Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

44 verhalen voor tag: man

Schrijver

07-06-2018

Acute situaties zijn niet aan hem besteed.

Acute situaties zijn niet aan hem besteed.

/

07-06-2018

De schrijver zit op een bankje aan het plein met de mooie bomen. Hij draagt zijn rode sjaal, een colbert, schoenen waarmee hij met gemak de hele stad kan doorkruisen.

Hij kijkt naar de kinderen die achter een bal aanrennen, naar de gehaaste moeders die op wiebelige schoenen voort proberen te maken achter grote kinderwagens. Hij kijkt naar mannen in pakken die telefonerend voorbij snellen. Hij kijkt naar de oude bewoners van de buurt die met afhangende schouders plastic tassen van de goedkope supermarkt meezeulen naar hun huisjes waar projectontwikkelaars als gieren op azen.

Het meeste van zijn leven speelt zich af in zijn hoofd, zo weet hij. In interviews legt hij het ontelbaar vaak opnieuw uit. Dat hij een geboren toeschouwer is, niet gemaakt om werkelijk deel te nemen, niet gemaakt om haantje de voorste te zijn- niet gemaakt om zijn vader op te volgen.

Acute situaties zijn niet aan hem besteed, goddank rolt de bal van de kinderen geen moment in zijn richting. Het zou verraden dat hij niet geschikt is voor enige vorm van publieksinteractie, dat hij zou schrikken, houterig en onhandig de bal zou terugschieten. En wanneer hij dan weer zou plaatsnemen, zou hij moeten zoeken naar waar hij was gebleven in zijn hoofd.

De bladeren aan de bomen ruisen zachtjes en het het feit dat hij het opmerkt, bevestigt voor hem maar weer eens dat hij een echte schrijver is. Een kunstenaar, een artiest.

Maar in de nacht kijkt hij met open ogen naar het plafond terwijl zijn vrouw met langzame diepe teugen ademhaalt, met een vanzelfsprekendheid die hem ontzag inboezemt.

Hij denkt na over het personage dat hij geworden is. Hij denkt na over eigenschappen, vormen en eigenaardigheden die hij zou kunnen toevoegen aan zichzelf. Een uitgewerkt personage te zijn in het verhaal waar hij maar geen vat op kan krijgen. Hij voelt zich een bedrieger, een leugenaar soms. Te leven zonder plot, te weten dat de informatie altijd in de verkeerde volgorde komt, het maakt hem moe en somber. Zelfs in zijn eigen verhaal lukt het niet de held te zijn, enkel de rol van gedistingeerde heer is hem gaan passen als een kostuum waar hij zich buiten zijn eigen kringen voor schaamt.

Op weg naar huis raast de wereld langs hem heen. Scooters met lauwe pizza’s in de bagagebox scheuren voorbij, groepen dronken Britten vernederen hun vriend die gaat trouwen, een oude hond loopt leeg op de rand van de stoep.

Hij gaat zijn woning in. De sleutels, de deur die langzaam opent, de plek waar hij zijn sjaal hangt, het zijn stappen van een vaste choreografie. De schoenen gaan uit, de pantoffels aan. Het huis ruikt zoals de bedoeling, ruikt zoals altijd.

Zijn vrouw staat in de keuken, ze leest de krant op het aanrecht, een gewoonte die ze heeft, een gewoonte die hij niet had kunnen bedenken. Onbekommerd is ze een mens met eigenaardigheden, een mens met eigen gewoontes. In haar hoofd geen ruimte om dit te bevragen, maar enkel opgestroopte mouwen, boodschappenlijstjes, verjaardagen, verse bloemen op de keukentafel. Ze heeft soep gemaakt, zegt ze. Het moet alleen nog even worden opgewarmd. En of het een fijne wandeling was.

Hij zegt dat het fijn was, maar voor zulk soort antwoorden zijn ze te lang samen. ‘Heb je het weer?’ Vraagt ze.

Hij knikt en kijkt hoe ze de krant sluit, het fornuis aanzet, een glas water voor hem vult. Ze gebaart hem te gaan zitten aan de keukentafel en zet een kom soep voor hem neer.

‘Voorzichtig’, zegt ze, ‘het is heet’.

En met elke hap hete soep die hij eet, terwijl haar ogen op hem gericht zijn, voelt hij zich meer en meer gestalte krijgen. Zelfs al heeft hij geen kennis van het naderende plot, zelfs al is zijn vrouw geen schrijver.

Fietsband

18-03-2018

Zoiets kon gebeuren.

Zoiets kon gebeuren.

/

18-03-2018

Een band plakken, zoiets leerden de kinderen tegenwoordig niet meer. Ze leerden computercodes schrijven, ze leerden objecten printen in 3d, ze leerden filmpjes van zichzelf te maken. Ze leerden Chinees vanaf hun tiende, en een bedrijf opzetten op hun veertiende. Maar een band plakken, zoiets leerden ze niet.

Hij kon het gedachteloos, als een kalm ritueel met stappen die elkaar als vanzelfsprekend opvolgden, als in een dans, als op die favoriete cd waarvan je onbewust al weet welk nummer zal volgen. Maar cd’s bestaan ook al bijna niet meer.

Gehurkt zat de man op een krukje met drie poten bij het teiltje, terwijl hij centimeter voor centimeter de binnenband onder water liet glijden om te zien wanneer het ding naar lucht zou happen als een peuter die kroos niet weet te onderscheiden van gras.

De man was op tweederde van de band en nog steeds was er geen belletje ontstaan in het water. Zoiets kon gebeuren. Het was niet gebruikelijk, maar gebeuren kon het. Langzaam verschoof hij de binnenband weer een stukje. 

Op driekwart had hij het lek nog steeds niet gevonden. Zijn aandacht werd scherper, het kon nu elk moment gebeuren, het moest wel. Het zou wat zijn als het lek precies in de laatste centimeter van de band zou zitten, bedacht hij hoofdschuddend.

Maar het lek liet zich niet vinden. Beduusd liet de man de binnenband nog eens door zijn handen gaan. Had hij werkelijk elke centimeter gehad? Nooit eerder was dit hem overkomen. Hij krabde op zijn hoofd en besloot toen om eerst maar eens een goede kop koffie te drinken en zich daarna verder te verdiepen in dit mysterie.

Hij zette de koffie zoals hij altijd deed, en was opgelucht te merken dat dit nog wel ging zoals hij gewend was. Want zoiets als met de band, dat was zo vreemd, zo onverwacht, dat het leek dat vanaf nu alles mogelijk was. En niet op de manier die ze in de reclames op tv lieten zien, van stralende mensen die lachend over stranden renden, op feestjes waren, op bergtoppen nadachten over de apps die ze gingen ontwikkelen. Nee, het voelde of de deur naar donkerte, naar ongewenste verrassingen was opengezet. Alsof zijn leven uit los zand leek te bestaan of misschien zelfs enkel uit losse flarden in zijn hoofd.

Het was in elk geval duidelijk dat de informatie die hij had, lang niet toereikend was.

Na de koffie keerde hij terug naar de garage waar de fiets en het teiltje met de bandenplakset waren achtergebleven als een decor van een filmscène waar iemand uit weggevlucht was.

Hij nam opnieuw plaats op het houten krukje, begon opnieuw de binnenband centimeter voor centimeter door te nemen. Het water was kouder, binnen in de garage was het ook donkerder geworden, de avond begon te vallen. Het beetje licht uit de zijramen maakte kennelijk meer verschil dan hij had gedacht en ook deze constatering gaf een gevoel van onrust dat hij niet kende.

Het inspecteren verliep nog langzamer dan de eerste keer. Niet omdat hij onnauwkeurig had gewerkt, maar omdat hij niet kon denken aan een scenario waarin het lek weer niet tevoorschijn zou komen. Zijn gedachten, de omgevingsgeluiden, alles leek te verstommen in de zoektocht die volgde. Als in een tunnel bestudeerde hij de binnenband, alsof het als enige object overgebleven was uit een eerdere beschaving.

De deur van de garage ging open, zijn vrouw stond in de opening. Haar lippen bewogen maar horen deed hij het niet. ‘Kom je eten?’ herhaalde ze terwijl ze over haar bovenarmen wreef. ‘Het is stervenskoud hier, waarom zet je de verwarming niet aan?’

‘Ik kom eraan,’ klonk uit zijn mond, woorden die gepast waren, woorden die hij niet zelf gekozen had, niet bewust. Maar wat viel er nog te zeggen over bewustzijn, over waarheid, over wilskracht. Ook in het laatste deel van de band had hij geen lek gevonden.

Stram bewoog hij zich naar de deur en ging hij naar binnen, waar het licht warm oranje was, er muziek klonk en de geur van gebakken champignons hem tegemoet kwam. De tafel was gedekt, de hond lag te slapen in zijn mandje.

De man schonk twee glazen rode wijn in, zijn vrouw kwam aangelopen met twee borden pasta. Alles was goed, de muziek, het eten, zijn gezelschap. Van niks had hij meer kunnen verlangen, verwachten. Toch knaagde het stilleven in de garage aan hem. Alsof de echte wereld daar stond, hij nu in een parallelle wereld liep, die beter leek, maar minder waarachtig was.

Ze converseerden, aten, maakten een grapje. Hoewel hij dacht dat hij zich natuurlijk gedroeg, merkte zijn vrouw meteen de verandering die in hem gaande was.

‘Wat is het? Wat zit je dwars?’

Het duurde even voor hij het zwijgen kon doorbreken. Ze hadden samen voor hetere vuren gestaan, dingen meegemaakt, avonturen beleefd. Hij was de held in de meeste van haar verhalen en nu zat hij hier te tobben over een fietsband. Hij dacht aan alternatieve antwoorden, verklaringen voor zijn gedrag, maar kwam tot niks.

‘Ik kan het lek niet vinden,’ zei hij daarom maar.

‘Het lek?’

‘In mijn voorwiel. Ik kan het niet vinden. Ben al twee keer helemaal rondgegaan.’

‘Maar je band was toch plat?’

‘Ja, daarom ben ik hem aan het plakken,’ zei kribbiger dan hij bedoelde.

‘Nouja, als je het niet kunt, dan breng je hem toch gewoon naar de fietsenmaker?’ zei zijn vrouw, met zoveel goedheid dat hij de schaal met salade wel tegen de muur kon smijten.

‘Ik denk niet dat je het begrijpt,’ zei hij in plaats daarvan.

‘Dat zou heel goed kunnen,’ zei ze en ze verzamelde de borden. ‘Wil je koffie?’

‘Nee,’ zei hij, ook al had hij de laatste twintig jaar altijd ‘ja’ gezegd op deze vraag.

‘Doe niet zo kinderachtig,’ zei ze en hij wist dat ze gelijk had, maar ook dat hij het nooit zou kunnen toegeven.

Na de koffie stond hij op van tafel.

‘Ik ga nog een keertje kijken,’ zei hij.

Zijn vrouw zat in haar hoekje op de bank, zijn stoel was leeg, leek hem ook vertwijfeld aan te kijken.

‘Een fietsenmaker kost 15 euro,’ zei ze verveeld.

Maar dat het daar niks mee te maken had, kon hij onmogelijk uitleggen.

Mayonaise

29-10-2017

Ze leefde een leven zoals de bedoeling was.

Ze leefde een leven zoals de bedoeling was.

/ / /

29-10-2017

Didi was een gewone vrouw met een gewoon leven. Ze had een goede kantoorbaan, een prettige woning en een lieve vriend. Ze woonde in een net huisje niet ver van het centrum van een grote stad.

Op donderdagavond ging ze naar de sportschool, op maandag rende ze een rondje door het park. Op woensdagavond in de oneven weken sprak ze af met een clubje vriendinnen van haar studie. Dat werd nooit laat, want ook haar vriendinnen moesten de volgende dag weer op tijd op. Bovendien wilden ze allemaal acht uur slaap halen. Dan functioneerde je het beste, zo vonden ze.

Er waren meer dingen waar ze het over eens waren. Hoe een leuk ingericht huis eruit zag, bijvoorbeeld. Welke restaurants het bezoeken waard waren, welke boeken het lezen. Wat een leuke grap was, wat lekker gek was en wat ongepast. Soms vroegen mensen of Didi en haar vriendinnen zussen waren, of nichtjes ten minste. Die vraag amuseerde hen. Tegelijkertijd dachten ze allemaal hetzelfde: dat zijzelf dan wel de knapste zou zijn van het stel.

Didi droeg graag kleding van merken uit het middensegment, want dat bleef langer mooi. Ze dronk kruidenthee met een wijze spreuk op het theezakje en in het weekend een glaasje witte wijn. Soms las ze een boek, elke avond keek ze tv.

Soms waren er tegenslagen, soms meevallers. Soms kibbelde ze met haar vriend, meestal was het gezellig. Ze was attent naar vrienden en familie. Elke zes maanden ging ze naar de tandarts, elke zes weken naar de kapper. Afval werd gescheiden en ze stond op voor oude mensen in de bus. Didi leefde kortom, een leven zoals de bedoeling was.

Toch was er recentelijk een bepaalde onrust in haar leven gekomen, en wel in de gedaante van een man die ze nog nooit in het echt had ontmoet. De man was acteur, maar eigenlijk was hij vooral bekend als de mayoman uit een serie reclames voor mayonaise. Ze had de reclames tientallen keren gezien zonder in de war te raken, zelfs zonder de mayo te willen kopen.

Het was begonnen met een interview in een damesblad waarvan ze de inhoud niet meer zou kunnen herhalen en ook de foto’s was ze al praktisch vergeten. Toch was er iets gebeurd, want vanaf dat moment was hij overal waar zij was. Wanneer ze haar boodschappen op de band legde in de supermarkt, keek ze om zich heen om te zien of hij er toevallig ook was. Wanneer ze zich aankleedde, probeerde ze zich voor te stellen wat het mooiste zou passen terwijl ze naast hem zou staan. Wanneer ze in een van haar kookboeken bladerde stelde ze zich voor wat hij lekker zou vinden.

Want dat van die mayoreclame, dat was alleen voor het geld natuurlijk. Het was een man met klasse, een eindeloos diepe ziel, een poëtische geest, een man die geen banale dingen zou zeggen.

In haar hoofd zaten ze lange avonden aan het haardvuur in zijn huis, terwijl ze gesprekken voerden waaruit bleek dat ze zielsverwanten waren. In haar hoofd dronk ze rode wijn in plaats van witte, in haar hoofd was ze een vrouw die hoofden deed omdraaien op straat, een bijzondere verschijning.

De parallelle wereld breidde zich elke dag een beetje verder uit. In haar hoofd waren ze al naar Parijs verhuisd, teruggekomen, hadden ze een zoon gekregen en kwam er nu een geweldige kans in New York op hun pad.

Haar drukke innerlijk bestaan maakte dat ze zowel vrolijker als somberder werd.

Wanneer ze foto’s zag van zichzelf met haar vriend, op een huwelijk ergens op een middelmatige locatie, met eten dat te zout was, dan kon ze haar computer wel uit het raam gooien. Het kon niet zijn dat dit het was, dit leventje, dit gedoetje. Op andere momenten werd ze juist vrolijk wakker na een nacht vol dromen over de mayoman, en bekeek ze kleding voor haar toekomstige leven. Stiekem bereidde ze zich steeds meer voor op het bestaan met de mayoman, ook al wist ze dat het belachelijk was.

Ze durfde aan niemand te vertellen wat er gaande was in haar hoofd. Vriendinnen hadden gezegd dat haar ogen sprankelden, haar haren glanzender leken. Haar vriend had gezegd dat ze emotioneler was dan anders, maar was ook blij met haar verhoogde libido, niet wetend dat zij de mayoman zag wanneer ze haar ogen sloot.

Het was op een regenachtige avond in november dat ze de mayoman in levende lijve zag. Het toeval was een handje geholpen, Didi had uitgebreid onderzocht waar hij woonde, waar hij boodschappen zou doen. Het was flink om, maar niemand hoefde ervan te weten.

Ze baalde van haar outfit die dag, maar het gure weer had haar gedwongen tot het aantrekken van een groot vest en stevige laarzen. De mayoman zelf zag er ook niet al te florissant uit, in een groene parka en met beslagen brillenglazen (een bril die ze nog niet eerder had gezien maar uiteraard meteen charmant vond).

Subtiel achtervolgde ze hem van schap naar schap en uiteindelijk zorgde ze ervoor dat ze precies achter hem in de rij kwam te staan.

Halsreikend keek naar de boodschappen die hij op de band legde. Het begon anders dan ze dacht, met een halfje casino wit. Daarna volgden een fles aanmaaklimonade, de goedkoopste leverworst die er maar bestond, een pak pasta, een potje kant-en-klare carbonarasaus, twee pakken chocoprinskoeken, een zak wokkels en een fles felgroene Fernandes.

Misschien had hij een kind te logeren, probeerde ze zichzelf gerust te stellen. Een neefje ofzoiets. Maar er was geen kind te bekennen. Met lede ogen keek ze hoe de mayoman alles in een versleten Aldi-tasje stopte.

Daarna zag ze haar toekomst langs de scanner gaan. Goede wijn, ambachtelijk brood, verse kaas, zalm gerookt op eikenhout.

Ze dacht aan haar goedzakkige vriend die nu op de bank zou zitten. Ze dacht nog eens aan de mayoman, aan haar gedroomde toekomst.

En toen barstte ze in tranen uit.

Spoor

21-08-2017

De volgende stap was de meest cruciale.

De volgende stap was de meest cruciale.

/ /

21-08-2017

Het was begonnen als een ongeluk, maar nu kon hij zich niet meer herinneren hoe het leven was voordat het gebeurde. In het begin verbaasde het hem dat hij zomaar zijn gang kon gaan, dat niemand hem leek op te merken. Niemand, behalve kinderen, die hem nawezen terwijl ze aan hun andere arm werden meegesleept door hun gestresste ouders of doodvermoeide au pair.

Nu rekende hij juist op de mensen die hem negeerden, om zo de kleine groep volwassenen met nog een sprankje kind in zich, te verwonderen, zachtjes te herinneren aan het gevoel van spelen. Hij wilde hen laten voelen wat hij die dag voor het eerst weer meemaakte. Dat iets eenvoudigs, een kleine scene, opgebouwd uit de meest alledaagse objecten, dat zoiets een herinnering kon zijn. Een herinnering dat niks vanzelfsprekend is, dat gewenning geen einde hoeft te zijn van verwondering. Dat de mogelijkheden er zijn, de structuren, figuren, kleuren, geuren…dat de mens maar zo weinig van zijn capaciteiten benut.

Zo probeerde hij zijn nieuw gevonden missie, want dat was het, aan zijn vriendin uit te leggen. Ze hield veel van hem, maar niet van hem alleen. Ze hield van zijn status, van zijn mooie baan, van zijn sociaal wenselijk gedrag, van zijn kennis, manieren, van welke rol hij had.

De nieuwe missie geneerde haar. Ze was bang dat bekenden hem zouden treffen in de stad, het lange spoor achter zich aan makend. Ze was bang dat er publiciteit zou komen. Dat zij de vrouw van de gekke melkman zou worden.

Dat was hoe hij genoemd werd, ‘de gekke melkman.’ Die naam ontstond al in de eerste week toen hij voor het eerst door de stad was gefietst met de melk. Daarna experimenteerde hij nog met frisdrank, sap en water, maar niets gaf het effect als de hagelwitte halfvolle melk, bovendien trok zoetigheid nogal veel insecten aan.

Het ritueel was eenvoudig. Na zijn gerespecteerde baan met kantoortijden vertrok de man naar de supermarkt, waar hij zoveel melk kocht als hij maar in zijn twee boodschappentassen passen kon.

Eenmaal buiten hing hij de tassen aan weerszijden van zijn stuur en dan pakte hij de schroevendraaier uit de binnenzak van zijn colbert. Soms voelde hij overdag stiekem even aan de schroevendraaier, tijdens een zakelijk overleg, tijdens de lunchpauze, tijdens telefoongesprekken. Het was of hij elke dag bijna jarig was.

De volgende stap was de meest cruciale. Hij moest nu een gat steken in de bodem van de twee tassen, en wel zo dat ze niet zouden scheuren, maar slechts zouden lekken. Daarna was het tijd om in de melkpakken te prikken. En dan was het zaak om zo hard mogelijk te fietsen, een witte rivier achterlatend.

Mensen waarschuwden hem soms, oudere dames kwamen achter hem aan met zakdoekjes, hondeneigenaren schreeuwden hem na dat hun gulzige hond nu wel spoedig dood zou gaan door de melk.

Maar dat alles gleed van hem af, terwijl hij door de stad reed, van supermarkt naar supermarkt. Steeds opnieuw kocht hij nieuwe pakken om ze buiten weer lek te steken. Urenlang herhaalde hij het ritueel.

De witte rivier stroomde dagelijks door de stad, en hoewel milieu-activisten schande spraken van de verspilling, de grote meerderheid van de mensen er zwijgend omheen manoeuvreerde, was er ook nog een groep medestanders. Ze volgden zijn route, doneerden pakken melk, probeerden de stroming vrij te houden van lege blikjes of ander zwerfafval,  hielden zijn fiets vast wanneer nodig. Ze spraken niet met elkaar, en ook niet met de man die rustig het spoor naar de horizon bleef verlengen.

En als ze dan zwijgend naast elkaar stonden, de stille medestanders met hun glanzende ogen op de witte stroom gericht, dan wisten zij zeker dat ze op de juiste plek waren.

Pont

10-02-2017

Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende.

Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende.

/ /

10-02-2017

Hij had haar al vanuit de verte gezien bij het pontje naar de overkant. Een vrouw met korte bruine haren en felgroene ogen. Het leek of ze had gehuild. Hij keek nog wat beter haar kant uit, maar ze wendde haar gezicht af, in de richting van de gure wind.

De dag was grijs, de bestemming nauwelijks zichtbaar, de mensen ingepakt in sjaals en mutsen, alleen hun ogen blootgesteld aan de kou. Niemand zei iets. Zelfs de scooterrijders hadden de motor uitgezet. Het was of iedereen in stilte aan het wachten was, wachten op het einde van deze dag. Maar dat kon ook verbeelding zijn.

Hij had altijd al een sterke verbeeldingskracht gehad. Hij had altijd andermans gedachten ingevuld, zei zijn vrouw. Je communiceert niet, zei ze. Jij gaat er altijd maar vanuit dat je weet wat de ander denkt, wil, bedoelt. Maar dat kun je helemaal niet weten. Dat kun je niet weten omdat je het niet vraagt. En al zou je het vragen, dan zou je het niet geloven. Zo eigenwijs ben je. En daarna maakte ze van haar mond een streepje vol misprijzen.

Hij had zich nooit al te druk gemaakt om dat soort dingen. Hij dacht dat ze ongelijk had. Dat dacht hij nog steeds. Maar intussen bleef de ene helft van zijn bed al maanden onbeslapen, kon hij elke week een half brood weggooien omdat hij het niet op tijd op kreeg, wist hij de radioprogrammering praktisch uit het hoofd en begon het huis te verslonzen. Ze was op reis gegaan, een enkele reis had ze gekocht. Zuid-Amerika, India, hij wist het niet precies. Het was iets spiritueels, zoveel was zeker.

De pont kwam dichterbij. Zwijgend kwamen de mensen van de overkant eraf. Zwijgend namen de wachtende mensen hun plekken weer in. Het was druk binnen. De man keek om zich heen, op zoek naar de vrouw met de groene ogen. Door de schuifdeuren zag hij hij haar op het voordek buiten.

Hij besloot naast haar te gaan staan. Hij wilde weten of die ogen glommen van tranen of schitterden van iets anders. Hij wilde leren kijken met haar blik, ook al had hij tot vijf minuten geleden nooit van haar bestaan geweten. Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende. Herkende als een ontbrekend onderdeel in zijn leven. Een onderdeel waarvan hij dacht dat het niet meer gemaakt werd. Zoiets was het.

Maar om dat te zeggen tegen een volslagen onbekende op een veerpont, een mooie vrouw ook nog. Hij zou een oude viespeuk lijken. En hij zou geen weerwoord hebben.

Met zijn hoofd vol met deze gedachten liep hij het buitendek op. Het was begonnen met regenen. Niet met vette druppels, maar met water als uit een verstuiver. Piepkleine beetjes water, nauwelijks zichtbaar, maar een drijfnat gezicht als resultaat.

De man ging naast haar staan. Heel kort keek ze opzij, recht in zijn gezicht. Nog steeds kon hij niet uitmaken of ze had gehuild. Als het zo was, wilde hij haar troosten. Maar wie laat zich nou troosten door een vreemde?

‘Vandaag duurt langer dan gister en morgen zal nog langer duren,’ opende ze het gesprek met een zachte heldere stem.

‘Heb je gehuild?’ vroeg hij zo zacht dat ze hem niet horen kon. Ze keek recht vooruit over het water. ‘Ben je eenzaam?’ vroeg hij zo zacht dat ze hem niet horen kon. ‘Kan ik je helpen?’ vroeg hij net zo zacht. Maar dit keer hoorde ze hem wel. Ze keek hem aan met en glimlachte vermoeid.

‘Niemand kan mij helpen. Maar het geeft niet. Niemand kan iemand helpen.’

‘Wat heb je nodig?’ probeerde hij te negeren wat ze zojuist had gezegd.

‘Nodig? Rust. Dat is alles.’

‘Wat voor rust? Kan ik het geven? Wat bedoel je precies? Hoeveel dan? Moet je er even tussenuit?’ De vragen bleven maar komen en intussen kwam de overkant steeds dichterbij.

‘Niemand kan mij helpen,’ zei ze nog eens. Met haar mouw veegde ze een traan van haar wang.

De sirene klonk, de klep van de pont zakte langzaam naar beneden. Het voordek stroomde vol met de zwijgende stoet die binnen had gestaan. Aan de kade stonden nieuwe mensen in zwarte kleren te wachten.

De vrouw liep langzaam van hem weg, mee in de stoet.

Zijn ogen begonnen te tranen van de wind die nu flink opstak. Verloren stond hij aan de kade. Hij had geen idee meer waar hij naartoe op weg was. Geen idee meer wie hij was. Hij miste zijn vrouw als nooit tevoren. Niemand kon hem helpen.

Weg

08-11-2016

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was.

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was.

/

08-11-2016

Het begon op een grauwe donderdag. Hij was naar zijn werk gegaan, zoals al die donderdagen die hij de afgelopen vijfentwintig jaar op het kantoor van het bedrijf in bakstenen en vloeibaar beton had doorgebracht. Hij had zijn langzame computer aangezet, grapjes gemaakt aan het bureau van een collega. Hij had koffie gehaald, hij had gewerkt.

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was. Zoals de bedoeling was. De bedoeling voor werkende mensen in kantoorgebouwen. Tijd als een voorbijtrekkende mist. Het is aanwezig, maar je ziet het niet scherp. En ineens is het voorbij, weggetrokken. Einde dag, dagen, week, weekend, maand, jaar, jaren. Zoals hij leefde, zo was het de bedoeling.

Na zijn werk fietste hij naar huis. Daar wachtte zijn vrouw hem op, de geur van andijviestamppot kwam hem tegemoet toen hij in het nauwe halletje van hun woning zijn jas ophing en zijn schoenen verwisselde voor pantoffels. Hij kuste zijn vrouw vluchtig op haar wang en zij zei iets over mensen die ze kenden of over het weer en daarna vroeg ze hoe zijn dag was en hij sprak lege woorden, een stuk of acht, tien hooguit. Kortom, het was een dag als alle andere.

Toen ze aan tafel zaten, zei zijn vrouw ineens:

‘Lieverd, wat is er met je aan de hand?’

Hij keek haar niet-begrijpend aan.

‘Wat bedoel je?’

‘Je ziet er zo, zo anders uit.’

‘Hoe bedoel je anders?’ vroeg hij kribbig. Als het maar niet betekende dat ze weer op dieet gingen. Die maanden zonder jus, hij vond het niks aan.

‘Nou, als iemand, iemand, iemand die aan het verdwijnen is.’

‘Aan het verdwijnen is?’

‘Het lijkt wel of ik door je heen kan kijken,’ zei ze bezorgd.

‘Wat een lariekoek,’ zei de man en hij schepte zich nog eens op.

Die avond keken ze de talkshow die ze elke avond keken en een aflevering van een spannende detectiveserie. Zo nu en dan keek zijn vrouw hem onderzoekend aan, maar hij merkte het niet op.

Het was pas toen hij in de badkamer voor de spiegel stond, dat hij zag wat ze bedoelde. De man met de tandenborstel die hem aankeek, was als een geest. Hij zag er niet ongezond uit, maar anders. Hij zag eruit als iemand die de ruimte niet kon vullen. Hij zag eruit als iemand waar je doorheen zou kunnen reiken, zonder het te merken. Hij waste zijn gezicht en ging naar bed. De meeste problemen in zijn leven waren lichter in de ochtend, zoveel was zeker.

Zijn vrouw lag al te slapen toen hij aan zijn kant ging liggen. Hij tilde het deken op en kroop dicht tegen haar warme zachte lijf. Ze rook als vroeger, maar dan ouder. Toen hij het deken wilde herschikken, zag hij dat het plat op het matras lag, dat enkel het lichaam van zijn vrouw opbolde onder dekens. Waar hij lag, was het helemaal vlak gebleven. Alsof er niemand was.

De volgende dag werd hij zoals gewoonlijk vijf minuten voor de wekker wakker. Zijn vrouw zette thee terwijl hij twee beschuitjes met jam at. Het was wat hij elke dag at, maar vandaag kreeg hij het nauwelijks op.

‘Gaat het wel, liefste?’ vroeg ze.

‘Prima, dankje, zei hij, terwijl hij dacht aan het vreemde incident met de dekens.

‘Ik bel de huisarts voor je,’ zei ze toen, ‘je ziet er zo, zo anders uit…. ik vertrouw het niet.’

‘Ik ga maandag wel,’ zei de man.

‘Waarom niet vandaag?’

‘Vandaag heb ik geen tijd.’

En daarmee stond hij op, kuste hij haar vluchtig op de wang, vluchtiger dan normaal, en liep hij naar de kapstok. Hij trok zijn schoenen en jas aan en vertrok naar zijn werk.

Het was een gure dag en hij meende de wind door zijn ribbenkast te kunnen voelen waaien, een gedachte die hij meteen als onzin afdeed.

