, waar hele gezinnen in de schappen stonden te graaien, op zoek naar souvenirs om deze dag extra onvergetelijk te maken.

Het enige warme kledingstuk was een pluche vest met berenoren aan de capuchon en een bol staartje aan de achterkant. Ze kocht het vest en nam plaats op een bankje vlakbij de rozentuin waar acrobaten als stukjes elastiek rondschoten.

Anderhalf uur later kwam haar lief terug, zijn ogen schitterden. ‘De beste achtbaan ooit,’ zei hij. En waarschijnlijk had hij gelijk.

Fietsband

18-03-2018

Zoiets kon gebeuren.

Zoiets kon gebeuren.

/

18-03-2018

Een band plakken, zoiets leerden de kinderen tegenwoordig niet meer. Ze leerden computercodes schrijven, ze leerden objecten printen in 3d, ze leerden filmpjes van zichzelf te maken. Ze leerden Chinees vanaf hun tiende, en een bedrijf opzetten op hun veertiende. Maar een band plakken, zoiets leerden ze niet.

Hij kon het gedachteloos, als een kalm ritueel met stappen die elkaar als vanzelfsprekend opvolgden, als in een dans, als op die favoriete cd waarvan je onbewust al weet welk nummer zal volgen. Maar cd’s bestaan ook al bijna niet meer.

Gehurkt zat de man op een krukje met drie poten bij het teiltje, terwijl hij centimeter voor centimeter de binnenband onder water liet glijden om te zien wanneer het ding naar lucht zou happen als een peuter die kroos niet weet te onderscheiden van gras.

De man was op tweederde van de band en nog steeds was er geen belletje ontstaan in het water. Zoiets kon gebeuren. Het was niet gebruikelijk, maar gebeuren kon het. Langzaam verschoof hij de binnenband weer een stukje. 

Op driekwart had hij het lek nog steeds niet gevonden. Zijn aandacht werd scherper, het kon nu elk moment gebeuren, het moest wel. Het zou wat zijn als het lek precies in de laatste centimeter van de band zou zitten, bedacht hij hoofdschuddend.

Maar het lek liet zich niet vinden. Beduusd liet de man de binnenband nog eens door zijn handen gaan. Had hij werkelijk elke centimeter gehad? Nooit eerder was dit hem overkomen. Hij krabde op zijn hoofd en besloot toen om eerst maar eens een goede kop koffie te drinken en zich daarna verder te verdiepen in dit mysterie.

Hij zette de koffie zoals hij altijd deed, en was opgelucht te merken dat dit nog wel ging zoals hij gewend was. Want zoiets als met de band, dat was zo vreemd, zo onverwacht, dat het leek dat vanaf nu alles mogelijk was. En niet op de manier die ze in de reclames op tv lieten zien, van stralende mensen die lachend over stranden renden, op feestjes waren, op bergtoppen nadachten over de apps die ze gingen ontwikkelen. Nee, het voelde of de deur naar donkerte, naar ongewenste verrassingen was opengezet. Alsof zijn leven uit los zand leek te bestaan of misschien zelfs enkel uit losse flarden in zijn hoofd.

Het was in elk geval duidelijk dat de informatie die hij had, lang niet toereikend was.

Na de koffie keerde hij terug naar de garage waar de fiets en het teiltje met de bandenplakset waren achtergebleven als een decor van een filmscène waar iemand uit weggevlucht was.

Hij nam opnieuw plaats op het houten krukje, begon opnieuw de binnenband centimeter voor centimeter door te nemen. Het water was kouder, binnen in de garage was het ook donkerder geworden, de avond begon te vallen. Het beetje licht uit de zijramen maakte kennelijk meer verschil dan hij had gedacht en ook deze constatering gaf een gevoel van onrust dat hij niet kende.

Het inspecteren verliep nog langzamer dan de eerste keer. Niet omdat hij onnauwkeurig had gewerkt, maar omdat hij niet kon denken aan een scenario waarin het lek weer niet tevoorschijn zou komen. Zijn gedachten, de omgevingsgeluiden, alles leek te verstommen in de zoektocht die volgde. Als in een tunnel bestudeerde hij de binnenband, alsof het als enige object overgebleven was uit een eerdere beschaving.

De deur van de garage ging open, zijn vrouw stond in de opening. Haar lippen bewogen maar horen deed hij het niet. ‘Kom je eten?’ herhaalde ze terwijl ze over haar bovenarmen wreef. ‘Het is stervenskoud hier, waarom zet je de verwarming niet aan?’

‘Ik kom eraan,’ klonk uit zijn mond, woorden die gepast waren, woorden die hij niet zelf gekozen had, niet bewust. Maar wat viel er nog te zeggen over bewustzijn, over waarheid, over wilskracht. Ook in het laatste deel van de band had hij geen lek gevonden.

Stram bewoog hij zich naar de deur en ging hij naar binnen, waar het licht warm oranje was, er muziek klonk en de geur van gebakken champignons hem tegemoet kwam. De tafel was gedekt, de hond lag te slapen in zijn mandje.

De man schonk twee glazen rode wijn in, zijn vrouw kwam aangelopen met twee borden pasta. Alles was goed, de muziek, het eten, zijn gezelschap. Van niks had hij meer kunnen verlangen, verwachten. Toch knaagde het stilleven in de garage aan hem. Alsof de echte wereld daar stond, hij nu in een parallelle wereld liep, die beter leek, maar minder waarachtig was.

Ze converseerden, aten, maakten een grapje. Hoewel hij dacht dat hij zich natuurlijk gedroeg, merkte zijn vrouw meteen de verandering die in hem gaande was.

‘Wat is het? Wat zit je dwars?’

Het duurde even voor hij het zwijgen kon doorbreken. Ze hadden samen voor hetere vuren gestaan, dingen meegemaakt, avonturen beleefd. Hij was de held in de meeste van haar verhalen en nu zat hij hier te tobben over een fietsband. Hij dacht aan alternatieve antwoorden, verklaringen voor zijn gedrag, maar kwam tot niks.

‘Ik kan het lek niet vinden,’ zei hij daarom maar.

‘Het lek?’

‘In mijn voorwiel. Ik kan het niet vinden. Ben al twee keer helemaal rondgegaan.’

‘Maar je band was toch plat?’

‘Ja, daarom ben ik hem aan het plakken,’ zei kribbiger dan hij bedoelde.

‘Nouja, als je het niet kunt, dan breng je hem toch gewoon naar de fietsenmaker?’ zei zijn vrouw, met zoveel goedheid dat hij de schaal met salade wel tegen de muur kon smijten.

‘Ik denk niet dat je het begrijpt,’ zei hij in plaats daarvan.

‘Dat zou heel goed kunnen,’ zei ze en ze verzamelde de borden. ‘Wil je koffie?’

‘Nee,’ zei hij, ook al had hij de laatste twintig jaar altijd ‘ja’ gezegd op deze vraag.

‘Doe niet zo kinderachtig,’ zei ze en hij wist dat ze gelijk had, maar ook dat hij het nooit zou kunnen toegeven.

Na de koffie stond hij op van tafel.

‘Ik ga nog een keertje kijken,’ zei hij.

Zijn vrouw zat in haar hoekje op de bank, zijn stoel was leeg, leek hem ook vertwijfeld aan te kijken.

‘Een fietsenmaker kost 15 euro,’ zei ze verveeld.

Maar dat het daar niks mee te maken had, kon hij onmogelijk uitleggen.

Pauze

13-01-2018

Voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

Voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

/ / /

13-01-2018

De eerste keer dat het gebeurde, dacht ik dat ik het me verbeeldde. Ik stond in een boekenwinkel, een winkel met vaste klanten, een winkel met literatuur, met obscure vertalingen, een winkel waarvan mensen bang zijn dat ze binnenkort niet meer zullen bestaan. Een winkel die moet blijven bestaan, niet alleen omdat de eigenaar zijn vaste klanten kende, maar omdat status een steeds ingewikkelder concept geworden was. Dure woningen, merkkleding of eten in mooie restaurants… vechtsporters, hiphopartiesten en allerhande geteisem wist de weg naar deze ouderwetse statusmarkeringen te vinden. Deze boekhandel belichaamde het idee van elite, van veiligheid, van een oude wereld die misschien aan het krimpen was, maar zeker niet verdwenen.

Ik bladerde wat door een fotoboek waar ik geen geld voor had, bekeek de nieuwste aanwinsten, liep door richting de tafel met afgeprijsde boeken. Dat waren de boeken die voor mij bedoeld waren. Geen schande op deze plek, want voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

Vlak voor ik de armoetafel bereikte, viel het stil. Alsof ik ineens onder water liep, het verdwijnen van geluid als intense herrie. De zachte pianomuziek was weg, het gesprek van twee klanten was weg, het geluid van de verkoper die aan het bellen was, viel weg. Iedereen stond stil, als ware de winkel een wassenbeeldenmuseum. Alleen ik kon nog bewegen, kijken, bladeren. De situatie duurde een seconde of tien, vijftien hooguit. Daarna ging alles verder. Ik probeerde contact te maken met iemand, wilde vragen wat er gebeurde. Maar de wereld leek onaangedaan en ik een eenzame gekkin.

Omdat het verlies van mijn mentale gezondheid altijd op de loer lijkt te liggen, als een vieze kerel in een bar, wachtend op een laveloze vrouw, besloot ik het incident in de boekhandel te vergeten. Het was me bijna gelukt, totdat ik mijn haren liet knippen bij mijn vaste kapper.

Alles verliep volgens plan. 

We spraken over vakantieplannen, ik kreeg nekpijn van het haren wassen, ik kreeg een glas thee die te sterk werd doordat ik het zakje er niet op tijd uit kon halen. Op de cape en op de vloer om me heen, lagen natte punten haar die door een mokkende stagiaire werden weggeveegd. Toen pakte de kapper de föhn, om zo een kapsel te maken dat ik nooit meer zo zou hebben, nooit meer na de dag van het knippen. De warme wind waaide in mijn gezicht dat donkerroze aan het worden was van de hitte, en mijn kapper stelde me net een vraag die ik niet kon verstaan door de herrie.

Het geluid viel weg. De föhn was uit, de kranen liepen niet meer, het geklets was voorbij, de radio verdwenen. Ik keek om me heen. Iedereen stond stil, het was precies als in de boekhandel. ‘Hallo?’ zei ik vertwijfeld, te zacht, te bescheiden. Het moment waarop ik mijn telefoon wilde pakken om het te filmen, om aan anderen te laten zien wat ik had meegemaakt, werd alles weer normaal.

Wederom probeerde ik alles te vergeten, het was immers te vreemd om waar te kunnen zijn.

De derde keer dat het gebeurde, had ik er genoeg van. Ik stond bij een stoplicht te wachten om over te steken, en alles viel weer stil. De tram reed niet verder, de afslaande auto’s stonden stil. De meeuwen hielden op met hun geschreeuw. Toen de tien seconden voorbij waren, sprak ik de dame die naast me stond te wachten, aan.

‘Wat was dat nou, die gekke stilte, die pauze van alles?’ vroeg ik haar, verontwaardigd haast, omdat niemand sjoege gaf.

