Overzicht alle verhalen

Tags Alfabetisch Nieuwste

Pauze

13-01-2018

Voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

Voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

/ / /

13-01-2018

De eerste keer dat het gebeurde, dacht ik dat ik het me verbeeldde. Ik stond in een boekenwinkel, een winkel met vaste klanten, een winkel met literatuur, met obscure vertalingen, een winkel waarvan mensen bang zijn dat ze binnenkort niet meer zullen bestaan. Een winkel die moet blijven bestaan, niet alleen omdat de eigenaar zijn vaste klanten kende, maar omdat status een steeds ingewikkelder concept geworden was. Dure woningen, merkkleding of eten in mooie restaurants… vechtsporters, hiphopartiesten en allerhande geteisem wist de weg naar deze ouderwetse statusmarkeringen te vinden. Deze boekhandel belichaamde het idee van elite, van veiligheid, van een oude wereld die misschien aan het krimpen was, maar zeker niet verdwenen.

Ik bladerde wat door een fotoboek waar ik geen geld voor had, bekeek de nieuwste aanwinsten, liep door richting de tafel met afgeprijsde boeken. Dat waren de boeken die voor mij bedoeld waren. Geen schande op deze plek, want voor arme creatieven hadden ze veel begrip.

Vlak voor ik de armoetafel bereikte, viel het stil. Alsof ik ineens onder water liep, het verdwijnen van geluid als intense herrie. De zachte pianomuziek was weg, het gesprek van twee klanten was weg, het geluid van de verkoper die aan het bellen was, viel weg. Iedereen stond stil, als ware de winkel een wassenbeeldenmuseum. Alleen ik kon nog bewegen, kijken, bladeren. De situatie duurde een seconde of tien, vijftien hooguit. Daarna ging alles verder. Ik probeerde contact te maken met iemand, wilde vragen wat er gebeurde. Maar de wereld leek onaangedaan en ik een eenzame gekkin.

Omdat het verlies van mijn mentale gezondheid altijd op de loer lijkt te liggen, als een vieze kerel in een bar, wachtend op een laveloze vrouw, besloot ik het incident in de boekhandel te vergeten. Het was me bijna gelukt, totdat ik mijn haren liet knippen bij mijn vaste kapper.

Alles verliep volgens plan. 

We spraken over vakantieplannen, ik kreeg nekpijn van het haren wassen, ik kreeg een glas thee die te sterk werd doordat ik het zakje er niet op tijd uit kon halen. Op de cape en op de vloer om me heen, lagen natte punten haar die door een mokkende stagiaire werden weggeveegd. Toen pakte de kapper de föhn, om zo een kapsel te maken dat ik nooit meer zo zou hebben, nooit meer na de dag van het knippen. De warme wind waaide in mijn gezicht dat donkerroze aan het worden was van de hitte, en mijn kapper stelde me net een vraag die ik niet kon verstaan door de herrie.

Het geluid viel weg. De föhn was uit, de kranen liepen niet meer, het geklets was voorbij, de radio verdwenen. Ik keek om me heen. Iedereen stond stil, het was precies als in de boekhandel. ‘Hallo?’ zei ik vertwijfeld, te zacht, te bescheiden. Het moment waarop ik mijn telefoon wilde pakken om het te filmen, om aan anderen te laten zien wat ik had meegemaakt, werd alles weer normaal.

Wederom probeerde ik alles te vergeten, het was immers te vreemd om waar te kunnen zijn.

De derde keer dat het gebeurde, had ik er genoeg van. Ik stond bij een stoplicht te wachten om over te steken, en alles viel weer stil. De tram reed niet verder, de afslaande auto’s stonden stil. De meeuwen hielden op met hun geschreeuw. Toen de tien seconden voorbij waren, sprak ik de dame die naast me stond te wachten, aan.

‘Wat was dat nou, die gekke stilte, die pauze van alles?’ vroeg ik haar, verontwaardigd haast, omdat niemand sjoege gaf.

De dame fronste haar wenkbrauwen en zei: ‘Je bedoelt dat alles even stilstaat?’

‘Ja,’ zei ik, opgelucht dat ze wist waar ik het over had.

‘Dan doen we toch elke dag weleens?’ zei ze.

‘Elke dag? Ik heb het maar een paar keer gezien…’

‘Gezien? Je hebt het gezien? Nou, dat is zeldzaam. Dat hoort niet. Het is de bedoeling dat je eraan meedoet. Iedereen doet mee. Dat is de afspraak.’

‘Meedoen? Maar hoe weet je dat dan? Hoe weet je wanneer?’

‘Nouja, dat wéét je. Zoals je weet dat je water moet drinken wanneer je dorst hebt. Of niet te dicht bij vuur moet komen…Je weet het gewoon.’

‘Instinct?’ vroeg ik, haast radeloos nu.

‘Noem het wat je wilt,’ zei de dame verveeld.

Het stoplicht sprong op groen en zwijgend liepen we naar de overkant. Ik had nog wel duizend vragen, maar wist niet waar te beginnen, bij wie. Hierna maakte ik geen pauzes meer mee. Of misschien wel, deed mijn instinct eindelijk zijn werk.

Voornemens

29-12-2017

Ik probeer adequaat te reageren.

Ik probeer adequaat te reageren.

/

29-12-2017

Halverwege mijn fietstocht breekt de hemel in twee en besluit ik te schuilen in een café. Drijfnat open ik de deur van de plek waar ik al honderden keren voorbij fietste, maar nooit naar binnen ging.

Het is een café waarvan er zoveel bestaan, dat ik het lijkt of ik er al eerder ben geweest. Een niet al te grote ruimte met een witgeverfde vloer, betonnen details, hangplanten, houten kistjes als tafel. Het is een goedgelukte plek, gemaakt voor mensen zoals ik. Mensen die veel zwarte kleren dragen en een beetje tobberig uit de ogen kijken. Mensen die drie euro vijftig betalen voor een kopje water met drie schrijven gember erin. Niet omdat ze zo rijk zijn, maar omdat de situatie nu eenmaal zo is.

Het verveelde meisje achter de bar geeft me de thee en ik ga in de hoek van de ruimte zitten op het rotan stoeltje, naast de grote plant. Op het gammele tafeltje liggen fotografietijdschriften, waar ik doorheen blader, op zoek naar iets waarvan ik niet weet wat het zal zijn. Ik kijk om me heen.

Aan de leestafel komen steeds meer mensen zitten. Ze lijken elkaar niet te kennen, maar lijken wel een kledingkast te delen. Een kast vol grote jassen, hoogwaterbroeken, mannenschoenen, rugtassen, geen make-up.

De tafel wordt aangevoerd door een vrouw van een jaar of dertig in een tuinbroek. Haar haren zijn in een scherpe bob geknipt en ze heeft een meisjesachtig gezicht met grote ogen.

Wanneer de tafel bijna bezet is, loopt ze een rondje langs de andere tafeltjes, vertelt ze vol enthousiasme over wat ze gaan doen. Ik kan het allemaal net niet verstaan, doe dan maar alsof ik het blad aan het lezen ben, zodat ze me kan storen en ik verbaasd op kan kijken.

Sneller dan ik verwachtte, staat ze naast me. ‘Hoi, ik ben Anisae, en bezig met een project. We schrijven goede voornemens voor het volgende jaar. Maar in plaats van alleen, doen we dat met een groepje mensen, zodat we elkaar ook kunnen inspireren.’

Ik probeer adequaat te reageren, maar zoals dat wel vaker gaat met dingen die ik voor het eerst meemaak, lukt het slecht. ‘Doe je mee?’ zegt ze met wat ongeduld in haar stem. Ik knik en loop achter haar aan naar de grote tafel.

‘Hoi,’ zeg ik tegen de andere mensen. Sommige knikken, de meesten zijn bezig met hun telefoon. We krijgen allemaal een velletje papier en een potlood. ‘Zo,’ zegt de leider, ‘schrijf nu je eerste ingevingen op, dan geef ik daarna wat tips om de boel aan te scherpen.’

Iedereen buigt zich vol ijver over het papier. Ik maak een lijstje met doelen zoals ik ze altijd stel. Meer bewegen, beter koken, meer sparen, foto-albums maken van de foto’s op mijn computer. De leider loopt rond de tafel en leest zo nu en dan mee, maar zegt niks.

Dan klapt ze in haar handen en zegt ze: ‘Heel goed allemaal, dan is het nu tijd om je principekwestie te kiezen. Dus iets waar jij voor wilt staan. En maak het concreet, ik kom weleens mensen tegen die beter voor de planeet willen zorgen, maar dat is natuurlijk niet onderscheidend. We wonen allemaal op deze planeet, en er beter voor willen zorgen klinkt gewoon heel abstract. Bedenk waar jij voor op de poster zou willen staan. Welk soort protest jouw unieke imago kan versterken.’

We gaan weer aan de slag.

Ik bekijk mijn goede voornemens nog eens en nog eens. Er komen geen gedachten in mijn hoofd. De leider vangt mijn blik en komt naar me toe. Ze pakt een stoel en gaat naast me zitten.

‘Ik zie dat je het moeilijk hebt,’ zegt ze droogjes. ‘Ik weet niet zo goed,’ begin ik. ‘Wat vind jij belangrijk? Wie wil jij zijn? Wie ben je nu?’ onderbreekt ze me.

Ik begin te stamelen. ‘Ik? Nou, gewoon iemand die aardig is voor de mensen. Niet lullig, maar altijd aardig. En voor de aarde zorgen, ja ook belangrijk… en de dieren…Gewoon, een vredig…’

De leider doet alsof ze moet gapen. ‘Saai, saai, saai! Aan jou hebben we niks. Je zei iets met dieren? Nou, laat dat dan zien! Campagne, opiniestukken, tweets en insta! Meningen, meningen, meningen. Dáár is de wereld op gebouwd en op niks anders! Begrijp je wat ik zeg?’

‘Maar het gaat toch niet over mij persoonlijk…’ ‘Tuurlijk wel! Als jij dat vindt, dan is die mening helemaal van jou, dan stroomt die door je aderen, dan ben jij het boegbeeld, de inspiratie…’

Dan gaat haar telefoon en neemt ze op.

Stilletjes trek ik mijn jas aan en wandel ik naar buiten.

Mayonaise

29-10-2017

Ze leefde een leven zoals de bedoeling was.

Ze leefde een leven zoals de bedoeling was.

/ / /

29-10-2017

Didi was een gewone vrouw met een gewoon leven. Ze had een goede kantoorbaan, een prettige woning en een lieve vriend. Ze woonde in een net huisje niet ver van het centrum van een grote stad.

Op donderdagavond ging ze naar de sportschool, op maandag rende ze een rondje door het park. Op woensdagavond in de oneven weken sprak ze af met een clubje vriendinnen van haar studie. Dat werd nooit laat, want ook haar vriendinnen moesten de volgende dag weer op tijd op. Bovendien wilden ze allemaal acht uur slaap halen. Dan functioneerde je het beste, zo vonden ze.

Er waren meer dingen waar ze het over eens waren. Hoe een leuk ingericht huis eruit zag, bijvoorbeeld. Welke restaurants het bezoeken waard waren, welke boeken het lezen. Wat een leuke grap was, wat lekker gek was en wat ongepast. Soms vroegen mensen of Didi en haar vriendinnen zussen waren, of nichtjes ten minste. Die vraag amuseerde hen. Tegelijkertijd dachten ze allemaal hetzelfde: dat zijzelf dan wel de knapste zou zijn van het stel.

Didi droeg graag kleding van merken uit het middensegment, want dat bleef langer mooi. Ze dronk kruidenthee met een wijze spreuk op het theezakje en in het weekend een glaasje witte wijn. Soms las ze een boek, elke avond keek ze tv.

Soms waren er tegenslagen, soms meevallers. Soms kibbelde ze met haar vriend, meestal was het gezellig. Ze was attent naar vrienden en familie. Elke zes maanden ging ze naar de tandarts, elke zes weken naar de kapper. Afval werd gescheiden en ze stond op voor oude mensen in de bus. Didi leefde kortom, een leven zoals de bedoeling was.

Toch was er recentelijk een bepaalde onrust in haar leven gekomen, en wel in de gedaante van een man die ze nog nooit in het echt had ontmoet. De man was acteur, maar eigenlijk was hij vooral bekend als de mayoman uit een serie reclames voor mayonaise. Ze had de reclames tientallen keren gezien zonder in de war te raken, zelfs zonder de mayo te willen kopen.

Het was begonnen met een interview in een damesblad waarvan ze de inhoud niet meer zou kunnen herhalen en ook de foto’s was ze al praktisch vergeten. Toch was er iets gebeurd, want vanaf dat moment was hij overal waar zij was. Wanneer ze haar boodschappen op de band legde in de supermarkt, keek ze om zich heen om te zien of hij er toevallig ook was. Wanneer ze zich aankleedde, probeerde ze zich voor te stellen wat het mooiste zou passen terwijl ze naast hem zou staan. Wanneer ze in een van haar kookboeken bladerde stelde ze zich voor wat hij lekker zou vinden.

Want dat van die mayoreclame, dat was alleen voor het geld natuurlijk. Het was een man met klasse, een eindeloos diepe ziel, een poëtische geest, een man die geen banale dingen zou zeggen.

In haar hoofd zaten ze lange avonden aan het haardvuur in zijn huis, terwijl ze gesprekken voerden waaruit bleek dat ze zielsverwanten waren. In haar hoofd dronk ze rode wijn in plaats van witte, in haar hoofd was ze een vrouw die hoofden deed omdraaien op straat, een bijzondere verschijning.

De parallelle wereld breidde zich elke dag een beetje verder uit. In haar hoofd waren ze al naar Parijs verhuisd, teruggekomen, hadden ze een zoon gekregen en kwam er nu een geweldige kans in New York op hun pad.

Haar drukke innerlijk bestaan maakte dat ze zowel vrolijker als somberder werd.

Wanneer ze foto’s zag van zichzelf met haar vriend, op een huwelijk ergens op een middelmatige locatie, met eten dat te zout was, dan kon ze haar computer wel uit het raam gooien. Het kon niet zijn dat dit het was, dit leventje, dit gedoetje. Op andere momenten werd ze juist vrolijk wakker na een nacht vol dromen over de mayoman, en bekeek ze kleding voor haar toekomstige leven. Stiekem bereidde ze zich steeds meer voor op het bestaan met de mayoman, ook al wist ze dat het belachelijk was.

Ze durfde aan niemand te vertellen wat er gaande was in haar hoofd. Vriendinnen hadden gezegd dat haar ogen sprankelden, haar haren glanzender leken. Haar vriend had gezegd dat ze emotioneler was dan anders, maar was ook blij met haar verhoogde libido, niet wetend dat zij de mayoman zag wanneer ze haar ogen sloot.