Hij werkte niet al te hard, zoals de bedoeling is op vrijdagen. Buiten begon het te sneeuwen. Een verandering van weer waar hij volstrekt neutraal tegenover stond. Hij keek gedachteloos naar de voorbijvliegende vlokken en intussen verstreek de tijd zoals de bedoeling was. Daarna ging hij met een collega naar het bruine café om wat te drinken. Ze maakten een grapje met de barman, dronken twee tripels en trokken toen hun jassen aan om naar huis te gaan.

‘Rust goed uit,’ zei de collega. ‘Je ziet er beroerd uit.’

De man had zijn schouders opgehaald en geantwoord met: ‘Nee, jij trekt volle zalen.’

Ze gaven elkaar een klap op de schouder, de enige manier die ze kenden om uiting te geven aan de waardering van meer dan twintig jaar vriendschap. De collega voelde de klap nauwelijks, maar weet het aan de kou.

De man liep naar zijn fiets, zijn voeten lieten geen sporen na in de sneeuw. Maar welke volwassen man kijkt nou naar zijn sporen in de sneeuw.

Hij dacht aan zijn vrouw die de frituur nu ongeveer aan zou zetten omdat het vrijdag was.

Elke stap die hij richting zijn fiets nam, werd zwaarder. De wind woei hard en zijn kleding wapperde om hem heen. Zijn schoenen voelden los, zoal vroeger toen hij als klein kind in de schoenen van zijn vader probeerde te lopen.

Halverwege de brug stopte hij even. Voor het eerst zag hij zijn stad met de betovering die hij enkel op het gezicht van toeristen had gezien. Zijn handschoenen vielen naast hem op de grond. Ze waren afgegleden. Zijn vrouw had gelijk gehad. Hij was aan het verdwijnen. Hij keek nog eens naar het verstilde beeld van zijn stad in de sneeuw en voelde dat de tijd hem had ingehaald.

Het was te laat voor alles.

Verleden

17-08-2016

Het leven smaakte zoeter dan ooit.

Het leven smaakte zoeter dan ooit.

/ /

17-08-2016

Het begon met kleine dingen die niet meteen opvielen. Hij liep wat breder, sprak wat luider en wat langzamer ook. Steeds vaker verkondigde hij ongevraagd zijn mening, in cafés, in de krant, op het internet. Zijn stukken hadden allerlei maatschappelijke kwesties als onderwerp, maar gingen in essentie alleen maar over hemzelf. Het ging over wat hij dacht, wat hij ergens van vond. Het was niet tegen te houden, de drang naar een podium die in hem was ontstaan.

Elke keer wanneer hij een mening voelde opkomen, schreef hij er een stuk over. Hij was niet bang grootse woorden te gebruiken in zijn teksten, of op het kitscherige af, poëtisch te zijn. Soms werd hij zelfs een beetje opgewonden van zijn eigen teksten.

Hij had altijd al het gevoel dat hij een beetje specialer was dan de rest van de wereld en nu was het dan eindelijk ook bij die wereld doorgedrongen. Nog nooit verdiende hij zoveel geld, kreeg hij zoveel likes, berichten, sjans en commentaar. Het leven smaakte zoeter dan ooit.

Vandaag had hij een middag vrij, en had hij zonder nadenken wat dure kleding gekocht. Hopelijk hoefde dat binnenkort niet meer, als alles volgens plan zou lopen, werd hij binnenkort gekleed door een mooi merk. Gewoon, omdat hij het was. Omdat hij invloed had, omdat andere mensen hem wilden zijn, of in elk geval zijn stijl wilden hebben.

Na het winkelen liep hij naar de stomerij om zijn pak te halen. Steeds vaker moest hij chique gekleed verschijnen, er waren namelijk nogal wat luxe merken die evenementen organiseerden. Zo had hij deze maand een champagnefeestje, een lancering van een nieuw soort jenever voor hipsters, een borrel ter gelegenheid van een geïmporteerde kaviaarsoort en een bijeenkomst van de honderd meest mediagenieke mensen.

De borrels waren onderdeel van zijn leven geworden, de vrouwen die er rondliepen ook. Slank, gebruind, langbenig, met wapperende haren en fonkelwitte tanden. Ze droegen onmogelijke schoenen, diep uitgesneden jurken en roken naar geld. Soms vluchtten ze meteen een badkamer in, soms wisselden ze nummers uit en zagen ze elkaar in de duurste hotels van de stad. Ze hadden zelfs schuilnamen, dat was normaal in dit wereldje. Zijn vriendin wist in welke wereld hij verkeerde en deed alsof ze het niet zag.

Ook dat was normaal in dit wereldje.

Zijn telefoon verloor hij geen moment uit het oog, een constante stroom van foto’s, filmpjes, uitnodigingen en gesprekken, zorgde ervoor dat hij soms wel driemaal per dag moest opladen.

Zonder zijn ogen van het beeldscherm te halen, legde hij het bonnetje op de balie van de wasserette. Hij was druk met het typen van een snedig antwoord en merkte de priemende ogen van het meisje van de wasserette niet op. Zwijgend pakte ze het bonnetje en liep ze naar achter.

Toen ze terugkwam met het pak, zei ze hardop: ‘David, ben jij dat?’ Betrapt keek hij op, zijn telefoon deed hij snel in zijn zak. ‘Ja, klopt.’ Ze keek hem aan, hij keek terug, maar leek haar niet te zien. ‘Ken je me nog?’ vroeg ze toen. ‘Waarvan precies?’ In zijn hoofd ging hij de laatste maanden na. Misschien had ze hem gezien op de voorleesavond, dat ze publiek was. Of toen hij in een panel zat. Publiek denkt er niet over na dat zij jou herkennen, maar dat het andersom niet zo werkt.

‘Iris, van je studie, weetjenog?’ Hij schudde even met zijn hoofd, maar hij wist het nog wel. Het was alsof hij naar het leven van een ander keek, als hij terugdacht aan die tijd. Dat hij gestudeerd had, dat zou hij nooit achterhouden, maar de mensen, de plekken, het leven uit die tijd… daar wilde hij niet meer aan denken. Hij was iemand geweest die niet zo graag wilde bestaan. Met de ogen van nu vond hij het maar gênant, zoals hij toen was. Gelukkig hoefde hij nooit aan die tijd terug te denken, behalve vandaag dan.

‘Ik lees veel van je,’ zei ze, toen ze merkte dat hij niks meer ging zeggen.
‘Dat kan heel goed, de laatste maanden waren een gekkenhuis.’
‘Wat goed,’ zei ze.
‘Ja,’ zei hij. Hij voelde zich ongemakkelijk in deze omgeving, het was een plek om maar kort te zijn, anders zou de armoe die hier heerste nog aan hem blijven kleven.
Hij pakte zijn telefoon weer uit zijn zak.
‘Ik moet er weer vandoor.’
‘Leuk je weer gezien te hebben,’ zei zij.
‘Ja,’ zei hij.

Buiten voelde hij hoe zijn hart tekeer ging. Heel even voelde hij zich zoals toen, die tijd dat hij studeerde. Klein, onbelangrijk, ongeschikt misschien wel.

Misschien moest hij zijn dealer nog maar eens bellen.

Toen keek hij naar zijn weerspiegeling in de ruit van de wasserette. Knapper dan ooit, dacht hij bij zichzelf, knapper dan ooit. Hij voelde zich weer breder worden. Toen liep hij terug naar zijn eigen woonwijk, waar mensen van vroeger niet zouden opduiken.

Klinkers

20-07-2016

Het leek wel of ze het expres deden.

Het leek wel of ze het expres deden.

/ /

20-07-2016

Hoewel niemand haar had gevraagd dit te doen, wist ze zeker dat ze belangrijk werk deed. Werk waar de wereld een beetje beter van werd, werk waar kinderen en volwassenen slimmer door werden, volksverheffend werk.

Ze werd niet betaald voor haar activiteiten, maar dat was meer groten der aarde overkomen. Op een dag zou er erkenning komen, dat moest wel. Ze was er meer dan fulltime mee bezig. In haar hoofd zag ze voor zich hoe de koning haar een lintje op zou spelden. En hoe er een straat naar haar vernoemd zou worden. En hoe ze in brons gegoten op het plein in haar geboortedorp zou staan. Maar dat kwam allemaal nog. Voor nu moest ze vooral doorzetten.

Vandaag was het donderdag en dat betekende dat het een drukke dag zou worden. Op donderdag ging ze namelijk naar alle nieuwe winkels en cafés in de stad. En omdat ze in een grote stad woonde, was er altijd wel iets nieuws geopend. Maar de nieuwe plekken lagen natuurlijk niet allemaal bij elkaar in de buurt. Soms fietste ze wel veertig kilometer op een dag om overal te komen.

Er was nog een regel voor de donderdag: ze moest per se haar rode jurk aan. Dat was omdat je nooit een tweede kans krijgt om een eerste indruk te maken. Ook had ze gelezen dat mensen in rode kleding vaker gelijk krijgen. Nu was er natuurlijk geen enkele reden haar tegen te spreken, maar alle beetjes hielpen.

De eerste plek van de dag was het nieuwe café op loopafstand van haar huis. Vanuit de verte zag ze de krijtborden al op de stoep staan.

Bij krijtborden was het bijna altijd raak, het leek wel of ze het expres deden.

Capucino, sju, joghurt met musli, een crossant… geen fout was haar vreemd. Ze schreef alle fouten op een speciaal formuliertje dat ze altijd bij zich droeg. Deze fouten vielen in de eerste categorie, de woordenboekcategorie. Dan was er nog de categorie die ze taalvervuiling noemde: tomatensoep als soep van pomodori noemen, worteltaart als carrotcake en een bosbessenmuffin verkopen als blueberry muffin. ‘luister,’ zei ze dan tegen de verbouwereerde eigenaars, ‘dit zijn allemaal zaken waarvoor we gewoon woorden hebben in onze eigen taal, dus ik zie geen reden ineens van taal te wisselen.’ Vaak leverde dit wat discussie op en werden er geen veranderingen doorgevoerd, tot haar frustratie.

Maar dan was er nog de derde categorie: de categorie prietpraat. Zo kwam ze eens een menukaart tegen waarop limonade als een wandeling in een Thaise rozentuin werd omschreven, een broodje kaas als een authentieke energieboost en een tosti als een knapperige smaaksensatie. Wanneer ze de café-eigenaars op zulke uitdrukkingen aansprak, was de sfeer in korte tijd volledig om zeep. Feitelijk had ze zich op deze manier ongeliefd gemaakt bij een hoop mensen.

Het krijtbord van dit café bevatte geen fouten. Er stond alleen: ‘Wees welkom bij de HSKMR! Voor koffie, fris en meer!’ Eigenlijk hield ze niet van uitroeptekens, maar daarvoor had ze geen categorie op haar formulieren. Ze ging naar binnen en nam plaats aan een tafeltje bij het raam. Ze bestelde een zwarte koffie, godzijdank begreep de serveerster wat ze bedoelde. Soms zeiden serveersters namelijk: ‘U bedoelt zeker een americano?’

Daarna nam ze het formulier uit haar handtas en bestudeerde ze de menukaart. Bovenaan stond in blokletters: MNKRT. Daaronder stond DRNKN en aan de andere kant stond het eten ingedeeld onder kopjes met de naam: BRDJS, SLDS, LNCH, DNR, BRRL. De gerechten stonden netjes uitgeschreven op de kaart. Ze vond geen enkele fout. Maar de kopjes, die verdomde tussenkopjes deden haar halsslagader kloppen. Wat was er mis met klinkers?

De serveerster kwam terug met haar koffie. ‘Alstublieft,’ zei ze. ‘Mag ik wat vragen?’ vroeg de vrouw met het formulier voor zich. ‘Natuurlijk,’ zei de serveerster. ‘Hebben jullie iets tegen klinkers?’ ‘Pardon?’ Nou, op de menukaart, al die kopjes.’ Ze wees op de kaart. De serveerster keek aandachtig mee. ‘Goh, is me nooit opgevallen,’ zei ze. ‘Ik weet niet. Maar daar komt mijn baas, u kunt het hem vragen.’ ‘Graag,’ zei de vrouw.

Een grote man met een baard en een dikke buik kwam nu naar haar tafeltje. ‘Dag mevrouw, ik hoorde dat u een vraag heeft?’ ‘Jazeker,’ zei ze, ‘ik vroeg mij af…wat is het probleem met klinkers?’ De man fronste. Hij keek onrustig om zich heen, op zoek naar een reden weg te lopen van deze gast. Dit was niet wat hij zich had voorgesteld toen hij hier een eigen café opende. Hij had leuke gesprekken voor zich gezien, gezelligheid, stamgasten. En nu was het leeg, op een gek vrouwtje in een rode jurk na. ‘Ik begrijp uw vraag niet, ben ik bang.’ Driftig wees ze op de woorden van de menukaart. ‘LNCH? Wat is dat in godsnaam?’’

‘Lunch,’ zei de man. ‘Dat betekent lunch.’

‘Waarom staat er dan geen lunch?’

De man haalde zijn schouders op. ‘Zo is onze huisstijl nu eenmaal.’

De vrouw keek hem strak aan en zei toen: ‘Wat een belachelijk verhaal.’

‘Het spijt me, maar meer kan ik er niet van maken,’ zei de man.

‘Meer kunt u er niet van maken? Het is toch uw café?’

Hij knikte. ‘Ja, dat klopt.’

‘Nou, dan kunt u er toch ALLES van maken?’ De vrouw begon nu kwaad te worden. Maar de eigenaar van het café had er geen zin meer in.

‘Luister dame, als u hier alleen een beetje komt zemelen over letters, dan zou ik u willen aanraden lekker naar de boekenwinkel hier tegenover te gaan. Letters genoeg.’

Driftig deed de vrouw haar spullen in haar handtas. ‘Het is een schande,’ zei ze. ‘Een schande! Klinkers zijn prachtletters! Ze verdienen het niet zo behandeld te worden! Een schande is het!’ Ze stommelde naar de uitgang.

De man liep hoofdschuddend naar de bar. Daar zei hij tegen de serveerster: ‘Kun jij vandaag alle klinkers van de menukaart halen?’ Hij gaf een hoofdknikje in de richting van de deur die de vrouw net achter zich had dichtgesmeten. ‘Ik wil daar echt niet mee geassocieerd worden.’

Stoplicht

21-06-2016

Ik zou hier niet moeten zijn.

Ik zou hier niet moeten zijn.

/

21-06-2016

‘Er is geen reden om zo bedroefd te kijken,’ zegt de oude man met de baard tegen de jonge man bij het stoplicht. ‘Er is geen reden je schouders te laten hangen.’ ‘Wat weet u daar nou van?’ antwoordt de jongen met verdrietige ogen. ‘Wat weet u nou van mijn gedachten, van de gebeurtenissen in mijn leven? Wat weet u van mijn verdriet?’

‘Niets,’ zegt de oude man met de baard. ‘Van jou weet ik niets. Zoals jij van mij niets weet. Maar dat heeft met geluk niet te maken. Zie je die zonnestralen op het natgeregende wegdek? Hoor je de kinderen hollen op het schoolplein hierachter? Voel je het briesje op je huid? Dat is wat wij delen, dat is de werkelijkheid van bij dit stoplicht staan.’

De auto’s van links hebben groen, de man met de baard en de jongen zetten een klein stapje achteruit.

‘U heeft geen idee van mijn werkelijkheid,’

zegt de jongen. ‘Ziet u deze spijkerbroek die ik heb aangetrokken? Dit vest, deze schoenen? Ziet u hoe mijn haren nog nat zijn van het douchen? Het kostte me vandaag vier uur om tot dit punt te komen. Om de kracht te vinden uit bed te stappen, een douche te nemen, me af te drogen, me aan te kleden. Daarna heb ik een uur uit het raam gekeken, ik heb moed verzameld. Moed om naar buiten te gaan. Ik heb mijn telefoon gezocht, mijn sleutels, mijn portemonnee. Het duurde wel een halfuur. Ik heb alles in mijn zakken gestoken en nu ben ik hier bij het stoplicht. Vertel me niet over de zonnestralen. Mijn kleding voelt zwaar op mijn lichaam, ik kan elk moment worden opgeslokt door het asfalt, verdwijnen in de gracht. Ik moet me dwingen stil te staan voor het rode licht, niet met ferme passen voor een truck te stappen. En dat is nog niet het ergste. Het ergste is dat het me niet uit zou maken. De eerste seconden misschien- ik heb nooit goed tegen pijn gekund. Maar daarna…’

Het licht springt op groen. Ze lopen naast elkaar naar de overzijde van de straat.

‘Heb je iets gegeten?’ vraagt de man met de baard. ‘Gisteren heb ik gegeten,’ zegt de jongen. ‘Vandaag nog niet. Ik zie geen reden te eten. Het zal alleen verlengen.’ ‘Ja,’ zegt de man met de baard, ‘dat is waar.’ Hij is even stil en zegt dan: ‘Ik wil je vragen, ik hoop dat het je niet ongemakkelijk maakt, ik wil je vragen om een koffie met me te drinken. In het koffiehuis, daar op de hoek. Ik zal het voor je betalen.’

‘Ik heb geen reden dat te doen,’ zegt de jongen met verwarring in zijn ogen. ‘Dat is waar,’ zegt de man met de baard. ‘Maar wat moet jij nou nog met een reden? Wat kan jou nou nog bewegen? Een goed argument? Daar trap ik niet in. Ik vraag je mee te komen, zonder reden. We laten de zon, de wind, de aarde buiten beschouwing, dat beloof ik. Die koffie, dat vraag ik je als een vreemde bij het stoplicht.’

‘Goed,’ zegt de jongen. Zwijgend lopen ze naar het koffiehuis. De eigenaar begroet hen hartelijk, de twee mannen kennen elkaar al lang. De man met de baard bestelt twee koffie en twee broodjes kaas.

‘Waarom doe je dit?’ vraagt de jongen na de eerste slok koffie. ‘Jouw pijn is ook de mijne,’ zegt de man met de baard. ‘Dat kan niet,’ zegt de jongen. Ze zwijgen.

‘Ik ben blij dat je er bent,’ zegt de man met de baard dan. ‘Het is een misverstand,’ zegt de jongen, ‘ik zou hier niet moeten zijn.’ ‘Maar je bent er,’ zegt de man met de baard. ‘Ja,’ zegt de jongen en hij veegt een traan weg.

De man met de baard rekent af. Ze lopen samen naar buiten en staan dan stil. Ze zoeken naar een passend afscheid. ‘Bedankt,’ zegt de jongen en hij geeft een hand. ‘Jij bedankt,’ zegt de man met de baard.

Ze gaan elk een andere kant op.

De vrouw van de bloemenstal staat de jongen al op te wachten. Zijn bestelling ligt klaar.

Excursie

08-03-2016

Het heeft ook wel weer wat.

Het heeft ook wel weer wat.

/ / /

08-03-2016

Het was niet zo avontuurlijk als wat de buren op vakantie deden, iets met fietstochten door de jungle van een onontdekt land of met elastiek aan de enkels een ravijn induiken, maar ze hadden er ook voor kunnen kiezen om helemaal geen excursie op het eiland te doen. Alleen maar zwembadtijd, beetje hangen, beetje drinken en slapen. Af en toe een hoofdstuk lezen uit een van de bestsellers die ze op het vliegveld hadden gekocht en dan een ijsje halen. Het echte luieren… ze hadden het wel gedaan, maar dat was voor de eerste paar dagen, nu was het tijd voor actie, een excursie.

Dat was wat Hanne had gezegd tegen haar verloofde, Jesper. Ze waren een hoog opgeleid stel van begin de dertig. Ze hadden drukke banen, een koopwoning, een degelijke auto, een goed onderhouden tuin, twee ipads en een televisie met heel veel zenders. Ze hadden vrienden, een stamkroeg en een hogedrukspuit tegen de groene aanslag op de tegels van het terras. Ze hadden donkerblonde haren en allebei een buikje. Jesper was akkoord gegaan met het plan en daarna hadden ze elkaars rug ingesmeerd met de zonnebrandcrème die Hanne had gekocht bij de 1+1 gratis week van de drogisterij.

De dag van de excursie hadden de wekker gezet, haastig ontbeten bij het buffet en daarna waren ze naar de bushalte gelopen waar een touringcar ze kwam halen voor de tocht naar het ongerepte deel van het eiland. Een deel waar je kon zien hoe dit eiland ooit was ontstaan, welke planten er groeiden- anders dan de palmbomen die bij elk resort stonden- maar vooral zou het een deel zonder hotels, restaurants, casino’s en toeristen zijn. Behalve dan die vijftig uit de touringcar, uiteraard.

Voorin de bus stond de dame van de reisleiding, een stralende vrouw met fonkelblauwe ogen en lang donker haar. ‘Goedemiddag, dames en heren,’ zei ze vol enthousiasme in de microfoon. Kennelijk waren er alleen maar Nederlanders aan boord, want ze vertaalde niets. In de folder van deze excursie stond in tien verschillende talen: ‘Ook in uw taal!’ en ook de menukaarten in de meeste restaurants waren verkrijgbaar in minimaal vijf talen of anders met foto’s van het eten. Foto’s die een realistisch beeld gaven van de situatie die zich op je bord zou voordoen, meestal iets met wit deeg, rubberachtige kaas en een referentie naar het idee van groenten.

‘Mijn naam is Stella en ik ben jullie reisleider deze prachtige dag! En wat gaan we doen? Nou ik zal u zeggen wat we gaan doen! Wij gaan genieten! Van elkaar! Van de natuur! Van hoe God het ooit bedoelde!’ In principe was geen van de passagiers in de bus van plan om contact te maken met de anderen, maar enkelen zochten nu toch naar blikken van verstandhouding die hier wel op hun plaats zouden zijn.

‘Ik moet zeggen, u ziet er werkelijk verrukkelijk uit allemaal!’

riep ze. ‘Ik loop even door het pad naar achteren dan kan ik u goed bekijken en ziet u mij ook even vanachteren, als u begrijpt wat ik bedoel!’ Lachend liep ze het pad door, zo nu en dan aaide ze een klein kind over zijn bol, gaf ze een knipoog aan een zongebruinde vader, maakte ze een compliment over een zomerjurk of mooi gelakte nagels.

Toen ze bij Hanne en Jesper aankwam, veranderde haar blik. Hanne zat bij het raam, en Stella besloot op de smalle armleuning van Jesper plaats te nemen, waardoor ze praktisch op zijn schoot zat. ‘Zo…’ zei ze. ‘Zozooo…’ Jesper lachte ongemakkelijk, Hanne lachte niet. ‘Hebben jullie het een beetje aangenaam hier op het eiland?’ ‘Prima, niks te klagen,’ zei Jesper. ‘Mooie haren heb je,’ zei Stella tegen Hanne. ‘Dankje,’ zei Hanne terwijl ze naar buiten bleef kijken. ‘Mag ik het even aanraken?’ ‘Nee hoor, bedankt.’ ‘Jammer,’ zei Stella. ‘Het is gewoon… deze baan maakt me zo…’ ze keek naar buiten. ‘Oh! Ik zie een highlight!’ De bus stopte bij een vlakte met in het midden een rots die een klein beetje op een pandabeer leek. Een pandabeer, gekleid door een kind van drie, met net te weinig klei.

‘Dat wijf is gestoord,’ siste Hanne tegen Jasper. ‘Beetje apart is ze wel ja, maar gestoord? Het heeft ook wel weer wat.’ Zoveel woorden zei Jesper zelden achterelkaar en Hanne keek hem koud aan. ‘Het heeft wel weer wat? Zeker omdat ze met haar magere kont op je schoot kwam zitten?’ ‘Ze zat niet op mijn schoot, ze zat..’ ‘Laat maar.’ Hanne kon op verschillende manier uitdrukken dat ze pissig was, en lopen was er één van. Haar pissige loopje kende Jesper maar al te goed, en nu demonstreerde ze het terwijl ze steeds verder wegliep van de touringcar. Een man vroeg of Jesper een foto kon nemen van hem met zijn vrouw en obese tienerdochters. Het moest drie keer opnieuw. ‘Ik doe er wel een filter over’ zei de oudste dochter ernstig.

‘Dames en heren! Wij gaan weer verder!’ riep Stella. De groep sjokte terug richting de bus. Jesper keek om zich heen, maar Hanne was nergens meer te zien. Ook in de bus geen spoor van Hanne.

‘Stella, mijn verloofde is er nog niet,’ zei hij, ‘ze was even die kant opgelopen, maar nu zie ik haar nergens meer.’ ‘Dat is heel ernstig,’ zei Stella, ‘maar we kunnen nu niet hier blijven. Onze lunch wacht op ons, ze hebben meerdere groepen vandaag, dus we mogen niet te laat komen.’ ‘Maar, maar… we kunnen haar toch niet achterlaten hier?’ Stella zuchtte. ‘Nee, dat zullen we ook niet doen. Ik bel mijn collega’s die het gebied goed kennen, dan gaan zij nu naar haar uitkijken, en wij naar de lunch. Dan pikken wij d’r daarna wel weer op.’ ‘Ik help liever met zoeken,’ zei Jesper. ‘Met dat zachte lijf van je? Nou, neem maar van mij aan dat anderen dat beter kunnen. Ze zal terug zijn voor je het weet.’ En met die woorden werd hij terug de bus in gedirigeerd.

Na een kwartiertje rijden kwamen ze bij het restaurant aan. Het zag eruit als een chalet en de bediening had vijf biertafels gedekt voor de groep. Ze aten brood, olijven, een waterige groentensoep en daarna pasta. Toen was er koffie en taart en een halfuurtje vrije tijd om wat rond te kijken of een traditioneel geborduurd tafelkleed te kopen bij het tafeltje van een kleine vrouw met een snor.

Jesper kon zich niet ontspannen. Ook niet toen Stella achter hem kwam staan en zijn schouders masseerde terwijl ze zachte woordjes in zijn oor fluisterde. ‘Maak je niet druk, jij knappe man, maak je niet druk..’ Snel drukte ze een harde kus in zijn nek, onder zijn oor. Jesper was te verbaasd om te reageren en dronk een halve liter bier om van de schrik te bekomen.

Toen het halfuur wachten voorbij was, gingen ze terug naar de plek waar Hanne kwijt was geraakt.

Zoals gezegd, had Hanne meerdere manieren om het woord pissig met haar lichaam uit te drukken. Jespers hart maakte een sprongetje toen hij haar pissig zag staan, niet ver van de pandarots. De deuren van de bus werden geopend en Stella gebaarde Hanne binnen te komen.

Nu zag Jesper het pas goed. Ze was niet pissig, ze was furieus. Ze nam plaats naast Jesper en zei: ‘Hoe kon je me nou zo achterlaten? Wat is er godverdomme mis met je?’ ‘Het moest, want de groep moest eten en Stella zei dat…’ ‘Stella, Stella, godverdomme. Dan ga je toch lekker met je Stella!’ ‘Schatje, doe nou niet..’ probeerde hij. Toen zag Hanne de lipstickafdruk van Stella achter zijn oor. Ze was zo kwaad dat ze bang was dat ze hem ter plekke zou vermoorden.

In plaats daarvan deed ze haar armen overelkaar en keek ze naar buiten. De rest van de excursie weigerde ze de bus te verlaten. Toen ze ‘s avonds bij het resort kwamen, informeerde ze bij de receptie naar een andere kamer. Die hadden ze. Jesper begreep er niks van. ‘Ga er maar even heel goed over nadenken,’ zei Hanne met woeste ogen.

Die avond liet Hanne roomservice komen in haar privékamer. Of eigenlijk was het andersom.

De volgende dag werd ze wakker in een uitstekend humeur. Ze zag vlagen van de knappe exotische ober voor zich, haar kleding lag verspreid rond het bed. Passie was toch niet het kenmerk van een man uit Oosterbeek, dacht ze. Ze nam een douche en ging terug naar Jesper. Hij had die nacht nauwelijks geslapen, had de lippenstift gezien toen hij zijn tanden ging poetsen. Hij was naar de receptie gerend, maar daar weigerden ze het kamernummer van zijn verloofde te geven. Na een uur was hij afgedropen. Nu zat hij met rode oogjes op het bed. ‘Het is al goed,’ zei Hanne. ‘Het is al goed.’

Tattoo

05-02-2016

Ik weet het goedgemaakt.

Ik weet het goedgemaakt.

/ /

05-02-2016

Ze hield het theekopje goed vast en keek om zich heen. Overal hingen afbeeldingen van tatoeages, chinese tekens, draken, vlammen, tribals, ankertjes en pin-ups, alles was mogelijk hier. Tussen de afbeeldingen hingen diploma’s en certifcaten van de inspectie. Een tatoeage, ze had het nooit serieus overwogen, maar mocht ze het ooit willen, dan was dit vast een goede plek. De studio was in elk geval een stuk minder heftig dan ze had gedacht. Er stond geen harde rockmuziek op, het rook fris en ze kreeg een kopje biologische kruidenthee aangeboden.

Ze zat op een rood pluche fauteuiltje, tegenover haar was de eigenaar van de tattooshop gaan zitten. Ze was naar binnen gekomen om een pakketje dat per ongeluk bij haar bezorgd was, af te geven. Sinds kort waren overburen, ze woonde nog maar drie weken in het huisje schuin tegenover de shop.

Vaak was ze al voorbij gelopen. Steeds hadden ze naar elkaar gelachen, gezwaaid zelfs. In haar hoofd was hij een leuke interessante man geworden, en heel anders dan wat ze gewoonlijk aan mannen ontmoette.

Zomaar een gesprek beginnen was niet haar sterkste kant, maar met de komst van het pakketje had ze een echte reden gekregen om binnen te lopen, een praatje te maken. Voor de zekerheid had ze even een beetje lippenstift opgedaan voordat ze naar hem toe ging. Haar joggingbroek verving ze voor die ene spijkerbroek waarin ze een buitengewoon goede kont had.

Hij had haar hartelijk ontvangen, thee ingeschonken, was met haar gaan zitten en had verteld over zijn zaak. Hoeveel klanten hij had, wat de leukste opdrachten waren, dat soort dingen. Zij vertelde over haar werk als freelance consultant, over de woning die ze met veel geluk had weten te bemachtigen, over de dingen die ze nog ging veranderen in haar huis.

Hij luisterde en lachte om al haar grapjes. Ze voelde zich op haar gemak, hoewel ze in de spiegel zag dat ze wel een beetje rode konen had gekregen, alsof ze een paar glazen rosé had gedronken op nuchtere maag.

‘Doet het pijn, zo’n tatoeage?’ vroeg ze aan hem.

‘Ik kan het je wel even laten voelen, doe ik er gewoon geen inkt in,’ had hij gezegd.