De dame fronste haar wenkbrauwen en zei: ‘Je bedoelt dat alles even stilstaat?’

‘Ja,’ zei ik, opgelucht dat ze wist waar ik het over had.

‘Dan doen we toch elke dag weleens?’ zei ze.

‘Elke dag? Ik heb het maar een paar keer gezien…’

‘Gezien? Je hebt het gezien? Nou, dat is zeldzaam. Dat hoort niet. Het is de bedoeling dat je eraan meedoet. Iedereen doet mee. Dat is de afspraak.’

‘Meedoen? Maar hoe weet je dat dan? Hoe weet je wanneer?’

‘Nouja, dat wéét je. Zoals je weet dat je water moet drinken wanneer je dorst hebt. Of niet te dicht bij vuur moet komen…Je weet het gewoon.’

‘Instinct?’ vroeg ik, haast radeloos nu.

‘Noem het wat je wilt,’ zei de dame verveeld.

Het stoplicht sprong op groen en zwijgend liepen we naar de overkant. Ik had nog wel duizend vragen, maar wist niet waar te beginnen, bij wie. Hierna maakte ik geen pauzes meer mee. Of misschien wel, deed mijn instinct eindelijk zijn werk.

Voornemens

29-12-2017

Ik probeer adequaat te reageren.

Ik probeer adequaat te reageren.

/

29-12-2017

Halverwege mijn fietstocht breekt de hemel in twee en besluit ik te schuilen in een café. Drijfnat open ik de deur van de plek waar ik al honderden keren voorbij fietste, maar nooit naar binnen ging.

Het is een café waarvan er zoveel bestaan, dat ik het lijkt of ik er al eerder ben geweest. Een niet al te grote ruimte met een witgeverfde vloer, betonnen details, hangplanten, houten kistjes als tafel. Het is een goedgelukte plek, gemaakt voor mensen zoals ik. Mensen die veel zwarte kleren dragen en een beetje tobberig uit de ogen kijken. Mensen die drie euro vijftig betalen voor een kopje water met drie schrijven gember erin. Niet omdat ze zo rijk zijn, maar omdat de situatie nu eenmaal zo is.

Het verveelde meisje achter de bar geeft me de thee en ik ga in de hoek van de ruimte zitten op het rotan stoeltje, naast de grote plant. Op het gammele tafeltje liggen fotografietijdschriften, waar ik doorheen blader, op zoek naar iets waarvan ik niet weet wat het zal zijn. Ik kijk om me heen.

Aan de leestafel komen steeds meer mensen zitten. Ze lijken elkaar niet te kennen, maar lijken wel een kledingkast te delen. Een kast vol grote jassen, hoogwaterbroeken, mannenschoenen, rugtassen, geen make-up.

De tafel wordt aangevoerd door een vrouw van een jaar of dertig in een tuinbroek. Haar haren zijn in een scherpe bob geknipt en ze heeft een meisjesachtig gezicht met grote ogen.

Wanneer de tafel bijna bezet is, loopt ze een rondje langs de andere tafeltjes, vertelt ze vol enthousiasme over wat ze gaan doen. Ik kan het allemaal net niet verstaan, doe dan maar alsof ik het blad aan het lezen ben, zodat ze me kan storen en ik verbaasd op kan kijken.

Sneller dan ik verwachtte, staat ze naast me. ‘Hoi, ik ben Anisae, en bezig met een project. We schrijven goede voornemens voor het volgende jaar. Maar in plaats van alleen, doen we dat met een groepje mensen, zodat we elkaar ook kunnen inspireren.’

Ik probeer adequaat te reageren, maar zoals dat wel vaker gaat met dingen die ik voor het eerst meemaak, lukt het slecht. ‘Doe je mee?’ zegt ze met wat ongeduld in haar stem. Ik knik en loop achter haar aan naar de grote tafel.

‘Hoi,’ zeg ik tegen de andere mensen. Sommige knikken, de meesten zijn bezig met hun telefoon. We krijgen allemaal een velletje papier en een potlood. ‘Zo,’ zegt de leider, ‘schrijf nu je eerste ingevingen op, dan geef ik daarna wat tips om de boel aan te scherpen.’

Iedereen buigt zich vol ijver over het papier. Ik maak een lijstje met doelen zoals ik ze altijd stel. Meer bewegen, beter koken, meer sparen, foto-albums maken van de foto’s op mijn computer. De leider loopt rond de tafel en leest zo nu en dan mee, maar zegt niks.

Dan klapt ze in haar handen en zegt ze: ‘Heel goed allemaal, dan is het nu tijd om je principekwestie te kiezen. Dus iets waar jij voor wilt staan. En maak het concreet, ik kom weleens mensen tegen die beter voor de planeet willen zorgen, maar dat is natuurlijk niet onderscheidend. We wonen allemaal op deze planeet, en er beter voor willen zorgen klinkt gewoon heel abstract. Bedenk waar jij voor op de poster zou willen staan. Welk soort protest jouw unieke imago kan versterken.’

We gaan weer aan de slag.

Ik bekijk mijn goede voornemens nog eens en nog eens. Er komen geen gedachten in mijn hoofd. De leider vangt mijn blik en komt naar me toe. Ze pakt een stoel en gaat naast me zitten.

‘Ik zie dat je het moeilijk hebt,’ zegt ze droogjes. ‘Ik weet niet zo goed,’ begin ik. ‘Wat vind jij belangrijk? Wie wil jij zijn? Wie ben je nu?’ onderbreekt ze me.

Ik begin te stamelen. ‘Ik? Nou, gewoon iemand die aardig is voor de mensen. Niet lullig, maar altijd aardig. En voor de aarde zorgen, ja ook belangrijk… en de dieren…Gewoon, een vredig…’

De leider doet alsof ze moet gapen. ‘Saai, saai, saai! Aan jou hebben we niks. Je zei iets met dieren? Nou, laat dat dan zien! Campagne, opiniestukken, tweets en insta! Meningen, meningen, meningen. Dáár is de wereld op gebouwd en op niks anders! Begrijp je wat ik zeg?’

‘Maar het gaat toch niet over mij persoonlijk…’ ‘Tuurlijk wel! Als jij dat vindt, dan is die mening helemaal van jou, dan stroomt die door je aderen, dan ben jij het boegbeeld, de inspiratie…’

Dan gaat haar telefoon en neemt ze op.

Stilletjes trek ik mijn jas aan en wandel ik naar buiten.

Mayonaise

29-10-2017

Ze leefde een leven zoals de bedoeling was.

Ze leefde een leven zoals de bedoeling was.

/ / /

29-10-2017

Didi was een gewone vrouw met een gewoon leven. Ze had een goede kantoorbaan, een prettige woning en een lieve vriend. Ze woonde in een net huisje niet ver van het centrum van een grote stad.

Op donderdagavond ging ze naar de sportschool, op maandag rende ze een rondje door het park. Op woensdagavond in de oneven weken sprak ze af met een clubje vriendinnen van haar studie. Dat werd nooit laat, want ook haar vriendinnen moesten de volgende dag weer op tijd op. Bovendien wilden ze allemaal acht uur slaap halen. Dan functioneerde je het beste, zo vonden ze.

Er waren meer dingen waar ze het over eens waren. Hoe een leuk ingericht huis eruit zag, bijvoorbeeld. Welke restaurants het bezoeken waard waren, welke boeken het lezen. Wat een leuke grap was, wat lekker gek was en wat ongepast. Soms vroegen mensen of Didi en haar vriendinnen zussen waren, of nichtjes ten minste. Die vraag amuseerde hen. Tegelijkertijd dachten ze allemaal hetzelfde: dat zijzelf dan wel de knapste zou zijn van het stel.

Didi droeg graag kleding van merken uit het middensegment, want dat bleef langer mooi. Ze dronk kruidenthee met een wijze spreuk op het theezakje en in het weekend een glaasje witte wijn. Soms las ze een boek, elke avond keek ze tv.

Soms waren er tegenslagen, soms meevallers. Soms kibbelde ze met haar vriend, meestal was het gezellig. Ze was attent naar vrienden en familie. Elke zes maanden ging ze naar de tandarts, elke zes weken naar de kapper. Afval werd gescheiden en ze stond op voor oude mensen in de bus. Didi leefde kortom, een leven zoals de bedoeling was.

Toch was er recentelijk een bepaalde onrust in haar leven gekomen, en wel in de gedaante van een man die ze nog nooit in het echt had ontmoet. De man was acteur, maar eigenlijk was hij vooral bekend als de mayoman uit een serie reclames voor mayonaise. Ze had de reclames tientallen keren gezien zonder in de war te raken, zelfs zonder de mayo te willen kopen.

Het was begonnen met een interview in een damesblad waarvan ze de inhoud niet meer zou kunnen herhalen en ook de foto’s was ze al praktisch vergeten. Toch was er iets gebeurd, want vanaf dat moment was hij overal waar zij was. Wanneer ze haar boodschappen op de band legde in de supermarkt, keek ze om zich heen om te zien of hij er toevallig ook was. Wanneer ze zich aankleedde, probeerde ze zich voor te stellen wat het mooiste zou passen terwijl ze naast hem zou staan. Wanneer ze in een van haar kookboeken bladerde stelde ze zich voor wat hij lekker zou vinden.

Want dat van die mayoreclame, dat was alleen voor het geld natuurlijk. Het was een man met klasse, een eindeloos diepe ziel, een poëtische geest, een man die geen banale dingen zou zeggen.

In haar hoofd zaten ze lange avonden aan het haardvuur in zijn huis, terwijl ze gesprekken voerden waaruit bleek dat ze zielsverwanten waren. In haar hoofd dronk ze rode wijn in plaats van witte, in haar hoofd was ze een vrouw die hoofden deed omdraaien op straat, een bijzondere verschijning.

De parallelle wereld breidde zich elke dag een beetje verder uit. In haar hoofd waren ze al naar Parijs verhuisd, teruggekomen, hadden ze een zoon gekregen en kwam er nu een geweldige kans in New York op hun pad.

Haar drukke innerlijk bestaan maakte dat ze zowel vrolijker als somberder werd.

Wanneer ze foto’s zag van zichzelf met haar vriend, op een huwelijk ergens op een middelmatige locatie, met eten dat te zout was, dan kon ze haar computer wel uit het raam gooien. Het kon niet zijn dat dit het was, dit leventje, dit gedoetje. Op andere momenten werd ze juist vrolijk wakker na een nacht vol dromen over de mayoman, en bekeek ze kleding voor haar toekomstige leven. Stiekem bereidde ze zich steeds meer voor op het bestaan met de mayoman, ook al wist ze dat het belachelijk was.

Ze durfde aan niemand te vertellen wat er gaande was in haar hoofd. Vriendinnen hadden gezegd dat haar ogen sprankelden, haar haren glanzender leken. Haar vriend had gezegd dat ze emotioneler was dan anders, maar was ook blij met haar verhoogde libido, niet wetend dat zij de mayoman zag wanneer ze haar ogen sloot.

Het was op een regenachtige avond in november dat ze de mayoman in levende lijve zag. Het toeval was een handje geholpen, Didi had uitgebreid onderzocht waar hij woonde, waar hij boodschappen zou doen. Het was flink om, maar niemand hoefde ervan te weten.