Het was op een regenachtige avond in november dat ze de mayoman in levende lijve zag. Het toeval was een handje geholpen, Didi had uitgebreid onderzocht waar hij woonde, waar hij boodschappen zou doen. Het was flink om, maar niemand hoefde ervan te weten.

Ze baalde van haar outfit die dag, maar het gure weer had haar gedwongen tot het aantrekken van een groot vest en stevige laarzen. De mayoman zelf zag er ook niet al te florissant uit, in een groene parka en met beslagen brillenglazen (een bril die ze nog niet eerder had gezien maar uiteraard meteen charmant vond).

Subtiel achtervolgde ze hem van schap naar schap en uiteindelijk zorgde ze ervoor dat ze precies achter hem in de rij kwam te staan.

Halsreikend keek naar de boodschappen die hij op de band legde. Het begon anders dan ze dacht, met een halfje casino wit. Daarna volgden een fles aanmaaklimonade, de goedkoopste leverworst die er maar bestond, een pak pasta, een potje kant-en-klare carbonarasaus, twee pakken chocoprinskoeken, een zak wokkels en een fles felgroene Fernandes.

Misschien had hij een kind te logeren, probeerde ze zichzelf gerust te stellen. Een neefje ofzoiets. Maar er was geen kind te bekennen. Met lede ogen keek ze hoe de mayoman alles in een versleten Aldi-tasje stopte.

Daarna zag ze haar toekomst langs de scanner gaan. Goede wijn, ambachtelijk brood, verse kaas, zalm gerookt op eikenhout.

Ze dacht aan haar goedzakkige vriend die nu op de bank zou zitten. Ze dacht nog eens aan de mayoman, aan haar gedroomde toekomst.

En toen barstte ze in tranen uit.

Koffie

09-09-2017

Soms moet je nu eenmaal koffie drinken.

Soms moet je nu eenmaal koffie drinken.

/ /

09-09-2017

‘Het is tijd dat je volwassen wordt’, zei de zus vermoeid tegen haar broer, met een verveling in haar stem die verried dat ook zij moe geworden was het eeuwig herhalende gesprek. Ze sprak zonder op te kijken vanuit het vrouwenblad dat ze aan het lezen was. Een blad vol aanwijzingen hoe te leven, maar verstoken van waardevolle adviezen. Toen reikte ze naar de theekop die op het houten kistje naast de grijze hoekbank stond, waarmee haar interieur precies overeenkwam met de adviezen uit het blad.

De broer zat in de vensterbank en opende het raam nog wat verder om een sigaret op te steken. Voordat hij zou antwoorden, inhaleerde hij diep. Een gewoonte die hij zich jaren geleden eigen had gemaakt, toen elke conversatie met zijn zus uitliep op slaande ruzie.

‘Denk je niet dat het genoeg is, dat ik gewoon mijn eigen leven leef zoals ik wil? Ik doe er niemand kwaad mee ofzo.’ Hij keek naar zijn afgetrapte allstars, naar de versleten broek die eigenlijk te groot was, naar zijn eeltige handen en wachtte op het onvermijdelijke.

Met een zucht sloot ze het magazine en legde het naast zich neer op de bank. ‘Dat is toch wel heel minimaal, wat je daar zegt. Dat het maar goed is, zolang je er niemand kwaad mee doet? Hoe kom je daar eigenlijk bij?’ Hoofdschuddend liep ze naar de brandschone keuken terwijl ze vervolgde: ‘Hoe kun je nou zo leven? Je lijkt wel een student van veertig… je, jij hebt toch ook dromen? Wil je geen huis kopen, een auto, gewoon, de dingen voorelkaar hebben? En dan echt voor elkaar? Begrijp me niet verkeerd, het is heel knap hoor, die zandsculpturen enzo,..’ Nijdig gaf ze een asbak aan die ze uit een keukenkastje had opgevist.

‘Maar dat is toch geen baan.’

Het woord baan rekte ze dusdanig uit dat het begon te klinken als een soort hele lange gaap, of voorzichtige aanzet tot braken. ‘Waarom maakt het jou zoveel uit?’ vroeg de broer terwijl hij zijn sigaret uitdrukte in de asbak.

‘Waarom maakt het mij uit?’ herhaalde de zus, ‘Waarom maakt het jou niet uit? Heb je daar weleens over nagedacht?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik ben wel tevreden zoals het is,’ zei hij toen.

‘Dat is helemaal erg, wat je nu zegt,’ zei de zus die haar geduld steeds meer begon te verliezen. Ze kreeg rode konen, en haar lichtblauwe blouse leek met de seconde meer gekreukt te raken, iets waar ze een ontzettende hekel aan had. Haar grijze ogen vuur spuwden vuur. Toen zuchtte ze heel diep en zei ze: ‘Je bent gewoon heel erg verwend, dat is alles.’

‘Jij hebt dezelfde ouders als ik,’ sputterde de broer tegen. ‘Ja, maar ik ben de oudste en jij de jongste en dat maakt alles anders,’ zei ze op de autoritaire toon die oudste kinderen kunnen aanslaan, zelfs op hun vijftigste.

‘Ik begrijp niet waarom jij je nou zo druk maakt om mijn leven,’ zei de broer nu ook hard. ‘Je hebt toch zelf een leven, een baan, kinderen, gedoe, dingen te doen? Waarom schenk je me niet gewoon een kop koffie in zonder een preek? Daar zou ik pas gelukkig van worden. Jezus Mina.’

Het viel stil.

De broer pakte snel een nieuwe sigaret en rookte zwijgend. De zus was teruggelopen naar de keuken waar ze met een doekje het aanrecht afnam, voor de tachtigste keer die dag.

‘Sorry,’ zei de broer, want hij wist dat ze bij zo’n uitval niks zeggen zou, maar later huilend aan de lijn zou hangen met hun moeder. Die hem dan weer op zou bellen met een uitbrander. Weer zo’n voorbeeld dat volwassen worden en ouder worden niet per se met elkaar te maken hadden, dacht hij bij zichzelf.

‘Je wilde koffie?’ zei de zus met dunne stem. De broer schudde zijn hoofd van niet, maar zei ‘ja graag’ omdat je soms nu eenmaal koffie moet drinken om de vrede te bewaren.

‘Ik ga even mijn handen wassen,’ zei hij. De zus zette koffie terwijl ze in haar warme hoofd een kloppende pijn voelde opkomen. Ze wist niet waarom, maar iets in haar was zo dwingend, zo overtuigend, dat ze elke keer het gesprek hierheen moest sturen. Ze wist dat de sfeer er nooit beter van werd, ze wist dat het haar broer geen goed deed, dat het haarzelf geen goed deed.

Toch kon ze niet stoppen met het zien van wat hij allemaal had kunnen doen, kunnen kiezen, voor elkaar had kunnen krijgen. Zijn chaos, zijn opgewekte nonchalance, zijn belachelijke bezigheid, baan kon ze het niet noemen, als zandbeeldhouder… Elk besluit dat hij nam, voelde als een persoonlijke afwijzing. Elke keer dat hij op een donderdagmiddag nog in bed lag omdat hij te lang had doorgezakt, elke keer dat hij op haar bank kwam slapen omdat hij zijn huis verhuurde voor de hoognodige knaken…het maakte haar kwaad.

Kwaad, omdat zij wist dat er geen onttrekken aan de maatschappij is, dat het hard werken is, ploeteren, zwoegen, lijden soms. En als je geluk had, dan nog wat leuks, lieve vrienden, mooie avonden. Maar zoals hij leefde….hij speelde vals. Dat was het probleem.

De broer kwam terug uit de badkamer. Ze zette de koffie voor hem neer. ‘Dankje,’ zei hij. ‘Alsjeblieft,’ zei zij. En terwijl ze daar aan tafel zaten, scheen de zon het huis in, en voelde ze zich weer zoals op die dag, veertig jaar geleden toen ze met papa naar het ziekenhuis ging en haar broertje voor het eerst had gezien.

Spoor

21-08-2017

De volgende stap was de meest cruciale.

De volgende stap was de meest cruciale.

/ /

21-08-2017

Het was begonnen als een ongeluk, maar nu kon hij zich niet meer herinneren hoe het leven was voordat het gebeurde. In het begin verbaasde het hem dat hij zomaar zijn gang kon gaan, dat niemand hem leek op te merken. Niemand, behalve kinderen, die hem nawezen terwijl ze aan hun andere arm werden meegesleept door hun gestresste ouders of doodvermoeide au pair.

Nu rekende hij juist op de mensen die hem negeerden, om zo de kleine groep volwassenen met nog een sprankje kind in zich, te verwonderen, zachtjes te herinneren aan het gevoel van spelen. Hij wilde hen laten voelen wat hij die dag voor het eerst weer meemaakte. Dat iets eenvoudigs, een kleine scene, opgebouwd uit de meest alledaagse objecten, dat zoiets een herinnering kon zijn. Een herinnering dat niks vanzelfsprekend is, dat gewenning geen einde hoeft te zijn van verwondering. Dat de mogelijkheden er zijn, de structuren, figuren, kleuren, geuren…dat de mens maar zo weinig van zijn capaciteiten benut.

Zo probeerde hij zijn nieuw gevonden missie, want dat was het, aan zijn vriendin uit te leggen. Ze hield veel van hem, maar niet van hem alleen. Ze hield van zijn status, van zijn mooie baan, van zijn sociaal wenselijk gedrag, van zijn kennis, manieren, van welke rol hij had.

De nieuwe missie geneerde haar. Ze was bang dat bekenden hem zouden treffen in de stad, het lange spoor achter zich aan makend. Ze was bang dat er publiciteit zou komen. Dat zij de vrouw van de gekke melkman zou worden.

Dat was hoe hij genoemd werd, ‘de gekke melkman.’ Die naam ontstond al in de eerste week toen hij voor het eerst door de stad was gefietst met de melk. Daarna experimenteerde hij nog met frisdrank, sap en water, maar niets gaf het effect als de hagelwitte halfvolle melk, bovendien trok zoetigheid nogal veel insecten aan.

Het ritueel was eenvoudig. Na zijn gerespecteerde baan met kantoortijden vertrok de man naar de supermarkt, waar hij zoveel melk kocht als hij maar in zijn twee boodschappentassen passen kon.

Eenmaal buiten hing hij de tassen aan weerszijden van zijn stuur en dan pakte hij de schroevendraaier uit de binnenzak van zijn colbert. Soms voelde hij overdag stiekem even aan de schroevendraaier, tijdens een zakelijk overleg, tijdens de lunchpauze, tijdens telefoongesprekken. Het was of hij elke dag bijna jarig was.

De volgende stap was de meest cruciale. Hij moest nu een gat steken in de bodem van de twee tassen, en wel zo dat ze niet zouden scheuren, maar slechts zouden lekken. Daarna was het tijd om in de melkpakken te prikken. En dan was het zaak om zo hard mogelijk te fietsen, een witte rivier achterlatend.

Mensen waarschuwden hem soms, oudere dames kwamen achter hem aan met zakdoekjes, hondeneigenaren schreeuwden hem na dat hun gulzige hond nu wel spoedig dood zou gaan door de melk.

Maar dat alles gleed van hem af, terwijl hij door de stad reed, van supermarkt naar supermarkt. Steeds opnieuw kocht hij nieuwe pakken om ze buiten weer lek te steken. Urenlang herhaalde hij het ritueel.

De witte rivier stroomde dagelijks door de stad, en hoewel milieu-activisten schande spraken van de verspilling, de grote meerderheid van de mensen er zwijgend omheen manoeuvreerde, was er ook nog een groep medestanders. Ze volgden zijn route, doneerden pakken melk, probeerden de stroming vrij te houden van lege blikjes of ander zwerfafval,  hielden zijn fiets vast wanneer nodig. Ze spraken niet met elkaar, en ook niet met de man die rustig het spoor naar de horizon bleef verlengen.

En als ze dan zwijgend naast elkaar stonden, de stille medestanders met hun glanzende ogen op de witte stroom gericht, dan wisten zij zeker dat ze op de juiste plek waren.

Weer

01-07-2017

De vakantie deed weinig goed.

De vakantie deed weinig goed.

/

01-07-2017

Ze leerde tijdens haar opleiding al dat ze het werk niet persoonlijk moest nemen, dat ze slechts een boodschapper was. En tijdens haar sollicitatiegesprek leerde ze dat het hielp dat ze smaragdgroene ogen had, gouden haren en kuiltjes in haar wangen. ‘Dat vinden de kijkers leuk,’ had haar baas gezegd.

‘Jij bent het toetje van het journaal, dus jij moet goed maken wat ze die twintig minuten daarvoor allemaal aan ellende hebben gezien. En meer dan dat, want die kerel kijkt dan opzij naar zijn eigen mokkel op de bank, en dat is dan ook niet om vrolijk van te worden, dat snap je. En het is natuurlijk ook wel zaak dat het een beetje klopt wat je zegt.’

Het was haar eerste baan, haar eerste echte sollicitatiegesprek en hoewel ze de opmerkingen weinig gepast vond klinken, liet ze het gaan. Ze had huur te betalen, een horecabaantje waar ze slecht in was, waardoor ze dagelijks mot kreeg met de gasten van het restaurant, wat overigens geen effect had op de omzet omdat ze enkel toeristen ontvingen.

De eerste maanden waren voorbij gevlogen, ze leerde snel en veel. De kijkers waren dol op haar. Maar naarmate ze zich comfortabeler voelde voor de camera, werd haar baan lastiger. Ze verdiepte zich meer en meer in de achtergronden van het weer en maakte zich steeds meer zorgen. Zorgen over de verandering van het klimaat, zorgen over de grote hitte, over de intense regens. En dan al die grijze weken die zo op haar gemoed sloegen dat ze dagenlang nauwelijks sprak, op het weerbericht na.

De lange blonde haren begonnen uit te vallen, haar groene ogen waren voortaan roodomrand, de kuiltjes in haar wangen hielden zich schuil omdat lachen er niet meer in zat.

Haar baas zag het gebeuren en stuurde haar een week op vakantie naar een feesteiland. ‘Een beetje zee, zon en een goede beurt zal je goed doen. Je neemt het allemaal te serieus, en voor een tobberige weervrouw kan ik die oude dames wel weer op bellen, weetjewel, die op tv waren toen jij nog op school zat.’ Ze had geknikt en dacht aan de tankachtige dames die vroeger het weerbericht presenteerden. Ze kwamen het beeld ingeklost op leren laarzen, in grote overslagjurken en haren die zo uitgebreid geföhnt waren, dat ze eruit zagen alsof ze in een bizarre storm hadden vastgezeten.