Zoiets zou ze normaal gesproken nooit gedurfd hebben, maar om nu tegenover deze compleet ondergetatoeëerde man te zeggen dat ze het niet durfde, dat was nog enger dan het gewoon maar te doen.

Hij demonstreerde het door een stukje op haar arm onzichtbaar te tatoeëren. Het deed inderdaad veel minder pijn dan ze had gedacht.

‘Wat voor plaatje zou je nemen als je er eentje zou laten zetten, wat vind je mooi?’

‘Die bloemen vind ik wel mooi,’ zei ze terwijl ze op een paar tekeningen wees die vlakbij de deur hingen. ‘Maar het is toch niet echt iets voor mij. Heb er nooit serieus over nagedacht, tenminste.’

‘Blader anders even hier doorheen,’ zei hij terwijl hij een map vol voorbeelden overhandigde.

Hij ging op de armleuning van haar stoel zitten en keek over haar schouder mee naar de plaatjes. Een paar keer raakte hij haar rug zachtjes aan, ze hoopte dat het nog vaker gebeuren zou.

‘Ik denk dat ik deze het mooiste vind,’ zei ze toen, wijzend op een plaatje van een viooltje. ‘En mijn oma heette ook Violet.’

‘Mooi vind ik dat, dat er wel betekenis bij zit,’ zei hij, ‘soms dan willen mensen zomaar wat, en dat slaat dan gewoon nergens op. Vorige week nog, heb ik een pot Nutella op iemands kuit moeten zetten. Natuurlijk hield die gast wel van Nutella, maar je kunt toch moeilijk je hele been volzetten met je boodschappenlijstje.’

Ze lachte om zijn grapje, iets harder dan nodig.

‘Ik kan hem ook heel mooi klein maken,’ zei hij toen. ‘Dat het echt een soort geheimpje van jezelf wordt, ergens op je voet bijvoorbeeld. Je hebt mooie voeten, dat zag ik al meteen.’

Verlegen keek ze naar haar voeten in haar favoriete leren sandaaltjes.

‘Mag ik even?’ vroeg hij toen en hij gebaarde naar haar enkel. Verward knikte ze.

Hij nam haar rechtervoet op zijn schoot en deed het sandaaltje uit. Toen bestudeerde hij beide zijden van haar enkel en zei: ‘deze plek zou prachtig zijn.’

Ze probeerde haar voet terug te trekken, maar hij had haar enkel stevig vast. Bovendien hield hij nu in zijn andere hand het zoemende apparaatje met de naald erin.

‘Nee, dankje’ zei ze met paniek in haar stem. Hij leek haar niet te horen.

‘Niet doen,’ zei ze nu luider. Ze voelde speldenprikjes in haar huid en durfde zich niet meer te bewegen, bang om meer schade aan te richten. Ze huilde en keek de andere kant op.

Toen was hij klaar. In minuten had het kort geduurd, in beleving zou het nooit meer voorbij gaan.

Op haar enkel een klein viooltje.

‘Zo,’ zei hij. ‘De eerste is altijd heftig.’

‘Maar, maar ik wilde helemaal geen tatoeage.’

‘Doe niet zo gek. Je loopt hier al dagen lachend voorbij, komt hier een beetje met me zitten ouwehoeren, gouden sandaaltjes en alles… en nu wil mevrouw het niet meer?’

Ze keek bedremmeld naar de grond. Zou hij gelijk hebben?

Hij legde zijn hand op haar schouder en zei toen: ‘Ik weet het goedgemaakt. Deze krijg je van mij. Omdat we buren zijn.’

Bevend ging ze weer naar buiten. Ze schaamde zich als nooit tevoren en vroeg zich af of ze dit ooit aan iemand vertellen zou.

Diner

12-01-2016

Elke keer denk ik aan jullie.

Elke keer denk ik aan jullie.

/ / /

12-01-2016

Camille en Rogier zaten tegenover elkaar in het restaurant. Ze kwamen hier wel vaker, ze pasten goed in het moderne, strakke interieur met witte leren banken, designstoelen en industriële lampen. Het restaurant lag in een van de duurdere straten van de stad, en het eten was dan ook niet goedkoop. Voor Camille en Rogier maakte het niet uit. Geld was niet iets waarover ze na hoefden te denken. Eigenlijk hoefden ze over niks echt na te denken, het liep, alles liep. Soms hadden ze wel stress natuurlijk, zoals laatst toen de nieuwe auto drie weken te laat werd geleverd, of toen er bijna geen chalet meer te boeken was in de periode die zij vrij hadden genomen om te skieën. Het was allemaal goed gekomen, gelukkig.

Ze aten zwijgend. Hij had de entrecôte besteld, zij een pasta met zeevruchten. ‘Zeevruchten,’ dacht ze bij zichzelf, ‘waarom vruchten? Het zijn toch ook geen stalvruchten, of weidevruchten?’ Ze hield haar gedachten voor zich. Ze dronken een witte wijn die in de koeler op tafel stond. Zo nu en dan werden ze bijgeschonken door de serveerster die zo opgewekt was dat het leek of ze aan de drugs was.

Enkele tafels verderop vertrokken de gasten, vier in totaal. Het waren twee stellen van een jaar of dertig, lange mannen met vlassig haar, hand in hand met kleine onknappe vrouwen met zware benen. De vrouwen droegen grote leren handtassen en hadden hun haren opgestoken in een rommelige knot. Het was acht uur en ze waren al helemaal klaar met het diner. Vroege eters, daar hadden Camille en Rogier vroeger grapjes over gemaakt. Ze maakten veel grapjes. Over burgerlijkheid en mensen die om tien uur in bed liggen. Maar de grapjes waren opgegaan.

De serveerster hield de deur open voor de vroege eters. ‘Gezellige avond nog!’ riep ze hen enthousiast na. De stellen lachten en liepen met tevreden gezichten de kou in. De frisse buitenlucht glipte naar binnen, gaf Camille heel kort kippenvel op haar armen. Ze stopte even met eten en keek hoe Rogier zijn vlees at. Het was lang geleden dat uit eten gaan iets met gezelligheid te maken had. Dat ze elkaar werkelijk iets te vertellen hadden, naar elkaars antwoorden wilden luisteren, dat ze het eten bijzonder vonden, genoten van de luxe van niet koken, niet afwassen.

‘En hoe gaat het hier?’

De serveerster was op haar hurken aan de zijkant van de tafel gaan zitten. Ze had een bijzonder gezicht, breed en bleek met grote ogen waardoor ze iets van een jong meisje had. Maar zo van dichtbij kon je zien dat ze de veertig zeker geapsseerd was. ‘Prima,’ zei Rogier, zonder haar aan te kijken. ‘En voor u ook, mevrouw?’ vroeg de serveerster. Ze sprak met veel melodie in haar zinnen, alsof ze eigenlijk liever zou zingen. Camille knikte met een glimlach op haar gezicht. Meestal was dat genoeg om het personeel snel weer te doen verdwijnen. Maar deze serveerster bleef zitten waar ze zat. ‘Ik heb niet het gevoel dat het goed is,’ zei ze. Rogier fronste zijn wenbrauwen en zei: ‘Pardon?’

Op zijn kin lag een drupje pepersaus, die de serveerster er met een servet afveegde. ‘Nou, ik zie jullie hier vaker. En elke keer denk ik aan jullie- en dan denk ik bij mezelf, Dorith, je moet eens met ze gaan praten, met dat stel. Want ze zijn niet gelukkig, je moet ze vragen wat het is. Misschien kun je ze helpen. Dat is wat ik tegen mezelf zeg, en vandaag komen jullie binnen, eindelijk- jullie waren zeker wintersporten ofzo? Dus, vertel mij eens… wat is er toch mis?’

Camille wachtte af wat Rogier zou doen. Hij hield niet van mensen die hun werk niet goed deden, en waar deze serveerster nou aan was begonnen, behoorde niet bepaald tot haar normale takenpakket. ‘Interessante analyse,’ zei hij op een manier waaruit niet op te maken viel of het sarcastisch was of niet. ‘Vind je ook niet Camille?’ ‘Wat zeg je?’ deed Camille alsof ze het niet begreep. ‘Interessant, dat deze dame ons hier ziet zitten, en dan over ons nadenkt.’ Rogier ging met zijn tong langs zijn voortanden, een gewoonte waar Camille zich altijd aan ergerde. Hij vervolgde: ‘Dat geeft toch te denken. Kennelijk zijn we in het gezelschap van een alwetende serveerster..’ hij verborg zijn sarcasme niet langer en boog naar de serveerster toe, ‘..wat is het precies dat u voorstelt, oh, helderziende?’ De serveerster knipperde met haar ogen, maar gaf verder geen krimp. Ze wendde zich tot Camille die met rode konen aan de andere kant van de tafel zat. ‘Hoe is dat nou voor u, zo’n echtgenoot?’ ‘Ik ehm, ik denk dat u beter kunt gaan,’ zei Camille.

‘Jullie breken mijn hart,’ zei de serveerster met een snik in haar stem. Ze stond op en sprak nu op luide toon. Het was stil geworden in het restaurant, alle gasten keken naar haar, hoe ze met grootse handgebaren begon te spreken. ‘Een beetje vegeteren en doen alsof het liefde is. Jullie breken mijn hart. Nooit zingen onder de douche, een cadeautje zonder reden, een stiekeme voet onder de tafel, zachte woorden voor het slapen gaan. Jullie breken mijn hart. Jullie zouden de wereld kunnen zijn voor elkaar. Ja, jullie met zijn twee. Hoger klimmen, verder lopen, feller schijnen. Maar jullie praten over wijn, werk en belastingen. Jullie eten zonder te proeven, drinken gedachteloos, alsof jullie enkel aan het wachten zijn. Wachten op wat? Dat is wat ik me afvraag. Op de dag waarop echte pijn op jullie pad komt? Wat kan ik nog zeggen?’ Ze haalde diep adem. ‘Jullie breken mijn hart.’

Het was akelig lang stil in het restaurant. Toen brak iemand een glas en werd alles weer zoals het was.

‘De rekening, alstublieft,’ zei Rogier met schorre stem.

Rust

28-12-2015

Het rook naar huisparfum.

Het rook naar huisparfum.

/

28-12-2015

Het was onmogelijk de tijd terug te draaien, dat begreep hij ook wel. Hij had harde keuzes gemaakt, dat begreep hij ook wel.

Toch voelde alle verandering onrechtvaardig en dat begreep niemand.

Geen van zijn vrienden leek hem werkelijk te begrijpen, en zijn gezin was zelfs ronduit vijandig geworden. Als hij dit allemaal van tevoren had geweten, dan was hij er niet aan begonnen, zei hij tegen zichzelf. Als een mantra herhaalde hij deze zin. Soms wel een halfuur achterelkaar, wanneer hij in de auto zat. Het was de enige manier om met zichzelf te leven. Hij voelde zich als een slecht geïnformeerde politicus die met de gebakken peren was komen te zitten.

Zijn dochter stuurde hem een foto van haar opgestoken middelvinger, zijn zoon belde nooit terug. Zijn echtgenote sprak hij niet meer, wel wist hij dat zij achtereenvolgens een slotenmaker en een advocaat had gebeld.

De vrouw waar alles om te doen was geweest zat soms urenlang somber op de bank. Ze moest er nog een beetje aan wennen. Haar omgeving ook. Ze speelde een spelletje op haar telefoon, om niet na te hoeven denken, te voelen. Alles wat ze wilde had ze gekregen. Maar ze voelde zich niet euforisch, optimistisch of gelukkig.

Misschien was enkel het verlangen zo verslavend geweest, was hun band gebaseerd op spanning en lust. Maar daarvoor was het nu te laat, ze waren een koppel geworden. Zo kwam het dus dat ze samen door de tl-verlichte supermarkt liepen. Hij duwde een winkelwagen voor zich uit, wat niet meeviel omdat het linker voorwieltje niet meer kon zwenken. Hij concentreerde zich op de kar en zij bepaalde de route, ze liep een meter voor hem uit. Ze vergaten vuilniszakken te kopen en hingen maar weer een boodschappentas in de prullenbak.

Hij keek om zich heen in zijn nieuwe huis. Het rook naar huisparfum. Zoiets had de echtgenote onzin gevonden, maar het had wel iets, eigenlijk. Ach, dacht hij, het maakte al niet meer uit. Dit ging het zijn. Zalm uit de nieuwe stoomoven, goed onderhouden kozijnen, een serie kijken vanaf de hoekbank.

Zij was gaan hardlopen, hij zou nog wat werken aan de keukentafel. Het bureau werd pas over drie weken bezorgd. ‘Het nieuwe leven’, mompelde hij zachtjes. Het internet deed het niet. Hij stond op om de modem uit en aan te zetten.

Ze kwam de kamer weer in, bezweet en vermoeid. ‘Ik ga even douchen,’ zei ze. ‘Zet jij de oven alvast aan? Dan kunnen we na het eten nog even langs de Praxis voor plinten in de studeerkamer.’

Hij knikte afwezig en probeerde zich voor de geest te halen hoe de woorden vrijheid en verantwoordelijkheid zich ook alweer tot elkaar verhielden.

Gelijk

17-12-2015

Ik zal u na het eten moeten wurgen.

Ik zal u na het eten moeten wurgen.

/ / /

17-12-2015

Het is niet eenvoudig om altijd gelijk te hebben, maar de man met de baard was eraan gewend geraakt. Als kind schaamde hij zich voor zijn gave. Leraren gaven hem stelselmatig strafwerk omdat hij geen moment voorbij liet gaan om in te grijpen wanneer verkeerde informatie werd verstrekt. Hij voelde dat ingrijpen de enige rechtvaardige optie was, zodat werd voorkomen dat dertig van zijn leeftijdsgenoten verkeerd werden geïnformeerd. Zoals het gaat met zulke kinderen, had hij geen vrienden op school.

Thuis sprak hij niet met zijn zes broers en zussen en wanneer hij liep, maakte hij nauwelijks geluid. Stilletjes sloop hij door de school, door het huis, door het dorp, door het leven. Zijn vader gaf hem regelmatig een stevige draai om de oren, dat was meestal na het derde blik bier. Zijn moeder was een zachtaardige vrouw, maar zo verschrikkelijk vermoeid dat ze haar gelijkhebbende zoon niet lastig viel noch aandacht schonk. Er waren immers nog meer kinderen te voeden, te verzorgen, op te voeden.

Je zou kunnen stellen dat hij als kleine jongen een zwaar leven had, maar hij maakte zich niet druk. ‘Op een dag zullen jullie me nodig hebben,’ dacht hij dan. En zoals het gaat bij iemand die altijd gelijk heeft, kwam ook deze voorspelling uit.

Op zijn achttiende had hij een vlassig baardje en vertrok hij naar een nabijgelegen dorp om daar in de bibliotheek te gaan werken. Zijn leven bestond uit werken, lezen, slapen, een wandeling in de vroege ochtend en elke dag een bord dampende soep als avondeten. Dit eenvoudige bestaan gaf hem zoveel rust in zijn hoofd en in zijn ogen dat de mensen in het dorp zich als vanzelf bij hem gingen melden wanneer ze advies nodig hadden. Het vlassige baardje was inmiddels een grote stevige baard geworden, als de haren van een bezem. Zo kwam het dat hij vanaf zijn twintigste als de man met de baard bekend was komen te staan en het aantal mensen dat zijn werkelijke naam kende nogal gering was.

Bij elk besluit waar de mensen zelf niet uitkwamen, zochten ze contact met de man met de baard. De mensen maakten geen afspraak, ze klopten simpelweg aan bij het kleine witte huisje waar hij woonde, niet ver van de rivier waar hij als kind langs de waterkant had gespeeld. Hij voorzag ze van adviezen over allerlei aspecten van het leven, zoals werk, studie, gezondheid, hoelang artisjokken nou gekookt moeten worden, familiekwesties, het aanschaffen van een huis. Maar de mensen kwamen vooral bij hem voor prangende kwesties die te maken hadden met dat ene grote onderwerp, de liefde.

Het was wonderlijk dat ze juist hem om advies vroegen, hij die nauwelijks iets had ervaren op het gebied van de liefde. Goed, er kwamen wel eens ronddwalende kruidenvrouwtjes bij hem langs, kleine vrouwtjes die naar lavendel en patchouli roken en meestal een nacht of twee bleven. Dan maakte hij extra soep die ze samen aten. Daarna sliepen ze in het krakende eenpersoonsbed van de man met de baard. Het was aangenaam, dat zeker, maar echte meeslepende verliefdheid, met kriebels, zware voeten, bonzende harten- dat had hij nooit meegemaakt.

Voor de dorpelingen zat de kwaliteit van zijn adviezen juist in het gebrek aan liefdesleven.

‘Hij heeft geen trauma’s’, zei de vrouw van de bakker, ‘daarom hebbie zo’n helder koppie, kennie gewoon zien wat er aan de hand is.’ ‘Hij heeft geen vrienden,’ zei de rijkste man van het dorp, ‘daarom heeft hij niet te maken met integriteitskwesties.’ ‘Hij is, naja, niet de zoon, maar toch wel zeker een neef van God,’ zei de serveerster uit dorpscafé Het Plekkie. ‘Zoveel gelijk heb niemand en zeker geen man, als je ‘t mij vraagt.’ Niemand vroeg haar, maar zo waren de serveersters van Het Plekkie nu eenmaal. Ze gaven doorlopend antwoorden op vragen die niemand hen stelde.

Op een dag kwam er een kleine, muizige vrouw bij de man met de baard op bezoek. Ze zag eruit alsof ze dagen niet had geslapen. Haar haren waren pluizig en in een rommelig knotje op haar hoofd verzameld. Ze droeg een lange donkerblauwe jurk waardoor ze eruit zag als een godsdienstwaanzinnige uit het zuiden van de VS. Ze kon niet ouder zijn dan veertig, maar zoals ze er nu uitzag, leek ze maximaal nog tien jaar mee te kunnen gaan.

‘Ik heb een vraag, ’ zei ze terwijl ze nog buiten op de deurmat stond. De man met de baard gebaarde haar binnen te komen, wat ze schoorvoetend deed. ‘Ik vrees dat ik het niet meer kan,’ zei ze terwijl ze met haar knokige vingers aan haar mouwen friemelde. De man met de baard zweeg, zijn jarenlange ervaring had hem geleerd te zwijgen, juist wanneer de woorden van de ander het zwaarst leken te zijn.

‘Ik ben miserabel in de liefde en eenzaam zonder. Ik probeer samen te zijn, alleen te zijn, een beetje van beide te zijn. Ik slaap er niet van en ik heb het altijd koud. Ik wil samen zijn, alleen zijn, ik weet het gewoon niet… Wat moet ik nou doen?’

Mistroostig keek ze uit het raam, buiten werd het al donker. De man met de baard stond op uit zijn leunstoel een keek ook naar het kale landschap.

Na een poosje zei hij: ‘Vandaag eet ik pompoensoep. Er is genoeg voor twee.’ Verbaasd keek de vrouw op. ‘Maar, maar.. wat moet ik nou? Daarvoor ben ik hier- u heeft toch altijd gelijk?’

De man met de baard knikte.

‘Soep zal u goed doen. Soep en afscheid.’

‘Afscheid?’

‘Ik zal u na het eten moeten wurgen. Met blote handen. Wees niet bang, het duurt maar even.’

Als door een bij gestoken stond de vrouw op. Bij de haard lag een pook die ze snel greep. Ze liep achteruit door de kamer met de pook voor zich uitgestoken.

‘Als je me aanraakt…’ Haar stem klonk hoog, haar gestrekte arm beefde.

De man met de baard stond glimlachend voor haar en deed nog een stap in haar richting.

‘Als je me aanraakt..’ zei ze nu wat luider, terwijl haar ogen schichtig heen en weer bewogen.

De man met de baard kwam nog wat dichterbij.

‘Als je me aanraakt dan, dan..steek ik je!’ haar stem sloeg over.

De man met de baard ging weer zitten in zijn leunstoel. ‘Ziet u nou,’ zei hij, ‘u kunt het best. Ik zag het in uw ogen. U was niet bereid u te laten wurgen. U was bereid te vechten. U wilt vechten.’

De vrouw liet de pook zakken.

‘Het is, kortom, minder dramatisch dan u denkt. Het is een kwestie van de juiste vragen stellen. Komt u de volgende keer hier met de juiste vragen. En dan eten we nu de soep en laten we het wurgen achterwege.’

Ze knikte, ze at de soep en ze dacht na over de juiste vragen. De man met de baard had weer eens gelijk gekregen. Neuriënd waste hij de kommetjes af.

Talent

09-12-2015

Het was niet dat er iets mis was

Het was niet dat er iets mis was

/ / /

09-12-2015

Toen haar ouders dood waren was ze bijna vijftig. De kinderen waren toen al het huis uit. De jonste was toen nog niet met zijn motorfiets van een klif gestort, de oudste nog niet geëmigreerd naar Nieuw-Zeeland. Ze had drie broers en twee zussen die aan de andere kant van het land woonden. Een man was er ook geweest in haar leven, maar hij was na twintig jaar huwelijk vertrokken en woonde nu in een zeer vervuilde flat aan de rand van Zoetermeer.

Haar voornaamste gezelschap was dat van haar huisdier: een klein wit hondje met een rood halsbandje. Het beest heette Mono, en als ze naar buiten gingen zette ze het in een speciale wandelwagen voor honden.

Ze was niet oud, als ze de statistieken mocht geloven kon ze nog decennia mee. Maar ze was alle jeugd verloren. Ze wist niet meer hoe te lopen, denken, praten, koken of zich kleden. Ze liep als een oude vrouw, dacht in korte angstige zinnen, sprak enkel over andere mensen en kleedde zich in kleurloze kleding uit boetieks met namen als Modehuis Ans en Veeman Fashion.

In de kleine plaats waar ze woonde kende ze de mensen van de winkels en een handjevol mensen uit de buurt. Hoewel, misschien was kennen niet het juiste woord. Ze wist wie ze waren, met wie ze getrouwd waren, waar ze woonden, dat soort dingen. Nooit werd ze uitgenodigd voor verjaardagen, huwelijken, kraambezoeken of begrafenissen.

Het was niet dat ze onaardig was. Ze was best vriendelijk. Ze waste haar haren tweemaal per week en ging naar de tandarts en de kapper. Haar kleding was schoon, gestreken en rook naar de geurbuiltjes die in haar kledingkast hingen. Het probleem was kortom, niet dat er iets werkelijk mis was, maar dat er niets werkelijk goed was.

Op televisie had ze een programma over zakendoen gezien en de jonge managementgoeroe had uitleg gegeven over het geheim van zakelijk succes.

Terwijl hij erover vertelde kwam hij tot de conclusie dat het eigenlijk een formule was voor succes op alle mogelijke gebieden in het leven.

Het zat volgens hem allemaal in één enkel woordje en dat was: meerwaarde. Met meerwaarde is er geen ontkomen aan, met meerwaarde garandeer je jezelf van werk, vrienden, liefde, geluk, een toekomst eigenlijk.

Daarna gaf hij een stappenplan dat ze driftig overschreef op het kladblokje dat ze ooit had gekregen van de gemeente toen de riolering werd vervangen bij haar in de straat. De pen die erbij zat was door Mono te grazen genomen en had ze dus moeten weggooien.

De stappen waren eenvoudig: 1. Bepaal uw talent. 2. Blink uit. 3. Treed naar buiten.

Ze keek op de klok. Het was half vier en dat betekende dat ze een stukje vlees uit de vriezer moest gaan halen. Ze koos voor een slavink. Ze hield niet van eten en ook niet van koken maar ze deed het toch, net zoals ze alle andere dingen deed. Ze kookte twee aardappels, warmde erwtjes uit een glazen potje op, braadde het vlees en zette toen een kopje sterrenmixthee. Op het kladblok schreef ze toen: 1. Talent. Ze keek naar Mono die druk bezig was zichzelf tussen zijn achterpoten te likken.

Ze staarde naar het blaadje. Er moest toch wel iets te bedenken zijn?

De deurbel klonk. Verontrust keek ze om zich heen. Ze verwachtte niemand, maar ze besloot toch maar open te doen.

Een pakketjesbezorger stond voor de deur. Meestal waren het jonge knapen, maar ditmaal betrof het een oudere bezorger met een imposante grijze snor en gitzwarte ogen.

‘Dit is voor nummer 104’ zei hij met een grote vierkante doos in zijn handen.

Er was iets waardoor ze haar evenwicht leek te verliezen, en ze zweeg een poosje. 

‘Wilt u misschien even binnenkomen?’ Zei ze toen ineens.

‘Nou, daar heb ik echt geen tijd voor,’ zei hij.

‘Heel even.’

‘Vooruit dan maar.’ Hij zette een stap naar binnen. Het smalle halletje was meteen gevuld met deze grote man in het grijs met oranje jack. Onhandig ging ze hem voor naar de woonkamer waar Mono ogenblikkelijk vreselijk begon te keffen.

‘We hebben niet zo vaak bezoek,’ zei ze terwijl ze een kop thee voor de man neerzette. Zijn oog viel op het kladblokje op tafel.

‘Talent? Ha, nou daar doet men maar over alsof het iedereen toekomt, alsof iedereen het heeft… nou, wij weten toch wel beter. Het is wat het is. Geen hoogvliegers, laagvliegers, middenvliegers. Enkel aanstellers en normaaldoeners, als je het mij vraagt.’

Toen zette hij zijn lege kop weer op tafel en zei hij: ‘Ik kom volgende week weer langs en dan kom ik graag eten.’

Ze knikte en deed de voordeur voor hem open.

Terug bij de tafel verfrommelde ze het kladblaadje. Daarna plofte ze op de bank en lachte een kwartier lang hardop.

Tijd

09-11-2015

Zoals het gaat met mensen die zoeken.

Zoals het gaat met mensen die zoeken.

/ /

09-11-2015

Vroeger had hij er nooit op die manier over nagedacht, maar de tijd was als een stijgende waterspiegel. Waar hij eerst in een ondiep plasje water had gestaan, voelde hij het nu al halverwege zijn buik komen. Het water bleef stijgen en stijgen, tot de dag waarop het water hoger zou komen dan zijn eigen hoofd en dan zou het klaar zijn. Over, schluss.

Nadenken over ouderdom maakt oud, hield hij zichzelf voor. Voor zijn leeftijd was hij fit. Hij sportte veel en at weinig. Drinken zou hij nooit echt kunnen afzweren. Het was dan ook de drank die zijn leeftijd nog het meeste verried.

Over het algemeen was hij geen ontevreden man. Zijn cv was van indrukwekkende omvang, hij was voorzitter van diverse belangrijke commissies en verenigingen. Ook deed hij werk waarover de maatschappelijk consensus was dat het nut had. Hij was een belangrijk en nuttig man.

Zijn kinderen waren gezond en kwamen vaak naar het ouderlijk huis. Zijn vrouw was mooi en intelligent. Haar haren waren lang, haar gewicht verschilde nauwelijks met dat van dertig jaar geleden. De aantrekkingskracht was veranderd, maar verdwenen was het niet.

Toch stemde dit alles hem bij vlagen somber.

Hij zag waar het naartoe ging, dit allemaal. Hij zou achteruit gaan, zijn vrouw ook. Hun kinderen zouden kinderen krijgen en op een dag zou er een grote receptie worden georganiseerd met veel van de grote namen uit het veld. Ze zouden lovende, geestige woorden spreken en hij zou exclusieve whiskey krijgen uit zijn favoriete streek. En dan naar huis.

Hij was op zoek gegaan, misschien was het iets biologisch, dat zei hij tegen zichzelf. En zoals het gaat met mensen die zoeken, had hij ook gevonden. Ze had de carrière en ambitie die hij ook had. Ze was niet mooier, slimmer of grappiger dan zijn vrouw. Maar zij vond hem wel knapper, slimmer, grappiger dan dat zijn vrouw hem vond. Ze was onder de indruk van hem. Verzorgde hem. Was altijd blij hem te zien.

En ze was jong. Want goed geconserveerd of niet, in twintig jaar tijd verandert een mensenlichaam, zoveel was zeker.

Hij voelde zich weer jong, als vroeger. Hij ontmoette haar vrienden in de kroeg, zag hoe ze hun levens aan het opbouwen waren. Hoe ze met energie aan het groeien waren, klimmen, ontwikkelen.

Misschien kon het. Hij zou het kunnen doen. Opnieuw beginnen. Een familie. Kinderwagens, nieuwbouwwijk. Hij zou het kunnen doen. Zij had geen tijd te verliezen, dat wist hij.

Morgen zou hij beslissen. Of anders overmorgen. Of de dag daarna misschien.

Bezinning

11-09-2015

Zolang ze maar naar hem luisteren.

Zolang ze maar naar hem luisteren.

/ /

11-09-2015

‘De opdracht is eenvoudig,’ zegt de vrouw. ‘Blijf liggen en luister naar je ademhaling.’ De bekende columnist kijkt een beetje gegeneerd om zich heen. Hoe komt het ook alweer dat hij hierin terecht gekomen is? Hij denkt aan Tanja, zijn minnares. Zij heeft het aanbevolen. Als zijn vrouw hem hier zo zou zien liggen, zou ze haar ogen niet geloven.

‘Zie het als een experiment,’ had Tanja gezegd. ‘Het is een hele mooie manier om contact te maken met je kern. Door middel van je eigen concentratie, verder niks.’ Als hij dit verhaal in de kroeg had gehoord, dan had hij er zeker geen geduld voor gehad. Maar het was niet in de kroeg geweest, het was in het kleine appartementje van Tanja geweest, midden in het centrum van de stad. Echt zo’n romantisch artistiek hol, in de ogen van Hanro. Een knus appartement met overal schilderijen en Perzische tapijten op de houten vloer. En dan met Tanja als een soort danseres in de ruimte. Een danseres op blote voeten, haar lange haren los over haar schouders, haar ranke lijf in lange kleurrijke jurken.

Hij voelde zich anders bij haar, alsof ze een ander stukje Hanro wakker wist te maken. Een stukje persoonlijkheid waarvan hij later in de auto op weg naar huis, het meeste alweer kwijt was. Soms vroeg hij zich af welke Hanro er nu de echte was. Als hij verlangde naar Tanja, verlangde hij vooral naar de man die hij was bij haar. Het was eigenlijk een affaire met hemzelf, zo hield hij zich voor. En dat is zoiets als masturberen, ongepast om over te praten maar heel normaal. Zo liep hij zonder zwaar gemoed door het leven.