Ze baalde van haar outfit die dag, maar het gure weer had haar gedwongen tot het aantrekken van een groot vest en stevige laarzen. De mayoman zelf zag er ook niet al te florissant uit, in een groene parka en met beslagen brillenglazen (een bril die ze nog niet eerder had gezien maar uiteraard meteen charmant vond).

Subtiel achtervolgde ze hem van schap naar schap en uiteindelijk zorgde ze ervoor dat ze precies achter hem in de rij kwam te staan.

Halsreikend keek naar de boodschappen die hij op de band legde. Het begon anders dan ze dacht, met een halfje casino wit. Daarna volgden een fles aanmaaklimonade, de goedkoopste leverworst die er maar bestond, een pak pasta, een potje kant-en-klare carbonarasaus, twee pakken chocoprinskoeken, een zak wokkels en een fles felgroene Fernandes.

Misschien had hij een kind te logeren, probeerde ze zichzelf gerust te stellen. Een neefje ofzoiets. Maar er was geen kind te bekennen. Met lede ogen keek ze hoe de mayoman alles in een versleten Aldi-tasje stopte.

Daarna zag ze haar toekomst langs de scanner gaan. Goede wijn, ambachtelijk brood, verse kaas, zalm gerookt op eikenhout.

Ze dacht aan haar goedzakkige vriend die nu op de bank zou zitten. Ze dacht nog eens aan de mayoman, aan haar gedroomde toekomst.

En toen barstte ze in tranen uit.

Koffie

09-09-2017

Soms moet je nu eenmaal koffie drinken.

Soms moet je nu eenmaal koffie drinken.

/ /

09-09-2017

‘Het is tijd dat je volwassen wordt’, zei de zus vermoeid tegen haar broer, met een verveling in haar stem die verried dat ook zij moe geworden was het eeuwig herhalende gesprek. Ze sprak zonder op te kijken vanuit het vrouwenblad dat ze aan het lezen was. Een blad vol aanwijzingen hoe te leven, maar verstoken van waardevolle adviezen. Toen reikte ze naar de theekop die op het houten kistje naast de grijze hoekbank stond, waarmee haar interieur precies overeenkwam met de adviezen uit het blad.

De broer zat in de vensterbank en opende het raam nog wat verder om een sigaret op te steken. Voordat hij zou antwoorden, inhaleerde hij diep. Een gewoonte die hij zich jaren geleden eigen had gemaakt, toen elke conversatie met zijn zus uitliep op slaande ruzie.

‘Denk je niet dat het genoeg is, dat ik gewoon mijn eigen leven leef zoals ik wil? Ik doe er niemand kwaad mee ofzo.’ Hij keek naar zijn afgetrapte allstars, naar de versleten broek die eigenlijk te groot was, naar zijn eeltige handen en wachtte op het onvermijdelijke.

Met een zucht sloot ze het magazine en legde het naast zich neer op de bank. ‘Dat is toch wel heel minimaal, wat je daar zegt. Dat het maar goed is, zolang je er niemand kwaad mee doet? Hoe kom je daar eigenlijk bij?’ Hoofdschuddend liep ze naar de brandschone keuken terwijl ze vervolgde: ‘Hoe kun je nou zo leven? Je lijkt wel een student van veertig… je, jij hebt toch ook dromen? Wil je geen huis kopen, een auto, gewoon, de dingen voorelkaar hebben? En dan echt voor elkaar? Begrijp me niet verkeerd, het is heel knap hoor, die zandsculpturen enzo,..’ Nijdig gaf ze een asbak aan die ze uit een keukenkastje had opgevist.

‘Maar dat is toch geen baan.’

Het woord baan rekte ze dusdanig uit dat het begon te klinken als een soort hele lange gaap, of voorzichtige aanzet tot braken. ‘Waarom maakt het jou zoveel uit?’ vroeg de broer terwijl hij zijn sigaret uitdrukte in de asbak.

‘Waarom maakt het mij uit?’ herhaalde de zus, ‘Waarom maakt het jou niet uit? Heb je daar weleens over nagedacht?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik ben wel tevreden zoals het is,’ zei hij toen.

‘Dat is helemaal erg, wat je nu zegt,’ zei de zus die haar geduld steeds meer begon te verliezen. Ze kreeg rode konen, en haar lichtblauwe blouse leek met de seconde meer gekreukt te raken, iets waar ze een ontzettende hekel aan had. Haar grijze ogen vuur spuwden vuur. Toen zuchtte ze heel diep en zei ze: ‘Je bent gewoon heel erg verwend, dat is alles.’

‘Jij hebt dezelfde ouders als ik,’ sputterde de broer tegen. ‘Ja, maar ik ben de oudste en jij de jongste en dat maakt alles anders,’ zei ze op de autoritaire toon die oudste kinderen kunnen aanslaan, zelfs op hun vijftigste.

‘Ik begrijp niet waarom jij je nou zo druk maakt om mijn leven,’ zei de broer nu ook hard. ‘Je hebt toch zelf een leven, een baan, kinderen, gedoe, dingen te doen? Waarom schenk je me niet gewoon een kop koffie in zonder een preek? Daar zou ik pas gelukkig van worden. Jezus Mina.’

Het viel stil.

De broer pakte snel een nieuwe sigaret en rookte zwijgend. De zus was teruggelopen naar de keuken waar ze met een doekje het aanrecht afnam, voor de tachtigste keer die dag.

‘Sorry,’ zei de broer, want hij wist dat ze bij zo’n uitval niks zeggen zou, maar later huilend aan de lijn zou hangen met hun moeder. Die hem dan weer op zou bellen met een uitbrander. Weer zo’n voorbeeld dat volwassen worden en ouder worden niet per se met elkaar te maken hadden, dacht hij bij zichzelf.

‘Je wilde koffie?’ zei de zus met dunne stem. De broer schudde zijn hoofd van niet, maar zei ‘ja graag’ omdat je soms nu eenmaal koffie moet drinken om de vrede te bewaren.

‘Ik ga even mijn handen wassen,’ zei hij. De zus zette koffie terwijl ze in haar warme hoofd een kloppende pijn voelde opkomen. Ze wist niet waarom, maar iets in haar was zo dwingend, zo overtuigend, dat ze elke keer het gesprek hierheen moest sturen. Ze wist dat de sfeer er nooit beter van werd, ze wist dat het haar broer geen goed deed, dat het haarzelf geen goed deed.

Toch kon ze niet stoppen met het zien van wat hij allemaal had kunnen doen, kunnen kiezen, voor elkaar had kunnen krijgen. Zijn chaos, zijn opgewekte nonchalance, zijn belachelijke bezigheid, baan kon ze het niet noemen, als zandbeeldhouder… Elk besluit dat hij nam, voelde als een persoonlijke afwijzing. Elke keer dat hij op een donderdagmiddag nog in bed lag omdat hij te lang had doorgezakt, elke keer dat hij op haar bank kwam slapen omdat hij zijn huis verhuurde voor de hoognodige knaken…het maakte haar kwaad.

Kwaad, omdat zij wist dat er geen onttrekken aan de maatschappij is, dat het hard werken is, ploeteren, zwoegen, lijden soms. En als je geluk had, dan nog wat leuks, lieve vrienden, mooie avonden. Maar zoals hij leefde….hij speelde vals. Dat was het probleem.

De broer kwam terug uit de badkamer. Ze zette de koffie voor hem neer. ‘Dankje,’ zei hij. ‘Alsjeblieft,’ zei zij. En terwijl ze daar aan tafel zaten, scheen de zon het huis in, en voelde ze zich weer zoals op die dag, veertig jaar geleden toen ze met papa naar het ziekenhuis ging en haar broertje voor het eerst had gezien.

Spoor

21-08-2017

De volgende stap was de meest cruciale.

De volgende stap was de meest cruciale.

/ /

21-08-2017

Het was begonnen als een ongeluk, maar nu kon hij zich niet meer herinneren hoe het leven was voordat het gebeurde. In het begin verbaasde het hem dat hij zomaar zijn gang kon gaan, dat niemand hem leek op te merken. Niemand, behalve kinderen, die hem nawezen terwijl ze aan hun andere arm werden meegesleept door hun gestresste ouders of doodvermoeide au pair.

Nu rekende hij juist op de mensen die hem negeerden, om zo de kleine groep volwassenen met nog een sprankje kind in zich, te verwonderen, zachtjes te herinneren aan het gevoel van spelen. Hij wilde hen laten voelen wat hij die dag voor het eerst weer meemaakte. Dat iets eenvoudigs, een kleine scene, opgebouwd uit de meest alledaagse objecten, dat zoiets een herinnering kon zijn. Een herinnering dat niks vanzelfsprekend is, dat gewenning geen einde hoeft te zijn van verwondering. Dat de mogelijkheden er zijn, de structuren, figuren, kleuren, geuren…dat de mens maar zo weinig van zijn capaciteiten benut.

Zo probeerde hij zijn nieuw gevonden missie, want dat was het, aan zijn vriendin uit te leggen. Ze hield veel van hem, maar niet van hem alleen. Ze hield van zijn status, van zijn mooie baan, van zijn sociaal wenselijk gedrag, van zijn kennis, manieren, van welke rol hij had.

De nieuwe missie geneerde haar. Ze was bang dat bekenden hem zouden treffen in de stad, het lange spoor achter zich aan makend. Ze was bang dat er publiciteit zou komen. Dat zij de vrouw van de gekke melkman zou worden.

Dat was hoe hij genoemd werd, ‘de gekke melkman.’ Die naam ontstond al in de eerste week toen hij voor het eerst door de stad was gefietst met de melk. Daarna experimenteerde hij nog met frisdrank, sap en water, maar niets gaf het effect als de hagelwitte halfvolle melk, bovendien trok zoetigheid nogal veel insecten aan.

Het ritueel was eenvoudig. Na zijn gerespecteerde baan met kantoortijden vertrok de man naar de supermarkt, waar hij zoveel melk kocht als hij maar in zijn twee boodschappentassen passen kon.

Eenmaal buiten hing hij de tassen aan weerszijden van zijn stuur en dan pakte hij de schroevendraaier uit de binnenzak van zijn colbert. Soms voelde hij overdag stiekem even aan de schroevendraaier, tijdens een zakelijk overleg, tijdens de lunchpauze, tijdens telefoongesprekken. Het was of hij elke dag bijna jarig was.

De volgende stap was de meest cruciale. Hij moest nu een gat steken in de bodem van de twee tassen, en wel zo dat ze niet zouden scheuren, maar slechts zouden lekken. Daarna was het tijd om in de melkpakken te prikken. En dan was het zaak om zo hard mogelijk te fietsen, een witte rivier achterlatend.

Mensen waarschuwden hem soms, oudere dames kwamen achter hem aan met zakdoekjes, hondeneigenaren schreeuwden hem na dat hun gulzige hond nu wel spoedig dood zou gaan door de melk.

Maar dat alles gleed van hem af, terwijl hij door de stad reed, van supermarkt naar supermarkt. Steeds opnieuw kocht hij nieuwe pakken om ze buiten weer lek te steken. Urenlang herhaalde hij het ritueel.