De vakantie deed weinig goed. Ze maakt zich zorgen over de sterke UV-straling, over de vervuiling van de stranden, over de hoeveelheid water die haar resort nodig had om de tropische bloemen in leven te houden. Ze maakte zich zorgen over het IQ van haar medereizigers terwijl ze keek hoe ze vodka dronken uit elkaars navel. Ze sprak enkel tegen de mottige straatkatten die over het hele eiland zwierven. Op de laatste dag kreeg ze vreselijke diarree van een salade die als een kleurrijke depressie op haar bord had gelegen.

Bij terugkeer moest ze meteen een week dubbele diensten draaien, de weerman van de ontbijtshow was op vakantie gegaan.

Bedremmeld stond ze voor de kaart van Europa. Het zag er niet goed uit. Lage drukgebieden, veel wolken. De dagen zouden grauw worden, met veel wind en neerslag.

Ze dacht aan al die mensen die op vakantie in eigen land gingen. Ze dacht aan de caravans met voortenten, de vouwwagens, de bungalowtenten… al die plekken die naar nat gras zouden gaan ruiken met overal moddersporen op de grond. Ze dacht aan de klamme kou die in hun botten zou gaan zitten, aan de gelatenheid waarmee men naar de stromende regen zou kijken terwijl een steelpannetje water op een los pitje verwarmd werd om daar even later ontzettend smerige koffie van te brouwen.

‘Actie!’ Hoorde ze de regie roepen en somber keek ze in de camera.

Emotieloos legde ze uit wat er te zien was op de kaart, aan luchtstromen, hittegolven, overstromingen. Daarna kwam ze bij het laatste zinnetje van het bulletin, een zinnetje waarin ze vrijheid had om iets te zeggen tegen de kijkers.

‘Iets persoonlijks, een eigen groet, of wens de mensen in elk geval een hele fijne avond, maar zeg iets wat je kijkers het gevoel geeft dat je er echt voor ze bent,’ had haar baas gezegd.

Ze keek recht de lens in. ‘Lieve kijkers, het spijt me zo. Maar het wordt echt vreselijk slecht weer. En het wordt niet beter, ook al lijkt het zo. We hebben het allemaal kapot gemaakt, het enige advies dat ik u kan geven…’’

‘En cut!’ schreeuwde de regisseur. Een reclameblok werd ingestart. Een glas water werd naar de weervrouw gebracht.

Spoedig zou ze een eigen kamer krijgen in een instelling waar anderen haar verzorgden. Tussen de liefdeloze maaltijden door keek ze naar buiten, naar de lucht en huilde ze.

Film

19-05-2017

Dat lees je inderdaad veel.

Dat lees je inderdaad veel.

/

19-05-2017

Het is druk in de bioscoop die zichzelf filmhuis noemt, enkel gebaseerd op het feit dat er wekelijks één Europese film wordt vertoond. Ik ben te vroeg, en wacht met een koffie in het cafégedeelte waar ik een tafeltje in de hoek heb weten te bemachtigen. Ik lees in de krant van die dag dat het niet goed gaat.

Een dame van een jaar of zestig met korte grijze haren komt mijn richting ingelopen met een cappuccino in haar hand. ‘Mag ik erbij?’ vraagt ze terwijl ze haar kopje al op tafel zet en haar tas op de stoel zet. ‘Natuurlijk,’ zeg ik, om maar te doen alsof ze op mijn antwoord heeft gewacht.

De vrouw trekt haar windjack uit en hangt hem over de rugleuning van haar stoel. Met een zucht ploft ze neer. Ik probeer niet naar haar te kijken en verder te lezen in de krant, maar haar aanwezigheid is overheersend. Met een harde slurp neemt ze een slok van haar cappuccino.

We maken oogcontact en ik glimlach kort om zo te laten zien dat ik een vriendelijk mens ben, dat ik haar bestaan erken, maar dat ik ook een krant aan het lezen ben en niet om een gesprek verlegen zit.

Ze neemt nog een slok met nog een luide slurp. Ik lees dezelfde kop voor de derde keer.

‘Gadverdamme,’ zegt ze, ‘ze hebben hier altijd zulke slechte koffie.’ ‘Oh,’ zeg ik, ‘misschien is er iets misgegaan? Ik heb geen klagen over mijn koffie.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Ze gebruiken goedkopere bonen tegenwoordig. En ze kloppen het schuim niet meer handmatig. Dat proef je.’ Ik bekijk de krantenkop voor de vierde keer, maar ze gaat verder.

‘En er zijn hier ook altijd te weinig rekken om je fiets te stallen. Altijd ben ik weer zo aan het klooien om een plekje te vinden. Ik heb het ook al aangegeven, maar veranderen, ho maar. ’ Ik knik en vouw de krant dicht. Misschien is ze schreeuwend eenzaam en dan zijn deze zeven minuten een kleine moeite voor mij en heel fijn voor haar. ‘Maar u blijft hier komen,’ zeg ik om het gesprek in een positievere richting te duwen.

‘Ja, ik kom hier al drieëntwintig jaar. Altijd na mijn werk op de dinsdag.’ ‘Fijn, zo’n ritueel’, zeg ik. ‘Was ook wel echt noodzakelijk hoor. Met al die fratsen die ze uithalen. Je wilt niet weten wat die managers allemaal kapotmaken. Vanaf halverwege de jaren negentig… ze maken iedereen horendol. Ik werk er nog, maar vraag me niet hoe.’ Ik vraag haar niet hoe. Ik vraag haar ook niet waar ze werkt. Ik vraag me alleen af waarom iemand sinds de jaren negentig miserabel op zijn werk zou willen zijn. Maar ik glimlach alleen maar. Ze sjort wat aan het gebloemde bloesje dat ze aanheeft. ‘Ook weer zoiets,’ zegt ze. ‘Maken ze de mouwinzet te nauw. Kun je nooit fatsoenlijk je arm strekken.’

Ze bekijkt me nauwkeurig. ‘Ben je alleen?’ ‘Ja,’ zeg ik, ‘dat vind ik wel fijn, om zo nu en dan even naar de film te gaan, zomaar tussendoor…’ ‘Toen ik zo oud was als jij had ik echt geen geld om zomaar een film te kijken, laat staan een koffie ergens te gaan drinken. Toen was ik alleen maar keihard aan het werk. Zorgen voor mijn gezin, werken…zorgen voor mijn ouders….tropenjaren. Nooit een moment voor mezelf. Laat staan om gewoon maar ergens te gaan zitten niksen.’

Ik speel wat met mijn theelepeltje en wacht op de analyse over mijn generatie die vast spoedig volgen zal.

‘Je leest er ook veel over in de krant,’ zegt ze. ‘Dat jullie generatie er maar op los leeft.’

‘Ja,’ zeg ik langzaam, ‘dat lees je inderdaad veel.’

De bel klinkt, de deuren van de zaal gaan open.

‘Ik moet gaan,’ zegt ze, ‘sinds ze hier ongeplaceerde kaarten verkopen is het altijd een drama om de juiste plek te krijgen.’

Ze staat op en beweegt zich met ferme passen naar de film die ik ook ga zien.

Bij de kaartcontrole zucht ze diep omdat ze niet zomaar door mag lopen, maar eerst haar kaartje moet laten zien. ‘Ik heb het kaartje verdomme net bij jou gekocht,’ zegt ze tegen het meisje met de warrige knot op haar hoofd.

Daarna ben ik aan de beurt. Ik doe extra aardig, alsof ik het gedrag van de vrouw goed wil maken.

Maar het meisje van de kaartjes lijkt onaangedaan en wil mij juist gerust stellen. Ze zegt: ‘Ach, die dame komt hier al jaren. Altijd onvriendelijk. Maar weet je wat ik denk? Ze is gewoon verslaafd aan ongelukkig zijn. Het zou me niet verbazen als ze standaard te kleine schoenen kocht, om maar wat te lijden te hebben.’

‘Wow,’ zeg ik.

Het meisje haalt haar schouders op. ‘Ach, je mag helemaal zelf kiezen hè, kennelijk werkt dit het beste voor haar. Maar goed, fijne voorstelling nog.’

En dat was precies wat ik kreeg.

Koningsdag

28-04-2017

Minutenlang houden ze de stilte vast.

Minutenlang houden ze de stilte vast.

/ /

28-04-2017

Het is een nationale feestdag en ik ben op stap met mijn meest ernstige vriend. Het is iemand die achter elk nieuwsbericht de feiten kent, achter elk voordeel het nadeel, enkel schaduw ziet wanneer de zon aan het schijnen is. Vandaag liet hij zich overhalen met me mee te gaan, terwijl ik niet eens echt probeerde hem uit het huis te krijgen.

Maar nu we samen zijn, stemt zijn gezelschap me vrolijker dan ik had verwacht. Samen lopen we richting het stadspark waar kinderen op kleedjes geld bijeen sprokkelen, terwijl hun ouders op de achtergrond met elkaar flirten, rosé drinken en halfslachtig proberen te voorkomen dat hun kinderen met meer troep naar huis komen.

We lopen een tijdje in stilte, dan schraapt mijn vriend zijn keel en zegt hij: ‘Mensen zien zichzelf graag als rationele denkers. Want als je rationeel kunt denken, ben je geen dier. En als je geen dier bent, ben je waarschijnlijk zelfs beter, meer, dan een dier. Maar rationeel gezien zijn de overtuigende argumenten voor de monarchie zo schaars dat we ons eenmaal per jaar als een dier gedragen om er maar niet over na te hoeven denken.’ We kijken naar een volwassen man in een oranje leeuwenpak die tegen een boom aanplast terwijl hij bier uit een blikje drinkt.

We gaan het park in. We passeren middelmatig getalenteerde kinderen met allerhande instrumenten, kleine meisjes met zelfgemaakte limonade, een jongetje dat dvd’s verkoopt en een tweeling die met schorre stemmen hun afgedankte playmobil aanprijst. 

Alles gaat volgens de bedoeling.

Dan zien we een groep mensen rond een kleedje drommen. Een blonde vrouw van een jaar of veertig veegt met mouw haar wangen schoon, een man naast haar aait over haar rug. Een andere vrouw filmt met haar telefoon. Achter haar een man die met zijn armen overelkaar geslagen staat en een gezicht waarop zoiets staat als: ‘mij maak je niks wijs’.

Mijn ernstige vriend en ik kijken wat de aandacht van de mensen heeft getrokken. Op een kleedje zien we een jongetje van een jaar of negen op een krukje zitten. Een kind met een bloempotkapsel, donkerblond haar. Een kind met een capuchontrui en een spijkerbroek. Gewoon een kind. Naast hem staat een krijtbord waarop hij in kinderlijk handschrift heeft geschreven: ‘Ik voorspel uw toekomst voor €1,50.’

De vrouw met de natte wangen komt naar ons toegelopen en zegt: ‘Hij kan het echt, het is een wonderkind.’ ‘Hoe weet u nou of hij het echt kan?’ zegt mijn ernstige vriend. ‘Het kind voorspelt toch de toekomst? Die is toch nog niet hier?’ De vrouw negeert hem en pakt mijn handen vast. ‘Echt, je moet het eens proberen, het is ongelofelijk.’

‘Nou, ik weet niet…’ zeg ik. Maar dan staat het kind op van zijn krukje en loopt hij naar me toe. ‘Mevrouw,’ zeg hij zachtjes, ‘ik wil graag de toekomst van uw gezelschap voorspellen.’ ‘Van hem?’ zeg ik, terwijl ik naar mijn ernstige vriend kijk, die allang verdiept is in een of ander nieuwsverhaal op zijn telefoon.

‘Ik denk niet dat hij er echt zin in heeft…’ probeer ik voorzichtig, maar het jongetje staat al voor zijn neus. ‘Meneer, ik ga uw toekomst voorspellen. Kom maar mee.’ De combinatie van deze overrompelingstactiek en de vele blikken van omstanders maken dat weigeren onmogelijk is geworden. ‘Prima,’ zegt mijn ernstige vriend en intussen zoek ik naar kleingeld om dit kind straks te betalen. Mijn ernstige vriend houdt namelijk niet van muntgeld, het rammelt teveel, zegt ‘ie. 

Ze zitten tegenover elkaar op de houten krukjes. Het jongetje kijkt strak naar voren, mijn vriend kijkt terug. Minutenlang houden ze de stilte vast. Ook de omstanders zeggen niks. In de verte klinkt het gedreun van een optreden, maar hier, rond dit kind is de wereld stil.

Dan staat het kind op en fluistert hij iets in het oor van mijn ernstige vriend. Met ingehouden adem kijk ik naar zijn gezicht, op zoek naar een reactie, een lachje misschien. Maar er gebeurt niks.

Langzaam staat mijn ernstige vriend op. Hij schudt plechtig de hand van het kind en geeft hem een tientje. Dan komt hij naar me toegelopen, hij ziet er verslagen uit.

‘Wat zei hij?’ vraag ik onmiddellijk. Mijn ernstige vriend zwijgt nog twintig passen en zegt dan: ‘Dat kind weet dingen.’ ‘Maar wat voor dingen?’ vraag ik, ‘Was het angstaanjagend? Of grappig? Wist ‘ie de naam van je moeder?’ ‘Klopte het denk je?’ ‘Of is het een soort truukje?’ Door mijn nieuwsgierigheid zijn we sneller gaan lopen, maar dan staat mijn vriend ineens stil. ‘Ik snap je nieuwsgierigheid, maar ik kan je niet meer vertellen dan dit,’ zegt hij.

‘Waarom niet?’

‘Het heeft te maken met hoe je met de tijd omgaat.’

‘Hoe ik met de tijd omga?’

‘Niet jij specifiek, maar hoe men er in het algemeen mee omgaat.’

‘Hoe is dat dan?’

‘Lineair. Met beginnen en eindes. Maar hij herinnerde me eraan dat dat niet klopt.’

‘Hoe deed hij dat dan?’

‘Door me te herinneren aan dingen waarvan ik vergeten was dat ik ze al wist.’

‘Wat voor dingen?’

‘Dat kan ik niet zeggen, niet tegen jou. Maar je komt er nog wel achter.’

‘Okee,’ zeg ik, beteuterd en moe van al het vragen.

 

Dan gaan we naar mijn huis en eten we in stilte oranje tompoucen terwijl de buitenwereld steeds luidruchtiger wordt.

Pont

10-02-2017

Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende.

Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende.

/ /

10-02-2017

Hij had haar al vanuit de verte gezien bij het pontje naar de overkant. Een vrouw met korte bruine haren en felgroene ogen. Het leek of ze had gehuild. Hij keek nog wat beter haar kant uit, maar ze wendde haar gezicht af, in de richting van de gure wind.

De dag was grijs, de bestemming nauwelijks zichtbaar, de mensen ingepakt in sjaals en mutsen, alleen hun ogen blootgesteld aan de kou. Niemand zei iets. Zelfs de scooterrijders hadden de motor uitgezet. Het was of iedereen in stilte aan het wachten was, wachten op het einde van deze dag. Maar dat kon ook verbeelding zijn.