Dat hij in deze situatie terecht gekomen was, had dan ook vooral te maken met een moment van onoplettendheid.

‘Ben je er klaar voor?’ Hanro knikt. ‘Moet je jezelf nou zin liggen,’ hoort hij zichzelf denken, ‘een oude vent met een dikke buik. In je witte kleren voor de zuiverste energie. Wat een larie.’

‘Als je merkt dat je gedachten op hol slaan, ga je gewoon rustig weer terug naar je ademhaling. Het is niet erg, je hoeft er niks van te vinden, verplaats je aandacht naar je ademhaling.’ De vrouw staat aan zijn voeteneind en dekt hem toe met een deken. ‘Adem in, en uit, in en uit.’

Hanro ligt onder het deken en hoort zacht gereutel in zijn longen. Ach, dat roken. Daarover klagen zijn beide vrouwen. Hij weet dat hij zou moeten stoppen. Maar er moet zoveel en dingen die moeten, die doet hij liever niet. In de verte hoort hij de stem van de vrouw.

‘Ga nu stap voor stap naar binnen en voel wat je daar aantreft. Zie je een kleur, voel je een trilling, een emotie? Laat het er maar zijn. Alles is goed.’

‘Honger,’ denkt Hanro, ‘ik heb honger.’ Hij maakt plannen voor de lunch. Misschien kan hij een eggs benedict eten bij La Parisienne, niet ver van hier.

Onderweg even een krantje halen. Ze willen zijn mening op de radio over die dode collega. Het is nogal in de mode om op te roepen tot verstandigheid, terughoudendheid, bespreekbaarheid van depressie en dat soort dingen. Hanro heeft er geen zin in. Eigenlijk interesseert het hem allemaal geen bal wat andere mensen doen, zolang ze maar naar hem luisteren, hem uitnodigen, zijn stukjes lezen. Maar dat zal hij niet zeggen. Misschien kan hij iets voorlezen uit het werk van de dode. Het is geen lijkenpikkerij als de postume verkoop omhoogschiet. Het is een geschenk aan de familie. Nu is het wachten op wie zich als publieke weduwe gaat melden. Rouwprostitutie, noemt Hanro dat.

‘Kom langzaam weer terug naar buiten. Voel je lichaam, voel hoe het op de tafel ligt, voel het deken over je heen. En wanneer je er klaar voor bent, mag je je ogen openen.’

Hanro opent zijn ogen. De vrouw staat voor hem met een kop thee die naar hooi ruikt.

‘Alsjeblieft,’ zegt ze met een serene glimlach op haar gezicht.

‘Ik ben niet zo’n theedrinker,’ gromt Hanro.

‘Let er wel op dat je vandaag voldoende hydrateert’ zegt ze terwijl ze het kopje weer aanneemt. ‘Ik laat je even alleen, zodat je je kunt omkleden.’

Hanro is niet oud, maar hij beweegt zich weinig soepel. Dat heeft weer te maken met dingen die zouden moeten.

Eenmaal buiten krijgt hij een sms van Tanja. ‘Hoe was het?’

‘Ik ben een nieuw mens’ schrijft hij terug. ‘Zie je zo bij La Parisienne?’

Monter loopt hij door de stad. Hij rammelt van de honger.

Beschaving

27-08-2015

De stilte was zelfs voor de kazen pijnlijk.

De stilte was zelfs voor de kazen pijnlijk.

/ /

27-08-2015

‘Mag het een onsje meer zijn?’ vroeg het meisje in de kaaswinkel geroutineerd. Ze deed dit werk zo’n zes jaar en de verveling was in haar hele lichaam gekropen. Haar blauwe ogen waren grauwe vlakken zonder diepte, haar neus en mond waren zo onbeduidend dat het een wonder mocht heten dat ze zichtbaar waren. Ze had vlasblond haar dat in een laag staartje verdrietig over de rug haar witte jasje hing. 

Haar kleine handen verrieden routine, ook met gesloten ogen kon ze vliegensvlug het kaaspapier omvouwen, dichthouden en vastzetten met een elastiekje. Het waren efficiënte, mechanische gebaren maar ze waren ook liefdeloos. Het hinderde niet, welke klant kwam nou voor een liefdevol ingepakt pondje boerenkaas?

Verveling was wat ze de eerste jaren van haar baan al had gevoeld, maar na verloop van tijd was het gevoel van verveling haar ook  gaan vervelen en werd het langzaam een soort sluimerstand waarin ze leefde. Ze kwam naar haar werk, trok haar jasje aan, en begon met het snijden van kazen, het aanvullen van de schappen met toastjes en jam, het tellen van de kassa.

Klanten waren altijd tevreden over het werk van het meisje.

Ze zagen haar verveelde handen aan voor vakkundig, haar korte antwoorden als zakelijk. 

Beau Moreaux was vandaag voor het eerst in de winkel. Zodra hij zich bewust was geworden van zichzelf, op zeer jonge leeftijd, had hij zijn naam met trots gedragen. Zijn naam had hem gemaakt tot wie hij was, zijn naam was als een duur maatpak en daar had hij altijd naar geleefd. Waar zijn leeftijdsgenoten druk waren met het bouwen van grote zandkastelen, liep hij liever rondjes om de zandbak heen, handen in zijn zakken, peinzend over de zin van het leven. Toen zijn leeftijdsgenootjes stiekem sigaretten rookten in de portieken van dichtgetimmerde belwinkels in de stad, las hij boeken over etiquette, klassieke muziek, middeleeuwse architectuur en schilderkunst vanaf 1650. ‘s Avonds converseerde hij geanimeerd met zijn ouders en hun vrienden. Allemaal mensen die minimaal dertig jaar ouder waren dan hijzelf, maar over zulk soort dingen zou hij nooit nadenken. Dat soort dingen waren namelijk gewoon gegeven en wat zou men daar dan over lopen dubben?

Dat hij vandaag bij deze kaaswinkel in een armoedige buitenwijk van de stad was beland, had te maken met de nieuwe burgerplicht die hij zichzelf had opgelegd. Hij ging vrijwilligerswerk doen, en aangezien hij liever met ouderen omging dan mensen van zijn eigen leeftijd, dat was halverwege de dertig, was de keuze gevallen op een project met de naam ‘lunch met een oudere’. Wekelijks zou hij gaan lunchen met een oudere heer, straks zou de eerste keer zijn. Het was een project zonder einde, dat wil zeggen: er was geen vast aantal lunches dat genuttigd zou moeten worden. Bij een fijne band tussen vrijwilliger en de eenzame oudere werd het einde meestal ingeluid door het overlijden van de laatstgenoemde, had de projectleider aan de telefoon gezegd.

Beau Moreaux had besloten zijn eenzame oudere eens goed in de watten te leggen, maar waakte ervoor protserig over te komen. Hij had de beste ham van de stad gekocht, een vers brood, een fles verse jus, een zak met kersen, roomboter en een mooi stuk kaas. Die kaas was hij helaas vergeten in de voorraadkast van zijn woning. Het was kaas uit een kleine kaaswinkel bij hem om de hoek geweest. Een dure, maar degelijke winkel waar hij met alle egards werd behandeld. De vraag of het een onsje meer mocht zijn, was hem niet eerder gesteld.

‘Nou,’ reageerde hij kalm, ‘op een stuk kaas van circa 200 gram, lijkt mij een ons niet zo gering als u nu doet voorkomen.’

‘Wat zegt u?’ zei het meisje op een toon waaruit bleek dat ze niks had verstaan of begrepen van zijn zin en misschien wel beide. 

‘De vraag die u mij zojuist stelde, was of ik akkoord zou gaan met haast een verdubbeling van mijn bestelling, ik vind dat op zijn zachts gezegd opmerkelijk.’

Het meisje hield haar lippen stijf op elkaar en keek hem recht aan.

De stilte was zelfs voor de kazen in de winkel pijnlijk.

Toen zei ze: ‘Dus het is een beetje teveel voor meneer?’

Haastig zei Beau Moreaux: ‘Ach, een onsje meer of minder. Ik had het meer over het principe.’ Assertiviteit was nooit zijn sterkste kant geweest.

‘Dat wordt dan vier vijfentwintig,’ zei ze terwijl haar handen de kaas in folie wikkelden, papier vouwden en een elastiekje pakten.

‘Heeft u terug van twintig?’

‘Dat zal wel.’

‘Pardon?’

‘Ik zal toch wel terug hebben van twintig, zeg ik.’

Ze negeerde zijn uitgestoken hand en kwakte het wisselgeld op de toonbank. Tasje, vroeg ze toen zonder vraagteken. ‘Nee, dankuwel’ zei Beau Moreaux terwijl hij druk bezig was alles op de juiste plek weer op te bergen. Papiergeld in het juiste vakje, muntgeld in het andere vakje, de portefeuille in zijn linker binnenzak, de kaas in de kleine donkergroen geruite boodschappentas die hij naast zich had staan. Een ouderwetse degelijke boodschappentas, ‘zoals ze nu niet meer gemaakt worden’, dacht hij altijd wanneer hij het ding meenam. 

Hij probeerde het stuk kaas zo precies mogelijk in de tas te passen, het was als een puzzel, maar na een paar kleine wisselingen paste alles perfect.

Het meisje van de kaaswinkel hield haar verveelde ogen strak op hem gericht. ‘Zo,’ zei Beau Moreaux, tegen beter weten in op zoek naar een beetje klantvriendelijkheid, het wensen van een fijne dag, zoiets.

‘Wacht u ergens op?’ vroeg het meisje toen.

‘Nee,’ loog hij snel. ‘En u? wacht u ergens op?’

‘Nee’ loog ze terug.

Sprookje

04-08-2015

Daar zei ze dan niets van.

Daar zei ze dan niets van.

/ /

04-08-2015

Er was eens een vrouw die niet gelukkig durfde te zijn. Het was niet eenvoudig het geluk altijd te vermijden en daarom begon ze meteen bij het ontwaken. Soms had ze heerlijk geslapen, de hele nacht aan één stuk door. Dan dacht ze bij het wakker worden: ‘Wat ben ik toch een slaapkop, er zijn mensen die al uren aan het werk zijn. En ik lig maar te dromen, te liggen, wat zonde van de tijd.’ De ochtenden na onrustige nachten zei ze tegen zichzelf: ‘Wat een vreselijke nacht was dat. Ik ben nog zo moe en de dag moet nog beginnen.’

Daarna stapte ze uit bed en ging ze voor haar kledingkast staan. ‘Wie zal ik vandaag eens zijn?’ zei ze hardop. Elke dag kon ze iemand anders zijn. Hoge hakken en een korte jurk maakten haar een wulpse dame, een vale spijkerbroek met gympen een jonge vrouw. Soms was ze opvallend, soms een grijze muis. Maar welk personage ze ook koos, gelukkig was het nooit. Nadat ze aangekleed was, kamde ze haar haren en stiftte ze haar lippen. Tegen haar spiegelbeeld zei ze dan: ‘zo kan het er wel weer mee door.’ Dan ging ze de deur uit.

Ze fietste altijd naar haar werk, ook in de wind, regen en sneeuw. Soms boden collega’s haar een lift aan met de auto, als ze tot laat hadden gewerkt of wanneer er een afscheidsborrel was geweest. Natuurlijk nam ze het aanbod nooit aan.

Wanneer er een collega vertrok, organiseerde de vrouw die niet gelukkig durfde te zijn het afscheid. Ze kocht het cadeau, regelde de catering en de speeches. Meestal vergaten een paar mensen het geld van het cadeau over te maken. Daar zei ze dan niets van.

Haar werk deed ze met veel toewijding. Het werk was niet moeilijk en ook niet erg interessant. Doorgroeimogelijkheden schoof ze door naar haar collega’s. ‘Ik zit goed waar ik zit,’ zei ze dan met een weemoedige glimlach op haar lippen. Collega’s werkten zo nu en dan vanuit huis, dat leek haar ook wel fijn.

Snel dacht ze erachteraan dat ze niet geschikt zou zijn voor zoiets. 

Dat ze vast een gebrek aan discipline zou hebben en dat het halfuur fietsen naar haar werk een minimale hoeveelheid beweging was.

Ze was geliefd, op het werk en daarbuiten. Ze kookte de sterren van de hemel voor anderen, en nam zelf het kleinste bordje met de minst goed gelukte opmaak. Ze was zo gastvrij dat haar logees in haar bed gingen, en zij op de bank lag in een oude slaapzak.

In restaurants nam ze de meest tochtige plek zodat niemand anders daar hoefde te zitten. Als de ober haar dan een betere tafel wilde geven, zei ze: ‘Tocht? Welnee, ik zit hier prima.’ Gekweld door een stijve rug liep ze dan over straat.

Er waren ook mannen die haar mee uit eten wilden nemen. Lieve, zachte mannen die de deur openhielden, haar jas aannamen, haar stoel aanschoven. Mannen die de rekening wilden betalen, mannen die luisterden en lachten om haar grapjes. Maar na een tijdje ging het altijd mis.

‘Ach,’ zei ze dan tegen haar vriendinnen, ‘hij is heel lief enzo, maar eigenlijk is hij gewoon te lief. Het is niet spannend genoeg.’ De vriendinnen vielen haar dan begripvol bij en spraken daarna over hun eigen problemen.

Het was een mooie zomerdag en de vrouw die niet gelukkig durfde te zijn fietste door de stad. Ze probeerde niet teveel om zich heen te kijken. Toch zag ze het allemaal: de blauwe lucht, de felle kleuren, de verliefde stelletjes, een kind dat leerde fietsen, een vrolijke buschauffeur die wachtte op de man die vanuit de verte kwam aangehold.

Zachtjes begon ze te neuriën. Verschrikt hield ze haar mond toen een andere fietser tegen haar zei: ‘Wat een heerlijke dag is het toch!’ Ze snelde naar huis en zette de televisie aan, maar er was nergens een journaaluitzending te vinden. Haar krant was al naar het oud papier. Ze ging op het oncomfortabele krukje naast het keukenraam zitten. Twee duiven keken haar nieuwsgierig aan vanaf de andere kant van het glas. Ze glimlachte naar de beestjes.

Ze probeerde het te negeren, maar het was heel duidelijk. Ze voelde zich licht, er bruiste iets door haar lichaam. Ze sloot haar ogen en voelde het nog sterker, in golven. Ze wist: er was geen stoppen aan.

Meer

10-07-2015

We hebben het veel over je gehad.

We hebben het veel over je gehad.

/ / /

10-07-2015

Nerveus ijsbeerde Dirk door de kamer. Hij had een vrije dag vandaag, maar dat was voor hem geen reden om te ontspannen. Het was de droom die hij vannacht had gehad, die hem door de kamer deed lopen als een gekooid dier.

Hij zat aan de rand van een zwembad bij een grote villa, ergens in Zuid-Europa, Spanje misschien. Om hem heen hoorde hij geklets van zijn vrienden, kennelijk hadden ze als groep besloten hierheen te gaan. Vanuit de keuken klonk muziek, gelach en het geluid van messen op snijplanken. Op het terras stond zijn beste vriend een zak met kooltjes open te scheuren. Ze gingen barbecuen, zoveel was duidelijk. Het was nog heerlijk warm en zijn voeten liet hij loom in het water hangen. Naast hem stond een koud biertje. 

‘Aan tafel!’ klonk het toen. De wijnglazen waren gevuld, er stonden salades op tafel, schaaltjes met olijven en vers brood. Het eerste vlees van de barbecue ging rond. Het was mals, goed gekruid en perfect gebakken. ‘Bewaar nog wat ruimte voor de ronde met vis’ zei de vriendin van zijn beste vriend. ‘Iemand nog een beetje wijn?’ klonk het van rechts, ‘Wie wil de laatste mozzarella?’ klonk het van links.

Er was niks op de situatie aan te merken. Helemaal niks. 

Toen tikte een vrouw op haar glas met de achterkant van haar mes. Iedereen werd stil en keek haar aan. Ze stond op en keek de tafel rond. Ze was bloedmooi, met glanzende blonde haren, staalblauwe ogen en een diepbruine huid. Dirk keek om zich heen om te zien bij wie ze hoorde, maar hij kwam er niet uit. ‘Graag wil ik even jullie aandacht,’ zei de vrouw met een stem die verbazingwekkend krachtig was voor zo’n smalle klankkast. Ze keek met een glimlach de tafel rond, iedereen keek vol belangstelling terug.

‘Jullie weten natuurlijk allemaal waarom we hier zijn. Of eigenlijk: bijna allemaal! Want Dirk, lieve, lieve Dirk, dit is een interventie.’ Dirk dacht even na, was een interventie niet alleen voor mensen die aan de drank of drugs waren? Hij lustte wel een glaasje, maar om nou een interventie…Voordat hij iets kon uitbrengen, vervolgde de vrouw haar verhaal: ‘Want ja Dirk, we hebben het veel over je gehad hoor. Heel veel. En weetje, jij doet het goed Dirk. Je doet het goed, wees niet bang. Werken, vrienden, sporten, reizen, vrouwen, een huis. Allemaal prima. Maar weet je wat het is, jij lieve, lieve Dirk?’ Hij schudde zijn hoofd.

De vrouw zwaaide drie keer met haar vinger in de lucht en de tafel begon in koor: ‘Er had meer in gezeten.’

‘Meer? Waarin? Hoe bedoel je?’ stamelde Dirk. Nu werd hij wakker. Hij opende zijn ogen en keek om zich heen. Naast hem zat de kat hem strak aan te kijken. Ze mauwde kort, het leek of ze wilde zeggen: ‘wist je dat dan niet?’ Hij was opgestaan en had de kat brokjes gegeven. Het beest had ze nauwelijks aangeraakt, waarmee zijn vermoeden werd bevestigd dat ze werkelijk dacht dat er meer in had gezeten. Daarna was Dirk gaan douchen, had hij koffie gezet en toen was het ijsberen begonnen.

Hij zette de radio aan, de Tour de France was de hele dag te horen. Hij hoorde de verslaggever vragen aan een renner of er niet meer in gezeten had voor de etappe van gisteren. ‘Dat kun je je altijd afvragen’, zei de renner, ‘maar als je zo diep gaat en het zuur je zo…’ Dirk zette de radio uit.

Hij pakte de cornflakes uit de kast en vulde een kommetje. Hij voegde een plens koude melk toe en las de verpakking van de cornflakes. ‘Verbeterde receptuur’ stond er op het pak. ‘Nu met 100 gram extra’ stond er ook op het pak. Kennelijk hadden ze een vergadering gehad, de mensen van de cornflakesfabriek. Hadden ze geconcludeerd dat er meer ingezeten had.

Hij keek om zich heen, naar het appartement dat hij vier jaar geleden had gekocht. Zou er meer ingezeten hebben? Had de prjs beter gekund? Benutte hij de ruimte wel goed? Zouden mensen bij hem op bezoek komen en dan op de terugreis in de auto tegen elkaar zeggen: ‘Leuk huis, maar er had meer ingezeten?’

Er was geen besluit dat Dirk kon bedenken waarbij het uitgesloten was dat er meer in gezeten had. Hij dacht aan de vrouwen met wie hij geweest was, de banen die hij gehad had, de reizen die hij gemaakt had, de feestjes die hij georganiseerd had, de auto’s die hij gekocht had… had er meer ingezeten?

Zijn telefoon ging. De telefoon waarvan hij zich nu afvroeg of hij hem wel ten volste aan het benutten was. Welke functies zou hij allemaal niet kennen? Functies die ongelofelijk leuk en slim waren? Functies waarmee je alles kunt optimaliseren, maximaliseren, waarmee je overal alles eruit kunt halen. De telefoon ging weer over. Het was zijn moeder.

‘Mam?’

‘Dirk, ik heb verdrietig nieuws,’ haar stem klonk gesmoord, ‘opa is dood.’

‘Dood? Hoezo? Het was toch niet ernstig, die operatie?’

‘Nee, maar het ging mis. Hij gleed weg. Ze hebben nog geprobeerd hem weer terug te halen. Maar het zat er niet meer in.’

‘Ik ben vrij vandaag. Ik kom nu naar je toe.’

Terwijl hij op zoek was naar zijn autosleutels, vroeg Dirk zich af hoe hij alles uit deze dag zou kunnen halen, wat de optimale route zou zijn, welke begraafplaats de allerbeste, welk pak hij zou dragen op de begrafenis…in deze maalstroom van gedachten vergat hij dat zijn keukenkastje nog open stond. Hij strikte zijn veter, kwam omhoog en stootte zijn hoofd hard tegen de punt van het kastje.

De scherpe pijn, er viel niets op aan te merken. Hij voelde tranen opwellen en besloot er alles uit te halen wat erin zat. Hij gierde met uithalen terwijl hij op de keukenvloer zat. Even later zou hij zich herinneren dat de autosleutels in zijn jaszak zaten en dan rustig naar zijn ouderlijk huis rijden.

Museum

26-06-2015

Het was fijn, maar ook eenzaam.

Het was fijn, maar ook eenzaam.

/ /

26-06-2015

‘Kom je hier wel vaker?’ Mina zuchtte. Ze was in een museum, wie versiert er nou iemand in een museum? Langzaam wendde ze haar gezicht af van het schilderij dat ze aan het bekijken was en keek ze opzij.

Een knappe man stond naast haar. Op zijn hoofd een woeste bos zwart haar, zijn gezicht had Aziatische trekken. Hij was lang en droeg een spijkerbroek die er zo nieuw uitzag dat het Mina niet zou verbazen als de stof een krakend geluid zou maken tijdens het lopen. Zijn overhemd was hagelwit en om zijn linkerpols droeg hij een paar leren armbandjes. Het was kortom, helemaal zo slecht nog niet, een gesprek te beginnen met dit figuur.

Een paar maanden eerder was ze door een kleine magere suppoost gevolgd in alle ruimtes in het grootste museum van de stad. Toen ze eindelijk aan het einde van de expositie was gekomen, had hij haar telefoonnummer gevraagd. Ze had acuut een verloofde verzonnen en toen de suppoost opmerkte dat ze geen ring droeg, verzon ze er een lang en onhandig verhaal bij van een middag klussen in haar nieuwe woning, waarbij de ring beschadigd raakte en zodoende bij de juwelier was beland. De suppoost had haar meewarig aangekeken en toen zijn nummer op een briefje geschreven en aan haar meegegeven. Vanaf de garderobe had ze nog een keer omgekeken naar de suppoost, bang dat hij haar ook naar buiten zou volgen. Dat bleek niet het geval, ze keek op zijn rug waar zijn vlassige staartje tussen zijn schouderbladen rustte.

Uitzonderlijk, had ze besloten. Dat iemand je zomaar aanspreekt in een museum- dat is uitzonderlijk. Maar vandaag was er dan een nieuwe ronde, een nieuwe kans. In het gesprek met deze man zou ze niet liegen, geen verloofde, woonhuis of spannende baan verzinnen.

‘Kom je hier wel vaker?’ herhaalde de knappe man de vraag.

‘Sorry, ik was even in gedachten. Ja, ik kom hier wel vaker, elke twee maanden ofzo. En jij?’

‘Ben hier vandaag voor het eerst. Woon je hier?’ vroeg de man. Hij sprak keurig Nederlands, op een precieze, bijna onwennige manier. Alsof hij de woorden pas voor het eerst had uitgepakt. Spiksplinternieuw, net als zijn kleding.

‘Ja, ik woon op tien minuutjes fietsen ongeveer, en jij?’

‘Ik woon al een jaar of negen niet meer in Nederland, maar ben nu voor zaken hier. Zullen we anders even koffie drinken?’

Mina deed of ze erover moest nadenken.

Op weg naar het museumcafé wisselden ze elkaars namen uit: Cheng en Mina. Mina en Cheng. Ze moest oppassen haar fantasie niet teveel op hol te laten slaan. Hij vertelde over zijn Nederlandse moeder en Chinese vader. Over opgroeien in verschillende landen, over internationale scholen en zijn huidige leven als expat in Dubai. Het was fijn, maar ook eenzaam zei hij. De luxe, het personeel, het mooie weer… wat is het allemaal waard in je eentje?

Mina knikte begripvol en zag zichzelf intussen diepgebruind op een ligbedje aan het zwembad liggen met een stapel vrouwenbladen naast zich. Ze zou wel een nieuwe bikini moeten kopen, ze had er nu maar twee waarvan eentje echt best versleten was.

Ze begon net over haar leventje te vertellen, hoe het was om junior communicatiemedewerker te zijn bij een energiebedrijf, over het appartement dat ze deelde met een oud-studiegenoot en over haar familie die nog altijd in de buurt van Zwolle woonde. Ze wilde net vertellen over de tweeling van haar oudere zus, toen ze twee handen voor haar ogen voelde.

‘Mina!’ Ze herkende de stem. Het was een oud-collega waarmee ze samen in een koffiebar had gewerkt tijdens haar studententijd. Hoe heette ze nou toch? Kim, Sanne, Lisa…. Zoiets.

‘Dit is Chung…’ stelde Mina de man voor, en dit is….

‘Ik heet geen Chung…’

‘Oh sorry, dit is Ching… en dit is…..Lisa..’

‘Ik heet geen Lisa- ik heet Emma!’

‘Sorry, sorry. Emma, dit is Chong. Chong, dit is Emma.’

De knappe man keek Mina aan met een koud gezicht. ‘Dit is precies waarom ik weg ben gegaan uit Nederland,’ zei hij toen.

‘Wat bedoel je?’

‘Het racisme. Verschrikkelijk.’

‘Ik had je naam alleen even fout, sorry-’

‘Nee, je hebt het nog steeds niet goed. Maar voor mensen zoals jij is het allemaal eender. Ching, Cheng, Chung, Chong. ‘ Hij begon zich nu echt kwaad te maken. Met een hoog stemmetje boog hij nu voorover en zei hij: ‘Witte lijst met sambal bij? Of vragen of mijn ouders een restaurant hebben, het is niet te geloven. Wat een achterlijk land!’

Mina stond haastig op en zei: ‘Nou, ik stap maar weer eens op, ga nog wat koffie drinken met, met….mensen zoals ik.’

De oud-collega was inmiddels aan het tafeltje gaan zitten bij de man. Ze leken bovengemiddeld geïnteresseerd in elkaar, hun ogen lieten elkaar niet meer los. 

‘Doei Lisa,’ zei ze tegen de oud-collega. 

‘Ik heet geen Lisa.’ 

Landelijk

26-05-2015

Tot wat zou hij wel niet in staat zijn?

Tot wat zou hij wel niet in staat zijn?

/ / /

26-05-2015

Het was een normale woensdag in het voorjaar. Jannes was wakker geworden naast Lize, zijn tamelijk mooie vriendin, in hun pas opgeknapte slaapkamer. ‘Een landelijke sfeer, lijkt je dat niet fijn?’ had ze gezegd en hij had geknikt en zijn pinpas aan haar meegegeven toen ze naar de bouwmarkt ging. Ze kocht vier potten verf in verschillende lijkkleuren. Ze liet een grote garderobekast met bijpassend bed en twee nachtkastjes bezorgen en in elkaar zetten door de bezorgers van de meubelzaak. Aan de muur hing ze een hart gemaakt van gevlochten takken. Over het bed gooide ze een plaid met kleine bloemetjes erop. Daarop lagen weer allerlei losse kussens in de juiste kleuren. Ook had ze bijna vijfhonderd euro uitgegeven aan een gammele kaptafel met afgebladderde verf. ‘Lekker brocante,’ had ze gezegd toen ze zijn blik door de kamer volgde. ‘Vind je het mooi?’ vroeg ze daarna. Jannes kon alleen maar denken aan manieren waarop hij zou kunnen sterven in deze kamer.

Hij voelde echter haar ogen prikken en zei daarom: ‘Liefste, het is veel mooier dan ik had durven dromen. Je hebt echt talent.’ Ze hadden gekust en het nieuwe bed ingewijd, uiteraard niet voordat de plaid en de kussens zorgvuldig van het bed waren gehaald, want anders zou de boel nog vies worden.

Deze woensdagochtend, het was tien voor vijf, lag Jannes klaarwakker in bed. Lize was in diepe slaap en draaide zich nog eens om. Hij was nog nooit zo wakker geweest als vandaag. Zijn lichaam voelde alsof het niet van hem was. Het voelde anders, het voelde sterk en ongedurig. Jannes zocht naar het weke gevoel dat hij al jaren in zijn lijf had, dat weke gevoel van kantoorbaan en autoritjes. Hij zocht naar de nekpijn die hem al jaren van therapeut naar therapeut bracht en hem tot de aanschaf van een duur Japans hoofdkussen had gedreven. Hij keek naar links en naar rechts, de pijn was werkelijk weg. Toch voelde Jannes geen opluchting.

Want die nekpijn, die verdomde pijn, het was wel zijn pijn geweest en nu werd het hem ineens afgenomen.

Hij dacht aan zijn werk, het waren onrustige tijden in het bedrijf. Niet voor hem, hij was verzekerd van werk. Het verbaasde hem hoe weinig empathie hij voelde bij de angst in de ogen van collega’s die hun positie minder zeker waren. Net als zij maakte hij lange dagen, hoewel hij het zelf niet zo ervoer. Lange dagen, lange dagen, dacht hij, wat was er nou lang aan? Slapen, eten, series kijken, werken. Op vrijdag een biertje, op zondag voetballen. Op zaterdag iets leuks met Lize. Zijn tijd zat keurig vol op deze manier, en dat was toch precies waar het om ging? De tijd volmaken, niet teveel stress, niet teveel schulden, gewoon de tijd volmaken en deelnemen aan allerhande rites de passage. Huwelijken, geboortes, begrafenissen en feestdagen. Af en toe een weekje naar de zon en met vrienden op wintersport.

Hij sloot zijn ogen. Hopelijk zou hij de slaap nog kunnen vatten, het was inmiddels vijf uur, maar nog steeds geen tijd om op te staan. Hij probeerde zijn lichaam te ontspannen, maar het voelde nog steeds alsof hij in de startblokken zat voor een wedstrijd hordenlopen. Tot wat zou hij wel niet in staat zijn met deze kracht, deze energie? Hij kon niks bedenken, had niks te dromen, geen fantasie, geen gekoesterde wens. Het was een belachelijk tijdstip en hij moest nog even slapen, besloot hij. Voorzichtig kroop hij dichter naar Lize, duwde zijn neus in haar hals. Langzaam gleed hij terug de nacht in.