De witte rivier stroomde dagelijks door de stad, en hoewel milieu-activisten schande spraken van de verspilling, de grote meerderheid van de mensen er zwijgend omheen manoeuvreerde, was er ook nog een groep medestanders. Ze volgden zijn route, doneerden pakken melk, probeerden de stroming vrij te houden van lege blikjes of ander zwerfafval,  hielden zijn fiets vast wanneer nodig. Ze spraken niet met elkaar, en ook niet met de man die rustig het spoor naar de horizon bleef verlengen.

En als ze dan zwijgend naast elkaar stonden, de stille medestanders met hun glanzende ogen op de witte stroom gericht, dan wisten zij zeker dat ze op de juiste plek waren.

Weer

01-07-2017

De vakantie deed weinig goed.

De vakantie deed weinig goed.

/

01-07-2017

Ze leerde tijdens haar opleiding al dat ze het werk niet persoonlijk moest nemen, dat ze slechts een boodschapper was. En tijdens haar sollicitatiegesprek leerde ze dat het hielp dat ze smaragdgroene ogen had, gouden haren en kuiltjes in haar wangen. ‘Dat vinden de kijkers leuk,’ had haar baas gezegd.

‘Jij bent het toetje van het journaal, dus jij moet goed maken wat ze die twintig minuten daarvoor allemaal aan ellende hebben gezien. En meer dan dat, want die kerel kijkt dan opzij naar zijn eigen mokkel op de bank, en dat is dan ook niet om vrolijk van te worden, dat snap je. En het is natuurlijk ook wel zaak dat het een beetje klopt wat je zegt.’

Het was haar eerste baan, haar eerste echte sollicitatiegesprek en hoewel ze de opmerkingen weinig gepast vond klinken, liet ze het gaan. Ze had huur te betalen, een horecabaantje waar ze slecht in was, waardoor ze dagelijks mot kreeg met de gasten van het restaurant, wat overigens geen effect had op de omzet omdat ze enkel toeristen ontvingen.

De eerste maanden waren voorbij gevlogen, ze leerde snel en veel. De kijkers waren dol op haar. Maar naarmate ze zich comfortabeler voelde voor de camera, werd haar baan lastiger. Ze verdiepte zich meer en meer in de achtergronden van het weer en maakte zich steeds meer zorgen. Zorgen over de verandering van het klimaat, zorgen over de grote hitte, over de intense regens. En dan al die grijze weken die zo op haar gemoed sloegen dat ze dagenlang nauwelijks sprak, op het weerbericht na.

De lange blonde haren begonnen uit te vallen, haar groene ogen waren voortaan roodomrand, de kuiltjes in haar wangen hielden zich schuil omdat lachen er niet meer in zat.

Haar baas zag het gebeuren en stuurde haar een week op vakantie naar een feesteiland. ‘Een beetje zee, zon en een goede beurt zal je goed doen. Je neemt het allemaal te serieus, en voor een tobberige weervrouw kan ik die oude dames wel weer op bellen, weetjewel, die op tv waren toen jij nog op school zat.’ Ze had geknikt en dacht aan de tankachtige dames die vroeger het weerbericht presenteerden. Ze kwamen het beeld ingeklost op leren laarzen, in grote overslagjurken en haren die zo uitgebreid geföhnt waren, dat ze eruit zagen alsof ze in een bizarre storm hadden vastgezeten.

De vakantie deed weinig goed. Ze maakt zich zorgen over de sterke UV-straling, over de vervuiling van de stranden, over de hoeveelheid water die haar resort nodig had om de tropische bloemen in leven te houden. Ze maakte zich zorgen over het IQ van haar medereizigers terwijl ze keek hoe ze vodka dronken uit elkaars navel. Ze sprak enkel tegen de mottige straatkatten die over het hele eiland zwierven. Op de laatste dag kreeg ze vreselijke diarree van een salade die als een kleurrijke depressie op haar bord had gelegen.

Bij terugkeer moest ze meteen een week dubbele diensten draaien, de weerman van de ontbijtshow was op vakantie gegaan.

Bedremmeld stond ze voor de kaart van Europa. Het zag er niet goed uit. Lage drukgebieden, veel wolken. De dagen zouden grauw worden, met veel wind en neerslag.

Ze dacht aan al die mensen die op vakantie in eigen land gingen. Ze dacht aan de caravans met voortenten, de vouwwagens, de bungalowtenten… al die plekken die naar nat gras zouden gaan ruiken met overal moddersporen op de grond. Ze dacht aan de klamme kou die in hun botten zou gaan zitten, aan de gelatenheid waarmee men naar de stromende regen zou kijken terwijl een steelpannetje water op een los pitje verwarmd werd om daar even later ontzettend smerige koffie van te brouwen.

‘Actie!’ Hoorde ze de regie roepen en somber keek ze in de camera.

Emotieloos legde ze uit wat er te zien was op de kaart, aan luchtstromen, hittegolven, overstromingen. Daarna kwam ze bij het laatste zinnetje van het bulletin, een zinnetje waarin ze vrijheid had om iets te zeggen tegen de kijkers.

‘Iets persoonlijks, een eigen groet, of wens de mensen in elk geval een hele fijne avond, maar zeg iets wat je kijkers het gevoel geeft dat je er echt voor ze bent,’ had haar baas gezegd.

Ze keek recht de lens in. ‘Lieve kijkers, het spijt me zo. Maar het wordt echt vreselijk slecht weer. En het wordt niet beter, ook al lijkt het zo. We hebben het allemaal kapot gemaakt, het enige advies dat ik u kan geven…’’

‘En cut!’ schreeuwde de regisseur. Een reclameblok werd ingestart. Een glas water werd naar de weervrouw gebracht.

Spoedig zou ze een eigen kamer krijgen in een instelling waar anderen haar verzorgden. Tussen de liefdeloze maaltijden door keek ze naar buiten, naar de lucht en huilde ze.

Film

19-05-2017

Dat lees je inderdaad veel.

Dat lees je inderdaad veel.

/

19-05-2017

Het is druk in de bioscoop die zichzelf filmhuis noemt, enkel gebaseerd op het feit dat er wekelijks één Europese film wordt vertoond. Ik ben te vroeg, en wacht met een koffie in het cafégedeelte waar ik een tafeltje in de hoek heb weten te bemachtigen. Ik lees in de krant van die dag dat het niet goed gaat.

Een dame van een jaar of zestig met korte grijze haren komt mijn richting ingelopen met een cappuccino in haar hand. ‘Mag ik erbij?’ vraagt ze terwijl ze haar kopje al op tafel zet en haar tas op de stoel zet. ‘Natuurlijk,’ zeg ik, om maar te doen alsof ze op mijn antwoord heeft gewacht.

De vrouw trekt haar windjack uit en hangt hem over de rugleuning van haar stoel. Met een zucht ploft ze neer. Ik probeer niet naar haar te kijken en verder te lezen in de krant, maar haar aanwezigheid is overheersend. Met een harde slurp neemt ze een slok van haar cappuccino.

We maken oogcontact en ik glimlach kort om zo te laten zien dat ik een vriendelijk mens ben, dat ik haar bestaan erken, maar dat ik ook een krant aan het lezen ben en niet om een gesprek verlegen zit.

Ze neemt nog een slok met nog een luide slurp. Ik lees dezelfde kop voor de derde keer.

‘Gadverdamme,’ zegt ze, ‘ze hebben hier altijd zulke slechte koffie.’ ‘Oh,’ zeg ik, ‘misschien is er iets misgegaan? Ik heb geen klagen over mijn koffie.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Ze gebruiken goedkopere bonen tegenwoordig. En ze kloppen het schuim niet meer handmatig. Dat proef je.’ Ik bekijk de krantenkop voor de vierde keer, maar ze gaat verder.

‘En er zijn hier ook altijd te weinig rekken om je fiets te stallen. Altijd ben ik weer zo aan het klooien om een plekje te vinden. Ik heb het ook al aangegeven, maar veranderen, ho maar. ’ Ik knik en vouw de krant dicht. Misschien is ze schreeuwend eenzaam en dan zijn deze zeven minuten een kleine moeite voor mij en heel fijn voor haar. ‘Maar u blijft hier komen,’ zeg ik om het gesprek in een positievere richting te duwen.

‘Ja, ik kom hier al drieëntwintig jaar. Altijd na mijn werk op de dinsdag.’ ‘Fijn, zo’n ritueel’, zeg ik. ‘Was ook wel echt noodzakelijk hoor. Met al die fratsen die ze uithalen. Je wilt niet weten wat die managers allemaal kapotmaken. Vanaf halverwege de jaren negentig… ze maken iedereen horendol. Ik werk er nog, maar vraag me niet hoe.’ Ik vraag haar niet hoe. Ik vraag haar ook niet waar ze werkt. Ik vraag me alleen af waarom iemand sinds de jaren negentig miserabel op zijn werk zou willen zijn. Maar ik glimlach alleen maar. Ze sjort wat aan het gebloemde bloesje dat ze aanheeft. ‘Ook weer zoiets,’ zegt ze. ‘Maken ze de mouwinzet te nauw. Kun je nooit fatsoenlijk je arm strekken.’

Ze bekijkt me nauwkeurig. ‘Ben je alleen?’ ‘Ja,’ zeg ik, ‘dat vind ik wel fijn, om zo nu en dan even naar de film te gaan, zomaar tussendoor…’ ‘Toen ik zo oud was als jij had ik echt geen geld om zomaar een film te kijken, laat staan een koffie ergens te gaan drinken. Toen was ik alleen maar keihard aan het werk. Zorgen voor mijn gezin, werken…zorgen voor mijn ouders….tropenjaren. Nooit een moment voor mezelf. Laat staan om gewoon maar ergens te gaan zitten niksen.’

Ik speel wat met mijn theelepeltje en wacht op de analyse over mijn generatie die vast spoedig volgen zal.

‘Je leest er ook veel over in de krant,’ zegt ze. ‘Dat jullie generatie er maar op los leeft.’

‘Ja,’ zeg ik langzaam, ‘dat lees je inderdaad veel.’

De bel klinkt, de deuren van de zaal gaan open.

‘Ik moet gaan,’ zegt ze, ‘sinds ze hier ongeplaceerde kaarten verkopen is het altijd een drama om de juiste plek te krijgen.’

Ze staat op en beweegt zich met ferme passen naar de film die ik ook ga zien.

Bij de kaartcontrole zucht ze diep omdat ze niet zomaar door mag lopen, maar eerst haar kaartje moet laten zien. ‘Ik heb het kaartje verdomme net bij jou gekocht,’ zegt ze tegen het meisje met de warrige knot op haar hoofd.

Daarna ben ik aan de beurt. Ik doe extra aardig, alsof ik het gedrag van de vrouw goed wil maken.

Maar het meisje van de kaartjes lijkt onaangedaan en wil mij juist gerust stellen. Ze zegt: ‘Ach, die dame komt hier al jaren. Altijd onvriendelijk. Maar weet je wat ik denk? Ze is gewoon verslaafd aan ongelukkig zijn. Het zou me niet verbazen als ze standaard te kleine schoenen kocht, om maar wat te lijden te hebben.’

‘Wow,’ zeg ik.