Hij had altijd al een sterke verbeeldingskracht gehad. Hij had altijd andermans gedachten ingevuld, zei zijn vrouw. Je communiceert niet, zei ze. Jij gaat er altijd maar vanuit dat je weet wat de ander denkt, wil, bedoelt. Maar dat kun je helemaal niet weten. Dat kun je niet weten omdat je het niet vraagt. En al zou je het vragen, dan zou je het niet geloven. Zo eigenwijs ben je. En daarna maakte ze van haar mond een streepje vol misprijzen.

Hij had zich nooit al te druk gemaakt om dat soort dingen. Hij dacht dat ze ongelijk had. Dat dacht hij nog steeds. Maar intussen bleef de ene helft van zijn bed al maanden onbeslapen, kon hij elke week een half brood weggooien omdat hij het niet op tijd op kreeg, wist hij de radioprogrammering praktisch uit het hoofd en begon het huis te verslonzen. Ze was op reis gegaan, een enkele reis had ze gekocht. Zuid-Amerika, India, hij wist het niet precies. Het was iets spiritueels, zoveel was zeker.

De pont kwam dichterbij. Zwijgend kwamen de mensen van de overkant eraf. Zwijgend namen de wachtende mensen hun plekken weer in. Het was druk binnen. De man keek om zich heen, op zoek naar de vrouw met de groene ogen. Door de schuifdeuren zag hij hij haar op het voordek buiten.

Hij besloot naast haar te gaan staan. Hij wilde weten of die ogen glommen van tranen of schitterden van iets anders. Hij wilde leren kijken met haar blik, ook al had hij tot vijf minuten geleden nooit van haar bestaan geweten. Hij moest naast haar staan omdat hij haar herkende. Herkende als een ontbrekend onderdeel in zijn leven. Een onderdeel waarvan hij dacht dat het niet meer gemaakt werd. Zoiets was het.

Maar om dat te zeggen tegen een volslagen onbekende op een veerpont, een mooie vrouw ook nog. Hij zou een oude viespeuk lijken. En hij zou geen weerwoord hebben.

Met zijn hoofd vol met deze gedachten liep hij het buitendek op. Het was begonnen met regenen. Niet met vette druppels, maar met water als uit een verstuiver. Piepkleine beetjes water, nauwelijks zichtbaar, maar een drijfnat gezicht als resultaat.

De man ging naast haar staan. Heel kort keek ze opzij, recht in zijn gezicht. Nog steeds kon hij niet uitmaken of ze had gehuild. Als het zo was, wilde hij haar troosten. Maar wie laat zich nou troosten door een vreemde?

‘Vandaag duurt langer dan gister en morgen zal nog langer duren,’ opende ze het gesprek met een zachte heldere stem.

‘Heb je gehuild?’ vroeg hij zo zacht dat ze hem niet horen kon. Ze keek recht vooruit over het water. ‘Ben je eenzaam?’ vroeg hij zo zacht dat ze hem niet horen kon. ‘Kan ik je helpen?’ vroeg hij net zo zacht. Maar dit keer hoorde ze hem wel. Ze keek hem aan met en glimlachte vermoeid.

‘Niemand kan mij helpen. Maar het geeft niet. Niemand kan iemand helpen.’

‘Wat heb je nodig?’ probeerde hij te negeren wat ze zojuist had gezegd.

‘Nodig? Rust. Dat is alles.’

‘Wat voor rust? Kan ik het geven? Wat bedoel je precies? Hoeveel dan? Moet je er even tussenuit?’ De vragen bleven maar komen en intussen kwam de overkant steeds dichterbij.

‘Niemand kan mij helpen,’ zei ze nog eens. Met haar mouw veegde ze een traan van haar wang.

De sirene klonk, de klep van de pont zakte langzaam naar beneden. Het voordek stroomde vol met de zwijgende stoet die binnen had gestaan. Aan de kade stonden nieuwe mensen in zwarte kleren te wachten.

De vrouw liep langzaam van hem weg, mee in de stoet.

Zijn ogen begonnen te tranen van de wind die nu flink opstak. Verloren stond hij aan de kade. Hij had geen idee meer waar hij naartoe op weg was. Geen idee meer wie hij was. Hij miste zijn vrouw als nooit tevoren. Niemand kon hem helpen.

Weg

08-11-2016

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was.

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was.

/

08-11-2016

Het begon op een grauwe donderdag. Hij was naar zijn werk gegaan, zoals al die donderdagen die hij de afgelopen vijfentwintig jaar op het kantoor van het bedrijf in bakstenen en vloeibaar beton had doorgebracht. Hij had zijn langzame computer aangezet, grapjes gemaakt aan het bureau van een collega. Hij had koffie gehaald, hij had gewerkt.

De uren waren voorbij gegaan zoals hij gewend was. Zoals de bedoeling was. De bedoeling voor werkende mensen in kantoorgebouwen. Tijd als een voorbijtrekkende mist. Het is aanwezig, maar je ziet het niet scherp. En ineens is het voorbij, weggetrokken. Einde dag, dagen, week, weekend, maand, jaar, jaren. Zoals hij leefde, zo was het de bedoeling.

Na zijn werk fietste hij naar huis. Daar wachtte zijn vrouw hem op, de geur van andijviestamppot kwam hem tegemoet toen hij in het nauwe halletje van hun woning zijn jas ophing en zijn schoenen verwisselde voor pantoffels. Hij kuste zijn vrouw vluchtig op haar wang en zij zei iets over mensen die ze kenden of over het weer en daarna vroeg ze hoe zijn dag was en hij sprak lege woorden, een stuk of acht, tien hooguit. Kortom, het was een dag als alle andere.

Toen ze aan tafel zaten, zei zijn vrouw ineens:

‘Lieverd, wat is er met je aan de hand?’

Hij keek haar niet-begrijpend aan.

‘Wat bedoel je?’

‘Je ziet er zo, zo anders uit.’

‘Hoe bedoel je anders?’ vroeg hij kribbig. Als het maar niet betekende dat ze weer op dieet gingen. Die maanden zonder jus, hij vond het niks aan.

‘Nou, als iemand, iemand, iemand die aan het verdwijnen is.’

‘Aan het verdwijnen is?’

‘Het lijkt wel of ik door je heen kan kijken,’ zei ze bezorgd.

‘Wat een lariekoek,’ zei de man en hij schepte zich nog eens op.

Die avond keken ze de talkshow die ze elke avond keken en een aflevering van een spannende detectiveserie. Zo nu en dan keek zijn vrouw hem onderzoekend aan, maar hij merkte het niet op.

Het was pas toen hij in de badkamer voor de spiegel stond, dat hij zag wat ze bedoelde. De man met de tandenborstel die hem aankeek, was als een geest. Hij zag er niet ongezond uit, maar anders. Hij zag eruit als iemand die de ruimte niet kon vullen. Hij zag eruit als iemand waar je doorheen zou kunnen reiken, zonder het te merken. Hij waste zijn gezicht en ging naar bed. De meeste problemen in zijn leven waren lichter in de ochtend, zoveel was zeker.

Zijn vrouw lag al te slapen toen hij aan zijn kant ging liggen. Hij tilde het deken op en kroop dicht tegen haar warme zachte lijf. Ze rook als vroeger, maar dan ouder. Toen hij het deken wilde herschikken, zag hij dat het plat op het matras lag, dat enkel het lichaam van zijn vrouw opbolde onder dekens. Waar hij lag, was het helemaal vlak gebleven. Alsof er niemand was.

De volgende dag werd hij zoals gewoonlijk vijf minuten voor de wekker wakker. Zijn vrouw zette thee terwijl hij twee beschuitjes met jam at. Het was wat hij elke dag at, maar vandaag kreeg hij het nauwelijks op.

‘Gaat het wel, liefste?’ vroeg ze.

‘Prima, dankje, zei hij, terwijl hij dacht aan het vreemde incident met de dekens.

‘Ik bel de huisarts voor je,’ zei ze toen, ‘je ziet er zo, zo anders uit…. ik vertrouw het niet.’

‘Ik ga maandag wel,’ zei de man.

‘Waarom niet vandaag?’

‘Vandaag heb ik geen tijd.’

En daarmee stond hij op, kuste hij haar vluchtig op de wang, vluchtiger dan normaal, en liep hij naar de kapstok. Hij trok zijn schoenen en jas aan en vertrok naar zijn werk.

Het was een gure dag en hij meende de wind door zijn ribbenkast te kunnen voelen waaien, een gedachte die hij meteen als onzin afdeed.

Hij werkte niet al te hard, zoals de bedoeling is op vrijdagen. Buiten begon het te sneeuwen. Een verandering van weer waar hij volstrekt neutraal tegenover stond. Hij keek gedachteloos naar de voorbijvliegende vlokken en intussen verstreek de tijd zoals de bedoeling was. Daarna ging hij met een collega naar het bruine café om wat te drinken. Ze maakten een grapje met de barman, dronken twee tripels en trokken toen hun jassen aan om naar huis te gaan.

‘Rust goed uit,’ zei de collega. ‘Je ziet er beroerd uit.’

De man had zijn schouders opgehaald en geantwoord met: ‘Nee, jij trekt volle zalen.’

Ze gaven elkaar een klap op de schouder, de enige manier die ze kenden om uiting te geven aan de waardering van meer dan twintig jaar vriendschap. De collega voelde de klap nauwelijks, maar weet het aan de kou.

De man liep naar zijn fiets, zijn voeten lieten geen sporen na in de sneeuw. Maar welke volwassen man kijkt nou naar zijn sporen in de sneeuw.

Hij dacht aan zijn vrouw die de frituur nu ongeveer aan zou zetten omdat het vrijdag was.

Elke stap die hij richting zijn fiets nam, werd zwaarder. De wind woei hard en zijn kleding wapperde om hem heen. Zijn schoenen voelden los, zoal vroeger toen hij als klein kind in de schoenen van zijn vader probeerde te lopen.

Halverwege de brug stopte hij even. Voor het eerst zag hij zijn stad met de betovering die hij enkel op het gezicht van toeristen had gezien. Zijn handschoenen vielen naast hem op de grond. Ze waren afgegleden. Zijn vrouw had gelijk gehad. Hij was aan het verdwijnen. Hij keek nog eens naar het verstilde beeld van zijn stad in de sneeuw en voelde dat de tijd hem had ingehaald.

Het was te laat voor alles.

mentor

18-10-2016

Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin.

Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin.

/

18-10-2016

‘Ik zal me even voorstellen,’ zegt de dame in het roze mantelpakje tegenover me. Ze heeft een leeftijdsloos gezicht en lange bruine haren die ze in een grote knot op haar hoofd draagt. Aan haar voeten goudkleurige pumps met een grote strik erop. Het lijkt of ik in een theaterstuk beland ben, een stuk zonder publiek en zonder script voor mij. De situatie doet me denken aan mijn leven.

Ik kijk naar de leegte om ons heen. We zitten in een loods aan de rand van de stad, op het dak horen we de regen tikken als ongekookte rijst op de bodem van een pan. Onze stemmen klinken hol in de ruimte die slechts gevuld is met vier stoelen, een tafel, een koffiezetapparaat op een krukje en een kamerplant waarvan de bladeren deels bruin verkleurd zijn.

Een week geleden ontving ik de uitnodiging per post. In sierlijke letters op zwaar papier werd me gevraagd naar deze afspraak te komen, nadere informatie zou volgen op de dag zelf, vandaag dus. Ik ben zenuwachtig voor wat komen gaat, ik was zelfs twintig minuten te vroeg. Minuten die ik dolend over het industrieterrein heb doorgebracht.

‘Mijn naam is onbelangrijk,’ zegt de vrouw, ‘mijn functie daarentegen is erg belangrijk.’ Ik knik, niet omdat ik het begrijp, maar om te laten zien dat ik haar woorden heb gehoord. Ze vervolgt: ‘Ik maak deel uit van een taskforce die mentoren naar de mensen sturen. Nu moet ik dat even nader definiëren, de mentoren zijn er niet voor alle mensen. Ze zijn er voor de behoeftigen. Op deze manier zijn we bij u terecht gekomen.’

‘De behoeftigen?’ vraag ik, ‘ik denk niet dat ik daarbij hoor, het gaat best goed met me, eigenlijk.’ De vrouw glimlacht. ‘Dat zeggen ze allemaal. Maar u moet niet onderschatten hoe ons selectieproces werkt. Wij doen aan observeren, noteren en concentreren voordat wij concluderen. Ons onderzoek is grondig en uitputtend. Wij zijn overal. Dus wanneer u een mentor wordt aangeboden, is het zeker dat u er een nodig heeft.’

‘Maar, maar waarom dan precies?’ ‘Om diverse redenen,’ zegt ze, terwijl ze een grote oranje dossiermap uit de lade van de tafel pakt. ‘Wat we hier zien: sociale onhandigheid, postverlies, administratiegroei boven de 25 centimeter, beschimmeling van voedsel in Tupperware bakjes, eeuwig verschuivende to do-lijstjes, terugkerende voornemens voor het slapen gaan, nieuwe sportkleding die nooit verslijt, escalerend borrelgedrag, fietslampproblematiek… en zo kan ik nog wel even doorgaan. Komt dit u bekend voor?’

Ik knik bedremmeld.

‘Goed, dan stel ik voor dat we van start gaan.’ Ze bekijkt me van top tot teen. ‘Bent u ervan op de hoogte dat er een gaatje in uw onderhemd zit, aan de linkerzijde bij de zoom?’

Ik bloos. ‘Ik dacht, ik dacht dat niemand dat kon zien, ik draag er toch een trui overheen, dacht ik vanmorgen…’

‘Het klopt, het is eigenlijk niet zichtbaar,’ zegt de vrouw. ‘Maar dat is niet van belang. Waar het hier om gaat, is uw geestelijke instelling. Het leven is te kort voor hemden met gaatjes erin. Ook als niemand het ziet.’

Ik knik weer. Langzaam wordt het me duidelijk hoe erg ik een mentor nodig heb, hoe ongeschikt ik eigenlijk ben om alles maar alleen te doen.

‘Ik verwacht dat dit traject tussen de twee en de negentien maanden zal duren met een tweewekelijkse bijeenkomst hier op dit kantoor.

‘Heel graag,’ zeg ik, ‘eerst was ik niet zeker of ik hierheen zou gaan, maar ik ben heel blij dat ik de stap genomen heb.’

De vrouw knikt en noteert iets in de oranje map.

Dan wordt er op de deur van de loods geklopt. Een drijfnat meisje staat in de deuropening.

‘Dag,’ zegt ze, ‘ik heb een afspraak om twee uur, maar ik was verdwaald.’

De vrouw in het mantelpak kijkt wat ongerust naar mij, naar het meisje en weer naar mij.

‘Mag ik jullie uitnodigingen even zien?’ vraagt ze.