Om zeven uur ging de wekker. Verdwaasd keek hij om zich heen. De nekpijn was er weer en zijn ledematen voelden zwak zoals hij gewend was. In de badkamer hoorde hij Lize onder de douche. Ze kwam de slaapkamer in met een handdoek om haar haren gewikkeld en een badjas aan. ‘Opstaan, slaapkop,’ zei ze opgewekt. Jannes keek naar haar, naar het beddengoed, naar de landelijke slaapkamer. Hij wilde haar vertellen over deze nacht, over hoe sterk hij was geweest en hoe de pijn in zijn nek verdwenen leek. Maar dat was niet hoe zijn woensdagochtenden verliepen. Daarom stond hij op, nam hij een douche en zette hij daarna een kopje koffie. Zijn cupjes zaten in het linker mandje met het woord ‘Home’ erop. Ook de keuken kreeg langzaamaan een landelijk karakter.

Nooit zou hij het gevoel van die nacht vergeten. Aan zijn kleinkinderen zou hij later vertellen dat die vroege woensdagochtend het enige moment uit zijn leven was waarop hij werkelijk had gevoeld hoe het was om krachtig te zijn. Dat hij van angst de slaap had opgezocht, vertelde hij er nooit bij.

Agenda

28-04-2015

Dit stond niet gepland voor deze dag.

Dit stond niet gepland voor deze dag.

/ / /

28-04-2015

Odette kijkt op haar horloge hoewel dat eigenlijk niet nodig is, haar mobiele telefoon vertelt ook de tijd en haar mobiele telefoon laat ze geen moment los. Er valt ook niet aan te ontkomen, denkt ze bij zichzelf. Ze heeft afspraken vandaag, en haar schema loopt in de soep door de vertraging van de trein. Ze had ook nooit de trein moeten nemen, dit had ze kunnen weten. Maar goed, die airco moet toch echt een keer gemaakt worden. Stel je voor, in de auto met de kinderen zonder airco. Dit weekend is het weer haar beurt om het hockeyteam van haar jongste dochter te rijden.

Het waait op het perron. Op het bord staat dat de trein over een kwartier zal komen. Ze stopt haar telefoon in haar jaszak en masseert haar slapen. In haar hoofd gaat ze door haar agenda van deze dag. Drie afspraken met klanten, lunchbespreking, werken, werken, werken. Dan de juf van Douwe bellen over dat incidentje met Duco, het kind van Jolijn. Dat kinderen elkaar niet moeten bijten, dat zeker. Maar om nou een week geen speelkwartier te hebben, voor straf… ze wordt weer kwaad nu ze erover nadenkt. De juf zou zich moeten afvragen hoe het komt dat Douwe zich zo onveilig voelt, denkt Odette.

Dan moet ze nog de aannemer bellen. De speelkamer moet groter, en die ene muur in de woonkamer eruit. En een andere vloer, onvoorstelbaar dat de vorige bewoners deze vloer hadden gekozen. Grenen, hoe burgerlijk. De schoorsteenveger, die moet ook komen, maar dat kan wachten tot het einde van de zomer. Ze zet het vast in haar digitale agenda. Dan graait ze in haar tas en pakt ze haar lippenstift. Geen excuus voor slecht gestifte lippen, warrige haren, onverzorgde nagels of ladders in je kousen. Er is ook geen excuus voor incomplete serviezen, slecht geklede kinderen of echtgenoten, geen excuus voor middelmatige wijnen, middelmatige hapjes, geen excuus voor een lichaam dat niet in vorm is. Vier keer per week sport ze. Elke week gaat ze naar de schoonheidsspecialist en om de week naar de kapper. Ze maakt haar leven precies zoals ze het altijd voor zich heeft gezien. En straks, als de verbouwing klaar is, kan ze de mensen ontvangen in het huis dat er precies zo uitziet als ze al die tijd in haar hoofd heeft gehad.

De kasten op maat staan er al, en de kleden uit Marokko komen eind deze week. De kinderen hebben elk een eigen gedeelte in de kast waar ze wat spulletjes kwijt kunnen. Niet teveel, daarvoor hebben ze elk een eigen slaapkamer en de ruime speelkamer. Een interieur hoeft niet in dienst te staan van de kinderen. Alles kan precies zijn zoals je wilt, het kost wat inspanning misschien, maar wat niet? Meewarig denkt ze aan de moeders en huizen van vriendjes van haar kinderen. Verslonst.

De trein komt aan. Er stappen mensen uit en Odette stapt in. Ze gaat zitten bij het raam, maar kijkt niet naar buiten. Ze mailt nog even wat mensen over het feestje van haar oudste. Ze inventariseert eventuele dieetwensen. Een kleine moeite om ook glutenvrije pannenkoeken te bakken. Ze sluit haar ogen. Vreemd dat ze daar nu behoeft aan heeft, ze heeft vanmorgen nog energizing yoga gedaan.

Ze droomt over haar huis, de verbouwing is af. Het is mooi weer buiten, de deuren naar de tuin staan open. De magnoliaboom bloeit prachtig. De kinderen spelen zoet in de speelkamer. Op een zilveren blad liggen torentjes van rauwe tonijn met zeewier en zwarte sesam. Haar echtgenoot draagt zijn donkerblauwe pak met een kraakhelder wit hemd. Hij is gebruind en geeft haar een kristallen glas aan met witte wijn uit het chateau van vrienden die in Frankrijk wonen. Ze gaan zitten op hun nieuwe designbank. Ze drinken in stilte. Dan wordt Odette wakker van gezoem in haar jaszak.

Het is haar echtgenoot. Normaal belt hij nooit overdag. Daar hebben ze afspraken over gemaakt, niks vervelender dan die mensen die elkaar over elk wissewasje lastig vallen op het werk.

Ze neemt op.

‘Lodewijk?’ Ze fluistert een beetje, bellen in de trein vindt ze een vreemde toestand waarbij privacy verloren gaat.

‘Odette?’ Hij lijkt te lispelen.

‘Lode, wat is het? Is het ernstig?’

‘Ik trek het niet meer.’

‘Waar heb je het over?’ Een oude vrouw loopt voorbij. Het boodschappenkarretje stoot tegen de linkerpump van Odette aan. Gelukkig is het zachte kalfsleer niet beschadigd.

‘Lode?’ Ze klinkt nu scherp. Dit stond niet in haar agenda voor deze dag.

‘Het spijt me zo,’ zegt hij nu.

‘Waar ben je nu?’ Ze kijkt om zich heen om zeker te zijn dat er geen bekenden in de buurt zitten.

‘Het maakt niet uit,’ zegt hij.

‘Wat is het, Lode?’

‘Odette, ik ga bij je weg.’ Hij zegt het plompverloren, alsof hij een halfje brood gaat kopen.

‘Dat kan niet.’

‘Odette…luister naar me…’

‘Jij gaat helemaal nergens heen. Je maakt deze werkdag af, dan kom je naar huis en eet je de pasta primavera die ik vandaag voor je kook. Daarna gaan de kinderen naar bed en kun jij nog wat werken terwijl ik de broodbakmachine alvast aanzet voor morgen. Maar weg, nee jij gaat helemaal niet weg…’

Dan merkt ze dat haar man al heeft opgehangen. 

Mening

26-03-2015

vrouwen die zichzelf wilden verbeteren

vrouwen die zichzelf wilden verbeteren

/ / /

26-03-2015

De staantafels waren netjes bekleed met donkerrode tafelkleden. Op elke tafel stond een glaasje met nootjes en een klein kaarsje. Het was maximaal gezellig gemaakt, maar eigenlijk was er geen kruid opgewassen tegen de typische kantoorbedomptheid die in deze ruimte heerste. Het paste wel uitstekend bij de situatie- een netwerkmoment na de korte workshop ‘effectief communiceren’ die de deelnemers voor een kleine vijfhonderd euro hadden gevolgd.

Een vrouw van begin dertig stond aan een tafeltje. Ze zag er succesvol uit, dat wil zeggen: tamelijk aantrekkelijk en een beetje onaardig. Een man in pak kwam bij haar staan. Hij had een volle bos krullen op zijn hoofd en een zelfvoldane glimlach op zijn gezicht. Voor hem waren dit soort workshops een gelegenheid om nieuwe vrouwen op te duikelen. Vrouwen met ambitie, vrouwen die zichzelf wilden verbeteren. Daar hield hij wel van. De diamantjes zaten in de workshops over communiceren. Veel over niks.

‘Waar werk jij?’ vroeg de vrouw aan hem.

Hij wachtte even met antwoorden. Zo leek hij interessanter, dat had hij jaren geleden ergens gelezen en het leek echt echt te werken.

‘Ik? Nou, het is een beetje geheim eigenlijk.’ Hij probeerde zijn intense blik op haar uit. Het leek maar weinig effect te hebben, want ze zei: ‘Ach, je hoeft het niet te zeggen hoor.’ Ze namen allebei een slok, zij van haar witte wijn, hij van zijn biertje.

Ze zuchtte. Zou hij nog gaan vragen wat zij voor werk deed? Dat was de hele reden van haar vraag. Zodat ze kon vertellen over haar werk, haar successen, haar slimmigheidjes, haar logo, haar website, de opstartfase, het onverwachtse succes (voor de buitenwereld dan, zijzelf geloofde vanaf de eerste minuut in haar product. Uiteraard.)

Hij keek om zich heen. Wat was dit nou voor rare toestand? Hij wilde juist dat ze zou aandringen, dat ze per se wilde weten wat voor belangrijke baan hij wel niet had. Niet dat ze het zo snel zou laten gaan.

Er kwam nog een vrouw aangelopen. In haar ene hand een glas rode wijn, in haar andere hand een hapje dat net was uitgedeeld. Iets met bladerdeeg, mayonaise en garnaal. Maar vooral iets van ongemakkelijk formaat. Het kon niet in stukjes worden gesneden of afgebeten, want dan viel het uitelkaar. Het paste wel in één keer in je mond, maar dan werd het meer een kwestie van de boel binnenboord houden in plaats van rustig de smaken proeven of enigzins charmant een hapje eten.

‘Wat een onhandig hapje,’ zei ze terwijl ze haar grote handtas op de grond neerzette. De andere vrouw glimlachte zonder begrip uit te drukken. De man zag zijn kans schoon en zei:

‘Dat is nou precies mijn vak!’

‘Te grote hapjes maken? Ben je cateraar?’ Vroeg de succesvolle vrouw met een opgeheven wenkbrauw.

De andere vrouw zei niks, ze was druk met een servetje voor haar mond het hapje binnenboord te houden. Nu maar hopen dat het decoratieve plukje dille niet tussen haar tanden was terechtgekomen.

‘Cateraar? Ik? Ha! Nee!’ zei de man. ‘Nee, maar ze zei nog iets,’ hij gebaarde naar de vrouw van het hapje dat ze het moest herhalen, ‘wat zei je nou over het hapje?’

De vrouw keek hem onzeker aan, ‘ehm, dat ze onhandig zijn?’

‘Precies! Je gaf een waardeoordeel, oftewel een mening. En dat is waar ik in doe. Meningen.’

‘Meningen?’

‘Ja, toch een vitale en drijvende kracht achter alles.’

De vrouw van het hapje probeerde subtiel met haar tong haar tanden af te gaan, op zoek naar dat stukje dille. Het zou de eerste keer niet zijn.

De succesvolle vrouw wilde over haar werk vertellen en vroeg zich af hoe ze hier nou subtiel over kon beginnen. Maar de man leek niet van plan zijn verhaal te laten kapen.

‘…dus dan komen ze bij mij. Je vraagt je misschien af wie?’

Niemand vroeg zich af wie, maar dat kon de man niet deren.

‘….nou, dat is dus heel breed. Van CEO’s tot politici, tot BN’ners en columnisten natuurlijk. Je vraagt je nu vast af: met wat voor vragen komen ze dan bij mij?’

Niemand vroeg zich dat af, maar dat kon de man niet deren.

‘Je bent wat je vindt, dat is mijn adagium! En het is waar- door het één te verkiezen boven het ander, zeg je eigenlijk: dit ben ik. Daar gaat het uiteindelijk om.’ Hij nam een slok bier.

‘Maarre, is het niet zo dat mensen zelf bedenken wat ze vinden?’ vroeg de vrouw van het hapje voorzichtig.

De man gooide zijn hoofd in zijn nek en liet een bulderende onoprechte lach klinken. ‘Ha nee, natuurlijk niet. Denk je nou echt dat al die politieke partijen echt zoveel meningen hebben? Welnee, ze zijn allang blij dat er een of andere halve zool naar ze wil kijken of luisteren. Als ze dan ook nog na moeten denken waarover ze een mening hebben, nou dan zouden ze helemaal geen tijd meer hebben.’

‘Goh,’ zei de vrouw die nu zeker was dat er geen dille tussen haar tanden zat, maar zich wel afvroeg of ze geen blauwe tanden had van de wijn. Wat een hekel had ze toch aan dit soort dingen.

‘Wat een reuze interessant verhaal,’ zei de andere vrouw die geen idee had van wat hij zojuist had verteld omdat ze met haar telefoon bezig was geweest. Hoe dan ook, hier was haar kapstokje om haar eigen verhaal aan op te hangen. ‘Nou, mijn bedrijf is toevallig ook echt ontstaan vanuit een behoefte die ik al zag- in tegenstelling tot vele anderen. Ik ben gespecialiseerd in…’

‘WACHT!’ riep de man nu ineens.

‘Wat is er?’ Vroeg de succesvolle vrouw geïrriteerd.

‘Ik voel een mening opkomen…’ Hij sloot zijn ogen en wreef stevig over zijn buik.

‘Het leven is te kort! Laten we het vieren en niet meer over werk praten. Leven moeten we, leven! Dat is mijn nieuwste mening!’

‘Goh,’ zei de ene vrouw weer.

‘Nou, om nog heel even terug te komen op mijn bedrijf…’ begon de succesvolle vrouw opnieuw.

‘Ik vind het niet leuk meer hier,’ zei de ene vrouw nu plompverloren. Ze pakte haar tas van de grond.

‘Een dijk van een mening noem ik dat!’ riep de man vol enthousiasme. ‘Een dijk van een mening!’

De succesvolle vrouw wenkte het meisje van de bediening. Ze nam twee hapjes van het dienblad. Voor elke wang een. Het was bijzonder oncomfortabel.

‘Had ik al gezegd dat je hele mooie ogen hebt?’ zei de man die nu pas weer haar kant opkeek.

Een brede glimlach gemaakt van gekauwde garnalen, dille en bladerdeeg viel hem ten deel. Gelukkig wist hij precies wat hij daarvan vond.

Muiltjes

17-02-2015

Zijn tijd is niet nu.

Zijn tijd is niet nu.

/ / /

17-02-2015

Het is druk in de tram, er moet een of ander studentenfeest zijn afgelopen, want het staat vol met jonge jongens in iets te ruime pakken en meisjes in goedkope galajurken met daarover hun normale winterjassen. Buiten regent het steeds harder, in de tram klinkt het drukke gekwetter van de studenten. Bij het treinstation stappen de meeste uit.

Niet het meisje in de lange auberginekleurige jurk die ze draagt met een korte zwarte trenchcoat en zilverkleurige schoenen met hoge hakken en heel veel bandjes. Ze heeft een elfachtig gezicht en is in het gezelschap van een lange bleke jongen met wilde bruine krullen en felblauwe ogen.

‘Wil je even zitten?’ Vraagt hij.

‘Heel graag!’ Ze lopen naar het einde van de tram en gaan daar op het achterste bankje zitten.

‘Mijn god, wat doen mijn voeten pijn.’ Driftig wrijft het meisje over de bovenkant van haar voeten.

Tegenover haar zit een oudere man in een lange donkerblauwe jas. Hij heeft een een hoge hoed op en zijn rechterhand rust op een wandelstok. De man lijkt uit een andere tijd te zijn gekomen, alsof hij is geteleporteerd en zo in deze tram is beland. In zijn tijd, want die tijd is niet nu, droegen de dames geen praktische jassen over hun jurken. Ze noemden jurken vast ook geen jurken, maar japon of avondtoilet of zoiets.

‘Hoeveel haltes is het nog?’ Vraagt het meisje aan de jongen terwijl ze haar benen over zijn schoot uitstrekt.

‘Nog wel veel, Osdorp is ver en we zitten nu nog in het centrum.’

‘Fijn, dan doe ik ze even uit.’ Snel maakt ze de schoentjes los, de afdruk van de bandjes staat diep in haar voet. Haar kleine tenen zijn ook in de verdrukking gekomen deze avond, als puntige radijsjes zitten ze tegen de rest van de tenen aangedrukt. Met een zucht van verlichting begint ze haar voeten te masseren.

‘Vrouwen,’ zegt de jongen hoofdschuddend terwijl hij op zijn mobieltje kijkt.

De man met de hoed kijkt geamuseerd naar het schouwspel. Het meisje glimlacht naar hem, waarop hij zegt: ‘Was het een fijne avond?’

‘Jawel, alleen denken mijn voeten daar anders over.’

De tram staat ongewoon lang stil op een kruispunt, vier politiewagens en een ambulance razen voorbij met loeiende sirenes. Langzaam komt de tram weer in beweging.

‘Mag ik u wat vragen?’ Zegt de man dan, terwijl hij zijn voorhoofd dept met een katoenen zakdoek die hij uit zijn binnenzak heeft gehaald.

‘Ja hoor.’

‘Hoeveel wilt u voor die schoenen hebben?’

‘Die schoenen? U bedoelt mijn schoenen? Ik moet nog naar huis, ik doe ze zo weer aan. Helaas.’

De man rommelt in zijn jaszak en haalt een stapeltje bankbiljetten tevoorschijn.

‘Is zoiets voldoende?’

‘Ik moet zo nog naar huis,’ begint het meisje, maar nu valt de jongen haar in de rede. ‘Jezus Kyra, doe niet zo stom. Desnoods nemen we een taxi, moet je zien wat een geld.’

De oudere heer glimlacht en zegt: ‘De volgende halte moet ik eruit.’

‘Je moet me dan wel naar huis dragen hoor,’ sist het meisje naar de jongen.

‘Prima,’ zegt hij schouderophalend.

De tram stopt en de man staat op. Hij drukt het meisje de bankbiljetten in haar hand en neemt de schoenen aan. Tevreden wandelt hij de straat met statige herenhuizen in.

Het meisje staart naar de bankbiljetten in haar hand.

‘Hoe chill,’ zegt de jongen waarna hij uitgebreid gaapt.

Het meisje knikt terwijl de tram weer in beweging komt. Zwijgend kijkt ze naar de regen in het schijnsel van de straatlantaarns. Nog maar zes haltes te gaan.

Feedback

30-01-2015

Heerlijk al die vrijheid en denktijd

Heerlijk al die vrijheid en denktijd

/ / /

30-01-2015

V: Ik denk dat je wel ver bent gevorderd maar…
M: dat ik er nog niet helemaal ben. Dat weet ik.
V: Laten we beginnen bij je eerste stelling- die is heel interessant- maar kan niet bestaan zonder een wat meer uitgebreide uiteenzetting van het werk van Kant.
M: Okee.
V: Als je daar nou meer induikt en de juiste verbindingen weet te leggen, dan zul je zien dat ook het kwantificatieproces eenvoudiger zal zijn
M: Ja.
V: Mits je je ook weet te verhouden tot de vroege werken van Baynard
M: Hmm
V: Er is geen manier om dit onderwerp te behandelen zonder Baynard.
M: …
V: En Voslin. Het verbaast me nogal dat je die zo summier opvoert- dat terwijl die theorie zo goed inhaakt op je tweede stelling
M: Hoe dan?
V: Nou, de paradigma’s zijn natuurlijk gelijkwaardig te noemen- maar dat is slechts een deel van het antwoord. Voor het tweede deel van het antwoord verwijs ik je graag naar Abbot.
M: Abbot?
V: De grondlegger van dit alles
M: Okee.
V: Onthoud je alles wat ik zeg?
M: Ehm [Grabbelt in tas naar pen en papier]
V: Oh, vergeet ik haast mijn koffie op te drinken. [neemt slok]
M: [heeft pen en papier voor zich liggen]
V: Eens even kijken, waar waren we….
M: Eh
V: Wat ik je in elk geval wil meegeven: structuur. Alles valt of staat bij structuur.
M: Ja.
V: Je zegt nu wel ‘ja’, maar ik wil die structuur vooral terug kunnen vinden in je tekst.
M: Ja.
V: Goed. Dan is er nog je derde stelling…
M: Tsja, daarover ben ik nog niet helemaal…
V: Zeker?
M: Nee.
V: Waarom stuur je het dan naar me op? Denk je dat ik om werk verlegen zit?
M: Nee, natuurlijk niet, maar ik dacht…
[korte stilte]
V: Ik vond de derde stelling juist het sterkste van het geheel.
M: Echt?
V: Ja, die paradox is heel boeiend. Zeker in het licht van de vroege geschiedenis. Het is wat embryonaal natuurlijk- maar dat is met het hele werk het geval
M: Embryonaal?
V: Een vroeg ontwikkelingsstadium
M: Oh.
V: Ja, maar met een jaartje of twee moet het wel goed komen hoor. Geen paniek.
M: [in paniek] Een jaartje of twee?
V: Anderhalf, als je flink opschiet.
M: [legt zijn hoofd op tafel]
V: [Negeert het gedrag van M en kijkt op haar horloge] Heb je nog vragen?
M: [Komt weer overeind en wrijft met zijn handen over zijn gezicht] Hoe heette die grondlegger ook alweer?
V: Abbot. En ik zal maar doen alsof ik deze vraag niet gehoord heb. Verder nog iets?
M: [schudt zijn hoofd]
V: Goed, nou dan zien we elkaar over een week of vijf, zes?
M: Okee.
V: Schikt 17 mei, om half twee?
M: Ik heb mijn agenda niet hier…
V: Zonder tegenbericht zie ik je dan.
M: Okee.
V: Verder alles goed met je?
M: Hoezo?
V: Nou, je lijkt me wat somber.
M: Ach.
V: Je moet er wel plezier in houden hoor. Ik weet het nog goed- ik vond het heerlijk, dat onderzoek doen en schrijven. Ge-wel-di-ge tijd. Die vrijheid! Die denktijd! Soms droom ik er nog weleens over. Zo fijn was die tijd, zo fijn.
M: Goh.
V: [Staat op] Nou, ik moet weer gaan.
M: Ja.
V: Dan zien we elkaar in mei.
M. Ja.
V: Fijne dag nog!
M: [legt zijn hoofd weer op tafel]

Thuis

10-12-2014

Alsof de wereld niet in brand staat.

Alsof de wereld niet in brand staat.

/ / /

10-12-2014

‘Wat ben je aan het lezen?’ Vroeg de man aan zijn vrouw. Het was een donderdagavond en ze waren allebei thuis. Het was wel vaker donderdagavond, maar dat ze allebei thuis waren, was een zeldzaamheid. Vooral zij leidde een druk sociaal leven waardoor de avonden voor de man vaak alleen waren, tot zijn opluchting.

Maar vandaag was het anders. Ze zaten samen op de grote donkergrijze bank die ze twee jaar geleden voor een hoop geld hadden gekocht. Het was een showmodel, maar nog steeds was het verreweg het duurste bezit dat ze ooit hadden aangeschaft. Hij bekeek het tafereel van een afstandje. Daar zat hij dan. Hij was de helft van een stel. Een stel op een bank. Donderdagavond. Buiten donker en koud. Binnen licht en warm. Samen.

De man gleed met zijn tong langs zijn tanden. Een tic van vroeger, nu al een stuk minder, maar nog even slecht tegen te onderdrukken wanneer hij zijn geduld begon te verliezen. Dat was nu. Hij zou het nooit toegeven, maar eigenlijk voelde hij zich vooral goed wanneer hij alleen was. Niet dat zijn vrouw zo lastig was- ze sprak weinig en rook lekker. Ze kookte goed en klaagde zelden. Toch verkoos hij de stilte boven alles. Vanavond was een vreemde avond, want nu moest niet zij, maar hij zometeen nog weg. Naar een kerstborrel, een vervelender sociaal construct kon hij zich niet voorstellen. Maar hij moest, want zonder netwerken was er überhaupt geen werken, had zijn zakenpartner gezegd. Waarschijnlijk was het waar. Wie huurde er nog een makelaar in tegenwoordig? Er waren zelfs borden te koop waarop stond: ‘ik verkoop mijn huis zelf’. Als de man zo’n bord op een raam geplakt zag, moest hij zich inhouden geen baksteen door de ruit te gooien. Alsof het geen vak was. Het was wel degelijk een vak. Zijn vak bovendien. Zijn vak.

De man keek naar zijn vrouw. Hoe dichterbij de kerstborrel kwam, hoe groter de afkeer van zijn vrouw werd. Zoals ze daar zat, zo op de bank, met haar boek. Alsof ze vakantie heeft, dacht hij. Alsof de wereld niet in brand staat. Alsof ik niet besta, alsof zij elke avond thuis is. Zo zit ze daar, kopje thee erbij, zometeen schenkt ze zich nog een glaasje wijn in. Een haarlok gleed vanachter haar oor voor haar gezicht. Al lezend veegde ze de lok weer achter haar oor. Het gebaar maakte hem woedend.

‘Wat lees je?’ Herhaalde hij. ‘Hmm?’ ‘WAT BEN JE AAN HET LEZEN?’ Zijn vrouw keek nu op vanuit haar boek. Haar wenkbrauwen had ze verbaasd opgetrokken. ‘Wat is er met jou aan de hand?’ ‘Ik vraag je wat,’ zei de man nu. ‘Dagboekfragmenten van grote vrouwen uit de geschiedenis,’ zei ze, ‘Wil je wat horen? Het is heel mooi.’ ‘Nee dankje.’ Ze las weer verder terwijl de man begon te mompelen: ‘Grote vrouwen uit de geschiedenis. Grote vrouwen. Geschiedenis. Pff, zeker een heel dun boekje.’
‘Wat zeg je?’
‘Niks hoor.’
Zonder op te kijken zei ze: ‘Moet jij niet zo gaan?’

‘Ik moet helemaal niks’ zei de man met zoveel mogelijk waardigheid, wat niet eenvoudig was bij deze uitspraak. Zijn vrouw keek niet op van haar boek.

‘Jullie hebben toch die kerstborrel?’
‘Jeeminee, mens! Kun je niet gewoon daar zitten en je boek lezen? Je hoeft je toch niet overal mee te bemoeien?’

Zijn vrouw kende hem ruim vijftien jaar. De eerste jaren raakte ze van streek door zijn buien. De jaren daarna probeerde ze hem te veranderen, door hem mee te slepen naar deskundigen die allemaal boosheid uit de kindertijd noemden, maar die allemaal onvoldoende overtuigingskracht bleken te bezitten om haar man te temmen. Nu was het zover gekomen dat ze geen krimp meer gaf bij deze buien.

‘Vergeet je je fietslampjes niet?’

Met een woeste beweging stond hij op. ‘Nee hoor moeder, die vergeet ik niet!’

Stampvoetend liep hij richting de badkamer, waar hij in de spiegel keek. ‘Potverdomme, ik zie er toch nog goed uit’ mompelde hij. Hij poetste zijn tanden, waste zijn handen en kamde zijn haar. ‘Niet slecht,’ mompelde hij, ‘helemaal niet slecht.’

Hij liep weer de woonkamer in. De bank was leeg. Zijn vrouw stond in de keuken, ze schonk zichzelf een glas rode wijn in. Op een klein bordje legde ze wat stukjes kaas en een handjevol nootjes. ‘Zie je wel,’ dacht de man, ‘ze gedraagt zich als een diva. Met die glimlach op haar gezicht, dat warme vest, die stomme pantoffels aan haar voeten. En ik, wat ga ik vanavond doen? Werken. Kerstborrel. Netwerken.’

Hij liep naar de hal, kribbig trok hij zijn jas aan. Zijn vrouw was alweer in haar boek verzonken op de bank. ‘Ik ga!’ ‘Kusje?’ Met een zucht liep hij naar haar toe en plantte hij een kus als een pets op haar wang. ‘Tot vanavond,’ zei ze zonder op te kijken.

Buiten bij zijn fiets kon de man zijn sleutels niet vinden. Hij voelde in zijn jaszakken, zijn broekzakken, zelfs in zijn colbert. ‘Godverdomme,’ zei hij terwijl hij weer naar de voordeur liep. De huissleutel had hij nog wel.

‘Ben je daar weer?’ Zei zijn vrouw toen hij binnenkwam.
‘Fietssleutel kwijt,’ zei hij kortaf.
Met grote passen liep hij door de kamer. Hij trok alle mogelijke lades open, keek in de keukenkastjes en werd bij elke poging chagrijniger.
‘Ik zal je even helpen’ zei zijn vrouw toen. ‘Welke jas had je vanmorgen aan?’
‘Deze.’
‘Nee, je ging naar de bouwmarkt, weet je nog? Dat doe je nooit in deze jas.’
Het was waar. Hij ging die ochtend naar de bouwmarkt en dat zou hij nooit doen in deze jas. Maar waar bemoeide zij zich eigenlijk mee? Waarom hield ze bij wanneer hij welke activiteit ondernam in welke jas?

Zijn vrouw stond bij de kapstok, in haar hand zijn fietssleutel. De groene jas had hij die ochtend gedragen. Natuurlijk.

‘Veel plezier lieverd,’ zei ze.

De man zei niks en liep met gebogen rug naar zijn fiets. Het waaide hard en hij had de hele weg wind tegen. De borrel was saai en duurde lang.

Thuis zat zijn vrouw een brief te schrijven aan haar minnaar.

Vraagje

12-11-2014

Genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden.

Genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden.

/ /

12-11-2014

‘Hoe was je dag?’ Ze vraag het zo opgewekt mogelijk, ook al staat zijn gezicht op onweer.

‘Gaan we dit gesprek voeren? Je weet toch dat ik niet aan middelmatigheid doe. Wat moet ik met zo’n vraag?’

Hij schenkt zichzelf een whisky in.

‘Ik ga koken.’

‘Prima.’

Ze verwarmt de borden voor, legt het damasten tafelkleed op de tafel. De zilveren kandelaar van haar oma gaat ook op tafel, net als de kristallen wijnglazen. Ze kookt met de grootst mogelijke aandacht. Eerst een eitje met truffel, dan een velouté met aspergepunten, kreeft als hoofdgerecht en als afsluiter is er nog kaas. Hans houdt niet van zoet. Zij houdt wel van zoet, maar om nog eens in haar eentje, onder zijn afkeurende blik een huigemaakte apple crumble naar binnen te werken, ze heeft er geen zin meer in.