Het meisje haalt haar schouders op. ‘Ach, je mag helemaal zelf kiezen hè, kennelijk werkt dit het beste voor haar. Maar goed, fijne voorstelling nog.’

En dat was precies wat ik kreeg.

Koningsdag

28-04-2017

Minutenlang houden ze de stilte vast.

Minutenlang houden ze de stilte vast.

/ /

28-04-2017

Het is een nationale feestdag en ik ben op stap met mijn meest ernstige vriend. Het is iemand die achter elk nieuwsbericht de feiten kent, achter elk voordeel het nadeel, enkel schaduw ziet wanneer de zon aan het schijnen is. Vandaag liet hij zich overhalen met me mee te gaan, terwijl ik niet eens echt probeerde hem uit het huis te krijgen.

Maar nu we samen zijn, stemt zijn gezelschap me vrolijker dan ik had verwacht. Samen lopen we richting het stadspark waar kinderen op kleedjes geld bijeen sprokkelen, terwijl hun ouders op de achtergrond met elkaar flirten, rosé drinken en halfslachtig proberen te voorkomen dat hun kinderen met meer troep naar huis komen.

We lopen een tijdje in stilte, dan schraapt mijn vriend zijn keel en zegt hij: ‘Mensen zien zichzelf graag als rationele denkers. Want als je rationeel kunt denken, ben je geen dier. En als je geen dier bent, ben je waarschijnlijk zelfs beter, meer, dan een dier. Maar rationeel gezien zijn de overtuigende argumenten voor de monarchie zo schaars dat we ons eenmaal per jaar als een dier gedragen om er maar niet over na te hoeven denken.’ We kijken naar een volwassen man in een oranje leeuwenpak die tegen een boom aanplast terwijl hij bier uit een blikje drinkt.

We gaan het park in. We passeren middelmatig getalenteerde kinderen met allerhande instrumenten, kleine meisjes met zelfgemaakte limonade, een jongetje dat dvd’s verkoopt en een tweeling die met schorre stemmen hun afgedankte playmobil aanprijst. 

Alles gaat volgens de bedoeling.

Dan zien we een groep mensen rond een kleedje drommen. Een blonde vrouw van een jaar of veertig veegt met mouw haar wangen schoon, een man naast haar aait over haar rug. Een andere vrouw filmt met haar telefoon. Achter haar een man die met zijn armen overelkaar geslagen staat en een gezicht waarop zoiets staat als: ‘mij maak je niks wijs’.

Mijn ernstige vriend en ik kijken wat de aandacht van de mensen heeft getrokken. Op een kleedje zien we een jongetje van een jaar of negen op een krukje zitten. Een kind met een bloempotkapsel, donkerblond haar. Een kind met een capuchontrui en een spijkerbroek. Gewoon een kind. Naast hem staat een krijtbord waarop hij in kinderlijk handschrift heeft geschreven: ‘Ik voorspel uw toekomst voor €1,50.’

De vrouw met de natte wangen komt naar ons toegelopen en zegt: ‘Hij kan het echt, het is een wonderkind.’ ‘Hoe weet u nou of hij het echt kan?’ zegt mijn ernstige vriend. ‘Het kind voorspelt toch de toekomst? Die is toch nog niet hier?’ De vrouw negeert hem en pakt mijn handen vast. ‘Echt, je moet het eens proberen, het is ongelofelijk.’

‘Nou, ik weet niet…’ zeg ik. Maar dan staat het kind op van zijn krukje en loopt hij naar me toe. ‘Mevrouw,’ zeg hij zachtjes, ‘ik wil graag de toekomst van uw gezelschap voorspellen.’ ‘Van hem?’ zeg ik, terwijl ik naar mijn ernstige vriend kijk, die allang verdiept is in een of ander nieuwsverhaal op zijn telefoon.

‘Ik denk niet dat hij er echt zin in heeft…’ probeer ik voorzichtig, maar het jongetje staat al voor zijn neus. ‘Meneer, ik ga uw toekomst voorspellen. Kom maar mee.’ De combinatie van deze overrompelingstactiek en de vele blikken van omstanders maken dat weigeren onmogelijk is geworden. ‘Prima,’ zegt mijn ernstige vriend en intussen zoek ik naar kleingeld om dit kind straks te betalen. Mijn ernstige vriend houdt namelijk niet van muntgeld, het rammelt teveel, zegt ‘ie. 

Ze zitten tegenover elkaar op de houten krukjes. Het jongetje kijkt strak naar voren, mijn vriend kijkt terug. Minutenlang houden ze de stilte vast. Ook de omstanders zeggen niks. In de verte klinkt het gedreun van een optreden, maar hier, rond dit kind is de wereld stil.

Dan staat het kind op en fluistert hij iets in het oor van mijn ernstige vriend. Met ingehouden adem kijk ik naar zijn gezicht, op zoek naar een reactie, een lachje misschien. Maar er gebeurt niks.

Langzaam staat mijn ernstige vriend op. Hij schudt plechtig de hand van het kind en geeft hem een tientje. Dan komt hij naar me toegelopen, hij ziet er verslagen uit.

‘Wat zei hij?’ vraag ik onmiddellijk. Mijn ernstige vriend zwijgt nog twintig passen en zegt dan: ‘Dat kind weet dingen.’ ‘Maar wat voor dingen?’ vraag ik, ‘Was het angstaanjagend? Of grappig? Wist ‘ie de naam van je moeder?’ ‘Klopte het denk je?’ ‘Of is het een soort truukje?’ Door mijn nieuwsgierigheid zijn we sneller gaan lopen, maar dan staat mijn vriend ineens stil. ‘Ik snap je nieuwsgierigheid, maar ik kan je niet meer vertellen dan dit,’ zegt hij.

‘Waarom niet?’

‘Het heeft te maken met hoe je met de tijd omgaat.’

‘Hoe ik met de tijd omga?’

‘Niet jij specifiek, maar hoe men er in het algemeen mee omgaat.’

‘Hoe is dat dan?’

‘Lineair. Met beginnen en eindes. Maar hij herinnerde me eraan dat dat niet klopt.’

‘Hoe deed hij dat dan?’

‘Door me te herinneren aan dingen waarvan ik vergeten was dat ik ze al wist.’

‘Wat voor dingen?’

‘Dat kan ik niet zeggen, niet tegen jou. Maar je komt er nog wel achter.’

‘Okee,’ zeg ik, beteuterd en moe van al het vragen.

 

Dan gaan we naar mijn huis en eten we in stilte oranje tompoucen terwijl de buitenwereld steeds luidruchtiger wordt.

Pont

10-02-2017

Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende.

Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende.

/ /

10-02-2017

Hij had haar al vanuit de verte gezien bij het pontje naar de overkant. Een vrouw met korte bruine haren en felgroene ogen. Het leek of ze had gehuild. Hij keek nog wat beter haar kant uit, maar ze wendde haar gezicht af, in de richting van de gure wind.

De dag was grijs, de bestemming nauwelijks zichtbaar, de mensen ingepakt in sjaals en mutsen, alleen hun ogen blootgesteld aan de kou. Niemand zei iets. Zelfs de scooterrijders hadden de motor uitgezet. Het was of iedereen in stilte aan het wachten was, wachten op het einde van deze dag. Maar dat kon ook verbeelding zijn.

Hij had altijd al een sterke verbeeldingskracht gehad. Hij had altijd andermans gedachten ingevuld, zei zijn vrouw. Je communiceert niet, zei ze. Jij gaat er altijd maar vanuit dat je weet wat de ander denkt, wil, bedoelt. Maar dat kun je helemaal niet weten. Dat kun je niet weten omdat je het niet vraagt. En al zou je het vragen, dan zou je het niet geloven. Zo eigenwijs ben je. En daarna maakte ze van haar mond een streepje vol misprijzen.

Hij had zich nooit al te druk gemaakt om dat soort dingen. Hij dacht dat ze ongelijk had. Dat dacht hij nog steeds. Maar intussen bleef de ene helft van zijn bed al maanden onbeslapen, kon hij elke week een half brood weggooien omdat hij het niet op tijd op kreeg, wist hij de radioprogrammering praktisch uit het hoofd en begon het huis te verslonzen. Ze was op reis gegaan, een enkele reis had ze gekocht. Zuid-Amerika, India, hij wist het niet precies. Het was iets spiritueels, zoveel was zeker.

De pont kwam dichterbij. Zwijgend kwamen de mensen van de overkant eraf. Zwijgend namen de wachtende mensen hun plekken weer in. Het was druk binnen. De man keek om zich heen, op zoek naar de vrouw met de groene ogen. Door de schuifdeuren zag hij hij haar op het voordek buiten.

Hij besloot naast haar te gaan staan. Hij wilde weten of die ogen glommen van tranen of schitterden van iets anders. Hij wilde leren kijken met haar blik, ook al had hij tot vijf minuten geleden nooit van haar bestaan geweten. Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende. Herkende als een ontbrekend onderdeel in zijn leven. Een onderdeel waarvan hij dacht dat het niet meer gemaakt werd. Zoiets was het.

Maar om dat te zeggen tegen een volslagen onbekende op een veerpont, een mooie vrouw ook nog. Hij zou een oude viespeuk lijken. En hij zou geen weerwoord hebben.

Met zijn hoofd vol met deze gedachten liep hij het buitendek op. Het was begonnen met regenen. Niet met vette druppels, maar met water als uit een verstuiver. Piepkleine beetjes water, nauwelijks zichtbaar, maar een drijfnat gezicht als resultaat.

De man ging naast haar staan. Heel kort keek ze opzij, recht in zijn gezicht. Nog steeds kon hij niet uitmaken of ze had gehuild. Als het zo was, wilde hij haar troosten. Maar wie laat zich nou troosten door een vreemde?

‘Vandaag duurt langer dan gister en morgen zal nog langer duren,’ opende ze het gesprek met een zachte heldere stem.

‘Heb je gehuild?’ vroeg hij zo zacht dat ze hem niet horen kon. Ze keek recht vooruit over het water. ‘Ben je eenzaam?’ vroeg hij zo zacht dat ze hem niet horen kon. ‘Kan ik je helpen?’ vroeg hij net zo zacht. Maar dit keer hoorde ze hem wel. Ze keek hem aan met en glimlachte vermoeid.

‘Niemand kan mij helpen. Maar het geeft niet. Niemand kan iemand helpen.’

‘Wat heb je nodig?’ probeerde hij te negeren wat ze zojuist had gezegd.

‘Nodig? Rust. Dat is alles.’

‘Wat voor rust? Kan ik het geven? Wat bedoel je precies? Hoeveel dan? Moet je er even tussenuit?’ De vragen bleven maar komen en intussen kwam de overkant steeds dichterbij.

‘Niemand kan mij helpen,’ zei ze nog eens. Met haar mouw veegde ze een traan van haar wang.

De sirene klonk, de klep van de pont zakte langzaam naar beneden. Het voordek stroomde vol met de zwijgende stoet die binnen had gestaan. Aan de kade stonden nieuwe mensen in zwarte kleren te wachten.

De vrouw liep langzaam van hem weg, mee in de stoet.