We leggen de enveloppen op tafel neer en kijken hoe de vrouw het papier zorgvuldig inspecteert. Na minuten van ernstig zwijgen zegt ze: ‘Er is hier helaas sprake van een zeer ernstige administratieve fout.’ Dan wendt ze zich tot mij en zegt ze: ‘U bent niet geselecteerd voor het programma, de brief was niet voor u.’

‘Maar, maar, alles leek over mij te gaan,’ stamel ik, ‘en ik, ik kan het niet alleen, ik was juist zo blij dat…’

‘Helaas,’ zegt de vrouw. ‘U heeft ons niet nodig. De brief was niet voor u. Wees niet teleurgesteld, zo gaan die dingen nu eenmaal.’ Dan pakt ze mijn jas. ‘Doet u deze maar snel aan, het regent pijpenstelen.’

Ik knik.

Het drijfnatte meisje heeft haar jas zojuist uitgetrokken en gaat op mijn plek zitten.

Buiten hoor ik mijn fiets omvallen door de wind. Ik wil kijken hoelaat het is, maar mijn telefoon is leeg. Ik rits mijn jas dicht tot onder mijn kin. Kennelijk heb ik alles onder controle.

Koekje

09-09-2016

Ze zag allerlei gedachten en meningen.

Ze zag allerlei gedachten en meningen.

/ / /

09-09-2016

‘Zo,’ zei de grootvader toen ze eenmaal een plekje hadden gevonden in één van de drukke cafeetjes in de stad. De serveerster zette twee koppen koffie op het wankele tafeltje tussen hen in.

‘Zo,’ zei de kleindochter.

Ze dacht aan vroeger toen ze bij vriendinnetjes thuis kwam spelen en hun grootouders ontmoette. Van die grootouders die altijd lekkere dingen meenamen, rapportgeld en allerlei prullen. Precies zoals de hare. Die grootouders hadden witte haren en roken naar zeep. Precies zoals de hare. Ze hadden eigenlijk gekke lange namen, maar die werden afgekort tot namen als Annie en Theo. Precies zoals bij de hare.

Toch waren ze anders dan de hare. Want met hun aanwezigheid brachten ze ook iets anders mee. Iets anders, iets wat haar eigen grootouders niet konden kopen, niet konden meebrengen, iets onzichtbaars. Maar wat dat dan precies was, daar kon ze haar vinger niet opleggen. Vroeger niet, maar ook vandaag was het niet veel beter.

Ze namen een slok koffie.

‘Heb je al een vast contract?’ vroeg de grootvader.

Ze schudde haar hoofd.

‘Nee, maar dat is ook niet echt hoe het bedrijf werkt. Het is zeg maar, een plek waar ze alleen met freelancers werken.’

‘Dus voor korte tijd?’

‘Nou, sommigen werken er wel al zes jaar ofzo, maar contracten enzo, dat is gewoon niet meer van deze tijd. En veel van ons doen ook allemaal projecten tegelijk, dus dan is het wel handig dat het heel flexibel is. Dat je even een paar maanden weg kan zijn, bijvoorbeeld.’

De grootvader knikte. Achter zijn ogen die de laatste jaren steeds wateriger waren geworden, als een uitgelopen aquarel, zag ze allerlei gedachten en meningen, maar er werd niks meer gezegd.

‘Hoe gaat het met jou en oma?’ vroeg de kleindochter.

‘Zijn gangetje, je grootmoeder was gevallen op haar pols, maar het was niet gebroken. De tuinman heeft de rozen gesnoeid.’

‘En hoe gaat met jou?’ vroeg de kleindochter.

‘Goed hoor, niks te klagen.’ Hij keek om zich heen.

De kleindochter pakte het verpakte koekje van het schoteltje. Ze maakte de glimmende paarse wikkel open. Er zat een dubbel wafeltje in, met witte crème ertussen. Van die koekjes die altijd oud smaakten. Precies wat ze niet lekker vond. Ze at het op.

‘Woon je nog steeds met huisgenoten? Vroeg de grootvader.

‘Ja, met Evi en Zilver.’

‘Zilver? Ik wist niet dat jullie ook huisdieren hadden.’

‘Hebben we niet, hij heet echt zo.’

‘Wat ze wel niet bedenken tegenwoordig.’

‘Zijn zusje heet Salomé. Zilver en Salomé, mooi wel.’

De grootvader dronk zijn kopje in één teug leeg.

‘En, hoe staat het in de liefde?’

De kleindochter haalde haar schouders op.

‘Geen nieuws. Maar het is prima hoor, ik vermaak me wel.’

‘Hoe oud ben je nu eigenlijk?’

‘Tweeëndertig.’

‘Toen je grootmoeder en ik 32 waren, hadden we je vader al. En je oom. En je tante was onderweg.’

‘Wat een andere tijd,’ zei de kleindochter.

‘Ja,’ zei de grootvader. Hij leek ver weg te zijn met zijn gedachten.

‘Eet je je koekje niet op?’ vroeg de kleindochter.

‘Dat mag ik niet meer van je oma.’

Ze maakte het koekje open. Het was hetzelfde soort als daarnet. Ze stak het in één keer in haar mond. Daarna dronk ze haar laatste slokje koffie. Het was koud en bitter geworden.

‘Zo, zullen we maar eens?’ zei de grootvader toen.

‘Ja,’ zei de kleindochter.

Ze liep naar de kassa. ‘Ik betaal deze wel.’

De grootvader knikte.

Toen ze buiten stonden, gaven ze elkaar drie zoenen op de wangen.

‘Was gezellig, opa,’ zei de kleindochter.

De grootvader knikte afwezig.

Toen ze wegliep, bleef hij haar lang nakijken. Maar dat wist ze niet.

Verleden

17-08-2016

Het leven smaakte zoeter dan ooit.

Het leven smaakte zoeter dan ooit.

/ /

17-08-2016

Het begon met kleine dingen die niet meteen opvielen. Hij liep wat breder, sprak wat luider en wat langzamer ook. Steeds vaker verkondigde hij ongevraagd zijn mening, in cafés, in de krant, op het internet. Zijn stukken hadden allerlei maatschappelijke kwesties als onderwerp, maar gingen in essentie alleen maar over hemzelf. Het ging over wat hij dacht, wat hij ergens van vond. Het was niet tegen te houden, de drang naar een podium die in hem was ontstaan.

Elke keer wanneer hij een mening voelde opkomen, schreef hij er een stuk over. Hij was niet bang grootse woorden te gebruiken in zijn teksten, of op het kitscherige af, poëtisch te zijn. Soms werd hij zelfs een beetje opgewonden van zijn eigen teksten.

Hij had altijd al het gevoel dat hij een beetje specialer was dan de rest van de wereld en nu was het dan eindelijk ook bij die wereld doorgedrongen. Nog nooit verdiende hij zoveel geld, kreeg hij zoveel likes, berichten, sjans en commentaar. Het leven smaakte zoeter dan ooit.

Vandaag had hij een middag vrij, en had hij zonder nadenken wat dure kleding gekocht. Hopelijk hoefde dat binnenkort niet meer, als alles volgens plan zou lopen, werd hij binnenkort gekleed door een mooi merk. Gewoon, omdat hij het was. Omdat hij invloed had, omdat andere mensen hem wilden zijn, of in elk geval zijn stijl wilden hebben.

Na het winkelen liep hij naar de stomerij om zijn pak te halen. Steeds vaker moest hij chique gekleed verschijnen, er waren namelijk nogal wat luxe merken die evenementen organiseerden. Zo had hij deze maand een champagnefeestje, een lancering van een nieuw soort jenever voor hipsters, een borrel ter gelegenheid van een geïmporteerde kaviaarsoort en een bijeenkomst van de honderd meest mediagenieke mensen.

De borrels waren onderdeel van zijn leven geworden, de vrouwen die er rondliepen ook. Slank, gebruind, langbenig, met wapperende haren en fonkelwitte tanden. Ze droegen onmogelijke schoenen, diep uitgesneden jurken en roken naar geld. Soms vluchtten ze meteen een badkamer in, soms wisselden ze nummers uit en zagen ze elkaar in de duurste hotels van de stad. Ze hadden zelfs schuilnamen, dat was normaal in dit wereldje. Zijn vriendin wist in welke wereld hij verkeerde en deed alsof ze het niet zag.

Ook dat was normaal in dit wereldje.

Zijn telefoon verloor hij geen moment uit het oog, een constante stroom van foto’s, filmpjes, uitnodigingen en gesprekken, zorgde ervoor dat hij soms wel driemaal per dag moest opladen.

Zonder zijn ogen van het beeldscherm te halen, legde hij het bonnetje op de balie van de wasserette. Hij was druk met het typen van een snedig antwoord en merkte de priemende ogen van het meisje van de wasserette niet op. Zwijgend pakte ze het bonnetje en liep ze naar achter.

Toen ze terugkwam met het pak, zei ze hardop: ‘David, ben jij dat?’ Betrapt keek hij op, zijn telefoon deed hij snel in zijn zak. ‘Ja, klopt.’ Ze keek hem aan, hij keek terug, maar leek haar niet te zien. ‘Ken je me nog?’ vroeg ze toen. ‘Waarvan precies?’ In zijn hoofd ging hij de laatste maanden na. Misschien had ze hem gezien op de voorleesavond, dat ze publiek was. Of toen hij in een panel zat. Publiek denkt er niet over na dat zij jou herkennen, maar dat het andersom niet zo werkt.

‘Iris, van je studie, weetjenog?’ Hij schudde even met zijn hoofd, maar hij wist het nog wel. Het was alsof hij naar het leven van een ander keek, als hij terugdacht aan die tijd. Dat hij gestudeerd had, dat zou hij nooit achterhouden, maar de mensen, de plekken, het leven uit die tijd… daar wilde hij niet meer aan denken. Hij was iemand geweest die niet zo graag wilde bestaan. Met de ogen van nu vond hij het maar gênant, zoals hij toen was. Gelukkig hoefde hij nooit aan die tijd terug te denken, behalve vandaag dan.

‘Ik lees veel van je,’ zei ze, toen ze merkte dat hij niks meer ging zeggen.
‘Dat kan heel goed, de laatste maanden waren een gekkenhuis.’
‘Wat goed,’ zei ze.
‘Ja,’ zei hij. Hij voelde zich ongemakkelijk in deze omgeving, het was een plek om maar kort te zijn, anders zou de armoe die hier heerste nog aan hem blijven kleven.
Hij pakte zijn telefoon weer uit zijn zak.
‘Ik moet er weer vandoor.’
‘Leuk je weer gezien te hebben,’ zei zij.
‘Ja,’ zei hij.

Buiten voelde hij hoe zijn hart tekeer ging. Heel even voelde hij zich zoals toen, die tijd dat hij studeerde. Klein, onbelangrijk, ongeschikt misschien wel.

Misschien moest hij zijn dealer nog maar eens bellen.

Toen keek hij naar zijn weerspiegeling in de ruit van de wasserette. Knapper dan ooit, dacht hij bij zichzelf, knapper dan ooit. Hij voelde zich weer breder worden. Toen liep hij terug naar zijn eigen woonwijk, waar mensen van vroeger niet zouden opduiken.

Klinkers

20-07-2016

Het leek wel of ze het expres deden.

Het leek wel of ze het expres deden.

/ /

20-07-2016

Hoewel niemand haar had gevraagd dit te doen, wist ze zeker dat ze belangrijk werk deed. Werk waar de wereld een beetje beter van werd, werk waar kinderen en volwassenen slimmer door werden, volksverheffend werk.

Ze werd niet betaald voor haar activiteiten, maar dat was meer groten der aarde overkomen. Op een dag zou er erkenning komen, dat moest wel. Ze was er meer dan fulltime mee bezig. In haar hoofd zag ze voor zich hoe de koning haar een lintje op zou spelden. En hoe er een straat naar haar vernoemd zou worden. En hoe ze in brons gegoten op het plein in haar geboortedorp zou staan. Maar dat kwam allemaal nog. Voor nu moest ze vooral doorzetten.

Vandaag was het donderdag en dat betekende dat het een drukke dag zou worden. Op donderdag ging ze namelijk naar alle nieuwe winkels en cafés in de stad. En omdat ze in een grote stad woonde, was er altijd wel iets nieuws geopend. Maar de nieuwe plekken lagen natuurlijk niet allemaal bij elkaar in de buurt. Soms fietste ze wel veertig kilometer op een dag om overal te komen.

Er was nog een regel voor de donderdag: ze moest per se haar rode jurk aan. Dat was omdat je nooit een tweede kans krijgt om een eerste indruk te maken. Ook had ze gelezen dat mensen in rode kleding vaker gelijk krijgen. Nu was er natuurlijk geen enkele reden haar tegen te spreken, maar alle beetjes hielpen.

De eerste plek van de dag was het nieuwe café op loopafstand van haar huis. Vanuit de verte zag ze de krijtborden al op de stoep staan.

Bij krijtborden was het bijna altijd raak, het leek wel of ze het expres deden.

Capucino, sju, joghurt met musli, een crossant… geen fout was haar vreemd. Ze schreef alle fouten op een speciaal formuliertje dat ze altijd bij zich droeg. Deze fouten vielen in de eerste categorie, de woordenboekcategorie. Dan was er nog de categorie die ze taalvervuiling noemde: tomatensoep als soep van pomodori noemen, worteltaart als carrotcake en een bosbessenmuffin verkopen als blueberry muffin. ‘luister,’ zei ze dan tegen de verbouwereerde eigenaars, ‘dit zijn allemaal zaken waarvoor we gewoon woorden hebben in onze eigen taal, dus ik zie geen reden ineens van taal te wisselen.’ Vaak leverde dit wat discussie op en werden er geen veranderingen doorgevoerd, tot haar frustratie.

Maar dan was er nog de derde categorie: de categorie prietpraat. Zo kwam ze eens een menukaart tegen waarop limonade als een wandeling in een Thaise rozentuin werd omschreven, een broodje kaas als een authentieke energieboost en een tosti als een knapperige smaaksensatie. Wanneer ze de café-eigenaars op zulke uitdrukkingen aansprak, was de sfeer in korte tijd volledig om zeep. Feitelijk had ze zich op deze manier ongeliefd gemaakt bij een hoop mensen.

Het krijtbord van dit café bevatte geen fouten. Er stond alleen: ‘Wees welkom bij de HSKMR! Voor koffie, fris en meer!’ Eigenlijk hield ze niet van uitroeptekens, maar daarvoor had ze geen categorie op haar formulieren. Ze ging naar binnen en nam plaats aan een tafeltje bij het raam. Ze bestelde een zwarte koffie, godzijdank begreep de serveerster wat ze bedoelde. Soms zeiden serveersters namelijk: ‘U bedoelt zeker een americano?’