Aan niks ontbreekt het hen hier, in het grote huis. Kookeiland, regendouche, in elke ruimte een haard, deuren met glas-in-lood, marmeren schouwen, oude plafondlijsten, ligbaden op pootjes en nog meer dingen waar ze zo verliefd op werd toen ze verliefd werd op haar echtgenoot. Of was het andersom gegaan? Ze wist het niet meer en eigenlijk maakte het ook niet meer uit. Ze was hier in dit huis, een mevrouw geworden.

Alles van vroeger was voorbij, zelfs haar naam werd niet meer gebruikt. Van Maggie naar Magalie. Haar familie kwam alleen als hij er niet was, dat gebeurde tamelijk vaak, haar echtgenoot was een man van de wereld. Zij was geen vrouw van de wereld, zij was van dit domein, en elke keer wanneer ze elkaar zagen voelde ze zijn ogen prikken, zijn verveling. Ze was in topconditie, het huis was prachtig, het eten perfect. Maar genoeg was het nooit en zou het ook nooit worden. ‘Tevredenheid is middelmaat en middelmaat is het einde van alles’ zei haar man.

Hij ging aan tafel zitten, en zij tegenover hem. Het haardvuur knapperde achter hen. Ze haalden synchroon hun servetten uit hun zilveren servetringen met hun initialen erin, en legden het servet op schoot. Zwijgend aten ze de eerste twee gangen. Ze wilde graag een gesprek met hem voeren, maar was tegelijkertijd bang dat ze weer zou laten blijken dat ze toch meer Maggie was dan Magalie, toch minder extra, toch meer ordinair. Een interessante vraag had ze tijdens het koken bedacht en nu, bij de kaas, had ze de moed om hem te stellen. Ze haalde diep adem en vroeg haar echtgenoot:

‘Ben je weleens eenzaam?’

Haar man leek niet verbaasd te zijn over deze vraag, hij leek de vraag te verwachten of ten minste vele malen eerder te hebben beantwoord. Hij depte zijn mondhoeken met zijn servet en begon toen:

‘Eenzaam? Natuurlijk. Iedereen is eenzaam. Wat denk jij nou? Alleen worden we geboren en alleen gaan we dood. Alles ertussenin proberen we te vullen met zoveel mogelijk dingen, om de tijd te doden, zo comfortabel mogelijk, het liefst.’ Haar man gebaarde om zich heen. ‘Comfort, daar draait het om in deze wachtkamer van de dood. Daar zitten wij nu in. Maar wel met een degelijke vloerverwarming tijdens het wachten. Wist je dat je, als je goed luistert, de tijd kunt horen wegglippen?’

Hij sloot zijn ogen. ‘Hoor je wel?’

Ze hoorde niks.

‘Liefste, ik wilde alleen maar weten of je wel eens eenzaam bent geweest…’

Met een zucht opende hij zijn ogen weer.

‘Eenzaamheid zei je? Eenzaam zijn we allemaal. Wie weet nu werkelijk wat de ander denkt? Wie weet nu werkelijk wat hij zelf denkt? Jij niet hoor, ik evenmin. Om terug te komen op je vraag: Ja, ik ben eenzaam. En jij ook. Dat zijn we elke dag. Daarmee is jouw vraag die je me net stelde, in essentie gelijk aan de vraag hoe mijn dag was. En je weet wat ik daarvan vind.’

‘Ik weet wat je daarvan vindt,’ zei ze gedwee.

‘Dan ga ik nu even naar de voorkamer, breng je me zo een espresso?’

Ze knikte en hij stond op.

Geweldig

17-08-2014

Heeft u wel eens stress?

Heeft u wel eens stress?

/ /

17-08-2014

‘Bent u ook zo geweldig?’ vraagt de vrouw op het bankje bij de bushalte aan de man naast haar. Het is zaterdag, half 9 in de ochtend. De straat is nog verlaten, straks openen alle koffiewinkels hun deuren en kruipen de stedelingen hun huizen uit. Maar voor nu is het stil, de laatste dronkenlappen zijn een halfuurtje eerder naar huis gegaan.

De vrouw ziet eruit als een ballerina van een jaar of vijftig. Ze is een beetje hoekig gebouwd, draagt haar haren in een hoge knot op haar hoofd, en heeft verder een strakke zwarte broek met een zwarte coltrui aan. Ook haar schoenen zijn zwart. Om al dit zwart te compenseren, draagt ze om haar schouders een felgekleurde sjaal. De man, een jaar of veertig misschien, ziet er vele malen onopvallender uit in zijn spijkerbroek met lichtblauw overhemd. Verstrooid kijkt hij opzij. Hij heeft geen idee wat ze heeft gezegd, er zat in elk geval weer die nare –g klank in, die hij op verre reizen wel eerder hoorde, maar in zijn eigen taal niet voorkomt. Hij zal de vrouw verontschuldigend antwoorden dat hij geen Nederlands spreekt, ze zal zich dan vast tot iemand anders wenden, hoewel er nu niemand anders is. Misschien heeft ze wel een telefoon bij zich, dan kan ze iemand bellen met die vraag met die klank. Maar voordat de man ook maar tot zijn antwoord komt, is de vrouw alweer verder aan het praten.

‘Want weet u, meneer. Iedereen in dit buurtje, is tegenwoordig maar zo geweldig. Ze kleden zich mooi aan, eten dingen die niet alleen gezond zijn, maar zelfs super en ze doen allemaal wat ze leuk vinden. Daar hebben ze dan hun baan van gemaakt. Van wat ze leuk vinden, hoort u mij- wat ze leuk vinden. Hun baan gemaakt. En dan lopen ze al bellend door de straten, met hun tasjes bungelend aan de andere arm- dat zijn de vrouwen tussen de 9 en de 50, en die horen dan bij van die kerels zich kleden alsof ze nog steeds 7 jaar oud zijn. Plat gympje, losse broek, vrolijk t-shirt erbij. U begrijpt waar ik naartoe wil denk ik? Het is allemaal zo geweldig, geweldig, geweldig. Ze kunnen ook alles. Ze kunnen alles- en ze kennen elkaar allemaal. Ge-wel-dig. Werkelijk formidabel. Maar wat ik steeds vaker denk, weet u wat ik steeds vaker denk?’

 

De vrouw kijkt de man vragend aan.

 

‘Sorry, I don’t speak Dutch’ zegt hij gegeneerd.

 

Even lijkt ze naar lucht te happen,
maar al snel herpakt ze zich.

 

‘Joh, it doesn’t matter- I speak Dutch so you can learn really easy from practice. Okay?’

 

Ze wacht niet op zijn antwoord en vervolgt haar uiteenzetting. ‘Maar wat ik nou denk als ik die ge-wel-dige mensen zo zie, waarom kijken ze nou zo serieus, zo gestresst? Zie jij ze lol hebben? En dan bedoel ik zonder drank of een pilletje in hun mik. Gewoon lol hebben, ik zie ze het niet doen. Alleen maar haast zie ik ze hebben, de hele dag door. Begrijp jij dat? Wat voor haast kunnen zij nou hebben? Ze hebben toch alles voor elkaar, ze hebben toch alles? Wat voor stress zouden zij in godsnaam hebben?’

 

Haar stem begint een beetje over te slaan, de man schuift nog een stukje meer van haar vandaan. Ze lijkt het niet te merken.

 

‘Heeft u wel eens stress? Stomme, vraag. Natuurlijk heeft u wel eens stress. U ziet er uit als een man die een baan heeft, een baan die niet is wat u leuk vindt, maar gewoon een baan. Am I right?’

 

‘Sorry?’ zegt de man voorzichtig.

 

‘Nou, weet je als ik zo naar jou kijk, dan denk ik: saaie vent misschien, maar daar hebben we nou wel iets aan. Jij lijkt me het type, hmm, stille held, degelijke huisvader, goede werknemer. Geen rottigheid en en vooral: geen ge-wel-dig-heid. Ik word doodziek van wat er van deze buurt geworden is. Met hun ruimteschip-kinderwagens en rosé op het terras. Bakje olijven, vier euro vijftig. Van de ratten besnuffeld zijn ze, allemaal!’

 

De bus komt de hoek om. De man laat haar voor gaan.

 

‘En ook nog eens een heer. Thank you,’ zegt ze tegen hem. Ze gaat bij de chauffeur zitten, de man kiest een plekje helemaal achterin. Hij kijkt naar buiten, en ziet de stille straten voorbij glijden. ‘Wat een provinciestad,’ denkt hij, ‘en wat een verschrikkelijke taal.’

 

Wederhelft

02-05-2014

‘Een levende kat?’

‘Een levende kat?’

/ / /

02-05-2014

Een gewicht duwt op mijn borstkas. Ik lig in bed, het zal wel vroeg in de ochtend zijn. Ik weet dat ik wakker ben, maar probeer nog te doen alsof het niet zo is. Misschien kan ik dit vreemde gewicht wel in mijn droom plaatsen, zoals ik ook met de wekker kan. Soms is het vervelende gepiep een robot, soms een deurbel, soms een geluid waarvan de andere mensen in mijn droom zeggen dat ik het vooral moet negeren. Maar dit gewicht, dit zware gevoel op mijn borst, is nieuw voor me.  Er zit niks anders op: ik moet mijn ogen openen om te kijken wat er aan de hand is. Ik doe het heel langzaam, ik heb goedkope gordijnen, het felle licht zou me zo kunnen verblinden. Ik tel tot drie en open mijn ogen.

Twee gele ogen kijken terug.

Het zijn de ogen van een grote bruine gestreepte kat. Rustig kijkt het beest me aan, het maakt geen aanstalten mijn borst te verlaten, totdat ik rechtop ga zitten, met een klaaglijk mauwtje gaat het beest naast me in bed zitten. Ik hou wel van katten, maar ik heb er geen. Maar voordat ik verdere gedachten kan hebben over wie deze kat is en wie ik ben, heb ik koffie nodig. Ik trek mijn badjas aan en loop naar de keuken, de kat loopt mauwend mee.

Als mijn leven een film was, zou ik het beest een schoteltje melk geven, maar mijn leven is geen film en ik heb geen melk.

Dat is met een reden: een vriendin vertelde me dat melk alleen voor baby’s is en het lievelingsdrinken van kankercellen. Ik wist niet of het waar was, maar het klonk allemaal zo logisch dat ik stopte met het kopen van melk. Yoghurt en kaas koop ik nog wel, daar heeft ze niks over gezegd. Yoghurt en kaas lijkt me geen kattenvoer. En een vreemde kat in je huis is één ding, maar een vreemde kat met diarree is weer een heel nieuwe dimensie aan problemen waar ik nog niet klaar voor ben.

Als ik mijn koffie heb, bel ik mijn vriend. Bij alle problemen bel ik hem als eerste. Dat is soms wel vijf keer per dag, maar hij vindt het niet erg. Zo’n man is het. Hij heeft er waarschijnlijk al een halve dag op zitten, efficiënt ingedeeld met hardlopen, werken, koffie-afspraken en het maken van kapotte apparaten.

Soms introduceren mensen hun partner wel als hun betere helft. Bij mij is mijn wederhelft zoveel beter dat zelfs mijn vrienden hem als de betere helft zien. Als het uit zou gaan tussen ons, zitten al mijn vrienden in zijn team, denk ik. Behalve dan Maisy, maar zij heeft op Valentijnsdag haar huis in brand gestoken en zit nu op een gesloten afdeling. 

‘Dag lief, met mij.’

‘Jeetje, een telefoontje van jou en het is nog geen negen uur! Gaat het wel goed?’

‘Nou, het gaat wel goed,’ zeg ik, ‘maar er lag een kat in mijn bed vanmorgen.’

‘Een levende kat?’

‘Gelukkig wel ja. Maar ik vroeg me af, wat moet ik ermee doen? Ik denk dat’ie door het raam is binnengewandeld ofzo.’

‘Hoe ziet ie eruit?’

‘Bruin gestreept met gele ogen.’

‘Hmm, volgens mij is die van je overbuurvrouw.’

‘Heb ik een overbuurvrouw?’

‘Ja, laatst heb ik even met haar gesproken toen ik het oud papier weg deed. Weetjewel, die vrouw met die lange grijze haren. Ik zou hem gewoon naar haar toe brengen. Maar ik moet nu ophangen, ik ga zo boarden.’

‘Oh, shit- helemaal vergeten,’ zeg ik ‘Londen he?’

‘Frankfurt.’

‘Sorry, ik ben net wakker.’

‘Geeft niks, ik zie je morgen.’

We hangen op. Ik loop naar de kat en til het beest op. Het gaat zo makkelijk dat ik me afvraag of ik geen dierenarts had moeten worden, of kattenfluisteraar of zoiets.  Ik trek een paar slippers aan en doe de deur open. Plotseling spartelt de kat, met een klap valt de voordeur achter me dicht. Ik heb geen huissleutel, geen telefoon, geen geld. Alleen een kat die niet van mij is. Die ga ik eerst maar terugbrengen. Het huis van de overbuurvrouw blijkt een kattenluik te hebben, in een flits is het beest door het luik verdwenen.

Ik heb geen vrienden gemaakt in de buurt, geen buren met extra sleutels. Ik heb een vriend die in de lucht zit, hij heeft ook een sleutel. Op een kwartiertje lopen van mijn huis woont een vriendin van vroeger. In mijn badjas loop ik door de straten, er worden grapjes gemaakt door bouwvakkers, moeders houden hun kinderen angstvallig bij me vandaan. Morgen is hij er weer, mijn betere helft. 

Blind date

28-03-2014

Ik hou wel van vrouwen met humor.

Ik hou wel van vrouwen met humor.

/ / /

28-03-2014

Mooi opgemaakt zat Saskia in het café waar haar blind date zo zou komen. Het was een café waar ze heel vaak langs liep, maar nooit naar binnen zou gaan. Ze zou in elk geval geen bekenden tegenkomen. 

Ze was iets te vroeg en speelde daarom een spelletje op haar telefoon. 

‘Saskia?’

Ze keek op. Voor haar stond een kleine kale man met een donkerroze huid. Hij droeg een grote zwarte leren jas die zijn afhangende schouders accentueerde. Zijn bolle buik zat strak in zijn zwarte overhemd en de boel werd met moeite bijeen gehouden door de riem in zijn spijkerbroek.

Hoe hadden haar vrienden dit nu kunnen bedenken? Dit was toch niet haar marktwaarde? Of was het een grap? Dan wel een hele wrede, ook voor hem was het lullig.

 

‘Ik ben Johan’ begon de man.

 

Ze gaf hem een bemoedigend knikje.

 

Johan keek haar schaapachtig aan en zei toen: ‘Kom je hier wel vaker?’

 

‘Ja, ik heb hier wekelijks een blind date.’

 

‘Wekelijks?’

 

‘Ik maakte een grapje.’

 

‘Nou, dat is mooi, want ik hou wel van vrouwen met humor.’

 

‘Humor om om te lachen? Hou je daar wel van?’ Ze moest oppassen niet te sarcastisch te klinken.

 

‘Ja precies, ik zeg altijd maar zo: een dag niet gelachen is een dag niet geleefd.’

 

Ze wist het zeker, dit moest wel een grap zijn.

 

‘Wil je wat drinken?’

 

‘Doe mij maar een chocomel.’

 

Ze stond op en liep naar de bar. Daar pakte ze haar mobiel en smste ze haar vrienden die deze date hadden georganiseerd. ‘Grapje zeker?’

Al snel kwam er een antwoord. ‘Hij is de peetvader van onze kinderen, geef het nou een kans.’ Saskia bestelde de drankjes, weer kreeg ze een sms. ‘En daarbij, zoveel tijd heb je ook weer niet he?’ Ze smste terug. ‘De hele avond hoor.’ Weer piepte haar telefoon. ‘We bedoelen qua leeftijd. Je bent toch ook al 32, er is geen tijd meer om kritisch te zijn op uiterlijk.’ Met een klap zette de barman het glas wijn en de chocomel van Johan neer. In het glas van Johan zette hij een roze rietje. ‘Dat wordt dan 5,50, of zal ik even een bonnetje maken?’

 

‘Nee, alsjeblieft niet.’ Ze legde een tientje op de bar en liep terug naar het tafeltje.

 

Daar zat Johan  languit op zijn stoel terwijl hij zijn handen op zijn buik liet rusten.

 

‘Zo. Jij hebt ook niet achteraan gestaan toen de achterwerken werden uitgedeeld.’

 

‘Pardon?’

 

‘Grapje Mariska, humor is gewoon heel belangrijk voor me.’

 

‘Ik heet Saskia. Of was dat ook een grapje?’ Ze nam een grote slok wijn. 
  

 

‘Zo, drink je altijd in dat tempo?’

 

‘Nee.’

 

Johan trommelde met zijn linkerhand op de tafel. Met zijn rechterhand hield hij het glas vast. Hij dronk met veel geluid uit het rietje.

 

‘Drink je altijd chocomel?’

 

‘Meestal wel ja. Ik drink in elk geval nooit koffie of wijn. Heel soms een biertje. Met een borrel met collega’s ofzo. Ja, dan weleens een biertje. Meestal drink ik chocomel. Lekker in de zomer en in de winter. Warm en koud. Echt een heel goed drankje. Maar genoeg smalltalk, hoe kan zo’n mooie meid nou geen vent hebben?’

 

‘Ik ben de ware gewoon nog niet tegen gekomen, denk ik.’

 

‘Moet je nu niet het omgekeerde aan mij vragen?’

 

‘Het omgekeerde?’

 

‘Ja, hoe een man als ik nu nog vrijgezel kan zijn.’

 

‘Hoe kan een man als jij nog vrijgezel zijn?’

 

‘Ik ben te goed voor vrouwen. Ze worden altijd compleet afhankelijk van me. Ze koken voor me, doen mijn was, houden de tuin bij, en in bed… naja, alles doen ze. Ze klampen zich aan me vast, zijn bang dat ik ze verlaat. Je begrijpt: ik lig echt heel erg goed bij de vrouwtjes. Ik kan het ze niet kwalijk nemen, maar uiteindelijk heb ik toch ook mijn vrijheid nodig.’

 

Saskia knikte. Haar glas was bijna leeg.

 

Met een luide slurp dronk Johan zijn glas leeg. De belletjes chocomel die nog op de bodem van het glas lagen maakte hij kapot met met rietje. Hij legde drie losse euro’s op tafel.

 

‘Ik stap maar eens op.’

 

‘Ga je weg?’ Vroeg Saskia verbaasd. Was het niet aan haar geweest om snel op te stappen?

 

‘Ach Sas, je bent een lieve meid, maar ik voel gewoon geen klik. Ik zoek toch een vrouw die iets sensueler is. Je hebt ongetwijfeld andere kwaliteiten, zoals humor en andere dingen. Maar weetje, humor van een externe partij heb ik niet echt nodig in een relatie, ik ben zelf al grappig genoeg.’

Mager

07-03-2014

Zoiets zegt iets over je persoonlijkheid.

Zoiets zegt iets over je persoonlijkheid.

/ / /

07-03-2014

We keken naar de voorbijrennende kinderen die net een ijsje hadden gegeten. We keken naar de kinderen die hun ijsje lieten smelten tot over het hoorntje, tot over hun handen, tot over de mouwen van hun truitjes. We keken naar de oude dame die met muizenhapjes een bolletje perenijs aan het eten was. We keken naar de meisjes van de ijssalon die chagrijnig waren, maar daar geen tijd voor hadden.

Mijn vriendin Mara, of eigenlijk- mijn kennis Mara, mijn vriendin van vroeger, mijn oude klasgenoot, wist nu zeker wat voor man ze eigenlijk zocht en daarom zaten we hier, bij de ijssalon. Dit gesprek hadden we al vaker, veel vaker gevoerd. Mara was een ‘serial dater’ ofwel iemand die verslaafd was aan gekwetst worden. Alle aandacht die ze kon krijgen was welkom, ongeacht wie de persoon in kwestie was, ongeacht het soort aandacht. Vroeger stelde ze elke nieuwe man voor aan haar hele vriendenkring en aan haar ouders.

Dat was nu wel voorbij- die keer dat ze met een opgefokte bankier was verschenen was er één teveel geweest. Het probleem was niet dat hij alleen maar over geld sprak, commentaar gaf op het eten en coke snoof aan tafel. Dat soort dingen waren we wel gewend van Mara’s mannen. Het probleem was dat hij lingerie meenam van de vriendinnen van Mara. En niet alleen bij de vriendinnen, maar ook bij haar zussen en zelfs bij haar moeder bleek er ondergoed te missen. Het was ook haar moeder die het als eerste opmerkte. Zij was haar bh met extra kabels langs de voorkant kwijtgeraakt. Eeuwig zonde, ze voelde zich altijd zo lekker vrouwelijk met haar borsten als rollades ingepakt.

Sindsdien was Mara niet meer welkom met haar mannen. In tranen beloofde ze iedereen op zoek te gaan naar zichzelf, eerlijk te zijn over wat ze nu werkelijk zocht en nodig had, en nog meer van die dingen die ze in tijdschriften had gelezen. Dat was nu vier maanden geleden. Vandaag kwam ze met de uitslag van haar zelfonderzoek, had ze van tevoren aan de telefoon gezegd. 

Eerst kochten we ijs, ik bestelde twee bolletjes vanille in een bakje, waarop Mara me veelbetekenend aankeek. Zoiets zegt kennenlijk iets over je persoonlijkheid. Het zegt dat ik behoudend ben, een controlefreak, een perfectionist en mogelijk racistisch. Dat zei ze. Ik zei dat het betekende dat ik van vanille-ijs houd en niet van vieze handen en goedkope koekjes. Mara schudde haar hoofd en bestelde toen drie bolletjes ijs op een groot hoorntje. Ze nam chocolade, pistache en aardbei. Misschien had ze toch gelijk, dacht ik. Je moest wel gestoord zijn om zulke dingen op te eten. Maar ik zei niks. Met het eten van het ijs verbeterde de stemming weer een beetje, we gingen in de zon op een bankje zitten.

 

‘Okee, wat heb je ontdekt de afgelopen maanden?’

 

‘Nou, ik ben eruit wat ik nodig heb,’ zei Mara. ‘Wat ik zoek. De man die ik zoek is mager. Ja, ik zoek een magere man. Een hele magere, met van die jukbeenderen die uitsteken.’

 

‘Een magere man? Hoezo? Ik hou juist van mannen met een beetje vlees eraan. Niet dik ofzo, maar een stevige vent, een buikje vind ik niet erg. Dat kleedt ook af in bed, denk je niet?’

 

Ze nam nog een hapje. ‘Nou, dat kan misschien wel zijn, maar ik denk dat een hele magere het zal zijn voor mij.’

 

‘Het is wel lekker makkelijk zoeken naturlijk,’ zei ik. ‘Hup de kroeg door- op zoek naar een magere vent. Maar waarom per se heel mager? En is alleen op uiterlijk selecteren wel de beste manier? Niet dat ik er verstand van heb hoor. Maar heel mager?’

 

Nu zei ze een tijdje niks. Ik zei ook niks. 

 

 

‘Het klinkt een beetje gek misschien,’ begon ze, ‘maar het is om te wennen.’

 

‘Om te wennen?’

 

‘Ja, kijk- in het westen gaan de meeste mensen dood aan één of andere ziekte, of aan hun hart. Maar een magere man gaat niet dood aan zijn hart. Die gaat dood aan kanker.’

 

‘Nou, dat is niet gezegd toch- hij kan ook onder een auto komen, of een andere nare ziekte krijgen die alleen maar letters als naam heeft, of een domme hobby beginnen en van een berg vallen ofzo..’

 

‘Tuurlijk- maar dat is allemaal minder waarschijnlijk.’

 

Mara zuchtte heel diep.

 

‘Ik wil gewoon een man die er al een beetje uiziet alsof hij aan het einde is. Dan hoef ik er niet zo aan te wennen. Snap je?’

 

Ik keek naar de ouders van de kinderen met de ijsjes. Ze zagen er moe uit.

 

‘Snap je?’ Zei ze nog een keer.

 

‘Nee, natuurlijk niet.’

 

‘Jammer.’

 

‘Ja, jammer.’

Barista

20-02-2014

Zij moest dan glimlachen.

Zij moest dan glimlachen.

/ / /

20-02-2014

Het was de vijfendertigste dag dat het meisje in de koffiebar werkte. Haar baan heette vroeger koffiemeisje en tegenwoordig barista. Ze kon met schokkende bewegingen melk in een kopje doen zodat er een vormpje zichtbaar werd. Ze kon met cacao wolkjes in vormpjes uitstrooien en met een razend tempo alle mogelijk opties opratelen. Skinny, soja, extra hot, iced, met shot, double, mocca, caramel, creamed en nog dertien andere dingen.

Ze was goed in haar werk en nog mooi ook. Een combinatie die de vaste klanten beloonden met een fooi bij elke koffiebestelling die ze deden. Dat was dan twintig cent per bestelling, of iets dergelijks, maar dat weerhield de klanten in kwestie er niet van hun kleingeld met de nodige nadruk in het bakje te gooien. Met een veelbetekenend lachje keken ze haar dan aan, in hun pakken, in hun overhemden met patroontjes, met hun puntige schoenen. Sommigen droegen excentrieke brillen. Dat waren de motivators, personal coaches, trainers en b2b marketeers. Deze figuren lieten hun kaartjes achter als de stront van een toerist in India. 

Het was haar niet verteld de eerste dag dat ze hier kwam werken, maar er was een ongeschreven deal die bij dit werk hoorde. In ruil voor de paar euro fooi die ze dagelijks uit het oranje potje kon vissen, mochten de klanten in kwestie tegen haar praten, kletsen, ouwehoeren, de grootst mogelijke onzin uitkramen.

Zo was ze al meerdere malen uitgenodigd voor een workshop van één van de brillen. Een workshop waar ze in haar kracht zou leren staan. Normaal gesproken zou deze middag een honderdvijftig euro hebben gekost, maar voor een weekje gratis Latte Macchiato’s zou ze mee mogen doen. De andere bril beloofde haar vijftig procent korting op de cursus personal branding. Maar dan moest ze wel koffie komen zetten op de cursusmiddag zelf. Deze categorie mensen was erg, maar omdat ze eigenlijk tamelijk ongelukkig uit hun ogen keken en er een vrij grote voorspelbaarheid uitging van hun gedrag (het begon bijvoorbeeld altijd met een: ‘Weet je wat jij zou moeten doen?’) was ze er langzaam aan gewend geraakt.

De lastigste fooismijtertjes waren de dikke baasjes die een of ander handeltje hadden opgezet en nu als trotse haantjes door de straten liepen. Er waren dan twee scenario’s denkbaar. De eerste mogelijkheid was dat ze luid bellend binnenkwamen. Dan riepen ze hun bestelling heel vlug terwijl ze bleven telefoneren. Het wisselgeld werd gedropt in het fooienpotje omdat dat makkelijker was dan het weer op te bergen.

De tweede groep kwam binnen, keek op en was verbaasd zodra zij opmerkten dat ze te maken hadden met een mooie en bekwame barista. Daarop besloten zij dan het wisselgeld in het bakje te smijten met een begeleidende opmerking. ‘Zo, moppie das voor jou.’ Of: ‘Heb je lekker geslapen schat?’ of: ‘Je ziet er moe uit, drukke nacht gehad?’

Zij moest dan glimlachen, een leuke opmerking terug maken, maar nooit onbeleefd te zijn. Dat waren de regels, zo waren haar dagen. Tot deze dag.

Ondanks het weigeren van alle cursussen en workshops voelde ze zich anders vandaag.


Ze voelde zich langer, mooier, slimmer, krachtiger. En ook bozer, maar daarvan was ze zich nog niet bewust toen ze om zeven uur ‘s morgens het rolluik omhoog deed.

Om half acht verschenen de eerste klanten.

‘Dag schoonheid, hoe gaat het met jou?’ Vroeg de eerste man terwijl hij driftig over zijn telefoon aaide. ‘Goed hoor,’ zei ze op de automatische piloot. En weg was hij. Het leek een dag als de andere te worden. Maar toch was er iets anders. Bij elke fooi werd ze een klein beetje kwader. Het was bij de negende klant dat de eerste barsten in haar dienstverlenende instelling zichtbaar werden.

‘Doe maar extra heet, daar weet jij wel raad mee’ had de man gezegd. ‘Jazeker,’ had ze geantwoord, ‘maar weet u daar ook raad mee? Of gaat u nu met uw obese lijf in de auto zitten op weg naar uw kantoortuin, uw systeemplafond, uw werktoren, uw collega’s, uw afdeling, uw mailboxen, uw besprekingen, uw lunchpauze- allemaal niet zo heet?’ Verward had hij haar aangekeken. Hoofdschuddend pakte hij zijn beker koffie en al mompelend verliet hij het pand.

Hierna was ze gekalmeerd, voor een klant of vijf, zes. Toen kwam Richard binnen. Richard deed alsof de koffietent van hem was, en omdat hij er al langer kwam dan dat zij er werkte, was er weinig tegen in te brengen geweest. ‘Dag moppie…’ begon hij zijn bestelling. ‘Rot op met je moppie, noem je eigen moppie maar moppie, noem je hond moppie, maar moppie mij niet,’ zei ze afgemeten. Verbaasd keek Richard op. ‘Met het verkeerde been uit bed gestapt?’

‘Ha! Met het verkeerde been! Ja, dat moet haast wel, als ik geen moppie genoemd wil worden door willekeurige mannen.’ 

‘Willekeurige mannen? Ik ben toch geen willekeurige man? Ik kom hier elke dag.’

 ‘Maar dat maakt mij nog niet je moppie. Wat denk je nou?’

Richard werd rood, hij keek haar kwaad aan. ‘Ik laat me niet zo behandelen in mijn eigen koffietent.’ ‘Nee,’ zei ze ‘IK laat me niet zo behandelen in mijn eigen koffietent.’

‘Ik geef je verdomme elke dag fooi’ zei Richard.

‘Weet je wat je kunt doen met die fooi?’ Ze pakte het bakje en smeet de inhoud in zijn gezicht. De muntjes rinkelden op de tegelvloer. Rustig zette ze het kommetje weer terug op de bar. 

‘Takkewijf, hier ga je spijt van krijgen’ siste Richard terwijl hij naar de deur liep.

‘Dat zou me ernstig verbazen’ schreeuwde ze hem achterna.

Toen de deur dichtviel draaide ze het bordje om. De tent was weer gesloten voor vandaag. Best leuk, dat in je eigen kracht staan.