Zijn ogen begonnen te tranen van de wind die nu flink opstak. Verloren stond hij aan de kade. Hij had geen idee meer waar hij naartoe op weg was. Geen idee meer wie hij was. Hij miste zijn vrouw als nooit tevoren. Niemand kon hem helpen.

Weg

08-11-2016

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was.

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was.

/

08-11-2016

Het begon op een grauwe donderdag. Hij was naar zijn werk gegaan, zoals al die donderdagen die hij de afgelopen vijfentwintig jaar op het kantoor van het bedrijf in bakstenen en vloeibaar beton had doorgebracht. Hij had zijn langzame computer aangezet, grapjes gemaakt aan het bureau van een collega. Hij had koffie gehaald, hij had gewerkt.

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was. Zoals de bedoeling was. De bedoeling voor werkende mensen in kantoorgebouwen. Tijd als een voorbijtrekkende mist. Het is aanwezig, maar je ziet het niet scherp. En ineens is het voorbij, weggetrokken. Einde dag, dagen, week, weekend, maand, jaar, jaren. Zoals hij leefde, zo was het de bedoeling.

Na zijn werk fietste hij naar huis. Daar wachtte zijn vrouw hem op, de geur van andijviestamppot kwam hem tegemoet toen hij in het nauwe halletje van hun woning zijn jas ophing en zijn schoenen verwisselde voor pantoffels. Hij kuste zijn vrouw vluchtig op haar wang en zij zei iets over mensen die ze kenden of over het weer en daarna vroeg ze hoe zijn dag was en hij sprak lege woorden, een stuk of acht, tien hooguit. Kortom, het was een dag als alle andere.

Toen ze aan tafel zaten, zei zijn vrouw ineens:

‘Lieverd, wat is er met je aan de hand?’

Hij keek haar niet-begrijpend aan.

‘Wat bedoel je?’

‘Je ziet er zo, zo anders uit.’

‘Hoe bedoel je anders?’ vroeg hij kribbig. Als het maar niet betekende dat ze weer op dieet gingen. Die maanden zonder jus, hij vond het niks aan.

‘Nou, als iemand, iemand, iemand die aan het verdwijnen is.’

‘Aan het verdwijnen is?’

‘Het lijkt wel of ik door je heen kan kijken,’ zei ze bezorgd.

‘Wat een lariekoek,’ zei de man en hij schepte zich nog eens op.

Die avond keken ze de talkshow die ze elke avond keken en een aflevering van een spannende detectiveserie. Zo nu en dan keek zijn vrouw hem onderzoekend aan, maar hij merkte het niet op.

Het was pas toen hij in de badkamer voor de spiegel stond, dat hij zag wat ze bedoelde. De man met de tandenborstel die hem aankeek, was als een geest. Hij zag er niet ongezond uit, maar anders. Hij zag eruit als iemand die de ruimte niet kon vullen. Hij zag eruit als iemand waar je doorheen zou kunnen reiken, zonder het te merken. Hij waste zijn gezicht en ging naar bed. De meeste problemen in zijn leven waren lichter in de ochtend, zoveel was zeker.

Zijn vrouw lag al te slapen toen hij aan zijn kant ging liggen. Hij tilde het deken op en kroop dicht tegen haar warme zachte lijf. Ze rook als vroeger, maar dan ouder. Toen hij het deken wilde herschikken, zag hij dat het plat op het matras lag, dat enkel het lichaam van zijn vrouw opbolde onder dekens. Waar hij lag, was het helemaal vlak gebleven. Alsof er niemand was.

De volgende dag werd hij zoals gewoonlijk vijf minuten voor de wekker wakker. Zijn vrouw zette thee terwijl hij twee beschuitjes met jam at. Het was wat hij elke dag at, maar vandaag kreeg hij het nauwelijks op.

‘Gaat het wel, liefste?’ vroeg ze.

‘Prima, dankje, zei hij, terwijl hij dacht aan het vreemde incident met de dekens.

‘Ik bel de huisarts voor je,’ zei ze toen, ‘je ziet er zo, zo anders uit…. ik vertrouw het niet.’

‘Ik ga maandag wel,’ zei de man.

‘Waarom niet vandaag?’

‘Vandaag heb ik geen tijd.’

En daarmee stond hij op, kuste hij haar vluchtig op de wang, vluchtiger dan normaal, en liep hij naar de kapstok. Hij trok zijn schoenen en jas aan en vertrok naar zijn werk.

Het was een gure dag en hij meende de wind door zijn ribbenkast te kunnen voelen waaien, een gedachte die hij meteen als onzin afdeed.

Hij werkte niet al te hard, zoals de bedoeling is op vrijdagen. Buiten begon het te sneeuwen. Een verandering van weer waar hij volstrekt neutraal tegenover stond. Hij keek gedachteloos naar de voorbijvliegende vlokken en intussen verstreek de tijd zoals de bedoeling was. Daarna ging hij met een collega naar het bruine café om wat te drinken. Ze maakten een grapje met de barman, dronken twee tripels en trokken toen hun jassen aan om naar huis te gaan.

‘Rust goed uit,’ zei de collega. ‘Je ziet er beroerd uit.’

De man had zijn schouders opgehaald en geantwoord met: ‘Nee, jij trekt volle zalen.’

Ze gaven elkaar een klap op de schouder, de enige manier die ze kenden om uiting te geven aan de waardering van meer dan twintig jaar vriendschap. De collega voelde de klap nauwelijks, maar weet het aan de kou.

De man liep naar zijn fiets, zijn voeten lieten geen sporen na in de sneeuw. Maar welke volwassen man kijkt nou naar zijn sporen in de sneeuw.

Hij dacht aan zijn vrouw die de frituur nu ongeveer aan zou zetten omdat het vrijdag was.

Elke stap die hij richting zijn fiets nam, werd zwaarder. De wind woei hard en zijn kleding wapperde om hem heen. Zijn schoenen voelden los, zoal vroeger toen hij als klein kind in de schoenen van zijn vader probeerde te lopen.

Halverwege de brug stopte hij even. Voor het eerst zag hij zijn stad met de betovering die hij enkel op het gezicht van toeristen had gezien. Zijn handschoenen vielen naast hem op de grond. Ze waren afgegleden. Zijn vrouw had gelijk gehad. Hij was aan het verdwijnen. Hij keek nog eens naar het verstilde beeld van zijn stad in de sneeuw en voelde dat de tijd hem had ingehaald.

Het was te laat voor alles.

mentor

18-10-2016

Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin.

Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin.

/

18-10-2016

‘Ik zal me even voorstellen,’ zegt de dame in het roze mantelpakje tegenover me. Ze heeft een leeftijdsloos gezicht en lange bruine haren die ze in een grote knot op haar hoofd draagt. Aan haar voeten goudkleurige pumps met een grote strik erop. Het lijkt of ik in een theaterstuk beland ben, een stuk zonder publiek en zonder script voor mij. De situatie doet me denken aan mijn leven.

Ik kijk naar de leegte om ons heen. We zitten in een loods aan de rand van de stad, op het dak horen we de regen tikken als ongekookte rijst op de bodem van een pan. Onze stemmen klinken hol in de ruimte die slechts gevuld is met vier stoelen, een tafel, een koffiezetapparaat op een krukje en een kamerplant waarvan de bladeren deels bruin verkleurd zijn.

Een week geleden ontving ik de uitnodiging per post. In sierlijke letters op zwaar papier werd me gevraagd naar deze afspraak te komen, nadere informatie zou volgen op de dag zelf, vandaag dus. Ik ben zenuwachtig voor wat komen gaat, ik was zelfs twintig minuten te vroeg. Minuten die ik dolend over het industrieterrein heb doorgebracht.

‘Mijn naam is onbelangrijk,’ zegt de vrouw, ‘mijn functie daarentegen is erg belangrijk.’ Ik knik, niet omdat ik het begrijp, maar om te laten zien dat ik haar woorden heb gehoord. Ze vervolgt: ‘Ik maak deel uit van een taskforce die mentoren naar de mensen sturen. Nu moet ik dat even nader definiëren, de mentoren zijn er niet voor alle mensen. Ze zijn er voor de behoeftigen. Op deze manier zijn we bij u terecht gekomen.’

‘De behoeftigen?’ vraag ik, ‘ik denk niet dat ik daarbij hoor, het gaat best goed met me, eigenlijk.’ De vrouw glimlacht. ‘Dat zeggen ze allemaal. Maar u moet niet onderschatten hoe ons selectieproces werkt. Wij doen aan observeren, noteren en concentreren voordat wij concluderen. Ons onderzoek is grondig en uitputtend. Wij zijn overal. Dus wanneer u een mentor wordt aangeboden, is het zeker dat u er een nodig heeft.’

‘Maar, maar waarom dan precies?’ ‘Om diverse redenen,’ zegt ze, terwijl ze een grote oranje dossiermap uit de lade van de tafel pakt. ‘Wat we hier zien: sociale onhandigheid, postverlies, administratiegroei boven de 25 centimeter, beschimmeling van voedsel in Tupperware bakjes, eeuwig verschuivende to do-lijstjes, terugkerende voornemens voor het slapen gaan, nieuwe sportkleding die nooit verslijt, escalerend borrelgedrag, fietslampproblematiek… en zo kan ik nog wel even doorgaan. Komt dit u bekend voor?’

Ik knik bedremmeld.

‘Goed, dan stel ik voor dat we van start gaan.’ Ze bekijkt me van top tot teen. ‘Bent u ervan op de hoogte dat er een gaatje in uw onderhemd zit, aan de linkerzijde bij de zoom?’

Ik bloos. ‘Ik dacht, ik dacht dat niemand dat kon zien, ik draag er toch een trui overheen, dacht ik vanmorgen…’

‘Het klopt, het is eigenlijk niet zichtbaar,’ zegt de vrouw. ‘Maar dat is niet van belang. Waar het hier om gaat, is uw geestelijke instelling. Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin. Ook als niemand het ziet.’

Ik knik weer. Langzaam wordt het me duidelijk hoe erg ik een mentor nodig heb, hoe ongeschikt ik eigenlijk ben om alles maar alleen te doen.

‘Ik verwacht dat dit traject tussen de twee en de negentien maanden zal duren met een tweewekelijkse bijeenkomst hier op dit kantoor.

‘Heel graag,’ zeg ik, ‘eerst was ik niet zeker of ik hierheen zou gaan, maar ik ben heel blij dat ik de stap genomen heb.’

De vrouw knikt en noteert iets in de oranje map.

Dan wordt er op de deur van de loods geklopt. Een drijfnat meisje staat in de deuropening.

‘Dag,’ zegt ze, ‘ik heb een afspraak om twee uur, maar ik was verdwaald.’

De vrouw in het mantelpak kijkt wat ongerust naar mij, naar het meisje en weer naar mij.

‘Mag ik jullie uitnodigingen even zien?’ vraagt ze.

We leggen de enveloppen op tafel neer en kijken hoe de vrouw het papier zorgvuldig inspecteert. Na minuten van ernstig zwijgen zegt ze: ‘Er is hier helaas sprake van een zeer ernstige administratieve fout.’ Dan wendt ze zich tot mij en zegt ze: ‘U bent niet geselecteerd voor het programma, de brief was niet voor u.’