Daarna nam ze het formulier uit haar handtas en bestudeerde ze de menukaart. Bovenaan stond in blokletters: MNKRT. Daaronder stond DRNKN en aan de andere kant stond het eten ingedeeld onder kopjes met de naam: BRDJS, SLDS, LNCH, DNR, BRRL. De gerechten stonden netjes uitgeschreven op de kaart. Ze vond geen enkele fout. Maar de kopjes, die verdomde tussenkopjes deden haar halsslagader kloppen. Wat was er mis met klinkers?

De serveerster kwam terug met haar koffie. ‘Alstublieft,’ zei ze. ‘Mag ik wat vragen?’ vroeg de vrouw met het formulier voor zich. ‘Natuurlijk,’ zei de serveerster. ‘Hebben jullie iets tegen klinkers?’ ‘Pardon?’ Nou, op de menukaart, al die kopjes.’ Ze wees op de kaart. De serveerster keek aandachtig mee. ‘Goh, is me nooit opgevallen,’ zei ze. ‘Ik weet niet. Maar daar komt mijn baas, u kunt het hem vragen.’ ‘Graag,’ zei de vrouw.

Een grote man met een baard en een dikke buik kwam nu naar haar tafeltje. ‘Dag mevrouw, ik hoorde dat u een vraag heeft?’ ‘Jazeker,’ zei ze, ‘ik vroeg mij af…wat is het probleem met klinkers?’ De man fronste. Hij keek onrustig om zich heen, op zoek naar een reden weg te lopen van deze gast. Dit was niet wat hij zich had voorgesteld toen hij hier een eigen café opende. Hij had leuke gesprekken voor zich gezien, gezelligheid, stamgasten. En nu was het leeg, op een gek vrouwtje in een rode jurk na. ‘Ik begrijp uw vraag niet, ben ik bang.’ Driftig wees ze op de woorden van de menukaart. ‘LNCH? Wat is dat in godsnaam?’’

‘Lunch,’ zei de man. ‘Dat betekent lunch.’

‘Waarom staat er dan geen lunch?’

De man haalde zijn schouders op. ‘Zo is onze huisstijl nu eenmaal.’

De vrouw keek hem strak aan en zei toen: ‘Wat een belachelijk verhaal.’

‘Het spijt me, maar meer kan ik er niet van maken,’ zei de man.

‘Meer kunt u er niet van maken? Het is toch uw café?’

Hij knikte. ‘Ja, dat klopt.’

‘Nou, dan kunt u er toch ALLES van maken?’ De vrouw begon nu kwaad te worden. Maar de eigenaar van het café had er geen zin meer in.

‘Luister dame, als u hier alleen een beetje komt zemelen over letters, dan zou ik u willen aanraden lekker naar de boekenwinkel hier tegenover te gaan. Letters genoeg.’

Driftig deed de vrouw haar spullen in haar handtas. ‘Het is een schande,’ zei ze. ‘Een schande! Klinkers zijn prachtletters! Ze verdienen het niet zo behandeld te worden! Een schande is het!’ Ze stommelde naar de uitgang.

De man liep hoofdschuddend naar de bar. Daar zei hij tegen de serveerster: ‘Kun jij vandaag alle klinkers van de menukaart halen?’ Hij gaf een hoofdknikje in de richting van de deur die de vrouw net achter zich had dichtgesmeten. ‘Ik wil daar echt niet mee geassocieerd worden.’

Stoplicht

21-06-2016

Ik zou hier niet moeten zijn.

Ik zou hier niet moeten zijn.

/

21-06-2016

‘Er is geen reden om zo bedroefd te kijken,’ zegt de oude man met de baard tegen de jonge man bij het stoplicht. ‘Er is geen reden je schouders te laten hangen.’ ‘Wat weet u daar nou van?’ antwoordt de jongen met verdrietige ogen. ‘Wat weet u nou van mijn gedachten, van de gebeurtenissen in mijn leven? Wat weet u van mijn verdriet?’

‘Niets,’ zegt de oude man met de baard. ‘Van jou weet ik niets. Zoals jij van mij niets weet. Maar dat heeft met geluk niet te maken. Zie je die zonnestralen op het natgeregende wegdek? Hoor je de kinderen hollen op het schoolplein hierachter? Voel je het briesje op je huid? Dat is wat wij delen, dat is de werkelijkheid van bij dit stoplicht staan.’

De auto’s van links hebben groen, de man met de baard en de jongen zetten een klein stapje achteruit.

‘U heeft geen idee van mijn werkelijkheid,’

zegt de jongen. ‘Ziet u deze spijkerbroek die ik heb aangetrokken? Dit vest, deze schoenen? Ziet u hoe mijn haren nog nat zijn van het douchen? Het kostte me vandaag vier uur om tot dit punt te komen. Om de kracht te vinden uit bed te stappen, een douche te nemen, me af te drogen, me aan te kleden. Daarna heb ik een uur uit het raam gekeken, ik heb moed verzameld. Moed om naar buiten te gaan. Ik heb mijn telefoon gezocht, mijn sleutels, mijn portemonnee. Het duurde wel een halfuur. Ik heb alles in mijn zakken gestoken en nu ben ik hier bij het stoplicht. Vertel me niet over de zonnestralen. Mijn kleding voelt zwaar op mijn lichaam, ik kan elk moment worden opgeslokt door het asfalt, verdwijnen in de gracht. Ik moet me dwingen stil te staan voor het rode licht, niet met ferme passen voor een truck te stappen. En dat is nog niet het ergste. Het ergste is dat het me niet uit zou maken. De eerste seconden misschien- ik heb nooit goed tegen pijn gekund. Maar daarna…’

Het licht springt op groen. Ze lopen naast elkaar naar de overzijde van de straat.

‘Heb je iets gegeten?’ vraagt de man met de baard. ‘Gisteren heb ik gegeten,’ zegt de jongen. ‘Vandaag nog niet. Ik zie geen reden te eten. Het zal alleen verlengen.’ ‘Ja,’ zegt de man met de baard, ‘dat is waar.’ Hij is even stil en zegt dan: ‘Ik wil je vragen, ik hoop dat het je niet ongemakkelijk maakt, ik wil je vragen om een koffie met me te drinken. In het koffiehuis, daar op de hoek. Ik zal het voor je betalen.’

‘Ik heb geen reden dat te doen,’ zegt de jongen met verwarring in zijn ogen. ‘Dat is waar,’ zegt de man met de baard. ‘Maar wat moet jij nou nog met een reden? Wat kan jou nou nog bewegen? Een goed argument? Daar trap ik niet in. Ik vraag je mee te komen, zonder reden. We laten de zon, de wind, de aarde buiten beschouwing, dat beloof ik. Die koffie, dat vraag ik je als een vreemde bij het stoplicht.’

‘Goed,’ zegt de jongen. Zwijgend lopen ze naar het koffiehuis. De eigenaar begroet hen hartelijk, de twee mannen kennen elkaar al lang. De man met de baard bestelt twee koffie en twee broodjes kaas.

‘Waarom doe je dit?’ vraagt de jongen na de eerste slok koffie. ‘Jouw pijn is ook de mijne,’ zegt de man met de baard. ‘Dat kan niet,’ zegt de jongen. Ze zwijgen.

‘Ik ben blij dat je er bent,’ zegt de man met de baard dan. ‘Het is een misverstand,’ zegt de jongen, ‘ik zou hier niet moeten zijn.’ ‘Maar je bent er,’ zegt de man met de baard. ‘Ja,’ zegt de jongen en hij veegt een traan weg.

De man met de baard rekent af. Ze lopen samen naar buiten en staan dan stil. Ze zoeken naar een passend afscheid. ‘Bedankt,’ zegt de jongen en hij geeft een hand. ‘Jij bedankt,’ zegt de man met de baard.

Ze gaan elk een andere kant op.

De vrouw van de bloemenstal staat de jongen al op te wachten. Zijn bestelling ligt klaar.

Bewustzijn

17-05-2016

Samen trekken ze elkaar onder.

Samen trekken ze elkaar onder.

/

17-05-2016

‘Mag ik je even wijzen op onze crowdfundingcampagne?’ Het meisje wacht niet op mijn antwoord. Waarschijnlijk had ze al gezien dat ik niet echt aan het werk ben hier. Dat ik zo iemand ben met een laptop in een café, zo iemand met een opdracht hier en een opdracht daar en heel veel niks ertussen. In dat gedeelte met niks drink ik, of beter, drinkt mijn soort koffie uit hoge glazen. Soja lattes, macchiatos, seasons specials… alles in een onvoorstelbaar traag tempo. Daar wordt het drankje niet beter van, maar zo kun je wel lang blijven zitten zonder de rekening uit de hand te laten lopen.

Ze draagt een gebleekte spijkerbroek met een hoge taille. Eronder spierwitte gympen en erboven een kort wijd shirtje met een ananas erop. Ze draagt haar lange bruine haren los, maar heeft een paar lokken bovenop haar hoofd samengebonden in een nestje. Haar lippen zijn knalrood gestift en ze heeft een zwart lijntje bij haar ogen getekend. Ze is, kort gezegd, een lekker wijf.

‘Crowdfunding?’ vraag ik terwijl ik nog snel een worddocument open, om een werkende indruk te maken. Ze komt naast me zitten.

‘Het is een campagne voor onbewustzijn,’

‘Onbewustzijn? Zoals een coma?’ vraag ik.

‘Nee dat is bewusteloos zijn,’ zegt ze, ‘wij strijden juist voor onbewustzijn.’

‘Maar wie zijn wij dan precies?’ vraag ik, terwijl ik me veel te klein en te slecht gekleed voel voor dit gesprek.

‘We heten TUC, dat staat voor The Unconscious Circle, een groep avant garde vrijheidsdenkers, zeg maar.’

Ik kan niet geloven dat ze ‘avant garde’ en de uitdrukking ‘zeg maar’ in één zin heeft weten te gebruiken, maar ik zeg er niks van omdat het vast zou tonen hoe weinig avant garde ik ben.

‘En wat is nou precies wat jullie willen?’ vraag ik daarom maar.

‘Het is een campagne om ervoor te zorgen dat de mensen zich minder bewust zijn van alles.’

‘Van alles?’

‘Nouja, misschien niet alles, maar in elk geval veel. Ja, dat is wel hoe TUC de toekomst ziet. Dus wil je ons steunen?’ Ze geeft me een foldertje aan. ‘Lees dit anders even, ik loop de hele dag al hetzelfde te zeggen weetjewel.’

Ik neem het foldertje aan en lees de introtekst.

‘Ook zo bewust van uw eigen gedachten, daden, dromen, angsten en verlangens? Recent onderzoek wijst uit dat 8 op de 10 mensen lijdt onder bewustzijnsobesitas, ook wel B.O. Een leven met B.O. kenmerkt zich door gepieker, gewik en geweeg, lange gesprekken over het eigen leven en de maatschappij. B.O.-ers lijden nooit alleen, maar weten zich te omringen met gelijkgestemden. Samen trekken ze elkaar onder en breiden ze hun territorium uit. Hun problemen moeten worden aangekaart en gedeeld, campagnes worden gevoerd voor allerhande zaken…. Dit alles in het kader van vergroting van het bewustzijn van iedereen. B.O. is een volksziekte die snel om zich heengrijpt en grote gevolgen kan hebben. Steun daarom onze actie, want: ignorance is bliss!’

‘Ik begrijp toch niet helemaal…’ probeer ik in te brengen.

‘Dat is omdat je teveel nadenkt, sterker nog: ik durf te wedden dat jij het ook hebt…’

‘Dat ik wat heb?’

‘Een te groot bewustzijn, bewustzijnsobesitas.’

‘Denk je niet dat ik dat wel in de gaten zou hebben als ik daar last van zou hebben?’ vraag ik nijdig, wat ik gênant vind, want ik wil me niet op de kast laten jagen, door niemand niet. En al helemaal niet in deze koffietent die ik als mijn woonkamer beschouw, dan kan ik me hier niet meer vertonen.

‘Waarom vind je het vervelend dat ik dat zeg?’’

‘Omdat het onzin is wat je zegt,’ antwoord ik.

‘Ben je daarom ook niet van streek nu?’ vraagt ze pesterig.

‘Nee, ik ben niet van streek nu. Ik ben aan het werk, laat me met rust.’

‘Doe je werk dat je leuk vindt?’

‘Wat is dat nou weer voor vraag?’

‘Heb je daar nooit over nagedacht dan?’’

‘Ja, natuurlijk heb ik daar wel over nagedacht.’ Continue zelfs, denk ik erachteraan.

‘En?’

‘En, en, ik heb besloten iets te doen wat ik leuk vind. Dus.’ Ik voel me een beetje wiebelig maar probeer haar vol zelfvertrouwen aan te kijken. Ik zie hoe ze zich inhoudt me niet in mijn gezicht uit te lachen.

‘Okee,’ zegt ze dan, ‘jij hebt het dus niet nodig, onze training?’

‘Nee, heb ik niet. Ik ben namelijk prima tevreden zoals het is.’

‘Heel goed,’ zegt ze.

‘Ja,’ zeg ik, ‘heel.’

Dan loopt ze de koffiebar uit met haar wolkenloze hoofd en keer ik weer terug naar mijn beeldscherm waar een leeg document me aankijkt.

‘Bemoei je er niet mee,’ zeg ik hardop tegen mijn scherm.

‘Sorry?’ een jongen naast me tilt zijn koptelefoon aan een kant op.

‘Niks,’ zeg ik, ‘soms zeg ik zomaar wat.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vriendschap

04-04-2016

Ach, je weet hoe het gaat..

Ach, je weet hoe het gaat..

/ /

04-04-2016

Lia zat in het café te wachten op Mieke. Eigenlijk spraken ze nooit af met z’n twee. Ze kenden elkaar via hun mannen die al vrienden waren sinds de middelbare school. Ze kenden elkaar van de vriendengroep die uit vijf stellen bestond. Zo’n groep die samenkwam met oud en nieuw en samen ging wintersporten. Je zou dus kunnen zeggen dat ze elkaar goed kenden, maar dat was niet waar. Lia wist vooral van alle successen uit het leven van Mieke. Ze wist van alle carrièrestappen die ze had genomen, ze wist van de zoektocht naar de perfecte woning die ze nu hadden gevonden. Met de aanschaf van de nieuwe woning waren er ook een hoop nieuwe gespreksonderwerpen gekomen. Vloeren, aannemers, tuinontwerpers, gordijnen, stoomovens, internetproviders, de lijst leek onuitputtelijk.

Toch voelde Lia zich een beetje nerveus tijdens het wachten op Mieke. Er was namelijk iets waar ze haar vinger niet op kon leggen. Er was iets aan het contact met Mieke, iets wat Lia altijd deprimeerde. Mieke sprak altijd met een stralende lach op haar gezicht, een lach waarmee ze elk mannenhart kon veroveren. Dit maakte dan ook dat de vriend van Lia geen idee had wat Lia’s bezwaar was tegen Mieke, wanneer ze erover begon.