 

 

 

 

Vliegveld

15-01-2014

Van netwerken zou het vandaag niet komen.

Van netwerken zou het vandaag niet komen.

/ / /

15-01-2014

‘Mag ik u even storen?’

Voordat Tammo iets kon zeggen, zat de vrouw al naast hem, met haar laptop op haar schoot. ‘Wij doen onderzoek naar wat de bezoekers aan onze stad de afgelopen dagen hebben gedaan, hoeveel geld ze uit hebben gegeven, welk vervoer ze hebben gebruikt, dat soort dingen. We doen dat per gate, en vandaag interviewen we passagiers bij gate 67.’

Tammo was een paar dagen in een middelgrote Duitse stad geweest. Hij zou daar een congres hebben bijgewoond, maar het was hem niet helemaal gelukt. Hij was vier dagen geleden ‘s avonds laat in het zakenhotel aangekomen, in zijn beste kostuum, drie schone hemden en witte shirts in zijn koffer. Hij was naar zijn kamer gegaan, had wat uit de minibar gedronken, een handvol pinda’s gegeten, slechte tv gekeken.

De volgende ochtend begaf hij zich naar de ontbijtzaal. Er zaten nog wat andere mannen die op hem leken, maar Tammo was niet anders gewend, overal waar hij kwam ontmoette hij andere mannen in pakken. Straks bij het congres, zou hij ze wel ontmoeten, netwerken was een van zijn voornaamste kwaliteiten.

Maar van netwerken zou het vandaag niet komen. Tammo pelde net zijn gekookte eitje toen een stem vroeg: ‘Coffee or tea?’ Hij keek op, aan zijn tafel stond een Duitse serveerster in uniform met in elke hand een thermoskan. ‘Coffee or tea?’ herhaalde ze de vraag, maar Tammo kon zich niet langer bezig houden met futiliteiten als drinken, eten, praten.

Haar gezicht leek te schijnen als een zacht maanlicht. Haar postuur kwam hem voor als te kwetsbaar om zulke kannen te dragen. Haar ogen waren doorzichtig, haar lichte haren in een eenvoudig staartje gebonden. Ze stond daar nauwelijks te bestaan, klaar om te verdwijnen, op te lossen.

Ze schonk hem thee in en liep de andere tafels af. Als verlamd zat Tammo in zijn stoel. Hij probeerde haar na te kijken, maar had geen kracht zijn hoofd mee te laten draaien met haar bewegingen. Toen ging ze door de klapdeur naar de keuken. Tammo kon niet anders dan staren. De deur waar ze doorheen was gelopen met stapels vuile borden leek nog bij te komen van haar voorbijgaan.

Tammo keek op zijn horloge, met een taxi zou hij precies op tijd bij het conferentiecentrum zijn. Met de lift ging hij naar boven, eenmaal in zijn kamer haalde hij diep adem.

Het bed was al opgemaakt door een kamermeisje.

Hij poetste zijn tanden, trok zijn jas aan en pakte zijn tas.

Toen hij de sleutel pakte en daarmee de lichten in zijn kamer uitdeed, werden zijn knieën week. Zijn handen trilden, zweet brak hem uit. Snel stak hij de sleutel terug, het licht sprong aan. In de badkamer liet hij de koude kraan stromen, eerst over zijn polsen, daarna dronk hij wat en plenste hij het in zijn gezicht. De mouwen van zijn jas werden nat. In de spiegel keek hij naar de man met het natte gezicht. Het zei hem allemaal niks. Hij trok zijn jas uit en ging op de wc-pot zitten.  Waar was hij mee bezig?  Wat moest hij in deze stilte?

Tammo liep terug de kamer in. Zijn jas lag nog op de vloer in de badkamer. Hij trok zijn schoenen en colbert uit, deed zijn das af en ging op het bed zitten. De stilte verpletterde hem. Hij sloot zijn ogen en gleed weg.

Toen hij wakker werd, was het buiten al donker, het was half acht ‘s avonds. Hij had honger en dorst en geen idee waar hij was. Toen hij zijn tas op de grond zag staan, kwam het langzaam terug. Duitsland. Het congres. Dat is wat hij kwam doen. Hij stond op en ging naar de wc. Alle geluiden waren ongewoon luid. Op zijn sokken verliet hij de kamer en nam hij de lift naar het restaurant.

Een nors meisje stond bij de ingang van het restaurant. Tammo noemde zijn kamernummer en mocht plaats nemen aan de tafel voor twee in het midden van het restaurant. Hij bestelde kip met aardappels en rode kool, een karaf huiswijn en een cola.  Na het eten ging hij terug naar zijn kamer, in de lift zag hij dat hij geen schoenen aan had.

Die nacht kon hij niet slapen. 

Hij stond vroeg op, nam een douche en begaf zich naar de ontbijtzaal. Het was leeg, het meisje was er niet.

Ruim op tijd zat hij in de taxi naar het conferentiecentrum. Hij luisterde naar de lezingen, netwerkte, at een broodje en dineerde met de andere mannen in pakken. Hij merkte iets vreemds: hij stond er, maar hij was er niet. 

Het was al laat toen hij terugkeerde in zijn kamer. Uitgeput viel hij in slaap. De volgende dag was precies hetzelfde. Ze was er weer niet. Hij ontbeet in stilte, vertrok, netwerkte en keerde terug. Maar weer merkte hij: hij was er niet. 

De dag daarna vertrok hij na het ontbijt. Ze was er weer niet. Misschien had hij het zich allemaal verbeeld. Misschien had hij een beetje te hard gewerkt, misschien bestond zij niet eens, misschien bestond hij niet eens. In de taxi naar het vliegveld staarde hij naar buiten, hij zag de stad die hij geen moment had bezocht aan zich voorbij trekken.

Betalen, uitstappen, inchecken, douanes, wachtrijen, koffie halen. Het was hem allemaal zo bekend, dat hij nauwelijks het gevoel had wakker te zijn. En nu dus die enquête. Hij beantwoordde alle vragen gedwee. ‘Gaat het wel?’ vroeg de vrouw nu onderzoekend. Hij knikte, niet omdat het wel ging, maar omdat dat nu eenmaal het enige was wat hij kon doen. Zijn vlucht ging haast vertrekken, hij stond op en sloot aan in de rij, waar hij uiteen viel in duizend stukjes.

Parijs

05-01-2014

Misschien was het vroeger beter.

Misschien was het vroeger beter.

/ / /

05-01-2014

Metrostation Châtelet, zondagochtend 10 november, 11 uur.

Het waait over het perron, het ruikt zoals Parijse metrostations nu eenmaal ruiken. Muf, smerig, naar industrie, naar mens. Het is bij vlagen warm en koud. 

Langs de muur is een betonnen rand gemaakt, een plek waar zwervers gebruik van maken. Vandaag ligt er maar eentje, in zijn slaapzak. Aan de wanden hangen grote posters van films en evenementen in de stad, en afbeeldingen van verre paradijselijke bestemmingen. Allemaal zaken waar de man in de slaapzak geen geld voor zal hebben. Misschien vroeger. Misschien niet. Misschien was het vroeger beter voor hem. Slechter is moeilijk voor te stellen.

Alles aan hem is smerig, zijn spullen, in een berg plastic tasjes naast hem, zijn baard, zijn muts, zijn lange haren. Zijn gezicht is grauw en zijn vingers zijn haast zwart.

De metro komt over drie minuten en zal ons naar het Gare du Nord brengen. Daar hebben we nog tijd om koffie te drinken, wat tijdschriften te kopen, nog een croissant misschien. In de trein eten we dan eerst, om wat door de tijdschriften te bladeren, het lezen uit te stellen tot later en dan even de ogen te sluiten. Want het zijn toch altijd veel indrukken, op zo’n stedentrip. We kennen de stad steeds een beetje beter, maar ontdekken elke keer iets nieuws. We hebben onze carnets precies opgemaakt.

 

De man hoest. Hij rochelt. Hij kermt.

 

We praten over wat we volgend jaar echt moeten gaan doen. Soms staan de openingstijden verkeerd op de website van een instelling. Zul je altijd zien. Vroeg opgestaan, dichte deur.

 

De man begint te roepen.

 

We spreken erg weinig Frans, maar dit jaar leek het best goed te gaan. Maar twee keer werd er Engels terug gesproken.

Wat een geluk.

Alleen dat goedkope toeristenrestaurant, dat hadden we niet mogen doen. We weten beter dan dat. Nu echt.

 

De man huilt met uithalen.

 

Het leven is hier zo anders, hoe zou het zijn hier te werken, te wonen? Parijzenaars staan niet echt bekend om hun toegankelijkheid. Hoewel, bij internationale bedrijven ontstaat er toch vaak zo’n vriendenkring van expats?

 

Het lichaam van de man begint te schokken. Als een rups beweegt hij zich op de betonnen rand. Hij huilt niet meer.

 

Een vrouw met een tweelingwandelwagen komt voorbij. De babies zijn hetzelfde gekleed, in lichtroze skipakken met witte mutsjes. Wat een gedoe moet dat zijn, met een tweelingwagen door het Parijse metrostelsel. In Londen is dat beter geregeld. Daar hadden ze zoveel invalide oorlogsveteranen dat de stad werd aangepast. Dat zeggen ze.

 

De man hoest proppen bruin slijm op, hij veegt ze af met de mouw van zijn vale houthakkershemd.

 

Stel je voor dat je miljonair bent, dan kun je gewoon die jas kopen die we in de etalage zagen. Prachtig was die, maar 5600 euro, wie heeft dat nou over voor een jas? Misschien maakt de H&M wel een kopie binnenkort.

 

De man braakt op de grond. Het kletst in een grote plas naast hem, een deel spat omhoog op zijn slaapzak en gezicht.

 

De metro laat wel op zich wachten, zeg. Maar goed dat we er extra veel tijd voor hebben uitgetrokken. Je verkijkt je makkelijk op zulke dingen. We komen ook uit zo’n klein landje, we zijn echte afstanden niet gewend. Nog 1 minuut zegt het bord nu. Het perron is volgelopen met mensen.

 

De man ligt op zijn zij, hij ligt in foetushouding met zijn rug naar het spoor gekeerd. De slaapzak heeft hij uitgeschopt. Alleen zijn voeten zitten er nog in. Zijn spijkerbroek is net zo vuil als de rest van zijn kleding.

 

Het is echt een mooi boek dat je kocht in die museumwinkel. Misschien had ik het ook moeten doen. Hoewel ik natuurlijk al iets soortgelijks heb. Och, anders gewoon volgende keer. Zelfde tijd van het jaar?

 

De man krimpt ineen en schreeuwt kort, een rauwe kreet, alsof hij in barenspijn verkeert. Een vlek verschijnt op zijn spijkerbroek. Donderrood, dan lichtbruin. De stof raakt verzadigd en laat alles door. Op het muurtje, op zijn rug, op de grond, overal ligt het.

 

Daar is de trein dan eindelijk, de stank is werkelijk niet te harden. Tsja, wereldsteden, die zijn nu eenmaal hard. Nu maar hopen dat we geen vertraging hebben zometeen.

 

De man stuiptrekt in de smurrie.

 

Het waarschuwingssignaal klinkt. Het past maar net, wat reizen er toch veel mensen met de metro. We houden onze handtassen goed tegen ons aangedrukt, je weet maar nooit.

 

De man is opgehouden met bewegen.

Wachten

18-09-2013

Leuk mens, maar ze verlelijkt met de dag.

Leuk mens, maar ze verlelijkt met de dag.

/ / /

18-09-2013

‘Alles wordt alleen maar erger’ zei de vrouw met het hondje.

‘Veel erger.’ De man met de snor bromde instemmend.

 

Ze waren te vroeg bij de bushalte omdat de dienstregeling was veranderd. Daar had niemand ze iets over verteld. Ze waren allebei zo tussen de vijftig en de zestig en hadden een blik in hun ogen waaruit bleek dat ze wisten hoe de wereld in elkaar zat.

 

‘Niet dat het vroeger beter was’ vervolgde ze.

 

‘Maar minder slecht’ vulde de man met de snor aan.

 

‘Precies.’ Het hondje likte aan de handen van de vrouw.

 

‘Weet u waar het al

helemaal niet te doen is?’ 

 

‘Den Haag.’ Zei de vrouw.

 

Het begon te regenen.

 

Aan de overkant van de straat duwde een magere vrouw met zwarte kringen onder haar ogen een tweelingwandelwagen voort. De kinderen krijsten de longen uit hun lijf vanonder het plastic dat over de kar gespannen was. Pas toen ze de hoek om was verstomde de herrie.

 

‘Heeft u kinderen?’ vroeg de man met de snor.

 

‘Ja, twee. Een dochter en een zoon. ‘ De vrouw haalde twee pasfoto’s uit haar portefeuille. Grote bleke gezichten keken in de camera. ‘Dat is Miranda, zij is getrouwd en heb twee kindjes. En dat is mijn zoon Marcel, hij is net gescheiden. Jammer hoor, was een leuke meid.’  Ze stopte de foto’s weer terug.

 

‘Hij heeft geen kinderen?’

 

‘Nee, ze waren veel te druk met hun bedrijf, en nu zij weg is, doe ik haar werk.’

 

‘Wat voor bedrijf was dat dan?’

 

‘Daar kan ik niet teveel over zeggen. Het is met planten. En u? ook kinderen?’

 

‘Nee, wel een vrouw. Leuk mens, maar ze verlelijkt met de dag, dat wel.’

 

‘Met de dag?’

 

‘Ja, het is echt ongelofelijk. Elke ochtend bij het wakker worden denk ik: wat zal het nu weer zijn. Welke groeven zullen zich nu in haar kop hebben genesteld?’

 

‘Is het echt zo erg?’

 

‘Mevrouw, anders zou ik het niet zeggen. Ik weet in elk geval wel zeker dat andere mannen met hun tengels van d’r afblijven. Ik raak d’r zelf al niet veel meer aan. Nou, dat was twintig jaar geleden wel anders hoor, de hele buurt keek als zij door de straat liep. Maar toen begonnen we een eigen zaak, en je kent dat wel, dan gaat het hard.’

 

‘Wat voor zaak heeft u?

 

‘Daar kan ik ook niet zoveel over zeggen. Een soort incassobureau met onmiddellijk resultaat, zo noem ik het graag.’

 

‘Daar werken wij ook weleens mee. Maar laatst liep het een beetje uit de klauwen. Viel er niks meer te incasseren en was ons mannetje gelijk voor drie maanden opgeborgen.’ Vertelde de vrouw terwijl ze het hondje aaide. 

 

‘Ik denk dat ik weet met wie u in zee bent gegaan, was het schele Cor? Maakt niet uit, daar kunt u natuurlijk niks over zeggen. Wat mij meer interesseert, heeft u nog groen op voorraad misschien? Ik ga een paar daagjes met wat vrienden naar zo’n Center Parcs huisje, om te ontspannen weet u wel.’ Zei de man met de snor. 

 

‘Hoeveel heeft u nodig?’

 

‘Grammetje of honderd, misschien.’

 

‘Och jongen toch’ zei ze, terwijl ze in haar handtas rommelde.

 

Ze gaf hem een groen bolletje wol. ‘Het zit erin, gewoon netjes afwikkelen en dan heb je het. Ik zou de wol wel graag terug hebben, ik brei een sjaal voor Marcel namelijk, en die jongen heeft echt een stierennek,  dat is me wat.’

 

‘Wat wilt u ervoor hebben?’

 

‘Ach’ zei de vrouw, ‘helemaal niks, iedereen heeft toch een mazzeltje nodig op z’n tijd. Maar die wol kun je gewoon afgeven bij de hondentrimsalon bij de brug, daar ben ik elke week.’

 

De bus was er. Ze stapten in en gingen ver van elkaar vandaan zitten. Ze waren mensen die wisten hoe de wereld in elkaar zat. 

Cannelloni

02-09-2013

Alles heeft een reden toch?

Alles heeft een reden toch?

/ /

02-09-2013

Het was niet zijn bedoeling geweest het zover te laten komen.

Ze waren al een flinke tijd samen, maar het was pas sinds enkele maanden dat Edgar zijn vriendin begon te haten. Hij was onvoorstelbaar verliefd op haar geworden zeven jaar geleden, op een feestje van vrienden. Ze was mooi, slim en spontaan geweest. Nu bleef hij overwerken om maar niet thuis te hoeven zijn. Zijn carrière leed er in elk geval niet onder, sterker nog, hij klom sneller dan ooit.

Gepiep van zijn telefoon klonk, hij was niet verrast. Elke dag smste ze hem rond dit tijdstip. Dan was ze thuis van haar werk, had ze een kop thee gedronken en was ze weer klaar om hem lastig te vallen. Met boodschappenlijstjes, data voor etentjes met haar saaie vrienden of met nog een laatste punt in de discussie die ze dan een dag eerder hadden gevoerd. Van die berichten waarin stond: ‘Ik had het er nog over met Mel en zij vond ook dat ik gelijk heb.’ Of: ‘kijk maar op Wikipedia, Renee Zellweger  speelt wel in Cold Mountain.’ Of: ‘Koop je nog even diepvriesspinazie, maar niet die vieze die je vorige keer mee had genomen.’

Vandaag stond er iets anders. ‘Half 9 Giovanni Pizza?’ Het was lang geleden dat ze uit eten waren geweest en nog langer dat ze bij Giovanni Pizza hadden gegeten. Hij ging akkoord, een karafje steenkoude rode huiswijn zou de situatie waarschijnlijk meer goed dan slecht doen, schatte hij in. Hij smste dat het goed was en werkte nog even door.

Hij was 8 minuten te laat, maar dat was meestal zo. Haastig kwam hij het restaurant binnen, het interieur was nog precies hetzelfde als vroeger.  Er hingen visnetten aan het plafond en er stonden pilaren van gips voor de ramen. De serveerster was ook nog steeds dezelfde en nam zijn jas aan.

Edina zat al aan een tafeltje in de hoek.  Ze keek even op en las daarna verder in het vrouwenblad uit de leesmap die in de vensterbank lag. Hij gaf haar een kus op de wang en zei: ‘je ziet er mooi uit.’ ‘Leugenaar,’ zei ze terug.

De menukaarten werden gebracht, ze keken erin voor de vorm, ze aten altijd hetzelfde als ze in een Italiaans restaurant waren. Hij pasta met kip en pesto en zij cannelloni. Een karaf huiswijn werd snel gebracht. Edina was intussen aan het brood met kruidenboter begonnen.

Het gebrek aan zelfbeheersing maakte Edgar woest van binnen.

Waarom jezelf vol stoppen met ongezond en goedkoop eten als je weet dat er zo dadelijk eten wordt gebracht waar je wel om hebt gevraagd? Dit gesprek hadden ze al vele malen gevoerd met nogal onbevredigende eindes, dus besloot Edgar al deze gedachtes in stilte voorbij te laten gaan. 

 

‘Weet je waarom we hier zijn?’ Vroeg Edina met volle mond.

 

Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, Edina dat weet ik niet.’

 

‘Noem me geen Edina.’

 

‘Maar je heet Edina.’

 

‘Rot toch op, je doet het alleen maar om mij te pesten.’

 

Het eten werd op tafel gezet. Ze aten zwijgend.

 

Edina hervatte het gesprek wederom met volle mond.

 

‘Nou, ik had bedacht- alles heeft een reden toch?’

 

Edgar knikte voorzichtig, hij wist niet waar ze heen wilde, maar de manier waarop ze tegenover hem zat, beviel hem helemaal niet. Ze leek op een dikke valse kat, klaar om toe te slaan.

 

‘Okee, hoe ga ik dit zeggen. Hmm, nee ik doe dit anders… Geef me vijf redenen waarom je bij mij bent.’

 

Nog zoiets irritants, dat ze hardop zichzelf in de rede viel. Concentreer je dan gewoon een beetje, dacht hij altijd. En dan deze vraag als uitsmijter. Hij slikte.

‘Nou, ik denk dat we samen…’

 

‘Waarom je bij MIJ bent’ siste ze over de tafel.

 

Razendsnel dacht Edgar na. Soms was aanval de beste verdediging. ‘Als je dat nog aan me moet vragen, kan ik beter vragen waarom jij bij mij bent’ kaatste hij terug. Snel nam hij een slok wijn.

 

Edina deed alsof ze gaapte. De half gekauwde cannelloni lagen nog in haar mond.

 

Hij begon haar niet te haten, besefte hij nu. Hij haatte haar al. Hartstochtelijk.

 

‘Dan is het vast sadomasochisme’ zei hij daarna zachtjes. Hij was zo moe dat hij niet eens wist of het waar was.

 

Haar ogen werden kleine spleetjes. ‘Sukkel’ zei ze terwijl ze haar bestek in haar eten legde en de dessertkaart van de naastgelegen tafel pakte. Nog zoiets, dacht hij. Nooit je hoofdgerecht opeten, maar wel een toetje bestellen. 

 

‘Jij iets toe?’

 

Hij schudde zijn hoofd.

 

‘Voor mij een grand dessert en een Irish coffee en voor hem een espresso met een glaasje kraanwater.’ Zei Edina geroutineerd tegen de serveerster.

 

Het grand dessert en de koffie kwamen tegelijk. Vol afgrijzen keek Edgar naar de berg ijs, room, koek en pudding waar zijn vriendin nu aan begon. Ze schoof het bord naar het midden van de tafel, maar hij wilde niet proeven, nee, ook geen hapje. Hij dronk zijn espresso op en keek haar aan. Ze had chocolade op haar wang en schraapte het kommetje panna cotta uit alsof het de laatste panna cotta op aarde was. Uit de speakers klonk voor de derde keer vanavond o sole mio. Ze verdienden deze tent, bedacht hij terwijl hij met zijn suikerzakje speelde. Hij had beter kunnen overwerken.  

 

Edina legde haar lepel neer. Edgar keek op, ze keek hem recht aan.

 

‘Ik ga dood Edgar.’

 

Hij versteende. De espresso, de pasta, de kip, de wijn en de pesto, hij proefde alles opnieuw maar dan bitter, verzuurd.

 

‘Hoe bedoel je je gaat dood? Zulke dingen kun je niet zomaar zeggen, hoe bedoel je, je gaat dood?’

 

Edina keek hem nog steeds aan, de chocolade nog op haar wang.

 

‘Ik was vandaag bij de dokter. Het is helemaal niet goed, Edgar.’ Ze huilde nu.

 

Edgar keek verdwaasd om zich heen. De vrouw die hij haatte, dit slechte restaurant, de te koude wijn. Hij wist dat hij het allemaal nodig had gehad, en nog steeds. Met trillende handen gaf hij zijn creditcard aan de serveerster.

 

Een paar maanden kreeg hij om vast te houden wat hij steeds weg had willen duwen, maar eigenlijk was het al verloren daar, tijdens het grand dessert bij Giovanni Pizza.

 

 

Passend

27-08-2013

Nergens vond hij wat hij zocht.

Nergens vond hij wat hij zocht.

/ / /

27-08-2013

Buiten regende het en binnen stikte het van de mensen die met hun skinny soja latte macchiato’s in hun hand een plekje zochten tussen de laptops. Alle meisjes waren mooi en de juiste muziek klonk op de achtergrond.

Links aan de tafel zat een oude man met een krant. Sinds zijn stamcafé niet langer bestond, was hij wat ontheemd geraakt en dronk hij overal waar het maar kon een kop koffie om de sfeer te proeven. Nergens vond hij wat hij zocht. Tegenover hem zat een jongen met laptop en een koptelefoon op. Daarnaast een jongen met een muts op, hij keek samen met zijn vriendinnetje naar iets op zijn telefoon. Het vriendinnetje had een grote bruine bril op die niet alleen haar ogen maar ook een deel van haar wangen omlijstte. Zo’n bril die men vroeger nu eenmaal moest nemen bij gebrek aan beter, zo’n bril die nu werd verkocht bij gebrek aan slechter.

Het was de oude man al eerder opgevallen, de jonge vrouwen van nu droegen de kledingstukken en accessoires die hij kende van zijn zussen, zijn tantes, van zijn overleden moeder. Dat pakte over het algemeen voorspelbaar uit: mooie meisjes bleven mooie meisjes. Ze werden dan mooie meisjes in omakleding. Lelijke meisjes- deze gedachte maakte hij niet af, want hij was de krant aan het lezen en had geen zin om verder na te denken over de decoratie om hem heen. 

Hij was zojuist begonnen aan een artikel over de afschaffing van het woord allochtoon toen hij een meisjesstem hoorde. ‘Sorry, mag ik hier zitten?’ Voor hem stond nu een meisje in een donkerblauwe trui met een beige broek. Ze was buitengewoon gewoontjes voor deze plek. In haar rechterhand hield ze een theeglas met zwarte thee. ‘Duidelijk niet van hier’, dacht de man terwijl hij met een armgebaar duidelijk maakte dat ze mocht gaan zitten. 

Het artikel was zoals het elke keer was.

De man stelde zich een grabbelton voor die op de redactie stond van een krant. In de ton vijfendertig onderwerpen die altijd even opgevist konden worden. Stagiair erop zetten, bewindspersonen, opiniemakers, of een of andere halve zool met een grote waffel bellen en klaar. Hij wilde geen cynicus zijn- maar de maatschappij liet hem weinig keuze.  

Hij was juist bij het volgende katern aangekomen toen het meisje vroeg: ‘Mag ik dat stukje krant?’ Met tegenzin gaf hij het stuk krant aan. Het liefste had hij de uitgelezen stukken nog zo lang mogelijk bij zich liggen, niet dat hij ooit terug zou bladeren, maar het gevoel dat de mogelijkheid er was, daar ging het hem om. Vluchtig bekeek hij de voorpagina van het economisch katern dat hij nu in handen had. Zou het al tijd zijn voor een jenevertje? Hij legde de krant weg. Nu had hij niks meer te lezen, een situatie van niks, allemaal dankzij het meisje in de blauwe trui.

 

Hij besloot haar indringend aan te kijken, dan zou ze vast snel ophouden met lezen. Wat moest zo’n wicht nu helemaal met een krant. De andere kinderen hier lazen toch ook niet de krant? Had ze geen beeldscherm bij zich of zoiets? Hij schoof iets dichterbij.

 

Het meisje merkte niks, geconcentreerd keek ze in de krant. Welk artikel zou ze aan het lezen zijn? Hijzelf had werkelijk niks opzienbarends gelezen en zij lag zowat in de krant. Hij volgde haar blik.

 

De rouwadvertenties. Met een zucht leunde hij achterover. Weer zo’n kind met psychische klachten. ‘Sorry?’ zei het meisje terwijl ze opkeek.

 

‘Excuses- ik vroeg me af wat u aan het doen bent.’ Zei de man.

 

‘Ik ben op zoek naar vacatures,’ zei het meisje.

 

‘Dat zijn overlijdensadvertenties, waar u nu naar kijkt.’

 

‘Ja, dat weet ik wel, maar er gaan ook mensen dood die een baan hebben hè.’

 

De man knikte. Het was waar. Ook werkende mensen stierven.

 

Het meisje vervolgde:

 

‘En dan lijkt het mij wel een shock op zo’n werkvloer. Dus voor die vacature eruit is, zijn we wel even verder. Maar dan heb ik natuurlijk allang gesolliciteerd bij zo’n bedrijf.’ Tevreden keek ze hem aan. ‘Niet slecht bedacht hè?’

 

De man knikte. Het meisje vatte het op als een aanmoediging.

 

‘Wat het belangrijkste is- is welke krant je leest. Ik ben nu dus aan het uitzoeken in welke krant de meeste sterfgevallen mijn profiel hebben. Dus een beetje mijn leeftijd hebben, hoger opgeleid zijn, dat soort dingen. Nog best een gedoe, moet ik zeggen.’

 

De man knikte en stamelde: ‘nou, goed, veel succes ermee.’

 

Maar het meisje was alweer de advertenties verdiept en gaf slechts nog een klein knikje zijn richting in. 

Romantiek

26-06-2013

Ze durfde best te leven.

Ze durfde best te leven.

/ / /

26-06-2013

David was er nog steeds niet. De glazen wijn die Lena twee uur eerder had ingeschonken waren in de gootsteen omgekeerd en het schaaltje olijfjes had ze afgedekt met folie en in de koelkast gezet. Hij zou wel een bekende zijn tegengekomen of zoiets, bedacht ze.

 

Ze masseerde haar slapen. Morgen had ze een functioneringsgesprek op haar werk, ze was nerveus hoewel ze wist dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Bovendien hadden ze net een workshop gehad op het werk, NLP,  Neurolinguistic Programming. Krijgen wat je wilt, door de juiste woorden. Zelf de baas zijn over je gesprekken. Bij David werkten de technieken niet.

 

De sleutel in  het slot. Daar zou je hem hebben.

 

‘Dag liefste’  Zei hij.

 

‘Wat was je aan het doen?’

 

‘Even lopen.’

 

‘Flink stuk zeker?’

 

‘Ja.’

 

Ze stond op. ‘Ik spring onder de douche, mijn schouders zitten weer helemaal vast. Zo aflevering Borgen kijken?’

 

‘Okee.’

 

Ze liep naar de badkamer. Waarom had hij geen excuses gemaakt? En had hij gevraagd hoe haar dag was? Had zij eigenlijk gevraagd hoe zijn dag was? Nee, maar dat was omdat dat de soort vragen waren die hij niet kon beantwoorden. Hij doolde maar wat rond, at een broodje, zette wat koffie, zoiets. Mensen reageerden altijd enthousiast als ze vertelde dat haar vriend kunstenaar was, maar van de donkerte had niemand een idee. Van de muziek die ‘s nachts aan stond, van een man die tot drie uur ’s middags in bed lag,  van een man die ontbeet met een biertje en die in de tuin wilde staan in de regen, evenmin. Zou ze zometeen haar gesprek oefenen met hem? Dat scheen de beste voorbereiding te zijn, oefenen met je partner. Maar dat hing dan wel van je partner af. Toen ze bij het bedrijf was aangenomen kon hij maar niet ophouden te vertellen hoe ongelofelijk hij het vond dat zij zich 36 uur per week in een kantoorgebouw liet opsluiten. ‘Durf te leven’ riep hij dan. Ze durfde best te leven. Morgen moest ze ook even nieuwe conditioner kopen. Bij welke aflevering waren ze ook alweer gebleven?

 

Met zijn badjas aan kwam ze de kamer weer binnen. Haar haren waren in een handdoek gewikkeld die ze op haar hoofd droeg.