‘Maar, maar, alles leek over mij te gaan,’ stamel ik, ‘en ik, ik kan het niet alleen, ik was juist zo blij dat…’

‘Helaas,’ zegt de vrouw. ‘U heeft ons niet nodig. De brief was niet voor u. Wees niet teleurgesteld, zo gaan die dingen nu eenmaal.’ Dan pakt ze mijn jas. ‘Doet u deze maar snel aan, het regent pijpenstelen.’

Ik knik.

Het drijfnatte meisje heeft haar jas zojuist uitgetrokken en gaat op mijn plek zitten.

Buiten hoor ik mijn fiets omvallen door de wind. Ik wil kijken hoelaat het is, maar mijn telefoon is leeg. Ik rits mijn jas dicht tot onder mijn kin. Kennelijk heb ik alles onder controle.

Koekje

09-09-2016

Ze zag allerlei gedachten en meningen.

Ze zag allerlei gedachten en meningen.

/ / /

09-09-2016

‘Zo,’ zei de grootvader toen ze eenmaal een plekje hadden gevonden in één van de drukke cafeetjes in de stad. De serveerster zette twee koppen koffie op het wankele tafeltje tussen hen in.

‘Zo,’ zei de kleindochter.

Ze dacht aan vroeger toen ze bij vriendinnetjes thuis kwam spelen en hun grootouders ontmoette. Van die grootouders die altijd lekkere dingen meenamen, rapportgeld en allerlei prullen. Precies zoals de hare. Die grootouders hadden witte haren en roken naar zeep. Precies zoals de hare. Ze hadden eigenlijk gekke lange namen, maar die werden afgekort tot namen als Annie en Theo. Precies zoals bij de hare.

Toch waren ze anders dan de hare. Want met hun aanwezigheid brachten ze ook iets anders mee. Iets anders, iets wat haar eigen grootouders niet konden kopen, niet konden meebrengen, iets onzichtbaars. Maar wat dat dan precies was, daar kon ze haar vinger niet opleggen. Vroeger niet, maar ook vandaag was het niet veel beter.

Ze namen een slok koffie.

‘Heb je al een vast contract?’ vroeg de grootvader.

Ze schudde haar hoofd.

‘Nee, maar dat is ook niet echt hoe het bedrijf werkt. Het is zeg maar, een plek waar ze alleen met freelancers werken.’

‘Dus voor korte tijd?’

‘Nou, sommigen werken er wel al zes jaar ofzo, maar contracten enzo, dat is gewoon niet meer van deze tijd. En veel van ons doen ook allemaal projecten tegelijk, dus dan is het wel handig dat het heel flexibel is. Dat je even een paar maanden weg kan zijn, bijvoorbeeld.’

De grootvader knikte. Achter zijn ogen die de laatste jaren steeds wateriger waren geworden, als een uitgelopen aquarel, zag ze allerlei gedachten en meningen, maar er werd niks meer gezegd.

‘Hoe gaat het met jou en oma?’ vroeg de kleindochter.

‘Zijn gangetje, je grootmoeder was gevallen op haar pols, maar het was niet gebroken. De tuinman heeft de rozen gesnoeid.’

‘En hoe gaat met jou?’ vroeg de kleindochter.

‘Goed hoor, niks te klagen.’ Hij keek om zich heen.

De kleindochter pakte het verpakte koekje van het schoteltje. Ze maakte de glimmende paarse wikkel open. Er zat een dubbel wafeltje in, met witte crème ertussen. Van die koekjes die altijd oud smaakten. Precies wat ze niet lekker vond. Ze at het op.

‘Woon je nog steeds met huisgenoten? Vroeg de grootvader.

‘Ja, met Evi en Zilver.’

‘Zilver? Ik wist niet dat jullie ook huisdieren hadden.’

‘Hebben we niet, hij heet echt zo.’

‘Wat ze wel niet bedenken tegenwoordig.’

‘Zijn zusje heet Salomé. Zilver en Salomé, mooi wel.’

De grootvader dronk zijn kopje in één teug leeg.

‘En, hoe staat het in de liefde?’

De kleindochter haalde haar schouders op.

‘Geen nieuws. Maar het is prima hoor, ik vermaak me wel.’

‘Hoe oud ben je nu eigenlijk?’

‘Tweeëndertig.’

‘Toen je grootmoeder en ik 32 waren, hadden we je vader al. En je oom. En je tante was onderweg.’

‘Wat een andere tijd,’ zei de kleindochter.

‘Ja,’ zei de grootvader. Hij leek ver weg te zijn met zijn gedachten.

‘Eet je je koekje niet op?’ vroeg de kleindochter.

‘Dat mag ik niet meer van je oma.’

Ze maakte het koekje open. Het was hetzelfde soort als daarnet. Ze stak het in één keer in haar mond. Daarna dronk ze haar laatste slokje koffie. Het was koud en bitter geworden.

‘Zo, zullen we maar eens?’ zei de grootvader toen.

‘Ja,’ zei de kleindochter.

Ze liep naar de kassa. ‘Ik betaal deze wel.’

De grootvader knikte.

Toen ze buiten stonden, gaven ze elkaar drie zoenen op de wangen.

‘Was gezellig, opa,’ zei de kleindochter.

De grootvader knikte afwezig.

Toen ze wegliep, bleef hij haar lang nakijken. Maar dat wist ze niet.

Verleden

17-08-2016

Het leven smaakte zoeter dan ooit.

Het leven smaakte zoeter dan ooit.

/ /

17-08-2016

Het begon met kleine dingen die niet meteen opvielen. Hij liep wat breder, sprak wat luider en wat langzamer ook. Steeds vaker verkondigde hij ongevraagd zijn mening, in cafés, in de krant, op het internet. Zijn stukken hadden allerlei maatschappelijke kwesties als onderwerp, maar gingen in essentie alleen maar over hemzelf. Het ging over wat hij dacht, wat hij ergens van vond. Het was niet tegen te houden, de drang naar een podium die in hem was ontstaan.

Elke keer wanneer hij een mening voelde opkomen, schreef hij er een stuk over. Hij was niet bang grootse woorden te gebruiken in zijn teksten, of op het kitscherige af, poëtisch te zijn. Soms werd hij zelfs een beetje opgewonden van zijn eigen teksten.

Hij had altijd al het gevoel dat hij een beetje specialer was dan de rest van de wereld en nu was het dan eindelijk ook bij die wereld doorgedrongen. Nog nooit verdiende hij zoveel geld, kreeg hij zoveel likes, berichten, sjans en commentaar. Het leven smaakte zoeter dan ooit.

Vandaag had hij een middag vrij, en had hij zonder nadenken wat dure kleding gekocht. Hopelijk hoefde dat binnenkort niet meer, als alles volgens plan zou lopen, werd hij binnenkort gekleed door een mooi merk. Gewoon, omdat hij het was. Omdat hij invloed had, omdat andere mensen hem wilden zijn, of in elk geval zijn stijl wilden hebben.

Na het winkelen liep hij naar de stomerij om zijn pak te halen. Steeds vaker moest hij chique gekleed verschijnen, er waren namelijk nogal wat luxe merken die evenementen organiseerden. Zo had hij deze maand een champagnefeestje, een lancering van een nieuw soort jenever voor hipsters, een borrel ter gelegenheid van een geïmporteerde kaviaarsoort en een bijeenkomst van de honderd meest mediagenieke mensen.

De borrels waren onderdeel van zijn leven geworden, de vrouwen die er rondliepen ook. Slank, gebruind, langbenig, met wapperende haren en fonkelwitte tanden. Ze droegen onmogelijke schoenen, diep uitgesneden jurken en roken naar geld. Soms vluchtten ze meteen een badkamer in, soms wisselden ze nummers uit en zagen ze elkaar in de duurste hotels van de stad. Ze hadden zelfs schuilnamen, dat was normaal in dit wereldje. Zijn vriendin wist in welke wereld hij verkeerde en deed alsof ze het niet zag.

Ook dat was normaal in dit wereldje.

Zijn telefoon verloor hij geen moment uit het oog, een constante stroom van foto’s, filmpjes, uitnodigingen en gesprekken, zorgde ervoor dat hij soms wel driemaal per dag moest opladen.

Zonder zijn ogen van het beeldscherm te halen, legde hij het bonnetje op de balie van de wasserette. Hij was druk met het typen van een snedig antwoord en merkte de priemende ogen van het meisje van de wasserette niet op. Zwijgend pakte ze het bonnetje en liep ze naar achter.

Toen ze terugkwam met het pak, zei ze hardop: ‘David, ben jij dat?’ Betrapt keek hij op, zijn telefoon deed hij snel in zijn zak. ‘Ja, klopt.’ Ze keek hem aan, hij keek terug, maar leek haar niet te zien. ‘Ken je me nog?’ vroeg ze toen. ‘Waarvan precies?’ In zijn hoofd ging hij de laatste maanden na. Misschien had ze hem gezien op de voorleesavond, dat ze publiek was. Of toen hij in een panel zat. Publiek denkt er niet over na dat zij jou herkennen, maar dat het andersom niet zo werkt.

‘Iris, van je studie, weetjenog?’ Hij schudde even met zijn hoofd, maar hij wist het nog wel. Het was alsof hij naar het leven van een ander keek, als hij terugdacht aan die tijd. Dat hij gestudeerd had, dat zou hij nooit achterhouden, maar de mensen, de plekken, het leven uit die tijd… daar wilde hij niet meer aan denken. Hij was iemand geweest die niet zo graag wilde bestaan. Met de ogen van nu vond hij het maar gênant, zoals hij toen was. Gelukkig hoefde hij nooit aan die tijd terug te denken, behalve vandaag dan.

‘Ik lees veel van je,’ zei ze, toen ze merkte dat hij niks meer ging zeggen.
‘Dat kan heel goed, de laatste maanden waren een gekkenhuis.’
‘Wat goed,’ zei ze.
‘Ja,’ zei hij. Hij voelde zich ongemakkelijk in deze omgeving, het was een plek om maar kort te zijn, anders zou de armoe die hier heerste nog aan hem blijven kleven.
Hij pakte zijn telefoon weer uit zijn zak.
‘Ik moet er weer vandoor.’
‘Leuk je weer gezien te hebben,’ zei zij.
‘Ja,’ zei hij.

Buiten voelde hij hoe zijn hart tekeer ging. Heel even voelde hij zich zoals toen, die tijd dat hij studeerde. Klein, onbelangrijk, ongeschikt misschien wel.

Misschien moest hij zijn dealer nog maar eens bellen.

Toen keek hij naar zijn weerspiegeling in de ruit van de wasserette. Knapper dan ooit, dacht hij bij zichzelf, knapper dan ooit. Hij voelde zich weer breder worden. Toen liep hij terug naar zijn eigen woonwijk, waar mensen van vroeger niet zouden opduiken.

Klinkers

20-07-2016

Het leek wel of ze het expres deden.

Het leek wel of ze het expres deden.

/ /

20-07-2016

Hoewel niemand haar had gevraagd dit te doen, wist ze zeker dat ze belangrijk werk deed. Werk waar de wereld een beetje beter van werd, werk waar kinderen en volwassenen slimmer door werden, volksverheffend werk.