De laatste keer was het zo gegaan: ‘Er is iets waardoor ik me altijd een beetje rot voel, na een gesprek met Mieke,’ zei Lia in de badkamer, terwijl Marc zich aan het scheren was. ‘Iets geeft me het gevoel dat ik een sukkel ben en dat zij supersuccesvol is in alles.’ Marc zuchtte. ‘Wat is dat toch met jou? Mieke is echt een topwijf, als je het mij vraagt.’ ‘Er is iets, echt, en ik ben niet de enige, ik had het erover met Fenna en zij heeft het ook..’ ‘Jullie vrouwen zijn echt vreselijk. Lekker roddelen met elkaar en wanneer jullie haar dan weer zien, poeslief doen. Ik ben blij dat ik geen vrouw ben.’ zei Marc. ‘Nee, het is echt niet roddelen, het is gewoon zo dat ze je op heel slimme manier het gevoel weet te geven dat…’ ‘Weet je wat je doet,’ onderbrak Marc haar, ‘Je gaat gewoon eens met haar lunchen ofzo. Dan zul je zien dat het echt zo erg niet is. Kun je gelijk dat nieuwe tentje bij de waag eens proberen.’ Lia hoorde aan zijn stem dat het geen suggestie was, maar een dringend verzoek. Ze stuurde een appje naar Mieke die natuurlijk onmiddellijk heel erg aardig reageerde.

Lia had een nieuwe jurk aangetrokken omdat ze zich altijd zo underdressed voelde vergeleken met Mieke.

Ze speelde wat met suikerzakjes die in het bakje op tafel stonden. Toen klonk het getik van hoge hakken op de tegelvloer van het café dat het uiterlijk van een Franse brasserie had. Mieke droeg een lange trenchcoat, had haar haren op een wilde manier opgestoken en droeg een witte blouse met een jeans die haar lange slanke benen accentueerde. Aan haar arm bungelde een handtas die ruim 800 euro had gekost, wist Lia van Fenna die ook in de vriendengroep zat.

‘Lia, wat een leuk idee!’ riep Mieke halverwege de zaak. Ze zette de tas op een stoel en gaf een stevige omhelzing, alsof ze hele goede vriendinnen waren of alsof ze elkaar al jaren niet meer hadden gezien. Dat was allemaal niet waar, maar Lia wist niet anders te bedenken dan maar mee te gaan in het theater.

Ze spraken wat over de locatie en bestelden toen bij de serveerster die verkleed was als Frans kamermeisje. ‘Ik wil wel een verse jus en de groene salade met makreel,’ zei Lia. ‘Wil je daar brood bij?’ vroeg het meisje. ‘Nee, dankje,’ zei Lia, die een stuk steviger was dan Mieke en zich niet comfortabel voelde wanneer ze teveel zou eten in het bijzijn van Mieke. ‘Voor mij ook een verse jus, en de croque monsieur,’ zei Mieke. ‘Wilt u daar een gebakken ei op?’ vroeg de serveerster. ‘Ja, graag,’ zei Mieke.

‘Leuke jurk heb je aan,’ zei Mieke toen de serveerster weg was.

‘Dankje,’ zei Lia.

‘Het staat je echt mooi, deze kleur. Veel beter dan toen je zoveel pastels droeg, dat maakte zo flets. Dit is echt jouw kleur.’

‘Dankje,’ zei Lia weer, ‘hoe gaat het met het huis?’

‘Ach, je weet hoe het gaat, als ik ergens aan begin, zie ik het helemaal voor me, en dan heeft Stijn het niet makkelijk..’

Lia dacht aan de vriendelijke, knappe man die met Mieke getrouwd was. Alles wat ze maar wilde, hij zou het voor haar doen. Hij was liefdevol en geduldig, ook toen Mieke halverwege de verbouwing een gesloopt muurtje opnieuw liet bouwen omdat dat toch mooier was.

‘..maar het is nu dus echt bijna klaar. Precies zoals ik het in mijn hoofd had. En volgende week gaan we drie weken naar Thailand, om even bij te komen.’

‘Fijn,’ zei Lia begripvol.

‘Ja, we gaan gewoon lekker rondreizen, niks geboekt, behalve de eerste nacht en de laatste drie, dan zitten we in een soort drijvend hotel, misschien heb je het wel gezien in dat bbc programma, ‘The most amazing hotels on the planet.’

‘Nee, niet gezien.’

‘Moet je echt kijken, Stijn en ik zijn er verslaafd aan. En het is ook zo fijn om lekker samen op pad te gaan. Je vindt elkaar weer opnieuw uit. Misschien ook wel goed voor jou en Marc.’

‘Denk je?’

‘Het is goed voor elk stel, echt waar.’

Het eten werd neergezet. Lia keek met jaloerse ogen naar het bord van Mieke, die zei: ‘Soms moet ik gewoon zoiets eten, om een beetje op gewicht te blijven. Als ik niet oplet, vergeet ik gewoon te eten.’

‘Nou, daar heb ik geen last van,’ zei Lia, ‘ik vergeet genoeg in mijn leven, maar eten is niet één van die dingen, ik krijg gewoon trek rond lunchtijd.’

‘Dat dacht ik al,’ zei Mieke.

Na het eten bestelden ze nog een kopje koffie. Mieke had zich even geëxcuseerd toen haar telefoon ging. Ze stond buiten te bellen. Lia keek naar beneden, naar de jurk die ze ineens niet meer mooi vond, naar haar nagels die vierkant waren en niet zo mooi gevijld als die van Mieke. De koffie werd neergezet met een bordje met vier petit-fours erop. Er waren twee lichtgele, eentje in het roze en een witte. Erbovenop kleine bloemen van marsepein. Het waren kunstwerkjes, vakkundig gemaakt door de patissier die uit Parijs was ingevlogen.

Lia keek naar buiten en zag dat Mieke nog midden in haar telefoongesprek leek te zitten. Zonder na te denken nam ze een geel petit fourtje en stak hem in haar mond. Het smaakte zacht, zoet, met luchtige cake en fluwelen room vanbinnen. Ze keek weer naar Mieke die nog steeds druk aan het praten was. Nu nam ze ook het roze taartje, weer in één grote, gulzige hap. ‘De andere zijn voor Mieke,’ mompelde Lia. Ze keek weer naar buiten waar ze zag hoe Mieke niet langer aan het bellen was, maar een andere mooie vrouw omhelsde.

Ook het witte taartje verdween. Kort daarna de laatste gele. Lia zette het lege bordje in de vensterbank.

Mieke kwam weer binnen.

‘Sorry hoor,’ zei ze, ‘eigenlijk heb ik helemaal nergens tijd voor, de zaken gaan zo goed. Maar dan vind ik het veel te leuk om even buiten de deur te lunchen. Bij jouw werk kun je vast veel langer gemist worden.’

Lia wilde iets terugzeggen, maar in plaats daarvan knikte ze weemoedig. Ze voelde hoe het suikergoed met de makreel mengde in haar maag. Het was niet best.

Mieke dronk haar koffie met grote slokken en stond toen op. Ze omhelsde Lia weer innig. ‘Sorry, maar ik moet er echt vandoor nu. Super om je even te zien!’

De hele rekening bleek al te zijn betaald toen Lia bij de bar kwam. Bij thuiskomst zat Marc een computerspel te spelen op de bank. ‘Hoe was het?’ vroeg hij met zijn ogen op het scherm gefixeerd. ‘Gezellig,’ zei Lia. ‘Zie je nou wel,’ zei hij.

Excursie

08-03-2016

Het heeft ook wel weer wat.

Het heeft ook wel weer wat.

/ / /

08-03-2016

Het was niet zo avontuurlijk als wat de buren op vakantie deden, iets met fietstochten door de jungle van een onontdekt land of met elastiek aan de enkels een ravijn induiken, maar ze hadden er ook voor kunnen kiezen om helemaal geen excursie op het eiland te doen. Alleen maar zwembadtijd, beetje hangen, beetje drinken en slapen. Af en toe een hoofdstuk lezen uit een van de bestsellers die ze op het vliegveld hadden gekocht en dan een ijsje halen. Het echte luieren… ze hadden het wel gedaan, maar dat was voor de eerste paar dagen, nu was het tijd voor actie, een excursie.

Dat was wat Hanne had gezegd tegen haar verloofde, Jesper. Ze waren een hoog opgeleid stel van begin de dertig. Ze hadden drukke banen, een koopwoning, een degelijke auto, een goed onderhouden tuin, twee ipads en een televisie met heel veel zenders. Ze hadden vrienden, een stamkroeg en een hogedrukspuit tegen de groene aanslag op de tegels van het terras. Ze hadden donkerblonde haren en allebei een buikje. Jesper was akkoord gegaan met het plan en daarna hadden ze elkaars rug ingesmeerd met de zonnebrandcrème die Hanne had gekocht bij de 1+1 gratis week van de drogisterij.

De dag van de excursie hadden de wekker gezet, haastig ontbeten bij het buffet en daarna waren ze naar de bushalte gelopen waar een touringcar ze kwam halen voor de tocht naar het ongerepte deel van het eiland. Een deel waar je kon zien hoe dit eiland ooit was ontstaan, welke planten er groeiden- anders dan de palmbomen die bij elk resort stonden- maar vooral zou het een deel zonder hotels, restaurants, casino’s en toeristen zijn. Behalve dan die vijftig uit de touringcar, uiteraard.

Voorin de bus stond de dame van de reisleiding, een stralende vrouw met fonkelblauwe ogen en lang donker haar. ‘Goedemiddag, dames en heren,’ zei ze vol enthousiasme in de microfoon. Kennelijk waren er alleen maar Nederlanders aan boord, want ze vertaalde niets. In de folder van deze excursie stond in tien verschillende talen: ‘Ook in uw taal!’ en ook de menukaarten in de meeste restaurants waren verkrijgbaar in minimaal vijf talen of anders met foto’s van het eten. Foto’s die een realistisch beeld gaven van de situatie die zich op je bord zou voordoen, meestal iets met wit deeg, rubberachtige kaas en een referentie naar het idee van groenten.

‘Mijn naam is Stella en ik ben jullie reisleider deze prachtige dag! En wat gaan we doen? Nou ik zal u zeggen wat we gaan doen! Wij gaan genieten! Van elkaar! Van de natuur! Van hoe God het ooit bedoelde!’ In principe was geen van de passagiers in de bus van plan om contact te maken met de anderen, maar enkelen zochten nu toch naar blikken van verstandhouding die hier wel op hun plaats zouden zijn.

‘Ik moet zeggen, u ziet er werkelijk verrukkelijk uit allemaal!’

riep ze. ‘Ik loop even door het pad naar achteren dan kan ik u goed bekijken en ziet u mij ook even vanachteren, als u begrijpt wat ik bedoel!’ Lachend liep ze het pad door, zo nu en dan aaide ze een klein kind over zijn bol, gaf ze een knipoog aan een zongebruinde vader, maakte ze een compliment over een zomerjurk of mooi gelakte nagels.

Toen ze bij Hanne en Jesper aankwam, veranderde haar blik. Hanne zat bij het raam, en Stella besloot op de smalle armleuning van Jesper plaats te nemen, waardoor ze praktisch op zijn schoot zat. ‘Zo…’ zei ze. ‘Zozooo…’ Jesper lachte ongemakkelijk, Hanne lachte niet. ‘Hebben jullie het een beetje aangenaam hier op het eiland?’ ‘Prima, niks te klagen,’ zei Jesper. ‘Mooie haren heb je,’ zei Stella tegen Hanne. ‘Dankje,’ zei Hanne terwijl ze naar buiten bleef kijken. ‘Mag ik het even aanraken?’ ‘Nee hoor, bedankt.’ ‘Jammer,’ zei Stella. ‘Het is gewoon… deze baan maakt me zo…’ ze keek naar buiten. ‘Oh! Ik zie een highlight!’ De bus stopte bij een vlakte met in het midden een rots die een klein beetje op een pandabeer leek. Een pandabeer, gekleid door een kind van drie, met net te weinig klei.

‘Dat wijf is gestoord,’ siste Hanne tegen Jasper. ‘Beetje apart is ze wel ja, maar gestoord? Het heeft ook wel weer wat.’ Zoveel woorden zei Jesper zelden achterelkaar en Hanne keek hem koud aan. ‘Het heeft wel weer wat? Zeker omdat ze met haar magere kont op je schoot kwam zitten?’ ‘Ze zat niet op mijn schoot, ze zat..’ ‘Laat maar.’ Hanne kon op verschillende manier uitdrukken dat ze pissig was, en lopen was er één van. Haar pissige loopje kende Jesper maar al te goed, en nu demonstreerde ze het terwijl ze steeds verder wegliep van de touringcar. Een man vroeg of Jesper een foto kon nemen van hem met zijn vrouw en obese tienerdochters. Het moest drie keer opnieuw. ‘Ik doe er wel een filter over’ zei de oudste dochter ernstig.

‘Dames en heren! Wij gaan weer verder!’ riep Stella. De groep sjokte terug richting de bus. Jesper keek om zich heen, maar Hanne was nergens meer te zien. Ook in de bus geen spoor van Hanne.

‘Stella, mijn verloofde is er nog niet,’ zei hij, ‘ze was even die kant opgelopen, maar nu zie ik haar nergens meer.’ ‘Dat is heel ernstig,’ zei Stella, ‘maar we kunnen nu niet hier blijven. Onze lunch wacht op ons, ze hebben meerdere groepen vandaag, dus we mogen niet te laat komen.’ ‘Maar, maar… we kunnen haar toch niet achterlaten hier?’ Stella zuchtte. ‘Nee, dat zullen we ook niet doen. Ik bel mijn collega’s die het gebied goed kennen, dan gaan zij nu naar haar uitkijken, en wij naar de lunch. Dan pikken wij d’r daarna wel weer op.’ ‘Ik help liever met zoeken,’ zei Jesper. ‘Met dat zachte lijf van je? Nou, neem maar van mij aan dat anderen dat beter kunnen. Ze zal terug zijn voor je het weet.’ En met die woorden werd hij terug de bus in gedirigeerd.

Na een kwartiertje rijden kwamen ze bij het restaurant aan. Het zag eruit als een chalet en de bediening had vijf biertafels gedekt voor de groep. Ze aten brood, olijven, een waterige groentensoep en daarna pasta. Toen was er koffie en taart en een halfuurtje vrije tijd om wat rond te kijken of een traditioneel geborduurd tafelkleed te kopen bij het tafeltje van een kleine vrouw met een snor.

Jesper kon zich niet ontspannen. Ook niet toen Stella achter hem kwam staan en zijn schouders masseerde terwijl ze zachte woordjes in zijn oor fluisterde. ‘Maak je niet druk, jij knappe man, maak je niet druk..’ Snel drukte ze een harde kus in zijn nek, onder zijn oor. Jesper was te verbaasd om te reageren en dronk een halve liter bier om van de schrik te bekomen.