 

‘Weet jij nog welke aflevering?’ Zei ze terwijl ze water in de waterkoker deed.

 

‘Nee.’ David masseerde zijn slapen. Bij welke aflevering waren ze gebleven? Bij welke aflevering? Hij verlangde naar dronken worden, in een kroeggevecht belanden, cocaïne snuiven van de buik van een Russisch hoertje.

 

‘Hoe was je dag?’ Ze zette de theepot op tafel. De mokken pasten erbij.

 

‘Wel goed, het wordt weer kouder. Die van jou?’

 

‘Gewoon.’

 

Ze waren bij aflevering acht, het was spannend. Ze keken ook naar negen.

 

‘Ik ga naar bed’ zei Lena toen, ‘morgen vroeg op.’

 

‘Ik kom zo.’ Zei David.

 

Het was half vier toen ze zijn armen om zich heen voelde. In de morgen stond ze zachtjes op. Vanmiddag zou ze naar zijn atelier komen. Ze had er speciaal de hele middag vrij voor genomen. Maar eerst het gesprek.

 

Het gesprek verliep zoals ze had gehoopt. Zaken gingen goed, ze functioneerde goed en mocht haar nieuwe competentie-speerpunten mailen. Het was een modern bedrijf waar ze werkte, een bedrijf met oog voor haar werknemers, dat stond ook in de vacaturetekst. Lena gaf net een hand ter afscheid toen de chef zei:

 

En thuis ook alles goed?

 

‘Jaja, zo zijn gangetje, had ze gezegd.

 

In de lift herhaalde ze de woorden. Thuis ook alles goed. Thuis ook alles goed.

 

 Haar hart bonsde in haar keel terwijl ze de woorden opnieuw proefde. 

 

Goed alles ook thuis. Ook alles thuis goed. Goed thuis alles ook. Thuis. Alles. Ook. Goed.

 

De woorden aten haar op. Ze had nergens verstand van. Alles goed. Ook thuis.

Het was half een. David werd wakker. Hij rekte zich uit en streelde over zijn buik. Zachter dan eerst. Samenwonen, daar werd je lijf zachter van. Maar je geest niet. Straks zou ze het werk gaan zien. Hij dronk koffie en fietste naar zijn atelier.

 

Het was koud in het atelier, maar voor David maakte dat niet uit. Het was zijn bunker, weg van de mensen, weg van wereld. De ruimte zat in een leegstaande loods en had geen ramen. De muren waren wit geschilderd en de vloer was van beton. Langs de wanden lagen stapels hout, kranten, gescheurde papieren, oude verfpaletten en allerlei gereedschap.

 

Eindelijk kwam ze kijken naar zijn laatste creatie, een installatie die hij had gemaakt in opdracht van de stichting ‘Week van de Romantiek.’  

 

De romantiek had een stichting gekregen en een week. Eerst had David er niet aan mee willen werken, maar spannende boeken en kanker hadden ook een eigen week, en romantiek had ook de nodige impact op mensenlevens, dus had hij toch maar besloten de opdracht aan te nemen. Het was ook een goedbetaalde klus,  daarmee kon hij Lena wat ontlasten. Zij had de afgelopen drie maanden de huur in haar eentje opgebracht. Morgen zou de stichting het werk komen ophalen. ‘Voel je vrij’ hadden ze gezegd. Dat had hij zoveel mogelijk willen uiten in het werk, het gevoel van vrijheid in de romantiek. Lena zou er waarschijnlijk weinig van begrijpen. Ze wist weinig van vrijheid en kon niet wachten tot hij een ring om haar vinger zou schuiven. Dat vond zij dan weer romantisch.

 

Ongeduldig liep hij heen en weer door de ruimte. De tl-buizen maakten een zoemend geluid en zijn voetstappen klonken hol. Toen klonk vanuit de verte achtereenvolgens het geluid van een auto, een dichtslaand portier en van hoge hakken. David snelde naar de deur om Lena binnen te laten. Ze droeg haar dure trenchcoat en haar haren waren opgestoken. ‘Nou’ zei ze, ‘ik ben benieuwd.’

 

‘Wacht’ zei hij. ‘Blijf staan, dan doe ik eerst het licht uit en dan weer aan. Dan is het meer een verassing, anders zie je het gelijk.’ Ze knikte. Toen het licht uit was, pakte David haar bij de hand en leidde hij haar naar het kunstwerk. ‘Ben je er klaar voor?’ Het licht ging weer aan.

 

In het midden van de kamer stond een lange houten tafel met daarop een naakte etalagepop. Het was een kale slanke vrouw met grote borsten, een smalle taille en onvoorstelbaar lange benen. Ze lag languit en keek naar het plafond. Aan het hoofd van de tafel stond een andere etalagepop. Een mannenpop, in speedo gehuld, met aan zijn voeten zwemflippers en op zijn hoofd een snorkel en duikbril. In zijn hand hield de mannenpop een grote kettingzaag die net boven de hals van de vrouwenpop rustte.

 

Tevreden keek David naar het stilleven. Lena zei niks. ‘Kom schatje’ zei David toen. ‘Je moet hem nog wel even aandoen.’ Hij begeleidde Lena naar het paaltje met de grote rode knop erbovenop. ‘Geef maar een tik op de knop.’ Met tegenzin duwde ze de knop in. Frank Sinatra’s Strangers in the Night galmde in de ruimte terwijl de armen van de etalagepop met de kettingzaag naar beneden zakten. De hals van de vrouwenpop werd geraakt, uit haar ogen, borsten en knieen spoten straaltjes rode verf. Lena ving het deels op met haar jas.

 

‘En wat vind je ervan?’ Zei David met glanzende ogen. ‘Ik ben er echt heel tevreden over.’

 

‘Kan de verf uit mijn jas?’ Zei Lena met bevende stem.

 

‘Ik denk het wel.  Maar wat vind je er nou van? Ik heb hier maanden aan gewerkt en dit is je reactie? Vlekjes in je jas?’

 

‘Je had me wel even mogen waarschuwen. En wat ik van dit werk vind? Wat denk je nou zelf, mijn vriend mag een werk maken voor de week van de romantiek, en dit is het?’

 

‘Ja, dit is het, ja.’

 

‘Ik vind het niet zo romantisch.’

 

‘Ik mocht alle vrijheid nemen die ik wilde, hadden ze gezegd. Dit is mijn persoonlijke interpretatie van romantiek.’

 

‘Maar ik ben toch je geliefde, waarom kom ik niet voor in je werk?’

 

‘Hoezo kom je er niet in voor? Dit werk gaat ook over jou, over ons. Het gaat over alle liefdes, over alle stellen.’

 

‘Ik zie een naakte vrouw die vermoord wordt’ Zei Lena. Haar stem trilde.  

 

David lachte.  ‘Schatje, je kijkt niet goed. De vrouw is niet vastgebonden ofzo, ze wil graag dat hij haar vermoordt. Hij ziet haar ook liever leven, maar doet dit uit liefde. Daarom is de muziek ook zo romantisch. ‘Lovers at first sight, in love forever. It turned out so right for strangers in the night’ Prachtig toch! Zoals bij ons!

 

‘Wij kenden elkaar al via Marijn, weet je nog? Wij waren nooit strangers in the night.’

 

Ze bedacht zich.

 

‘Of eigenlijk- we zijn altijd strangers gebleven.’ Ze keek naar haar voeten.

 

David bekeek de kettingzaag nauwkeurig en zei: ‘Sorry Lena, maar het gaat nu even niet over jou, het zou leuk zijn als je me kon steunen hier.’

 

Een traan rolde over haar wang. Langzaam liep ze naar de deur.

 

David keek haar na en drukte nogmaals op de rode knop.  

Solidair

13-05-2013

Duur in verhouding tot wat eigenlijk.

Duur in verhouding tot wat eigenlijk.

/ / /

13-05-2013

Ik kwam voor kiwi’s, maar dat mislukte. Als ik over een week of twee, drie heel veel zin in kiwi’s zou hebben, wist ik waar te gaan. Hetzelfde voor avocado’s, ze lagen te rijpen in de schappen. Toen viel mijn oog op de aanbieding van de week. Een emmer vol kleine tomaatjes, precies wat ik nodig had.

Daarna volgden een stuk kaas, een doos crackers en een zakje zure matjes. Ik heb veel geleerd over zure matjes. Zo heb je nooit een beetje trek in zure matjes. Zin in zure matjes komt met veel tegelijk. Zure matjes zijn genadeloos, ze maken je lippen stuk en doen zeer aan je keel. Zure matjes kunnen niet bevriezen. Zure matjes hebben de smaak van aardbeien, maar niet van echte aardbeien of van diepvriesaardbeien, aardbeienlimonade of aardbeienijs of ander aardbeiensnoep. Eigenlijk zijn ze best een beetje vies, maar daarover hoor je nooit iemand. Over het eten van zure matjes wordt sowieso maar weinig gepraat. Dat was vandaag niet anders.

 

‘Lekker zijn die tomaatjes he?’ Zei de man achter me in de rij.

 

‘Inderdaad.’

 

‘Maar wel duur in verhouding.’

 

Ik knikte. Duur, dacht ik, duur in verhouding. Duur in verhouding tot wat eigenlijk. Tot grote tomaten? Tot de groothandel? Tot mijn inkomen? En hoezo? Voor hem is het toch niet duur, ik koop ze zelf.

 

‘Eigenlijk zijn die zure matjes duurder.’  Zei ik.

 

‘Nou moppie, dat denk ik niet.’

 

De caissière scande mijn producten. De tomaatjes waren duurder.

 

‘Zie je wel?’

 

‘Maar uiteindelijk niet hoor, meneer.’

 

‘Hoezo?’

 

‘Nou, die tomaatjes zijn beter voor me dan de matjes. Als ik ziek word, dan draait iedereen daarvoor op, uiteindelijk dan. Beter dat ik de tomaatjes eet.’

 

Ik zuchtte, had geen idee waarom ik dit gesprek was begonnen. Gelukkig zei de man niks terug. Mijn boodschappen waren ingepakt, ik maakte aanstalten weg te lopen.

 

‘Wacht even,’ zei de man terwijl hij een doos negerzoenen of blankenpoepjes of gelijkheidsideaaltjes of hoe ze nu ook heten, in zijn tas stopte. De man was best wel dik, zag ik nu. 

 

‘Ik eet veel en ongezond. Ik sport niet. Ik rook en drink met overgave. Dat doe ik niet alleen voor mezelf. Nee, ik houd de gezondheidszorg betaalbaar. Dus als ik tegen jou zeg, duur die tomaatjes, dan bedoel ik ook: duur die tomaatjes.’

 

Ik knikte beduusd.

 

‘Wat sta je nou te kijken mop? Het is toch niks om somber van te worden? Weet je wat? Ik trakteer je op een saucijzenbroodje hiernaast.’

 

Weigeren was geen optie. Ik at het voor de maatschappij.

Wens

06-05-2013

'Als je nu een wens mocht doen, wat zou die dan zijn?’

'Als je nu een wens mocht doen, wat zou die dan zijn?’

/ / / /

06-05-2013

Ze zaten in de tuin. ‘Als je nu een wens mocht doen, wat zou die dan zijn?’ Marie keek naar haar verloofde David die de krant aan het lezen was. De tuin begon te bloeien, over een paar jaar zou het zijn zoals ze het nu in haar hoofd had. Dan zouden ze ook zo’n rieten bankstel kopen met grote zachte kussens, maar voor nu hadden ze witte plastic tuinstoelen die in verschillende standen konden, erop lagen groen geruite kussens die de moeder van David cadeau had gedaan.

 

‘Niks. We hebben het toch goed zo?’ David keek niet op van zijn krant.

 

‘Ja, maar een wens is toch leuk? Je mag ook een villa kiezen, of een wereldreis of een bioscoop in de kelder, een nieuwe auto.  Toe, je wenst toch wel iets?’

 

‘Sorry, Marie, maar wat is dat nou voor een vraag?’ Zei David terwijl hij de krant op tafel legde.

 

‘Nou, gewoon, zie het als een gedachtenoefening.’ Ongeduldig bewoog Marie met haar voeten.

 

‘Ben je ongelukkig?’

 

‘Hoezo ongelukkig? Jezus, ik stel je gewoon een vraag. Ik begin een gesprek met je, dat is wat mensen doen als ze een relatie hebben. Ze praten. Moet je nu echt altijd alles zwaarder maken?’

 

Marie wist dat ze het gesprek de verkeerde kant op duwde, maar ze kon zich niet bedwingen. David wist waar dit naartoe zou gaan. Hij had er geen zin in en pakte zuchtend de krant weer van tafel.

 

‘Ik zit hier een krant te lezen in de tuin, en jij komt me storen met allerlei onbenulligheden. En dan maak ik het zwaar?’ Hij sloeg de krant open.

 

Met een mep sloeg Marie de krant naar beneden.

 

‘Onbenulligheden? Onbenulligheden? Praat ik over onbenulligheden? Nee, JIJ bent een interessante gesprekspartner. Naja, misschien als je van voetbal houdt of oeverloos geouwehoer over politiek of aandelenkoersen.’

Ze begon op dreef te raken. Ze kon haast niet kiezen waar te beginnen, welke munitie eerst af te vuren. Als een kat zat ze klaar om haar nagels uit te slaan, wachtend op een beweging van haar prooi.  Maar David werkte niet mee. Hij stond rustig op en keek haar koud aan. Ze wist dat hij ook woest was, want zijn vuisten waren gebald, zijn knokkels wit. Maar schreeuwen zou hij niet doen. Hij was trots op zijn zelfbeheersing, de waardigheid die hij altijd wist te bewaren. Het maakte haar nog razender.

 

‘Luister Marie,  ik ga even douchen, mijn ouders zijn over een uur hier.’

 

Marie liep achter hem aan. ‘Je bent een arrogante lul- voel je je te goed om met mij te praten? Vind je het allemaal geouwehoer? En dan zometeen mooi weer spelen als je ouders hier zijn?’

 

‘Marie, alsjeblieft, maak er nou geen drama van.’ David liep de trap op, door naar de badkamer. Marie volgde al fulminerend op enkele centimeters. ‘Drama? Drama? Dan gebeurt er tenminste nog iets hier!’ 

 

Ze maakte aanstalten om David in te halen, maar in haar woede zwiepte ze wat uit met haar been en wist ze haar kleine teen met een ferme tik tegen de poot van de salontafel te slaan. Het werd zwart voor haar ogen, ze hapte naar adem. Ze probeerde te vloeken, maar bleef hangen bij een langgerekte a-klank. Zoveel pijn uit zo’n klein teentje. 

David draaide zich om. ‘Gaat het een beetje?’

 

Bleekjes schudde ze haar hoofd.

 

‘Laat me eens kijken.’

 

Voorzichtig raakte hij haar voet aan, daarna haar tenen. Toen hij bij de kleine teen kwam maakte Marie een zacht grommend geluid. Ook zij kende zo haar trots.

 

‘Gebroken.’

 

‘Godver.’

 

‘Wil je wat water?’

 

‘Nee.’

 

‘Goed, ik bel mijn ouders af, dan gaan we daarna naar de Eerste Hulp.’

 

‘Mag ik toch wat water misschien?’

 

‘Nee.’ 

Kleed

29-04-2013

Ik glimlachte, maar mijn mondhoeken gingen de verkeerde kant op.

Ik glimlachte, maar mijn mondhoeken gingen de verkeerde kant op.

/ /

29-04-2013

Ik legde het kleed op het gras en ging er in het midden op zitten. De zon scheen eindelijk en in het park was het stil. Stil, zodat ik na kon denken over waar het in godsnaam heen zou moeten met mij. Lang dacht ik dat het vanzelf wel goed zou komen, allemaal. Het was nu iets later en het vertrouwen dat dingen vanzelf gingen had ik verloren, behalve dan als het ging om zaken die met verval te maken hadden. Verval ging vanzelf. 

De zon scheen fel en ik sloot mijn ogen. Nadenken met mijn ogen dicht, dat kon alleen maar uitlopen op slapen. Ik opende mijn ogen en keek om me heen.

Schuin voor me kwamen twee meisjes zitten, ze droegen een boodschappentas vol spullen met zich mee. Ze hadden schorre stemmen en droegen kleding die in de mode was. Ze roken naar succes en spraken net te hard zodat ik alles verstond. 

‘Nou moet je horen- ik was dus bij het het feestje van Eggie- niet zo boeiend verder hoor- maar weet je wie daar binnenkomt?’

Voordat ik kon horen wie er  daar binnenkwam plofte er iemand naast me neer. ‘Een autist’, dacht ik. Dat moest haast wel- want wie gaat er nu zo dicht op iemand anders zitten als er nog een hoop ruimte over is. 

 

‘Ben je lekker aan het genieten?’ Zei de autist die er eigenlijk als een normale man uitzag.

 

Ik knikte. Knikken was niet teveel, niet te weinig. Het was precies beleefd genoeg- maar ook afschrikwekkend door de stilte. 

 

Het afschrikken was weinig succesvol.  

 

‘Of ben je je leven aan het overdenken?’

 

Misschien was hij toch geen autist, maar een helderziende, of misschien zei hij maar wat.

 

Ik knikte. Nu moest het toch wel duidelijk zijn dat ik op dat kleed zat om alleen te zijn. 

 

Het afschrikken was weinig succesvol.

 

‘Weet je wat het probleem is met deze tijd?’ vroeg de man.

 

Ik had geen idee en schudde mijn hoofd. Ik ging niet in een gesprek verzeild raken, ik ging mijn leven overdenken. Of anders horen wie er op het feestje van Eggie binnen was komen lopen.

 

Het schudden van mijn hoofd werkte ook niet afschrikwekkend.

 

‘Mensen voelen teveel.’

 

‘Teveel?’ Ik sloeg mijn hand voor mijn mond. Nu had ik toch nog gepraat. Het gesprek was geboren- nu moest ik er zorg voor dragen ook.

 

‘Ja’ zei de man, geestdriftig ditmaal. ‘Jullie generatie is er slecht aan toe- met al dat gemekker over gevoelens, maar ik zie het eigenlijk overal gebeuren. De één voelt zich zus, de ander voelt zich zo- en dan is het beter, daarna weer minder, maar misschien morgen weer anders-‘

 

Ik glimlachte. Misschien hoef je niet voor alle gesprekken goed te zorgen, bedacht ik me.

 

‘Maar zal ik je eens wat vertellen?’ De man wachtte het antwoord niet af.

 

‘Ik heb mezelf daarvan los weten te maken. Ik doe er niet meer aan mee. Hoe ik me voel? Ik hou het constant in de gaten- maar- en nu moet je goed opletten: ik doe er niks mee.’

 

Ik knikte en sloeg een mier van mijn linkervoet af.

 

‘De vraag die je jezelf moet stellen is: wat is mijn doel? Als je die vraag echt kunt beantwoorden, hoef je alleen maar daarnaar te leven.’

 

Ik glimlachte, maar mijn mondhoeken gingen de verkeerde kant op. 

 

De man merkte niks en vervolgde: ‘Toen ik drie jaar geleden mijn bedrijven verkocht, in Hamburg, Berlijn, en New York, dacht men: hij gaat er nu mee stoppen- werken hoeft niet meer. Maar zo zit ik niet in elkaar. Nee, zo zit ik niet in elkaar. Dat zei ik ook tegen de mensen. Je moet ze scherp houden, de mensen. En je niet laten meevoeren door je emoties. Dat nooit. Dus kocht ik wat andere bedrijven, gewoon om een beetje mee te spelen- ik rook kansen. Dat kun jij ook.

 

‘Hmm,’ zei ik. 

 

‘Ik constateer alleen maar- dat is het geheim.’

 

Ik knikte.

 

De man stond op en klopte zijn beige broek schoon. ‘Ik constateer alleen maar. Alleen dat besef is al een hele constatering. Neem dat maar van mij aan.’ 

 

Ik knikte, ditmaal was het afschrikwekkend genoeg. 

Geluk

22-04-2013

Zwijgend aten ze witlof met aardappelen en een slavink.

Zwijgend aten ze witlof met aardappelen en een slavink.

/ / /

22-04-2013

Margreet was op weg naar huis van haar cursus aquarelleren toen ze haar echtgenoot Henk op het terras zag zitten. Straalbezopen, met lodderige ogen en zijn neus als grote donkerrode vrucht in het midden van zijn gezicht.  Hij was aan het lallen met zijn vrienden, de tafel stond vol met glazen jenever. Dit was niet de bedoeling. Driftig stapte ze het terras op. ‘Henk, wat doe je hier? Ik dacht dat wij hadden afgesproken dat jij het gazon ging maaien?’ 

Henk keek haar aan en zei tegen zijn vrienden; ‘Welkom in mijn leven. We hebben afgesproken dat ik het gazon zou maaien. Zoiets spreken we dan samen af- maar ik moet het doen. En nu zit ik hier en krijg ik een draai om mijn oren.’

‘Rustig maar Henk’ zei een van de vrienden. ‘Margreet, wil je ook een drankje, pakken we er gewoon een stoeltje bij.’

Margreet wilde geen drankje. Ze negeerde de vriendengroep en begon aan Henk zijn arm te trekken. ‘Kom, we gaan naar huis, je hebt al genoeg gehad- en vanavond komt de notaris eten met zijn vrouw. Dat weet je toch nog wel, neem ik aan? Die afspraak staat al weken, en je pak is net gestoomd. In godsnaam Henk, wat heb je gedaan? In deze staat ben je niet toonbaar.’

‘Niet toonbaar- niet toonbaar. Nee, jij trekt volle zalen,’ lispelde Henk. Hij slikte een boer weg en stond op. Hij wankelde op zijn benen en hield zich vast aan de rugleuning van de stoel naast hem. Hij wees naar Margreet en wendde zich tot het volle terras.

‘Zij daar, is mijn vrouw. We spraken af samen te zijn tot de dood ons scheidt, maar weet je wat het is? Het is niet waar wat ze zeggen.’

 ‘De dood scheidt je niet. De dood treedt in op het moment dat je die ring om je vinger hebt.’

‘Kerel, doe eens rustig’ probeerde zijn vriend hem te kalmeren.

‘Goed, ik overdrijf- misschien is het niet het moment dat je de bruiloft hebt enzo. Het is erger dan dan dat. Ik noem het stervensbegeleiding- zo is mijn leven. Ze houdt me in leven- maar wat voor een leven is dit? Ik mag niet teveel drinken of eten, ik mag niet te laat naar bed, ik moet het gras maaien, het vuil buiten zetten en de vijver schoonmaken. Ik moet eten met onvoorstelbaar saaie mensen die hoog aanzien hebben. Ze kiest wat voor kleren ik draag- ze kiest welke zeep ik gebruik, welke auto ik rijd, welke planten ik koop.’

Margreet stond bedremmeld te kijken, ‘Henk, gaat het wel? Of moet ik de  de dokter bellen?’

‘De dokter? Wat ga je zeggen? Dat ik teveel waarheidsserum heb gedronken?’ Henk hief zijn lege jeneverglas in de lucht.

Een taxi werd gebeld. Onder tegenstribbelen werd Henk achterin gezet, in de gordels met de deuren op het kinderslot. Margreet nam voorin plaats en siste naar achter. ‘Als je maar niet denkt dat ik me zo laat vernederen, Henk. Als je dat maar niet denkt. ‘

Thuis belde Margreet de notaris en zijn vrouw af. Daarna ging ze koken. Zwijgend aten ze witlof met aardappelen en een slavink.  ‘Ik heb ook veel voor jou moeten opgeven,’ zei Margreet terwijl ze de lege borden verzamelde. ‘Denk je dat ik hier wilde wonen? In deze streek? Denk je dat jij de meest aangename echtgenoot bent, met al je nukken? Waarom zou ik met de notaris willen eten en met de wethouder? Omdat ik verslaafd ben aan status? Of omdat dat de enige mensen zijn die nog weleens naar een museum of een concert gaan, ergens buiten dit dorp? Ik geef niet om de jaarlijkse braderie of om lessen aquarel of bloemschikken. Zelfs de oranjevereninigng heeft mijn volledige aandacht niet. Hetzelfde voor mijn boekenclub. Maar het is pas wanneer ik stil zou staan bij al die dingen, dat jij het zwaar zou krijgen. Niet nu. Dus haal het niet in je hoofd het slachtoffer uit te hangen hier.’ 

Ze pakte een koffiefilter en zette koffie. Ze haalde een vochtig doekje over het aanrecht terwijl het koffie-apparaat begon te pruttelen.

 

‘Wil je ermee stoppen?’ vroeg Henk  toen ze een kop koffie voor hem neerzette.

 

‘Doe niet zo gek. Natuurlijk niet. Je gaat toch niet na veertig jaar huwelijk jaar nog stoppen? Wat zouden de kinderen wel niet zeggen.’

 

‘Hoevaak zien we die nou helemaal?’

 

‘Wil jij ermee stoppen Henk?’

 

‘Nee.’

 

‘Nou dan. Ik ga naar de studeerkamer, ik heb nog huiswerk van mijn cursus Kunstgeschiedenis liggen.’

 

Henk knikte. Morgen zou hij het gras gaan maaien.  

Aangifte

15-04-2013

Er zijn acht verschillende soorten kaas in de kantine.

Er zijn acht verschillende soorten kaas in de kantine.

/ / /

15-04-2013

Zenuwachtig beende de man heen en weer op het politiebureau. De jonge agent had zojuist een vermissing van een horloge gearchiveerd en keek schuchter naar de man die zeker twee koppen groter was dan hijzelf. ‘Kan ik u helpen misschien?’

 

‘Jazeker, ik kom aangifte doen.’

 

‘Aangifte, waarvan?’

 

‘Nou, het zit me nogal dwars dit-’

 

De agent onderbrak hem ‘U kunt ook online aangifte doen, bent u daarvan op de hoogte?’

 

‘Daarvan ben ik op de hoogte, dank u. Maar dit hier, waar ik vandaag aangifte van kom doen, was niet een van de categorieën die ik op uw website kon aanvinken, helaas.’

 

‘Goed, ik open het formulier even voor u.’ De agent keek geconcentreerd naar het scherm.  ‘Zegt u het maar.’

 

‘Ik doe aangifte van middelmatigheid.’

 

‘Pardon?’

 

‘Middelmatigheid.’

 

‘Meneer, ik weet niet of-’

 

‘Gelul! Ik ben hier en ik heb iets ergs meegemaakt- en het gebeurt elke dag opnieuw. Zit en luister.’

 

De agent zuchtte en keerde zich weer naar zijn beeldscherm. 

 

‘Okee, vertelt u maar, dan schrijf ik mee.’

 

‘Goed, het zit zo. Ik word elke ochtend wakker in een bed met een redelijk goed matras, één van de duurdere van de IKEA. Naast me ligt mijn vrouw, Mariët. Een goed wijf, maar wel gewoon, gewoon- een Mariët, als u begrijpt wat ik bedoel. We ontbijten, we eten het duurdere brood van de Appie. Ik maak een kop koffie met het Nespresso-apparaat waar mijn vrouw de huismerkcupjes voor koopt. Scheelt toch al gauw een tientje per maand. Dan ga ik naar mijn werk, meestal met de auto. Een best mooie Opel. Mijn vrouw rijdt een klein auto’tje. Als ik op mijn werk aankom praat ik met mijn collega’s, over het weekend, over de meetings van die dag. Bij de lunch neem ik een soepje en twee pistoletjes kaas. Er zijn acht verschillende soorten kaas in de kantine. Dat betekent dat ik twee weken kan variëren- elke dag een andere soort kaas.’

 

‘Werkt u maar vier dagen dan?’

 

‘Nee, maar op vrijdag eet ik een kroket of een kaassouflé.’

 

‘Goed, gaat u door.’

 

‘In de pauze praten mijn collega’s en ik over het nieuws of over sport. We zijn tamelijk betrokken burgers, daarom praten we ook weleens over maatschappelijke kwesties, maar we worden nooit te politiek. Het liefst bespreken we de waan van de dag, maar eigenlijk praten we in cirkels. Na een poos beginnen we weer van voor af aan bij het eerste onderwerp. Ik heb ze opgeschreven.’

 

Hij schraapte zijn keel en begon voor te lezen.

 

1. Orgaandonatie: verplichten of niet

2. Dubbele nationaliteit of niet

3. Voedselschandalen

4. Het woord allochtoon afschaffen

5. APK keuringen

6. Voetbalcompetitie/ontslagen trainers

7. Voetbalvrouwen

8. Kosten van politie-ingrijpen bij voetbalrellen

9. Goede recepten uit kookboeken die in de mode zijn

10. Huisdieren en hun gedrag

11. Subsidietrekkers van allerlei allooi

12. Nieuwe schoenmode

13. Stedentrips

14. Collega’s van andere afdelingen

15. Nieuwe telefoons enzo

16. Apple

17. Scandinavische series

18. Wijnen en bieren

19. Seksistische grappen

20. Filmpjes op internet

21. Kappers

22. Laminaatvloeren

23. Films

24. Kinderen van anderen of jezelf

25. Sporten die we zelf beoefenen

26. Vrouwen en familieleden

27. Muziek

28. De weirdo die gister bij DWDD zat

29. Feestjes waar we waren of nog heen gaan

30. Goede matrassen

31. Koffie-apparaten

  

De man zuchte diep. ‘Dat was het.’

 

De agent had rode konen gekregen van het snelle typen en keek fronsend naar de lijst.  

 

‘Is laminaat met een d of een t?’

 

‘T.’

 

‘Okee, en wat bedoelt u met Scandinavische series?’

 

‘Nou, gewoon, series als Borgen of The Killing ofzo’

 

‘Dat zet ik er dan even bij.’

 

‘En welk kookboek doelt u op?’

 

‘Ottolengi.’

 

De agent typte ijverig door en met een ferme tik op de enterknop zei hij: ‘ziezo.’

 

‘En nu?’ Vroeg de man terwijl hij naar het briefje keek. ‘Wat gebeurt er nu?’

 

‘Hoe bedoelt u?’

 

‘Nou, wat gaat u eraan doen?’

 

De agent dacht even na en zei toen: ‘ik vrees dat we niets voor u kunnen doen. In feite doet u nu aangifte tegen uzelf- maar zolang u niet dreigt van een flat af te springen, kunnen wij niks voor u betekenen. Wilt u een pepermuntje misschien?’

Dat wilde hij wel. Hij nam een handvol en daarna nog één en nog één. Zijn darmen maakten overuren die middag.  Toen hij dubbelgevouwen van de kramp op de wc zat voelde hij zich meer levend dan ooit te voren.