Ze werd niet betaald voor haar activiteiten, maar dat was meer groten der aarde overkomen. Op een dag zou er erkenning komen, dat moest wel. Ze was er meer dan fulltime mee bezig. In haar hoofd zag ze voor zich hoe de koning haar een lintje op zou spelden. En hoe er een straat naar haar vernoemd zou worden. En hoe ze in brons gegoten op het plein in haar geboortedorp zou staan. Maar dat kwam allemaal nog. Voor nu moest ze vooral doorzetten.

Vandaag was het donderdag en dat betekende dat het een drukke dag zou worden. Op donderdag ging ze namelijk naar alle nieuwe winkels en cafés in de stad. En omdat ze in een grote stad woonde, was er altijd wel iets nieuws geopend. Maar de nieuwe plekken lagen natuurlijk niet allemaal bij elkaar in de buurt. Soms fietste ze wel veertig kilometer op een dag om overal te komen.

Er was nog een regel voor de donderdag: ze moest per se haar rode jurk aan. Dat was omdat je nooit een tweede kans krijgt om een eerste indruk te maken. Ook had ze gelezen dat mensen in rode kleding vaker gelijk krijgen. Nu was er natuurlijk geen enkele reden haar tegen te spreken, maar alle beetjes hielpen.

De eerste plek van de dag was het nieuwe café op loopafstand van haar huis. Vanuit de verte zag ze de krijtborden al op de stoep staan.

Bij krijtborden was het bijna altijd raak, het leek wel of ze het expres deden.

Capucino, sju, joghurt met musli, een crossant… geen fout was haar vreemd. Ze schreef alle fouten op een speciaal formuliertje dat ze altijd bij zich droeg. Deze fouten vielen in de eerste categorie, de woordenboekcategorie. Dan was er nog de categorie die ze taalvervuiling noemde: tomatensoep als soep van pomodori noemen, worteltaart als carrotcake en een bosbessenmuffin verkopen als blueberry muffin. ‘luister,’ zei ze dan tegen de verbouwereerde eigenaars, ‘dit zijn allemaal zaken waarvoor we gewoon woorden hebben in onze eigen taal, dus ik zie geen reden ineens van taal te wisselen.’ Vaak leverde dit wat discussie op en werden er geen veranderingen doorgevoerd, tot haar frustratie.

Maar dan was er nog de derde categorie: de categorie prietpraat. Zo kwam ze eens een menukaart tegen waarop limonade als een wandeling in een Thaise rozentuin werd omschreven, een broodje kaas als een authentieke energieboost en een tosti als een knapperige smaaksensatie. Wanneer ze de café-eigenaars op zulke uitdrukkingen aansprak, was de sfeer in korte tijd volledig om zeep. Feitelijk had ze zich op deze manier ongeliefd gemaakt bij een hoop mensen.

Het krijtbord van dit café bevatte geen fouten. Er stond alleen: ‘Wees welkom bij de HSKMR! Voor koffie, fris en meer!’ Eigenlijk hield ze niet van uitroeptekens, maar daarvoor had ze geen categorie op haar formulieren. Ze ging naar binnen en nam plaats aan een tafeltje bij het raam. Ze bestelde een zwarte koffie, godzijdank begreep de serveerster wat ze bedoelde. Soms zeiden serveersters namelijk: ‘U bedoelt zeker een americano?’

Daarna nam ze het formulier uit haar handtas en bestudeerde ze de menukaart. Bovenaan stond in blokletters: MNKRT. Daaronder stond DRNKN en aan de andere kant stond het eten ingedeeld onder kopjes met de naam: BRDJS, SLDS, LNCH, DNR, BRRL. De gerechten stonden netjes uitgeschreven op de kaart. Ze vond geen enkele fout. Maar de kopjes, die verdomde tussenkopjes deden haar halsslagader kloppen. Wat was er mis met klinkers?

De serveerster kwam terug met haar koffie. ‘Alstublieft,’ zei ze. ‘Mag ik wat vragen?’ vroeg de vrouw met het formulier voor zich. ‘Natuurlijk,’ zei de serveerster. ‘Hebben jullie iets tegen klinkers?’ ‘Pardon?’ Nou, op de menukaart, al die kopjes.’ Ze wees op de kaart. De serveerster keek aandachtig mee. ‘Goh, is me nooit opgevallen,’ zei ze. ‘Ik weet niet. Maar daar komt mijn baas, u kunt het hem vragen.’ ‘Graag,’ zei de vrouw.

Een grote man met een baard en een dikke buik kwam nu naar haar tafeltje. ‘Dag mevrouw, ik hoorde dat u een vraag heeft?’ ‘Jazeker,’ zei ze, ‘ik vroeg mij af…wat is het probleem met klinkers?’ De man fronste. Hij keek onrustig om zich heen, op zoek naar een reden weg te lopen van deze gast. Dit was niet wat hij zich had voorgesteld toen hij hier een eigen café opende. Hij had leuke gesprekken voor zich gezien, gezelligheid, stamgasten. En nu was het leeg, op een gek vrouwtje in een rode jurk na. ‘Ik begrijp uw vraag niet, ben ik bang.’ Driftig wees ze op de woorden van de menukaart. ‘LNCH? Wat is dat in godsnaam?’’

‘Lunch,’ zei de man. ‘Dat betekent lunch.’

‘Waarom staat er dan geen lunch?’

De man haalde zijn schouders op. ‘Zo is onze huisstijl nu eenmaal.’

De vrouw keek hem strak aan en zei toen: ‘Wat een belachelijk verhaal.’

‘Het spijt me, maar meer kan ik er niet van maken,’ zei de man.

‘Meer kunt u er niet van maken? Het is toch uw café?’

Hij knikte. ‘Ja, dat klopt.’

‘Nou, dan kunt u er toch ALLES van maken?’ De vrouw begon nu kwaad te worden. Maar de eigenaar van het café had er geen zin meer in.

‘Luister dame, als u hier alleen een beetje komt zemelen over letters, dan zou ik u willen aanraden lekker naar de boekenwinkel hier tegenover te gaan. Letters genoeg.’

Driftig deed de vrouw haar spullen in haar handtas. ‘Het is een schande,’ zei ze. ‘Een schande! Klinkers zijn prachtletters! Ze verdienen het niet zo behandeld te worden! Een schande is het!’ Ze stommelde naar de uitgang.

De man liep hoofdschuddend naar de bar. Daar zei hij tegen de serveerster: ‘Kun jij vandaag alle klinkers van de menukaart halen?’ Hij gaf een hoofdknikje in de richting van de deur die de vrouw net achter zich had dichtgesmeten. ‘Ik wil daar echt niet mee geassocieerd worden.’

Stoplicht

21-06-2016

Ik zou hier niet moeten zijn.

Ik zou hier niet moeten zijn.

/

21-06-2016

‘Er is geen reden om zo bedroefd te kijken,’ zegt de oude man met de baard tegen de jonge man bij het stoplicht. ‘Er is geen reden je schouders te laten hangen.’ ‘Wat weet u daar nou van?’ antwoordt de jongen met verdrietige ogen. ‘Wat weet u nou van mijn gedachten, van de gebeurtenissen in mijn leven? Wat weet u van mijn verdriet?’

‘Niets,’ zegt de oude man met de baard. ‘Van jou weet ik niets. Zoals jij van mij niets weet. Maar dat heeft met geluk niet te maken. Zie je die zonnestralen op het natgeregende wegdek? Hoor je de kinderen hollen op het schoolplein hierachter? Voel je het briesje op je huid? Dat is wat wij delen, dat is de werkelijkheid van bij dit stoplicht staan.’

De auto’s van links hebben groen, de man met de baard en de jongen zetten een klein stapje achteruit.

‘U heeft geen idee van mijn werkelijkheid,’

zegt de jongen. ‘Ziet u deze spijkerbroek die ik heb aangetrokken? Dit vest, deze schoenen? Ziet u hoe mijn haren nog nat zijn van het douchen? Het kostte me vandaag vier uur om tot dit punt te komen. Om de kracht te vinden uit bed te stappen, een douche te nemen, me af te drogen, me aan te kleden. Daarna heb ik een uur uit het raam gekeken, ik heb moed verzameld. Moed om naar buiten te gaan. Ik heb mijn telefoon gezocht, mijn sleutels, mijn portemonnee. Het duurde wel een halfuur. Ik heb alles in mijn zakken gestoken en nu ben ik hier bij het stoplicht. Vertel me niet over de zonnestralen. Mijn kleding voelt zwaar op mijn lichaam, ik kan elk moment worden opgeslokt door het asfalt, verdwijnen in de gracht. Ik moet me dwingen stil te staan voor het rode licht, niet met ferme passen voor een truck te stappen. En dat is nog niet het ergste. Het ergste is dat het me niet uit zou maken. De eerste seconden misschien- ik heb nooit goed tegen pijn gekund. Maar daarna…’

Het licht springt op groen. Ze lopen naast elkaar naar de overzijde van de straat.

‘Heb je iets gegeten?’ vraagt de man met de baard. ‘Gisteren heb ik gegeten,’ zegt de jongen. ‘Vandaag nog niet. Ik zie geen reden te eten. Het zal alleen verlengen.’ ‘Ja,’ zegt de man met de baard, ‘dat is waar.’ Hij is even stil en zegt dan: ‘Ik wil je vragen, ik hoop dat het je niet ongemakkelijk maakt, ik wil je vragen om een koffie met me te drinken. In het koffiehuis, daar op de hoek. Ik zal het voor je betalen.’

‘Ik heb geen reden dat te doen,’ zegt de jongen met verwarring in zijn ogen. ‘Dat is waar,’ zegt de man met de baard. ‘Maar wat moet jij nou nog met een reden? Wat kan jou nou nog bewegen? Een goed argument? Daar trap ik niet in. Ik vraag je mee te komen, zonder reden. We laten de zon, de wind, de aarde buiten beschouwing, dat beloof ik. Die koffie, dat vraag ik je als een vreemde bij het stoplicht.’

‘Goed,’ zegt de jongen. Zwijgend lopen ze naar het koffiehuis. De eigenaar begroet hen hartelijk, de twee mannen kennen elkaar al lang. De man met de baard bestelt twee koffie en twee broodjes kaas.

‘Waarom doe je dit?’ vraagt de jongen na de eerste slok koffie. ‘Jouw pijn is ook de mijne,’ zegt de man met de baard. ‘Dat kan niet,’ zegt de jongen. Ze zwijgen.

‘Ik ben blij dat je er bent,’ zegt de man met de baard dan. ‘Het is een misverstand,’ zegt de jongen, ‘ik zou hier niet moeten zijn.’ ‘Maar je bent er,’ zegt de man met de baard. ‘Ja,’ zegt de jongen en hij veegt een traan weg.

De man met de baard rekent af. Ze lopen samen naar buiten en staan dan stil. Ze zoeken naar een passend afscheid. ‘Bedankt,’ zegt de jongen en hij geeft een hand. ‘Jij bedankt,’ zegt de man met de baard.

Ze gaan elk een andere kant op.

De vrouw van de bloemenstal staat de jongen al op te wachten. Zijn bestelling ligt klaar.