Toen het halfuur wachten voorbij was, gingen ze terug naar de plek waar Hanne kwijt was geraakt.

Zoals gezegd, had Hanne meerdere manieren om het woord pissig met haar lichaam uit te drukken. Jespers hart maakte een sprongetje toen hij haar pissig zag staan, niet ver van de pandarots. De deuren van de bus werden geopend en Stella gebaarde Hanne binnen te komen.

Nu zag Jesper het pas goed. Ze was niet pissig, ze was furieus. Ze nam plaats naast Jesper en zei: ‘Hoe kon je me nou zo achterlaten? Wat is er godverdomme mis met je?’ ‘Het moest, want de groep moest eten en Stella zei dat…’ ‘Stella, Stella, godverdomme. Dan ga je toch lekker met je Stella!’ ‘Schatje, doe nou niet..’ probeerde hij. Toen zag Hanne de lipstickafdruk van Stella achter zijn oor. Ze was zo kwaad dat ze bang was dat ze hem ter plekke zou vermoorden.

In plaats daarvan deed ze haar armen overelkaar en keek ze naar buiten. De rest van de excursie weigerde ze de bus te verlaten. Toen ze ‘s avonds bij het resort kwamen, informeerde ze bij de receptie naar een andere kamer. Die hadden ze. Jesper begreep er niks van. ‘Ga er maar even heel goed over nadenken,’ zei Hanne met woeste ogen.

Die avond liet Hanne roomservice komen in haar privékamer. Of eigenlijk was het andersom.

De volgende dag werd ze wakker in een uitstekend humeur. Ze zag vlagen van de knappe exotische ober voor zich, haar kleding lag verspreid rond het bed. Passie was toch niet het kenmerk van een man uit Oosterbeek, dacht ze. Ze nam een douche en ging terug naar Jesper. Hij had die nacht nauwelijks geslapen, had de lippenstift gezien toen hij zijn tanden ging poetsen. Hij was naar de receptie gerend, maar daar weigerden ze het kamernummer van zijn verloofde te geven. Na een uur was hij afgedropen. Nu zat hij met rode oogjes op het bed. ‘Het is al goed,’ zei Hanne. ‘Het is al goed.’

Tattoo

05-02-2016

Ik weet het goedgemaakt.

Ik weet het goedgemaakt.

/ /

05-02-2016

Ze hield het theekopje goed vast en keek om zich heen. Overal hingen afbeeldingen van tatoeages, chinese tekens, draken, vlammen, tribals, ankertjes en pin-ups, alles was mogelijk hier. Tussen de afbeeldingen hingen diploma’s en certifcaten van de inspectie. Een tatoeage, ze had het nooit serieus overwogen, maar mocht ze het ooit willen, dan was dit vast een goede plek. De studio was in elk geval een stuk minder heftig dan ze had gedacht. Er stond geen harde rockmuziek op, het rook fris en ze kreeg een kopje biologische kruidenthee aangeboden.

Ze zat op een rood pluche fauteuiltje, tegenover haar was de eigenaar van de tattooshop gaan zitten. Ze was naar binnen gekomen om een pakketje dat per ongeluk bij haar bezorgd was, af te geven. Sinds kort waren overburen, ze woonde nog maar drie weken in het huisje schuin tegenover de shop.

Vaak was ze al voorbij gelopen. Steeds hadden ze naar elkaar gelachen, gezwaaid zelfs. In haar hoofd was hij een leuke interessante man geworden, en heel anders dan wat ze gewoonlijk aan mannen ontmoette.

Zomaar een gesprek beginnen was niet haar sterkste kant, maar met de komst van het pakketje had ze een echte reden gekregen om binnen te lopen, een praatje te maken. Voor de zekerheid had ze even een beetje lippenstift opgedaan voordat ze naar hem toe ging. Haar joggingbroek verving ze voor die ene spijkerbroek waarin ze een buitengewoon goede kont had.

Hij had haar hartelijk ontvangen, thee ingeschonken, was met haar gaan zitten en had verteld over zijn zaak. Hoeveel klanten hij had, wat de leukste opdrachten waren, dat soort dingen. Zij vertelde over haar werk als freelance consultant, over de woning die ze met veel geluk had weten te bemachtigen, over de dingen die ze nog ging veranderen in haar huis.

Hij luisterde en lachte om al haar grapjes. Ze voelde zich op haar gemak, hoewel ze in de spiegel zag dat ze wel een beetje rode konen had gekregen, alsof ze een paar glazen rosé had gedronken op nuchtere maag.

‘Doet het pijn, zo’n tatoeage?’ vroeg ze aan hem.

‘Ik kan het je wel even laten voelen, doe ik er gewoon geen inkt in,’ had hij gezegd.

Zoiets zou ze normaal gesproken nooit gedurfd hebben, maar om nu tegenover deze compleet ondergetatoeëerde man te zeggen dat ze het niet durfde, dat was nog enger dan het gewoon maar te doen.

Hij demonstreerde het door een stukje op haar arm onzichtbaar te tatoeëren. Het deed inderdaad veel minder pijn dan ze had gedacht.

‘Wat voor plaatje zou je nemen als je er eentje zou laten zetten, wat vind je mooi?’

‘Die bloemen vind ik wel mooi,’ zei ze terwijl ze op een paar tekeningen wees die vlakbij de deur hingen. ‘Maar het is toch niet echt iets voor mij. Heb er nooit serieus over nagedacht, tenminste.’

‘Blader anders even hier doorheen,’ zei hij terwijl hij een map vol voorbeelden overhandigde.

Hij ging op de armleuning van haar stoel zitten en keek over haar schouder mee naar de plaatjes. Een paar keer raakte hij haar rug zachtjes aan, ze hoopte dat het nog vaker gebeuren zou.

‘Ik denk dat ik deze het mooiste vind,’ zei ze toen, wijzend op een plaatje van een viooltje. ‘En mijn oma heette ook Violet.’

‘Mooi vind ik dat, dat er wel betekenis bij zit,’ zei hij, ‘soms dan willen mensen zomaar wat, en dat slaat dan gewoon nergens op. Vorige week nog, heb ik een pot Nutella op iemands kuit moeten zetten. Natuurlijk hield die gast wel van Nutella, maar je kunt toch moeilijk je hele been volzetten met je boodschappenlijstje.’

Ze lachte om zijn grapje, iets harder dan nodig.

‘Ik kan hem ook heel mooi klein maken,’ zei hij toen. ‘Dat het echt een soort geheimpje van jezelf wordt, ergens op je voet bijvoorbeeld. Je hebt mooie voeten, dat zag ik al meteen.’

Verlegen keek ze naar haar voeten in haar favoriete leren sandaaltjes.

‘Mag ik even?’ vroeg hij toen en hij gebaarde naar haar enkel. Verward knikte ze.

Hij nam haar rechtervoet op zijn schoot en deed het sandaaltje uit. Toen bestudeerde hij beide zijden van haar enkel en zei: ‘deze plek zou prachtig zijn.’

Ze probeerde haar voet terug te trekken, maar hij had haar enkel stevig vast. Bovendien hield hij nu in zijn andere hand het zoemende apparaatje met de naald erin.

‘Nee, dankje’ zei ze met paniek in haar stem. Hij leek haar niet te horen.

‘Niet doen,’ zei ze nu luider. Ze voelde speldenprikjes in haar huid en durfde zich niet meer te bewegen, bang om meer schade aan te richten. Ze huilde en keek de andere kant op.

Toen was hij klaar. In minuten had het kort geduurd, in beleving zou het nooit meer voorbij gaan.

Op haar enkel een klein viooltje.

‘Zo,’ zei hij. ‘De eerste is altijd heftig.’

‘Maar, maar ik wilde helemaal geen tatoeage.’

‘Doe niet zo gek. Je loopt hier al dagen lachend voorbij, komt hier een beetje met me zitten ouwehoeren, gouden sandaaltjes en alles… en nu wil mevrouw het niet meer?’

Ze keek bedremmeld naar de grond. Zou hij gelijk hebben?

Hij legde zijn hand op haar schouder en zei toen: ‘Ik weet het goedgemaakt. Deze krijg je van mij. Omdat we buren zijn.’

Bevend ging ze weer naar buiten. Ze schaamde zich als nooit tevoren en vroeg zich af of ze dit ooit aan iemand vertellen zou.

Diner

12-01-2016

Elke keer denk ik aan jullie.

Elke keer denk ik aan jullie.

/ / /

12-01-2016

Camille en Rogier zaten tegenover elkaar in het restaurant. Ze kwamen hier wel vaker, ze pasten goed in het moderne, strakke interieur met witte leren banken, designstoelen en industriële lampen. Het restaurant lag in een van de duurdere straten van de stad, en het eten was dan ook niet goedkoop. Voor Camille en Rogier maakte het niet uit. Geld was niet iets waarover ze na hoefden te denken. Eigenlijk hoefden ze over niks echt na te denken, het liep, alles liep. Soms hadden ze wel stress natuurlijk, zoals laatst toen de nieuwe auto drie weken te laat werd geleverd, of toen er bijna geen chalet meer te boeken was in de periode die zij vrij hadden genomen om te skieën. Het was allemaal goed gekomen, gelukkig.

Ze aten zwijgend. Hij had de entrecôte besteld, zij een pasta met zeevruchten. ‘Zeevruchten,’ dacht ze bij zichzelf, ‘waarom vruchten? Het zijn toch ook geen stalvruchten, of weidevruchten?’ Ze hield haar gedachten voor zich. Ze dronken een witte wijn die in de koeler op tafel stond. Zo nu en dan werden ze bijgeschonken door de serveerster die zo opgewekt was dat het leek of ze aan de drugs was.

Enkele tafels verderop vertrokken de gasten, vier in totaal. Het waren twee stellen van een jaar of dertig, lange mannen met vlassig haar, hand in hand met kleine onknappe vrouwen met zware benen. De vrouwen droegen grote leren handtassen en hadden hun haren opgestoken in een rommelige knot. Het was acht uur en ze waren al helemaal klaar met het diner. Vroege eters, daar hadden Camille en Rogier vroeger grapjes over gemaakt. Ze maakten veel grapjes. Over burgerlijkheid en mensen die om tien uur in bed liggen. Maar de grapjes waren opgegaan.

De serveerster hield de deur open voor de vroege eters. ‘Gezellige avond nog!’ riep ze hen enthousiast na. De stellen lachten en liepen met tevreden gezichten de kou in. De frisse buitenlucht glipte naar binnen, gaf Camille heel kort kippenvel op haar armen. Ze stopte even met eten en keek hoe Rogier zijn vlees at. Het was lang geleden dat uit eten gaan iets met gezelligheid te maken had. Dat ze elkaar werkelijk iets te vertellen hadden, naar elkaars antwoorden wilden luisteren, dat ze het eten bijzonder vonden, genoten van de luxe van niet koken, niet afwassen.

‘En hoe gaat het hier?’

De serveerster was op haar hurken aan de zijkant van de tafel gaan zitten. Ze had een bijzonder gezicht, breed en bleek met grote ogen waardoor ze iets van een jong meisje had. Maar zo van dichtbij kon je zien dat ze de veertig zeker geapsseerd was. ‘Prima,’ zei Rogier, zonder haar aan te kijken. ‘En voor u ook, mevrouw?’ vroeg de serveerster. Ze sprak met veel melodie in haar zinnen, alsof ze eigenlijk liever zou zingen. Camille knikte met een glimlach op haar gezicht. Meestal was dat genoeg om het personeel snel weer te doen verdwijnen. Maar deze serveerster bleef zitten waar ze zat. ‘Ik heb niet het gevoel dat het goed is,’ zei ze. Rogier fronste zijn wenbrauwen en zei: ‘Pardon?’

Op zijn kin lag een drupje pepersaus, die de serveerster er met een servet afveegde. ‘Nou, ik zie jullie hier vaker. En elke keer denk ik aan jullie- en dan denk ik bij mezelf, Dorith, je moet eens met ze gaan praten, met dat stel. Want ze zijn niet gelukkig, je moet ze vragen wat het is. Misschien kun je ze helpen. Dat is wat ik tegen mezelf zeg, en vandaag komen jullie binnen, eindelijk- jullie waren zeker wintersporten ofzo? Dus, vertel mij eens… wat is er toch mis?’

Camille wachtte af wat Rogier zou doen. Hij hield niet van mensen die hun werk niet goed deden, en waar deze serveerster nou aan was begonnen, behoorde niet bepaald tot haar normale takenpakket. ‘Interessante analyse,’ zei hij op een manier waaruit niet op te maken viel of het sarcastisch was of niet. ‘Vind je ook niet Camille?’ ‘Wat zeg je?’ deed Camille alsof ze het niet begreep. ‘Interessant, dat deze dame ons hier ziet zitten, en dan over ons nadenkt.’ Rogier ging met zijn tong langs zijn voortanden, een gewoonte waar Camille zich altijd aan ergerde. Hij vervolgde: ‘Dat geeft toch te denken. Kennelijk zijn we in het gezelschap van een alwetende serveerster..’ hij verborg zijn sarcasme niet langer en boog naar de serveerster toe, ‘..wat is het precies dat u voorstelt, oh, helderziende?’ De serveerster knipperde met haar ogen, maar gaf verder geen krimp. Ze wendde zich tot Camille die met rode konen aan de andere kant van de tafel zat. ‘Hoe is dat nou voor u, zo’n echtgenoot?’ ‘Ik ehm, ik denk dat u beter kunt gaan,’ zei Camille.

‘Jullie breken mijn hart,’ zei de serveerster met een snik in haar stem. Ze stond op en sprak nu op luide toon. Het was stil geworden in het restaurant, alle gasten keken naar haar, hoe ze met grootse handgebaren begon te spreken. ‘Een beetje vegeteren en doen alsof het liefde is. Jullie breken mijn hart. Nooit zingen onder de douche, een cadeautje zonder reden, een stiekeme voet onder de tafel, zachte woorden voor het slapen gaan. Jullie breken mijn hart. Jullie zouden de wereld kunnen zijn voor elkaar. Ja, jullie met zijn twee. Hoger klimmen, verder lopen, feller schijnen. Maar jullie praten over wijn, werk en belastingen. Jullie eten zonder te proeven, drinken gedachteloos, alsof jullie enkel aan het wachten zijn. Wachten op wat? Dat is wat ik me afvraag. Op de dag waarop echte pijn op jullie pad komt? Wat kan ik nog zeggen?’ Ze haalde diep adem. ‘Jullie breken mijn hart.’

Het was akelig lang stil in het restaurant. Toen brak iemand een glas en werd alles weer zoals het was.

‘De rekening, alstublieft,’ zei Rogier met schorre stem.